• Wie dolt hier met de dood?

    Wie dolt hier met de dood?

    Er zullen weinig boeken zijn die de lezer zo gepreoccupeerd openslaat als Zelfmoord van Édouard Levé. Kort nadat de auteur het manuscript van deze persoonlijke reflectie op de suïcide van een vriend aan zijn uitgever had gestuurd, hing hij zichzelf op. Met die wetenschap, die in flapteksten bij het origineel en in vertalingen wordt vermeld, ontkomt de lezer er niet aan het verhaal te willen interpreteren in het licht van die daad van de schrijver zelf. Was het boek een bewuste voorbereiding op zijn eigen zelfmoord? Ontstond zijn doodswens pas door wat hij opschreef? Of kwam die pas op toen hij de pen had neergelegd?
    Zelfmoord kent tal van passages die het verleidelijk maken er antwoorden in te lezen. Maar ook wie probeert dat niet te doen heeft een intrigerend boek in handen.

    Levé valt in Zelfmoord met de deur in huis: ‘Op een zaterdag in augustus kom je in tennistenue met je vrouw het huis uit. Halverwege de tuin geef je te kennen dat je je racket bent vergeten. Je gaat het halen, maar in plaats van naar de wandkast in de hal, loop je naar de kelder. Je vrouw merkt er niets van, het is mooi weer, ze geniet van de zon. Een paar tellen later hoort ze een schot’. De vroegere vriend heeft zich twintig jaar geleden doodgeschoten. Hij was 25 jaar.
    Drie dagen nadat Levé het manuscript op 5 oktober 2007 had ingeleverd belde de uitgever om een afspraak te maken voor de 18de. Drie dagen vóór die datum hing de auteur zich op. Hij was 42 jaar.

    Knikkers

    Toen de vrouw van de protagonist van Zelfmoord hem vond lag een stripboek geopend op tafel. Ze stootte het per ongeluk dicht, zodat het een raadsel bleef of dat open boek misschien als een laatste boodschap was bedoeld.
    Levé richt zich tot zijn vriend in de tweede persoon: ‘Je weet nu meer over de dood dan ik’. Hij doet dat in één lange, heen en weer springende, terugblik op diens omgang met het leven en de dood: ‘In mijn hoofd kom je tot leven in toevallige details, als knikkers die we uit een zak graaien’. Zo kunnen we al lezend geleidelijk een portret van de man krijgen: hij hield zich altijd afzijdig, was afstandelijk, somber, traag, immobiel, slim, kunstzinnig, lichtvoetig. De afstandelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit hoe Levé over de entourage van zijn vriend schrijft. De enige namen die in het boek worden genoemd zijn die van een lid van een vroegere schoolband en van een kennis die een barbecue geeft. Hoe de vriend zelf heet komen we niet te weten. Zijn ouders, broer en zus, zijn vrouw en andere intimi krijgen geen naam en blijven daarmee anonieme figuren.

    Omgekeerd lijken zijn naasten evenmin goed te weten hoe ze met zijn dood moesten omgaan. Tijdens de begrafenis krijgt zijn broer een zenuwtoeval en valt zijn zus flauw: ‘Twee verwilderde dieren in het verdriet van je uitvaart’. De moeder kan niet ophouden met huilen en de vader, door wie de vriend zich vernederd voelde, vlucht in schuldgevoel: hij prent maniakaal de hele tekst van het stripboek in zijn hoofd op zoek naar de geheime boodschap die er wellicht in lag.

    Verzamelingen

    Levé tekent zijn vriend aan de hand van korte scènes uit de tijd dat hij hem gekend heeft. Ze vertonen enkele steeds terugkerende trekken. Liever dan over zichzelf te vertellen is hij toehoorder: ‘de vragen die je stelde, dienden om je achter het luisteren te verschuilen’. Er zijn diverse toespelingen op de omgang van de vriend met verleden, heden en toekomst: ‘het heden was je tot last’. Veelvuldig is er het gedrag waarmee hij grip wil krijgen op wat er gebeurt en op de werking van het geheugen. De vriend verzamelde achternamen, bewaarde al zijn agenda’s en herlas die, in een boekje hield hij bij wat hij allemaal had kunnen doen (wie iets meer van Levé weet moet onmiddellijk denken aan zijn Oeuvres, waarin hij ideeën voor meer dan vijfhonderd werken opsomt die nooit zijn gerealiseerd) en zelfs had hij een agenda waarin hij de dagen tot zijn dood alvast invulde. En vooral zijn er de verwijzingen naar zelfmoord. Hij bezocht een concert waarin de zanger zijn polsen doorsneed, hij kocht tweedehands schoenen die van een zelfmoordenaar blijken te zijn geweest, en hij ontwierp zijn eigen grafzerk die hij voorzag van een sterfdatum als een bizar spel met degene die de zerk zou zien: ‘Niemand anders dan jij haalde het in zijn hoofd om te dollen met de dood’, schrijft Levé.

    Alter ego?

    Wat de vertelstijl betreft valt op hoe veel Levé van Georges Perec heeft opgestoken. De keuze voor de tweede persoon (‘je’) en de willekeurige wandelingen door de stad doen erg sterk denken aan Perecs Een man die slaapt; de behoefte om verzamelingen en inventarissen aan te leggen zou zo in diens Ik ben geboren kunnen staan. En Levé gebruikt voor verlaten, vervallen plekken zelfs letterlijk de term non-lieu (door Vandenberghe enigszins hybride vertaald met ‘non-plaats’) die Perec bezigde voor de restanten van de immigratiegebouwen op Ellis Island.

    Zoals in het begin al opgemerkt is het lastig Zelfmoord te lezen zonder er verwijzingen in te willen zien naar Levé’s eigen einde. Daarover is in de kritiek veel gespeculeerd. Een interessante gedachte – maar ook niet meer dan een idee – is die dat allerminst zeker is dat de vriend echt geleefd heeft; hij zou een fictief personage kunnen zijn, een alter ego van Levé (onder andere in de op internet beschikbare studie Une analyse des jeux narratologiques dans l’œuvre troublante d’Édouard Levé). In dit verband is opvallend dat Levé, die fotograaf was, zichzelf ooit portretteerde als tweeling.

    Ook zonder het beslissende antwoord is Zelfmoord een boeiende vertelling waarin menige verwijzing naar Levé’s eigen leven en werk zijn te vinden. Het begint al op de omslag van het boek: een door hemzelf gemaakt pointillistisch portret. Zelfmoord maakt nieuwsgierig naar meer van hem, zoals zijn Homonymes waarin hij gewone mensen portretteert die dezelfde naam hebben als een beroemdheid, of zijn Pornographie waarin hij mensen fotografeert in scènes uit pornografische films met dien verstande dat ze hun dagelijkse werkkleding dragen. Op Google zijn diverse afbeeldingen te vinden.

     


    Als u behoefte heeft om te praten over zelfdoding kunt u bellen met de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of kijk op www.113.nl.

     

  • Oogst week 41 – 2021

    Het Martyrium

    Het Martyrium van Elias Canetti is sinds de eerste Nederlandse vertaling uit 1967 altijd wel verkrijgbaar geweest. Dat gold tot kort geleden alleen nog voor de uitgave in de stijlvolle Perpetuareeks. Voor wie de prijs daarvan een bezwaar was is er nu van dezelfde uitgever een zeer betaalbare achtste druk, net als alle vorige vertaald door Jacques Hamelink. Canetti schreef de roman met de Duitse titel Die Blendung (Verblinding) volgens eigen zeggen in één jaar in 1930. Het werk verkocht pas goed sinds de jaren zestig.

    Het Martyrium is een allegorie over het verzet van de mens tegen de macht van het Kwaad. De wereldvreemde sinoloog Peter Kien, die volledig opgaat in zijn boeken, trouwt met zijn lelijke huishoudster Therese Krumbholz. Zij stort hem, louter belust op zijn geld, in het ongeluk. Het leidt er zelfs toe dat hij zijn huis wordt uitgezet. Zijn leven blijft zich echter rond boeken en bedrog afspelen en culmineert in de beroemde scène waarin hij zijn eigen bibliotheek en uiteindelijk zichzelf in brand steekt. Een nog altijd beklemmend en aansprekend boek.

    Het Martyrium
    Auteur: Elias Canetti
    Uitgeverij: Athenaeum

    Zelfmoord

    De Franse schilder, fotograaf en schrijver Edouard Levé verhing zichzelf op 15 oktober 2007 in zijn appartement. Hij was 42. Tien dagen ervoor had hij het manuscript van zijn roman Suicide ingeleverd bij zijn uitgever.

    De nu in het Nederlands als Zelfmoord vertaalde roman (novelle) vertelt het verhaal van een 25-jarige man, waarschijnlijk een vroegere vriend van de schrijver hoewel hij in de roman naamloos is, die met zijn vrouw wil gaan tennissen. Plotseling zegt hij haar dat hij thuis iets vergeten is. Zodra hij weer binnen is hoort ze een knal. Hij heeft zichzelf door het hoofd geschoten. Er wordt betwijfeld of hij met Zelfmoord een signaal afgaf voor zijn eigen plannen om een eind aan zijn leven te maken. De coïncidentie tussen de roman en de dood van de auteur is niettemin op zijn minst intrigerend.

    Zelfmoord
    Auteur: Edouard Levé
    Uitgeverij: Koppernik

    De hooier

    ‘Timo stapte uit bed, misschien voor de laatste keer als scholier’. Het is de eerste zin van de derde roman van Ricus van de Coevering, die in 2007 veelbelovend debuteerde met Sneeuweieren. Zeven jaar later volgde Noordgeest en nu, weer zeven jaar later, is er De hooier.
    Timo zit die laatste keer te wachten op de uitslag van zijn vwo-examen en besteedt de tijd tot het verlossende telefoontje aan een terugblik op zijn leven. Daarin deed zich het ongeluk voor van Ruben, zijn broer met een verstandelijke beperking. Diens dood greep in de verhoudingen binnen het gezin diep in.

    Op een dag sloeg boer Horssen met de hooier achter zijn Fordson Dexta Ruben een blauw oog in plaats van hem te betalen voor een klusje. Timo was weggerend. ‘Ruben had wraak willen nemen, Ruben wel, hij had het nog gedurfd ook als hij de kans gekregen had, maar het ongeluk was kort daarna’.

    De hooier
    Auteur: Ricus van de Coevering
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Na de apocalyps

    Na de apocalyps

    Uitgeverij Vleugels publiceert een omvangrijke Franse reeks die een welkom reliëf aanbrengt binnen wat er in het Nederlandse taalgebied vanuit het Frans wordt aangeboden. De arenden stinken van Lutz Bassmann (een van de heteroniemen van de Frans-Russische schrijver Antoine Volodine; het korte nawoord van Katrien Vandenberghe geeft een glasheldere inleiding in het veelzijdige, rijke oeuvre van diens “postexotische” schrijverscollectief) is hier onderdeel van, en doet hopen op meer uitgaven van deze en andere postexotische auteurs.

    De arenden stinken ontleent zijn titel aan het werk van een van haar vele personages, Leonal Baltimore. Hij heeft van een niet nader benoemde overheidsinstantie de taak gekregen hoge gebouwen te beschermen tegen de arenden en gieren die overlast bezorgen. Deze gebouwen bedwingt Leonal als alpinist, met touwen en ander klimtuig, een omstandigheid die hem extra kwetsbaar maakt voor de aanvallen van de grote vogels. Dit verhaal, net als een reeks andere korte, gewelddadige episoden, wordt uitgewisseld tussen Gordon Koem, een roodborstje en een oude pop – Gordon Koem is onder andere buikspreker. Hij bezoekt de plaats waar zijn gezin door bombardementen is vermoord; het roodborstje en de pop delen zijn wake bij de plaats die mogelijk hun graf is geworden. De gehele rolbezetting in het boek is op de een of andere manier betrokken in een vorm van verzet tegen een onbekende, vijandelijke staatsmacht.

    Symbolische motieven

    Op grond van een kort inkijkje als dit laat het zich raden dat De arenden stinken zich niet afspeelt in het Europa van vandaag de dag, althans niet in het Europa van vooruitgang, transparantie en mensenrechten. Neen, het beeld van dat Europa wordt hier juist scherp in twijfel getrokken: er is geen sprake van herkenbare landsgrenzen, van een stabiele, georganiseerde samenleving. Ook is Bassmann/Volodine niet een typisch Franse schrijver, immers, hij vertaalt ook uit het Russisch (onder andere werk van dichter, schrijver en politicus Eduard Limonov) en ook in dit boek zijn Russische en Euraziatische elementen herkenbaar. Het postexotisme, legt Vandenberghe uit, beschrijft een post-apocalyptische wereld aan de hand van een aantal terugkerende symbolische motieven. De vogels (arenden, roodborstjes) en buiksprekers keren regelmatig terug. 

    Een ander, fundamenteler motief in dit werk is de stroperigheid van het bestaan. Gordon Koem ervaart herhaaldelijk plakkerige substanties die hem aan zijn plaats binden. Deze stroperigheid verbindt ook mens en dier: er is sprake van een dominante mensensoort die heerst over andere ‘hominiden’ en ‘untermenschen’. In een van de verhalen wordt en passant vermeld dat een pasgeboren baby zonder vleugels geboren is, iets wat bij detectie door de ‘humanitaire medewerkers’ fatale gevolgen zou kunnen hebben. De taak van deze humanitaire medewerkers wordt overigens niet nader toegelicht, maar uit de context mogen we opmaken dat, in plaats van dat zij humanitaire hulp zouden bieden aan eenieder, zij de zuiverheid van de soort bewaken door afwijkende individuen te elimineren. In weer een ander verhaal, aan boord van een ferrydienst over een rivier, worden mensen gedwongen dieren na te spelen, in de wetenschap dat degene die zijn rol het minst succesvol vertolkt overboord gezet zal worden en zal verdrinken. Tegelijkertijd is het zo dat elke dierengedaante exact benoemd wordt. Mens- én dierenwereld zijn gedecimeerd en daarom zijn biologische klassenterminologie overbodig geworden. Een vogel is daarom steeds een arend, gier of roodborstje en nooit zomaar een vogel. 

    Getuigenis

    Die precisie van de taal wordt overeind gehouden in dit boek om getuigenis af te leggen. In plaats van dat een herkenbare wereld voor lief wordt genomen, getuigt Bassmann van een cultuur of een milieu die ook in onze 21e eeuw ontegenzeggelijk relevant zijn. De mens kan verkommeren in onderaardse schuilkelders, omkomen bij bombardementen, of opgaan in een beestachtige symbiose, de taal die hiervan getuigenis aflegt blijft. Bassmann neemt hierbij nooit  het perspectief van de dominante soort in. Deze beperking in het bereik van het verhaal wordt uitdrukkelijk door Gordon Koem verwoord wanneer hij vaststelt dat deze soort de cockpit van de bommenwerper nooit meer verlaten zal en aldus al afscheid heeft genomen van de wereld – hun enige bemoeienis met de werkelijkheid is door deze machines van vernietiging.

    Een enkele keer zinspeelt het boek op een soort sciencefictionachtige setting, wanneer terloops verteld wordt hoe het roodborstje al enkele eeuwen geleden zou zijn uitgestorven. Dit is jammer, want deze historische herkenningspunten zijn niet nodig. Het Eurazië dat in De arenden stinken voorkomt is ongetwijfeld dat van nu, want het boek vertelt een verhaal waarin het naakte leven van mensen speelbal is geworden van machtspolitiek en klimaatcatastrofe – de stroperigheid roept onmiddellijk het lot van zeevogels op wanneer zij door rampen met olieplatformen zoals de BP Deepwater Horizon verrast worden. 

    In het voorgaande werd het belang van de getuigenis voor De arenden stinken al belicht, maar deze uitoefening van de taal zou niet overeind blijven wanneer zij enkel een mistroostig mens- en wereldbeeld moreel veroordeelt. Zulk een veroordeling zou immers teruggaan op een verondersteld wereldbeeld. Hieruit blijkt dan ook de subtiliteit van Lutz Bassmanns schrijverschap. Gordom Koem en zijn buikspreekpoppen (de pop en het roodborstje) vertellen hun verhalen enkel om de mensen die zij zich herinneren ‘aan het lachen te maken.’ Niet om hen te eren of roemen, niet om recht te doen aan een geschiedenis en niet, dus, om zich de taal van de dominante soort toe te eigenen. Met zijn inzet om ‘iedereen aan het lachen te maken’ toont dit boek zijn ongekend subversieve ambitie.

     

  • Oogst week 4 – 2020

    Stamina

    Enne Koens (1974) is vooral bekend als auteur van veelgeprezen kinder- en jeugdboeken. Daarnaast schrijft ze toneelstukken, romans en korte verhalen. Uit in Hollands Maandblad gepubliceerd werk ontstond de verhalenbundel Stamina, vol met kleurrijke personages: ‘Alma die op sterven ligt, Klaas die stiekem danst wanneer zijn vriendin niet thuis is, en een warrige oude man die tevergeefs op zoek blijft gaan naar koffie.’

    Koens ontleedt hun psychologie, van verlies en haat tot de keuze om door te gaan met leven. Hoewel de personages elkaar niet kunnen bereiken, beschrijft Koens het menselijk falen liefdevol in deze subtiel verweven verhalen.

    Stamina
    Auteur: Enne Koens
    Uitgeverij: Podium b.v. Uitgeverij

    Ik weet

    ‘De generaal van de avant-garde’ was de bijnaam van de Sloveense dichter Tomaž Šalamun (1941-2014). Zijn gedichten zijn vergelijkbaar met die van Nobelprijswinnaars Czesław Miłosz en Joseph Brodsky. Šalamuns werk kenmerkt zich door vitaliteit en surrealistische beelden en werd in achttien talen vertaald. In het Engels zijn er meer dan twintig bundels van hem verschenen. Hij won meerdere prijzen, waaronder de Europese Prijs voor Poëzie in 2007.

    Ik weet bevat tweeëntachtig gedichten die Šalamun in een halve eeuw schreef en die jonge dichters al decennialang beïnvloeden. Het is de eerste uitvoerige Nederlandse vertaling van zijn werk.

    Ik weet
    Auteur: Tomaž Šalamun
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels

    Een huis dat van ons is

    ‘Ik vond het heel mooi, zonder te durven zeggen dat ik alles snap,’ schreef recensent Arjan Peters in De Volkskrant over Viviane Élisabeth Fauville, de eerste in het Nederlands vertaalde roman van de Franse auteur Julia Deck (1974). Nu is er een tweede roman van Deck vertaald: Een huis dat van ons is, over het echtpaar Caradec van middelbare leeftijd dat van de stad naar een milieuvriendelijk bouwproject verhuist.

    In hun nieuwe straat blijken de buren elkaar in de gaten te houden. De Caradecs hebben een eigen huis gekocht, maar hun eigen leven ingeleverd. Met vaart, ironie en scherpe formuleringen vertelt Deck dit verhaal over buren die alles van elkaar weten en elkaar toch proberen te ontwijken.

    Een huis dat van ons is
    Auteur: Julia Deck
    Uitgeverij: Uitgeverij Vleugels (verschijnt 11 februari)
  • De stijl tekent de man

    De stijl tekent de man

    Er is een beroemde uitspraak van de 18de-eeuwse Franse natuuronderzoeker Georges-Louis Leclerc, graaf de Buffon: Le style est l’homme même. Aan de stijl herken je de man; het is de manier waarop iemand zich uitdrukt die zijn persoonlijkheid tekent. Buffon doelde daarmee op zichzelf, en op auteurs in het algemeen, maar je kunt het citaat evengoed overdrachtelijk toepassen: op de verteller in een roman. Het is niet gek dat die gedachte opkomt bij lezing van Mijn grote appartement van de Franse schrijver Christian Oster (Parijs, 1949). In zekere zin is zelfs niet de ik-figuur Gavarin de hoofdpersoon, maar de taal en de stijl die Oster hem als verteller in de mond legt.

    Christian Oster heeft al een flink oeuvre op zijn naam staan en is een bekende schrijver in Frankrijk. In Nederland is echter pas één keer eerder een vertaalde roman van hem verschenenDat was in 2015 In de trein (destijds op Literair Nederland eveneens om zijn stijl lovend besproken). Oster, die in de traditie van de Nouveau roman staat, is dan ook niet in brede kring bekend. Wikipedia kent slechts een (erg kort) Frans lemma, maar een Duitse, Engelse of Nederlandse pagina bestaat niet. Zowel In de trein als Mijn grote appartement verschenen dan ook bij kleine uitgevers. Beide vertalingen zijn overigens van Kiki Coumans (nu samen met Katrien Vandenberghe).

    Tas
    ‘Mijn naam is Gavarin en ik wil graag iets zeggen.’ Zo begint de verteller (die zich zelden bij zijn voornaam Luc noemt) zijn verhaal. Hij kan zijn appartement niet in omdat de sleutels zoek zijn. Ze moeten in zijn aktetas hebben gezeten, maar die is hij ook kwijt. En dat is erger: ‘Zonder mijn tas was ik niets. Voelde ik me naakt.’ De verwarring wordt voor de lezer nog groter als Gavarin een paar alinea’s verder laat weten dat er behalve die sleutels niets zat in zijn tas die voor hem zo’n grote betekenis heeft. De protagonist begint zich daarmee meteen af te tekenen als een eenzame door twijfels en onheil bezeten narcist: ‘Het ergste verwachten, iets ergers dan onderuitgaan, en intussen op je gezicht gaan, dat was zo’n beetje mijn visie op het leven.’ Verderop geeft hij varianten op die kijk op zijn leven: ‘Droefheid was mijn habitat’.

    Het blijft niet bij zijn sleutels. Hij is ook zijn werk kwijt. En hoogstwaarschijnlijk (helemaal zeker wordt dat niet) ook zijn vriendin Anne Lebedel, die sinds kort bij hem in zijn appartement woonde. Als hij een keer naar huis belt blijkt op het antwoordapparaat de stem te staan van Marge, een geliefde van tien jaar geleden, met wie hij afspreekt in een zwembad. Daar ontmoet hij echter niet haar, maar een zwangere vrouw, Flore, die op het punt staat te bevallen. Hij spreekt haar aan, ‘besluit’ verliefd op haar te worden en trekt met haar naar haar broer Jean in de Corrèze. Daar bevalt ze in het ziekenhuis van een dochter, Maud. Gavarin doet het voor iedereen voorkomen dat hij de vader is.
    Gavarin overnacht na de bevalling bij Jean, die een grot beheert waarin hij rondleidingen verzorgt voor toeristen. Omdat op een dag de gids niet op komt dagen ontvangt hij de sleutel van de poort om de toeristen rond te leiden.

    Tegengestelde beweging
    Het is een opvallende tegenbeweging in de roman. Gavarins weg voert vanuit zijn grote appartement in (vermoedelijk) Parijs naar een benauwde natte grot op het platteland; van de woning verliest hij de sleutel, maar hij krijgt hem van de grot. Zijn ‘persoonlijke groei’ volgt de omgekeerde weg: de volstrekt eenzame man die niet eens zeker weet of hij wel een relatie met Anne had wordt iemand met een groeiende kring mensen om zich heen. Eerst is er Flore, op wie hij verliefd raakt en vervolgens haar broer Jean, het kind van Flore van wie hij zich als de vader ziet – kan het intiemer? – en tenslotte de toeristen.

    We beleven dit alles in het hoofd van Gavarin. Hij doet zijn relaas in de ik-vorm, maar wij zijn als lezer niet de enig aangesprokenen. Gavarin spreekt voortdurend ook zichzelf aan in de tweede persoon. En alle andere personen in zijn relaas komen tot ons via zijn hoofd. Vaak horen we niet hún woorden, maar wat Gavarin denkt dat zij denken. Dat is meestal niet in zijn voordeel. Hij is immers voor het ongeluk geboren. Als Marge hem heeft gebeld, verzucht hij bijvoorbeeld dat het ergste is ‘dat ik, het lot zij dank, best een knappe verschijning ben, en nog stevig gebouwd ook, en dat me vast liefde zou zijn vergund als ik dit karakter niet had.’ Het is de lege aktetas die door mensen gezien moet worden, niet hijzelf: ‘Ik ging er al geruime tijd van uit dat alleen ik, Gavarin, onopgemerkt bleef. In tegenstelling tot mijn tas.’
    Gavarin houdt van dat soort paradoxen. Dat hij Anne niet meer kan bereiken, maakt dat zijn appartement ‘vervuld is van haar afwezigheid.’ En als hij bedenkt dat ze misschien wel een afscheidsbriefje in zijn lege tas heeft gestopt dat hij nu niet kent omdat zijn tas zoek is, noemt hij dat ‘een perfecte mislukking’.

    Staccato
    Maar vooral doet de taal zijn werk in de karakterisering van Gavarin. Zoals in de obsessieve verontschuldigingen: ‘Met twee vingers zocht ik het muntstuk, in mijn portemonnee, die ik met een derde vinger openhield. Zodra ik het juiste muntje te pakken had, klapte de portemonnee weer dicht. Het was een model dat vanzelf dichtklapte. Een portemonnee die ik in de gauwigheid had gekocht. Ik had er niet bij nagedacht, die dag. Ik was net mijn portemonnee kwijt, een model dat niet vanzelf dichtklapte, en had een nieuwe nodig. Het was dus een noodportemonnee’.
    Zijn verlegenheid komt tot uitdrukking in staccato zinnen, zoals in de scène waarin de verloskundige hem de navelstreng van Maud laat doorknippen: ‘Het was een voorstel. Ik keek Flore aan. Ze knikte bemoedigend. Aha, dacht ik. Echt. Goed, zei ik. En meteen daarop ja. Ik reikte meteen naar de schaar. Eh, zei ik.’ Korte zinnen die bij nog grotere onzekerheid zelfs anakoloeten worden: ‘Omdat ik het niet gemaakt had, dit kind. En het toch in mijn handen had. Alsof. Haast net alsof. Net niet. Niet wat zij hebben meegemaakt. Helemaal niet, zelfs. Ik vind ze grappig, vaders. Hoe ze erin geloven. Verbaasd staan. Dan algauw. Mijn dochter. Terwijl ik. Dat besefte ik heel goed.’

    Die onhandigheden, als we die zo mogen noemen, leiden tot lachwekkende taferelen vol ironie. Prachtige voorbeelden daarvan zijn de scènes in het zwembad als Gavarin zich omkleedt in het hokje ‘waarvan de kleur, oker met fecale tinten’ zijn kindertijd oproept en hij het clipje van zijn badmuts niet vastgemaakt krijgt. Of het aantrekken van zijn sokken na het zwemmen. Of zijn zoektocht naar een zwemband zonder eendje erop.

    Absurdistisch zijn ook zijn redeneringen soms: ‘Van de twee uur die ik nog had voordat het tijd was om naar het stationsloket te gaan, doodde ik er maar één. Het beet kranig van zich af. Trots en tartend ding, dat uur.’
    Het is goed dat er in een tijd waarin auteurs hun grote uitgeverijen ontvluchten, omdat die hun boeken alleen nog interessant vinden als er handel in zit, kleine durvers opstaan die experimenten en vernieuwers een kans geven.

     

     

  • ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    ‘Eenmansguerrilla’ in Rusland

    Edward Limonov (1943), de hoofdpersoon van deze literaire biografie heet in werkelijkheid Eduard Veniaminovich Savenko. Limon is citroen in het Russisch en Limonka handgranaat. De combinatie zuur en explosief zijn uiterst toepasselijk als we kijken naar het personage Edward Limonov, dat ons wordt voorgeschoteld door Emmanuel Carrère. De laatste is een bestsellerschrijver uit Frankrijk, die ook vloeiend Russisch spreekt. Carrère ontmoet Limonov op de herdenking van de moord op journaliste Politkovskaja in 2006 in Moskou. Het besluit om een biografische roman te schrijven ontstaat bij die gelegenheid. In eerste instantie lijkt Edward Limonov een fictief personage maar allengs blijkt dat hij wel degelijk bestaat, al zijn zijn escapades haast bovennatuurlijk. De kracht van het boek schuilt erin dat de schrijver ons meeneemt op een speurtocht naar de persoon Limonov en dat we uiteindelijk van hem gaan houden en hem gaan verafschuwen.

    Edward wordt geboren in de Tweede Wereldoorlog als zoon van een beroepsmilitair in een Russisch provinciestadje. Na de oorlog zoekt hij als 15-jarige al snel toenadering tot de misdaadbendes in zijn geboortestadje. Hij leert hier alles wat God verboden heeft en dat loopt aardig uit de hand. Er wordt wodka gedronken, gevochten, geroofd en verkracht alsof het heel normaal is. Edward moet een aantal proeven van bekwaamheid afleggen en doorloopt ze met goed gevolg. Hij is bovendien een aantrekkelijke jongen en heeft erg veel vriendinnen. Na enige tijd belandt hij in Moskou en sluit zich aan bij een alternatieve kring van schrijvers, acteurs en min of meer obscure politici. Het is het post-Chroestjtsov-tijdperk. De repressie is weer in volle gang door het trio Brezjnev-Kosygin-Gromyko en Edward wordt gearresteerd door de KGB omdat hij een exemplaar van Paris Match in zijn bezit heeft. Edward wordt steeds meer een rebel en hij vergelijkt de dissidente Solzjenitsyn met partijchef Brezjnev en de dichter en latere Nobelprijswinnaar Brodski met Kosygin. Brodski moet er om lachen. Hij heeft een zwak voor de brutale Limonov.

    In de late jaren ’60 trouwt Edward met Jelena Shchapova, een beeldschone vrouw en dichteres. Hij weet via een visum met haar naar de VS te komen en belandt in New York. Het echtpaar komt op parties en ontmoet celebreties zoals Andy Warhol, Susan Sontag, Truman Capote en de fotograaf Richard Avedon. Uiteindelijk – een zich herhalend thema – verlaat Jelena hem en stort Edward zich in een zapoj een tomeloos drankgelag van dagen achtereen. Hij knoopt een verhouding aan met een neger en heeft sex met hem. Dat is de eerste keer met een man. Hij schrijft artikelen, die aanvankelijk worden geweigerd maar uiteindelijk in obscure krantjes verschijnen van Russische bannelingen. Een fel artikel tegen de geleerde Sacharov, verschijnt zeer tegen zijn zin in de Pravda. Het boek It’s Me, Eddie zal later verschijnen in de VS maar pas nadat het in Parijs een groot succes is geworden.

    Limonov is intussen in de ’80-er jaren een soort punk geworden, met voorkeur voor de Sex Pistols. In New York is hij nog een tijdje butler bij een miljonair en begint een verhouding met de dochter des huizes. Het levert het boek His Butler’s story op. Zijn boek De Russische dichter houdt van grote negers komt uit in Parijs. Edward verhuist naar de Franse hoofdstad en heeft inmiddels een onmogelijke verhouding met Natasja Medvedeva, een zangeres, die is geëngageerd in het beroemde cabaret Raspoutine, waar veel Parijse kunstenaars optreden. Zijn pogingen om steenrijk te worden van zijn pen halen bakzeil en hij wordt steeds meer geconfronteerd met het alcoholisme van Natasja. Hij ontmoet Zinjavski, de beroemde dissident, maar Limonov vindt hem ‘een oude man in een rolstoel.’

    Zijn eigen politieke ideeën zijn inmiddels uitgegroeid tot een bizar samenraapsel van postbolsjewistische, fascistische denkbeelden vermengd met boeddhisme. Hij bewondert de Wit- Russische Nicolaus Robert Baron von Ungern-Sternberg (1886-1921) , die boeddhisme vermengde met militair optreden tegen de bolsjewieken. In 1989 vertrekt Limonov tegen alle verwachtingen in, weer richting Moskou. Iedereen verklaart hem voor gek, maar dat interesseert hem niet. Hij wil de revolutie gaan leiden. Hij vindt de politieke leiders ‘een stel landverraders’ en rekent daar Gorbatsjov ook onder. Later richt hij de Nationaal-bolsjewistische partij op. Een raar samenraapsel van linkse en rechtse politieke verdwaalden. En in de jaren ’90 gaat hij naar Sarajevo en schiet met een machinegeweer op de stad. Is hij bij de Serven of de Kroaten? Hij wil gewoon een oorlog meemaken en hoopt dat de revolutie in de Balkan leidt tot de val van de regering in Moskou. In 1991 is het bijna zover, na een machtsgreep van Jeltsin probeert Roetskoj met een handvol medestanders het Witte Huis in Moskou te bezetten en Limonov is aanwezig. Maar als hij even naar buiten gaat wordt de coup in bloed gesmoord door paratroopers. Edward weet in de chaos van de bestorming te vluchten, maar wordt later toch gearresteerd.

    Carrère strooit in het boek met gebeurtenissen uit zijn eigen leven, die echter nergens ter zake doen. Dat hij een moeder heeft, een boek schrijft enz. Het leidt af van het personage Limonov.

    Het mag de pret echter niet drukken. We stomen met Limonov op naar zijn gevangenschap in de Engels-gevangenis. Een zeldzaam streng bewind moet hem klein krijgen. Maar hij heeft zich door meditatie gesterkt en door een ijzeren discipline. Zijn dagritme is steeds hetzelfde, het eten kan hem niet deren en hij gaat zelfs bij -25 naar buiten om zijn lichaam te stalen. Hij leest en schrijft. De andere gevangenen kijken tv en blijven op hun brits liggen of gaan kaarten. Dat vindt Limonov tijdsverspilling.

    Na zijn vervroegde vrijlating keert hij terug naar zijn nieuwe 17 jarige vriendin. Limonov is bijna 70, maar kerngezond. Hij voert met Kasparov de oppositie aan tegen Poetin. Hij brengt in praktijk wat Jan Cremer een ‘eenmansguerrilla’ zou noemen. Dat maakt het boek tot een belevenis, maar omdat hij er zulke vreemde ideeën op nahoudt en behoorlijk agressief te werk gaat, wekt het ook verbazing en ergernis op.

     

     

  • Recensie door: Maria Noordman

    Recensie door: Maria Noordman

     

    Deze novelle heeft alles van een thriller: spannend geschreven, veel ‘halve verwijzingen’ naar gebeurtenissen waarop later zal worden teruggekomen, verwachtingen van spectaculaire onthullingen en een ontknoping.

    Het verhaal speelt zich af in de huidige tijd (rond het jaar 2000), voornamelijk in Brest. Plaats van handeling: een gezin (vader, moeder en twee zoons, waarvan er één de verteller is) waarin kennelijk iets heeft plaatsgevonden dat het daglicht niet kon velen, en waardoor er schande over de familie is gekomen. Daarnaast is er een grootmoeder, die stinkend rijk is geworden door de erfenis van de man met wie ze op hoge leeftijd is getrouwd. Het gezin is harteloos, de moeder is vooral bezig met het hooghouden van de goede naam, het beschermen van haar zoons tegen slechte vrienden, en, als dat niet lukt, het manipuleren van de omgeving zodat  anderen de schuld krijgen van de misstappen van haar gezinsleden. Een van die anderen is een vriend van de verteller, die tevens de zoon is van de huishoudster van de rijke grootmoeder, een jongen die al gauw als dief wordt neergezet.

    Dit zijn zo de ingrediënten van een verhaal, dat je geboeid tot het einde toe leest. Punt is alleen dat je na lezing enigszins ontgoocheld achterblijft: van een echte ontknoping of van onthullingen is nauwelijks sprake. Het lijkt of het de schrijver meer te doen is geweest om een spannende verteltrant te presenteren, wat zeker goed gelukt is, dan om een spannend verhaal neer te zetten. Bij mij maakte dat de indruk van ‘veel geschreeuw maar weinig wol’.

    Als je het bekijkt vanuit het perspectief hoe je een kil bourgeois-gezin kunt portretteren, dan moet ik zeggen dat de opzet zeker geslaagd is: een vader die in het gezin zelf nauwelijks een rol speelt, maar door zijn corrupte praktijken zijn gezin wel degelijk in de ellende stort; een grootmoeder die misschien wel, misschien niet van de oude marine-officier heeft gehouden, maar er in ieder geval lekker rijk van is geworden; een moeder die alle touwtjes strak in handen houdt, die meteen klaarstaat om anderen in diskrediet te brengen,  en krampachtig probeert  haar zoons onder haar vleugels te houden. Een zoon (de verteller) die zich gemakkelijk laat beïnvloeden, maar die er op zijn achttiende toch voor kiest om Bretagne te verlaten en zich in Parijs te vestigen. Als hij na drie jaar weer een weekje bij zijn ouders logeert, is dat meer om op een indirecte manier wraak te nemen, dan voor de gezelligheid.

    Alles bij elkaar een knap geschreven novelle, veel spanning en een raak getroffen gezinsportret, maar een verhaal dat mij wat tegenviel.

    Paris-Brest 

    Auteur:  Tanguy Viel
    Vertaald door: Katrien Vandenberghe
    Verschenen bij: Uitgeverij De Arbeiderspers (2011)
    Aantal pagina’s: 144
    Prijs: € 17,50