• Verhulstiaanse sociologie

    Verhulstiaanse sociologie

    De vijfentwintigste roman van Dimitri Verhulst baadt een beetje in de sfeer van de Franse film Les Bronzés uit 1979, het filmdebuut van de Parijse cafétheater-groep Le Splendid. Dat verhaal is een sketch-achtige collage in een Club Med-achtig resort, lang voor Temptation Island. Het kaart het massatoerisme en de consumptiemaatschappij al aan.
    Bechamel Mucho is actueler en dichterbij. De vliegtuigritten zijn goedkoper: ‘Voor de prijs van vier dweilen vlieg je naar Mallorca.’ De Mediterranée vormt het decor.

    Het verhaal draait rond Alex die over de kop ging met zijn winkeltje met kaas van ‘moedermelk’ gemaakt. Huis, handeltje en vrouw zijn foetsie. Hij zoekt zijn oude stamkroeg op en constateert dat alles hetzelfde is gebleven, tot en met de klanten. Hij ziet dezelfde zieligheid als waarvan hij zich ooit wilde losmaken. Grootse toogideeën waarvan niks kwam. ‘De onverwachte en sedert jaren onverlangde terugkeer van Alex bevestigde voor velen het belang van de lamlendigheid. Wat je in werkelijkheid ondernam door de ondernemingszin, was het graven van je eigen put.’ Alex wordt er gezien als een ijdeltuit die het had geprobeerd en hen dan had verraden maar haha, daar stond hij weer, terug naar af. ‘Hij was een dommekloot geweest te denken dat hij zijn bestaan in eigen handen kon nemen.’ Dit is een staaltje Verhulstiaanse sociologie van de armoede. Verhulst getuigt dat wie probeert te ontsnappen uit de miserie argwanend wordt bekeken door de achterblijvers. Houden zij de miserie zelf in stand? Tegelijkertijd relativeert Verhulst ook het liberale middenstandsidee dat je alles zelf in handen hebt. Op zo’n moment wordt het filosofisch.

    Rommelbaantjes bestaan

    Even kan Alex terecht bij Peggy Pils, het meisje dat vergelijkende cultuurwetenschappen had gestudeerd en nog poseerde voor het blaadje van Lidl. Haar appartement straalt haar rommelbaantjes bestaan uit. Elk personage in het boek heeft een schaduwkant en meestal winnen miserie en de afgrond. De cultuur lijkt steeds in verval. Alex probeert te ontsnappen uit zijn eigen verval. ‘Neuken naast een kattenbak vond hij het lastigste.’ Er is werk in het onderwijs, in de zorg. Verhulst maakt van zulke gelegenheden gebruik om de mentaliteitswijziging in het onderwijs aan te kaarten: procederende ouders, ontlezing… Met grappige hyperbolen laat hij zien hoe de zorgsector verwaarloosd wordt. Uiteindelijk solliciteert de protagonist naar een baantje als animator, omwille van de gratis kost en inwoon.

    In een louche kroeg vindt het sollicitatiegesprek plaats. Er hangen een poster van een schlagerfestival en de geur van wc-verfrisser, en de personeelsverantwoordelijke heeft pupillen in de kleur van Pisang Ambon. Verhulst weet armzaligheid rijk en poëtisch te beschrijven.

    Met een trucker reist Alex richting Spanje. Het verhaal volgt ook enkele toeristen, zoals de weduwe Elma, die zich lijkt te verantwoorden voor haar keuze van een banaal resort en bij de animator in bed beland. Er is de recent door haar echtgenoot bedrogen Gerda. Ze zoekt troostvoer en wordt dik als een walvis. ‘Vroeger was ze slank.’ Er is Ilona de stewardess die ‘de dagelijkse drek aan dagcrème in haar poriën diende te pompen’.
    Sommigen zullen dit boek niet bepaald vrouwvriendelijk vinden door de denigrerende taal en vrouwen die als kluchtige typetjes worden opgevoerd. Maar kaart Verhulst niet net het vrouwonvriendelijke van het kapitalisme aan? Vrouwen die slaaf zijn van strenge standaardnormen, producten gecreëerd in een patriarchale maatschappij? ‘Stewardessen zijn courtisanes, ze horen de vrouwelijkheid te belichamen zoals die leeft in de fantasieën van mannelijke oprichters van vliegtuigmaatschappijen.’ En: ‘Eigenlijk was ze de kassierster van een vliegende superette.’

    Elke zin een kunstwerkje

    Dit verhaal gaat over de mens die alles consumeert. Consumeren de mensen ook elkaar? Het verhaal wemelt van halftalenten die wel willen maar niet kunnen en berusten in het middelmatige en platvloerse. Het resort verschilt niet eens zoveel van de groezelige stamkroeg.

    Er is ook een vergeten Ierse zangeres die het optreden mag verzorgen. Het levert een hilarische maar evengoed droevige scène op over het animatieaanbod van de clubhotels. Afkooksels van Paco de Lucia, te mollige barbiepoppen, een travestieshow. Ook hier zijn de beschrijvingen van miserie rijk, hier en daar ook overmatig. Elke zin is een kunstwerkje, Verhulst studeert al schrijvend en beschrijft vaak elk detail. De verbeeldingskracht is ijzersterk, maar soms snak je ook naar soberheid en rust. In een paar pennenstreken lijkt de zangeres op Sinead O’Connor, met haar rotjeugd, jongenskopje en kritiek op de kerk. Even later wordt ze dood teruggevonden tussen lege flessen en pillendozen.

    Er is nog een zieltogend echtpaar. Mireille, wier man meer van voetbal houdt, schrijft zich in voor elke banale activiteit onder begeleiding van Alex. In de hotelboetiek koopt ze een corrigerend badpak. Ook een Oekraïense vluchtelinge met een man aan het front, kon niet ontbreken. ‘Iedereen lijkt hier op de vlucht van een bepaald soort oorlog,’ lees je op het einde, wat ook het einde van het hoogseizoen is, misschien het einde van een beschaving. Maar dan staat Alex ex-vrouw er plots…
    Verhulst maakte ook in deze roman een operette van de falende mens.

     

     

  • Wat is waargebeurd

    Wat is waargebeurd

    Boreling. Echo’s van een gebroken jeugd is het verhaal van Martin Koot, noem het een autobiografie. Of zoals hij het zelf verwoordt in het begin: ‘Dit boek is gebaseerd op echte levens, waargebeurd zou je kunnen zeggen.’ De schrijver vraagt zich af wat waar is. Hij wil een verhaal vertellen dat universeler is dan zijn eigen getuigenis. Koot geeft te kennen dat hij de namen bijna allemaal heeft veranderd, behalve die van hemzelf. Later in het verhaal, vlak voor zijn scheiding, duikt er opnieuw twijfel op over het waarheidsgehalte van wat hij vertelt, alsof hij zich wil verantwoorden. De schrijver tast naar de vorm van het boek, laat het aan de lezer over om die te benoemen. ‘Memoir of verhalende of literaire non-fictie of een roman gebaseerd op werkelijke gebeurtenissen?’ Die twijfel is op zich niet fout, het openlaten biedt mogelijkheden. In deze tijd is ‘waargebeurd’ een label, alsof literaire fictie niet echt kan zijn.

    Demonen

    Martin komt uit een doorsnee gezin met drie oudere broers en een vader die werkt in de tuinderij. Thuis wordt er met een conflictvermijdende moeder maar met mate gecommuniceerd. De jongen is redelijk teruggetrokken. In het begin van het verhaal beschrijft Koot een scène met een oom die grof uithaalt op een feestje en het effect dat dat heeft op de kleine Martin. Martin wordt wel getroost maar tegen de grove oom wordt niets gezegd. De scène typeert hoe zijn familie omgaat met iemands gedrag. Het beïnvloedt ook Martins verdere leven. In dit boek tracht hij dit soort patronen te doorbreken.
    Martin is een eenling, voelt zich niet goed in zijn vel. Zo wordt hij het ideale slachtoffer van een leraar, en vriend van de familie. In een sfeer van heimelijkheid is inbreuk op intimiteit en integriteit zo gefikst. De omstandigheden zijn perfect voor een pedofiel.

    Martin krijgt depressies, wisselt in zijn puberteit muziek af met suïcidale neigingen. De hulpverlening laat vaak te wensen over. Zo suggereert een dokter Martins aandeel in het gebeuren met de leraar. Waardoor hij worstelt met spijt dat hij niet veel eerder ‘stop’ heeft geschreeuwd. Regelmatig heeft hij het over ‘de waarheid’ en het kost hem moeite zichzelf te verdedigen, wat typisch is voor een slachtoffer. Hij gaat in therapie en trekt in bij de moeder van een vriendin die gastvrij is en hem begrijpt. Niet lang daarna wordt hij opgenomen in de psychiatrie.

    Wat volgt is het relaas van de therapie. Er komt een confrontatie met zijn familie, die de reden van Martins moeilijkheden nog steeds niet kent maar dan te horen krijgt, en een confrontatie met de pedofiele leraar. Ondertussen studeren klasgenoten af. Een poos nadien tracht Martin via de avondschool alsnog zijn diploma te halen.
    Nog niet halfweg het boek sterft Lies, de vrouw bij wie hij heeft gewoond. Ze pleegt zelfmoord. Zij bleek ook een geschiedenis in de psychiatrie te hebben. Dat ze zichzelf beschadigde heeft Martin nooit geweten. Hij vraagt zich af of demonen blijven sluimeren. Maar de dingen schijnen ook te slijten. Er komen vriendschappen, er is muziek, het jeugdhuis, scouting. Hij leert zijn vrouw kennen, wordt verzekeraar, er komt een gezin.

    De demonen ontwaken weer als blijkt dat de leraar nog steeds kinderen uitnodigt bij hem thuis. Martin wordt geconfronteerd met de vraag waarom hij bij het misbruik niet is weggelopen en waarom hij achteraf conflicten heeft vermeden, zoals de gewoonte in het gezin waarin hij is opgegroeid. Er werd nooit een melding gedaan bij de politie van de pedofiel die nog steeds zijn gang kan gaan.
    Later is er sprake van een faillissement. In de hoofdstukken daarna gaat het over zijn stukgelopen relatie en hoe hij stiekem verliefd wordt. Hij ontmoet een vrouw die hem beter lijkt te begrijpen. Maar na de scheiding raakt Martin de kinderen kwijt. Een zoon belandt bij jeugdzorg. De echtscheiding wordt een vechtscheiding. Een hervonden vriend praat met Martins dochter, de vriend wordt door Koots ex-vrouw beschuldigd van misbruik. Nu is het aan Martin om niet te twijfelen aan de waarheid. Dit is een sterk moment in het boek. Zijn vriend heeft Koots dochter helemaal niet misbruikt.

    Hoe trauma doorwerkt

    Koots verhaal zoekt om verteld te worden, vraagt wanhopig om te ankeren. Het is aardig hoe Koot de werking van het systeem in de sociale sector en de hulpverlening hier en daar aanstipt, al doet hij dat soms wel oppervlakkig. Hij toont hoe foute patronen en trauma’s kunnen doorwerken in een mensenleven. Tenslotte is het niet onbelangrijk dat hij ook eens de kant van een man en vader laat horen in een vechtscheiding. Daarin worden mannen en vaders immers snel buitenstaanders, losgescheurd van hun kinderen. Als jongeling werd Koot al eens losgescheurd van het kind in zichzelf door iemand die hem misbruikte.

    Het verhaal van Koot wordt echter weleens een opeenhoping van alles wat de schrijver heeft meegemaakt, zodat de rode draad verloren gaat. De auteur verliest het overzicht in plaats van zijn ervaringen te verwerken tot een literair geheel met vormbeheersing en scherpte. Hij heeft alles wat hem is overkomen willen verbinden en dat doet soms naïef aan. Voor een transformatie naar literatuur is meer nodig dan je waargebeurde verhaal te uiten. De rode draad ligt af en toe even bloot maar vaak weet je niet waar het naartoe moet. Stilistisch is Koot niet altijd sterk. Gedachten worden niet altijd volgehouden. Op andere momenten ontsnapt er dan weer iets kras’ uit de pen van Koot. Die essentie laat hij helaas af en toe ondersneeuwen, alsof hij nog steeds bang is om conflicten uit te diepen. Boreling gaat soms niet verder dan een getuigenis, krijgt weleens het niveau van een weekendfilm en wordt dan wat vormeloos.

     

     

     

  • Zusterschap zonder macht van klasse of ras

    Zusterschap zonder macht van klasse of ras

    Heeft feminisme een inleiding nodig? In het voorwoord vertelt Amerikaans schrijver, hoogleraar en sociaal en politiek activist bell hooks (1952-2021), die haar naam bewust met kleine letters schreef, dat ze een toegankelijk en vlot boek beoogde met Feminisme is voor iedereen. Ze wilde feminisme uitleggen aan een breed publiek. Daarmee toont ze meteen een pijnpunt: feminisme wordt amper onderwezen en feministische ideeën vinden eerder toegang in academische kringen. De ‘mainstream’ media geven feministisch-progressieve boodschappen maar weinig aandacht, klinkt het doorheen het boek. Na het voorwoord volgt er een inleiding die vertelt waarom ze van dit boek droomde. Zo lijkt het of het feminisme veel verantwoording nodig heeft en hooks niet met de deur in huis durft te vallen. Maar dan begint een troostrijk relaas waarin de auteur haar doel lijkt te bereiken. Ze vertelt de geschiedenis en de verschillende invalshoeken van het feminisme. Ze toont ideeën en uit kritiek, benadrukt zaken die het feminisme heeft bereikt en fileert de negatieve dingen die erover worden verteld. Een must voor onzekere tienermeisjes maar ook anderen die zich geklemd voelen in een patriarchaal systeem waarvan je jezelf niet mag zijn. Voor iedereen dus.

    Seksisme

    bell hooks zag het feminisme niet als anti-man. Ze vond seksisme het probleem. ‘Het feminisme is een beweging die een einde wil maken aan dat seksisme en aan seksistische uitbuiting en onderdrukking.’ Het patriarchaat is volgens hooks een andere benaming voor geïnstitutionaliseerd seksisme. Vrouwen kunnen net zo seksistisch zijn als mannen. Ze droomde van een wereld waarin iedereen het recht heeft zichzelf te zijn en waarin wederkerigheid de basis vormt voor onze interactie. Doorheen het boek krijgt deze boodschap gestalte, die hooks niet naïef maar juist genuanceerd vertelt. hooks pleitte voor waar welbevinden.

    In de massamedia wordt feminisme gerepresenteerd door vrouwen die zich in de eerste plaats inzetten voor gendergelijkheid – zoals de beloning voor gelijk werk. Deze vrouwen zijn meestal wit en hebben het goed in materieel opzicht. hooks getuigt van een aantal scherpe inzichten tegen onrecht. Geregeld verwijst ze naar rassendiscriminatie, klassenstrijd en kapitalisme die voor haar onlosmakelijk verbonden zijn met het patriarchaat. Ze herhaalt deze inzichten te pas en te onpas en zo raak je er wel van doordrongen.

    De feministische beweging raakte al gauw verdeeld, zo leert Feminisme is voor iedereen. Vrouwen dienen onder ogen te zien hoe vrouwen – door sekse, klasse en ras – andere vrouwen domineren en uitbuiten. Zwarte vrouwen werden niet de ‘sterren’ die in de massamedia in de belangstelling stonden. Witte vrouwen uit hogere klassen namen al snel de leiding, de rest werd volgeling.
    Dit boek werd in 2000 geschreven, lang voor #MeToo uitbarstte, maar hooks toonde zich visionair. Was de Me Too beweging niet opgericht voor onbemiddelde, zwarte vrouwen? Hoor je hen nog in dit debat?

    Revolutionair versus hervormingsgezind

    Meestal waren zwarte vrouwen revolutionair-feministisch (zoals veel witte lesbische vrouwen). Maar patriarchale massamedia waren niet geïnteresseerd in de revolutionaire visie. Het revolutionair feminisme kreeg nooit media-aandacht. Volgens het beeld dat het grote publiek van de emancipatie heeft, willen vrouwen wat mannen hebben. Het hervormingsgezinde feminisme overschaduwde de oorspronkelijke radicale beginselen van het feminisme, dat opriep tot zowel hervorming als algehele herstructurering van de samenleving.
    Zodra de meeste vrouwen, vooral bevoorrechte witte vrouwen, eenmaal economische macht binnen de bestaande sociale structuur hadden verworven, zagen ze het nut van revolutionair feminisme niet meer in. Dit mechanisme legt hooks zeer helder uit. Arme vrouwen worden nog steeds achtergesteld. Het witte superioriteitsdenken blijft bestaan. De kloof is groot.

    Zolang vrouwen macht op basis van ras of klasse gebruiken om andere vrouwen te domineren, kan er geen volledig zusterschap bestaan. hooks roept op om een beweging te creëren die begint met kritische bewustwording. Vrouwen met klassenmacht mogen het feminisme niet gebruiken voor eigen gewin.

    Radicaal feminisme verstevigt de politieke solidariteit tussen vrouwen en overschrijdt de valse grenzen van ras en nationaliteit. Vlot behandelt hooks verschillende onderwerpen, waardoor haar kernboodschap blijft klinken. De passage over arbeid ontkracht opnieuw een mythe van het feminisme. Vrouwen uit de arbeidsklasse met lage lonen zijn niet per definitie onafhankelijk en bevrijd. Witte hervormingsgezinde powerfeminsten steunen in feite het witte racistische patriarchaat. Het echte radicale feminisme is gestoeld op liefde, stelt hooks moedig. ‘Er is alleen echte hoop op emancipatie als we inzetten op sociale veranderingen die klasse-discriminatie bestrijden en ingaan tegen contractslavernij.’

    Er bestaan nog niet veel onderzoeken die de positieve invloed op werkende vrouwen laten zien. Als vrouwen werken om steeds meer te kunnen consumeren in plaats van hun levenskwaliteit op elk niveau te verbeteren, leidt werk niet tot economische zelfstandigheid.

    Het vrouwenlichaam dekoloniseren

    Gedekoloniseerd feminisme kijkt in de eerste plaats wereldwijd naar de relatie tussen seksistische praktijken en het vrouwenlichaam. hooks durfde meisjesbesnijdenissen te koppelen aan levensbedreigende chirurgische cosmetische ingrepen in het Westen. Vraag is of ze hier aan cultuurrelativisme doet dan wel het superieure witte denken wil ontkrachten.
    hooks sneed onderwerpen aan die intussen het debat af en toe hebben bereikt, zoals de langetermijngevolgen van een hysterectomie. In haar boek heeft ze het ook over kapitalistische investeerders in de cosmetica- en mode-industrie die vreesden dat het feminisme hun industrie te gronde zou richten. Ze kaart de ziekelijke obsessie met ons uiterlijk aan.

    Ze schetst de geschiedenis van de verschillende invalshoeken van seksbeleving en kruidt ze met heldere conclusies. Na de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 en ‘70 waren er mannen die profiteerden van bevrijde vrouwen. Ze dachten dat zij geen eisen stelden. Zo dreigt er altijd een vicieuze cirkel. Het begrip integriteit is zeer belangrijk. Helaas wist hooks al dat patriarchale porno in de massamedia is doorgedrongen in alle aspecten. Erotische verbeelding wordt nog steeds bepaald door seksistische archetypes. Vele heteroseksuele vrouwen denken nog steeds dat de betekenis of het belang van hun seksualiteit afhangt van het feit of mannen in hen geïnteresseerd zijn, wat een seksistisch idee is.

    bell hooks schetst het denken vanuit het feminisme rond moederschap, borstvoeding, prostitutie, abortus, waarvan ze vond dat er te weinig getuigenissen van bestaan zoals Annie Ernaux liet zien met het Het voorval. hooks kaartte zaken aan die nog niets hebben verloren aan actualiteit. Ook rond prostitutie. Vaak somt ze verschillende visies neutraal op, dan weer neemt ze resoluut stelling. Het hoofdstuk over religie en spiritualiteit is interessant daar hooks op zoek ging naar godinnen. Ze ontkrachtte hier wel de bevrijdende mogelijkheid van het niet-religieuze, maar het was haar bedoeling een zo breed mogelijk publiek te bereiken en zelf had hooks wel wat met spiritualiteit.

    Dit boek gaat verder dan politieke correctheid en moralisme, die snel als dooddoeners worden gebruikt om revolutionaire krachten te dempen. Deze vrouw sprak vanuit een onderdrukte groep en bleef onrecht aankaarten. Ze sprak over liefde in tegenstelling tot dwang en dominantie. Wie kan daar nu tegen zijn.

     

     

  • De tijd gevangen

    De tijd gevangen

    De tijden vertelt over drie generaties en het lijkt of Elvis Peeters (pseudoniem van Nicole Van Bael en Jos Verlooy) alle grote gebeurtenissen binnen die generaties heeft willen vatten: de tijd die zich uitstrekt van de Tweede Wereldoorlog en de naweeën met collaborateurs en helden, de opkomst van de jazzmuziek, de onafhankelijkheid van Congo, mei 68, vrouwenrechten, de financiële crisis tot de wereld van nu. De tijden verhaalt van de rivier de Zenne tot Congo, Londen, Barcelona, Brussel, Zagreb. Het idee om zoveel feitelijke geschiedenis en de geest ervan op te tekenen aan de hand van persoonlijke verhalen is enorm.

    Door het boek heen word je een razende verandering gewaar. De tijd zet zijn stempels, trekt en sleurt met zijn tentakels en het lijkt of hij dat steeds feller doet, of hij steeds razender tekeer gaat. Maar er is ook een constante: die van de kwetsbare mens die niet alles bevatten kan en vaak slechts een pion is, maar evenzeer rustig blijft ademen en een akkertje ploegt, terwijl hij de tijd aan zich voorbij laat gaan.

    De mens Emiel

    Die kwetsbare mens heet Emiel. Emiel is het sterkst uitgewerkte personage van het boek. Bij hem kruip je onder de huid, zijn twijfel en weemoed zijn levensecht. Misschien leeft hij als landbouwer nog het dichtst van al bij de aarde en voel je dat in zijn persoon. De latere generatie lijkt er alleen nog maar overheen te vliegen. Net als in het boek van Chris de Stoop Dit is mijn hof getuigt ook De tijden over landbouwers die nog contact hebben met de natuur, landbouwers die verdwijnen, zoals het landschap verdwijnt en steeds meer geradbraakt wordt.

    ‘Zijn moeder droeg hem het jaar 1929 in.’ Een harde koude winter met een doodgevroren kip in het hok, de Elfstedentocht en Trotski die werd verbannen uit de Sovjet-Unie. Er kwam een griepepidemie. De geschiedvertelling wervelt hier tussen klein en groot en dicht en ver. De factor tijd is onlosmakelijk verbonden met de plaats. Wie werd er nog meer geboren in dat jaar? ‘Lee Hazlewood, Jacques Brel, Milan Kundera, Remco Campert, Hugo Claus, Anne Frank, Yasser Arafat, Jurgen Habermas.’ Opmerkelijk om deze namen plots verenigd te zien. Al die plaatsen en geschiedenissen uit één jaar. Wat een tijd niet al vergaren kan.

    In het verhaal blikt Emiel terug op zijn leven. Hij heeft dit leven niet altijd gewild. Weerhielden pech of een gebrek aan lef hem van zijn eigenlijke doel? Eentonig wil hij het niet noemen, maar hij had toch iets anders voor zich gezien. Hij had zijn universiteitsstudie kunnen afmaken, tropische gewassen bestuderen en dan naar Congo trekken. Maar op een dag werd hij kleurenblind. Daarna werd zijn vader ziek en uiteindelijk nam Emiel de boerderij over. ‘Dit is zijn bestaan,’ weet hij. Hij loopt in de voetsporen van zijn vader, zoals hij nooit had vermoed dat hij zou kunnen. Het boerenleven wordt verteld met het boerenidioom: het wannen van het graan, de ransel met het brood, de ploegschaar, de paarden roskammen, de haspel op het maaibord, halmen die in schoven op het gemaaide veld worden gegooid.

    Verandering

    Gisèle, Emiels jeugdvriendin, is opstandiger. Zij wil de tijden veranderen. Emiel kijkt op naar het vastberaden meisje. Ze inspireert hem, leert hem Rosa Luxemburg kennen, discussieert, gaat naar lezingen, woont vakbondsacties bij. Gisèle komt uit een armer nest, verklaart dat haar opstand? Emiel is bescheidener en introverter van aard. Hij trouwt uiteindelijk met Odette, een brave vrouw, geen grote persoonlijkheid. Was zijn liefde voor Gisèle platonisch? Was hij te bang voor het echte vuur? Is Odette een compromis? Om dat te ontdekken geraak je niet diep genoeg in het hart van Emiel. Misschien kent Emiel het zelf niet eens. Hij is niet slecht voor Odette met wie hij twee kinderen krijgt, maar later ontmoet hij Gisèle opnieuw en blijkt hij toch niet zo trouw, of… is hij juist wel trouw aan zijn hart? Het laffe deel van zijn karakter krijgt soms een doffe klank, maar Emiel verenigt dat laffe met het volhardende. Juist dat halfslachtige maakt hem menselijk. Hij ziet de vooruitgang aan, wil niet zomaar alles veranderd zien. Toch valt er ook door hem niet te ontkomen aan de modernisering, aan schaalvergroting. Paarden worden vervangen door tractoren en ze moeten geld vinden voor een melkmachine. Dat levert hartverscheurende scènes op. ‘Wat is er mis met de paarden, of met melken met de hand?’ vraagt Emiels moeder. ‘Daar is niks mis mee,’ zegt Emiel, ‘alleen kost het tijd die er in deze tijd alsmaar minder is.’ De Boerenbond beveelt onkruidverdelgers en hormonen aan.

    Intussen ‘werpen de Congolezen hun minderwaardigheid af in een uitbarsting van woede en geweld’. Emiels zus woont daar en moet abrupt terugkeren. Emiel had met een koloniale lening geïnvesteerd in Congolese koffieplantages en kan die nooit terugbetalen. Hij ruilt de boerderij voor werk van nine to five in een magazijn. Was het niet Gisèle die hem al van het begin zei dat hij de boerderij moest opgeven? Het verhaal van Emiel is eigenlijk brandend actueel met de boerenprotesten van nu.

    Tussen verzet en berusting

    Emiel zit geklemd tussen verzet en conservatisme, begrippen die in de loop van de tijd ook veranderen. Hiermee duidt Elvis Peeters de tijdgeest treffend aan.
    De tijden daarna dragen het idee van maakbaarheid in zich. Alles kan je naar je hand zetten, alles wordt bestelbaar, koopbaar. De personages van de volgende generatie zijn vlakker. Hannelore, de dochter van Emiel laat het werk op de boerderij achter zich, verzet zich. Lijkt ze op Gisèle? Hannelore gaat mee in de punkbeweging, studeert in Leuven. Daarna wordt ze reclamevrouw in Londen, slogans voor de revolutie veranderen in slogans voor producten. Ze baart een kind, is een afwezige moeder. Elvis Peeters toont kanttekeningen bij het feminisme dat hier vertegenwoordigd wordt. Hannelore gaat steeds meer mee in een oppervlakkig leven van consumptie en vlug genot. Van een vrouw die zich verzet verandert ze in een marionet. In 2008 breekt de financiële crisis uit en is ze in een klap alles kwijt.

    De idealen van de volgende generatie schuiven nog verder op. Deze generatie zit met de erfenis van de vooruitgang: vervuiling, troosteloze consumptie, de opwarming van de aarde. Hannelore’s zoon Matteo studeert af als jurist. Hij ziet zijn moeder als een ‘prototypische workaholic uit de bullshitsector.’ Toch is hij vaak even afstandelijk en oppervlakkig als zij en er gaat een subtiele vertwijfeling van hem uit. Hij lijkt dan weer rationeel, dan weer pathetisch. Er hangt iets ongevoelig over hem, alsof hij niet in staat is tot werkelijk contact. Zou het komen door zijn nogal liefdeloze opvoeding? Hij klaagt over te veel culturen in Brussel, vreest een toxische toekomst met niet-Europeanen ‘door het decennialange bewind van idiote ideologieën’. Wel voelt hij medelijden met verwaarloosde rijpaarden uit een reportage. Ook Matteo zet zich af tegen de vorige generatie. Hij bekritiseert de wereld rond zich maar komt niet tot zelfonderzoek. Hij en zijn vriendin Myrthe trekken de natuur in met een kruisboog. Dat ze uiteindelijk flirten met extreemrechts en ecofacisme is niet echt verrassend.

    L’art pour l’art en maatschappij

    Het verhaal is goed geconstrueerd, heeft een sterke compositie. De perspectiefwisselingen gebeuren virtuoos. Elvis Peeters legt haarfijn het mechanisme bloot van hoe idealen totaal kunnen veranderen. Hij probeert l’art pour l’art te verbinden met maatschappijkritische literatuur en dat is bij het personage van Emiel zeker gelukt. De passages over hem zijn verwerkt, de lagen goed gedroogd. De andere personages lijken soms slechts stickers van een tijd, geconstrueerd en minder doorleefd waardoor de vertelde tijd te lang wordt. De feiten en de maatschappijbeschrijvingen voelen ondanks hun waarheid wat geforceerd aan, zijn te veel gestapeld met oppervlakkige opsommingen die het betreffende personage maar weinig ademruimte geven. Of dat aan de schrijver dan wel aan die tijd ligt, is nog maar de vraag.

     

  • Cassante passages van een astrante tante

    Cassante passages van een astrante tante

    Lionel Shriver (1957), de schrijfster die haar naam in een jongensnaam veranderde omdat ze zich een tomboy voelde, werd bekend met de roman We moeten het eens over Kevin hebben. Vorig jaar bracht ze met Tegendraads een non-fictie boek uit. Omdat ze haar aanvankelijk ‘schamele verdiensten als romanschrijver moest aanvullen’ werd Shriver namelijk ook journalist en columnist. Voor Engelse en Amerikaanse media schreef ze columns, essays en opiniestukken over vele onderwerpen: van vriendschap tot gezondheidszorg, belastingen, de dood en overgewicht. Materiaal was er genoeg. Tegendraads leest alsof je mee tolt met een wervelwind. Het keert je hoofd binnenstebuiten en schudt het heen en weer. Eenmaal tot rust gekomen hou je er soms nieuwe percepties aan over.

    Bakken kritiek

    In de inleiding waarschuwt Shriver evenwel de lezers. Ze drukt de hoop uit dat zij nog altijd haar romans zullen lezen indien zij het niet eens zouden zijn met haar standpunten over bijvoorbeeld Brexit, migratie, woke. Shriver vindt echter niet dat ze zich moet verontschuldigen voor haar controversiële stukken. Volgens haar helt de overgrote meerderheid van haar literaire collega’s ver naar links en heeft de letterenwereld ernstig behoefte heeft aan tegenwicht. Voor haar essays en toespraken kreeg Shriver bakken kritiek over zich heen.

    In haar persoonlijke essays is ze op haar best. De brief naar haar jongere zelf, toen zij nog een onbekende arme schrijfster was, is ontroerend en geestig. Ook de stukken over haar broer die aan een eetstoornis stierf en over wat dik zijn betekent in deze maatschappij getuigt van moedige openhartigheid en scherpzinnige ideeën. Het relaas van haar jarenlange verblijf als correspondent in Belfast koppelt het persoonlijke met de politieke situatie en dat is bijzonder interessant. Vriendschappen kunnen eraan stuk gaan. Wat Shriver vertelt over The Troubles in Belfast doet soms denken aan de tijd van corona waarin anti-vaxers ruzie kregen met hun tegenstanders in eenzelfde familie.

    Het is ook boeiend om te lezen hoe haar romans tot stand kwamen: soms licht Shriver namelijk een tipje van de sluier op en ontrafelt ze haar fictie tot non fictie, legt ze fictie als het ware uit. In tijden waarin fictie wordt bedreigd en zich steeds meer moet verantwoorden, is dat een grappige contradictie. Maar Shriver toont het denkproces dat aan fictie voorafgaat, de keuzes die de schrijver moet maken. Het is interessant hoe zij, geboren in een strenge religieuze familie, vertelt hoe ze het juk van godsdienst van zich afgooide en fictie ging schrijven. Hoe verhouden die twee zich eigenlijk tot elkaar?

    Andermans hoed

    Met heldere argumenten en pittige quotes fulmineert Shriver over woke en culturele toe-eigening. Ook een witte man mag volgens haar in de huid kruipen van een zwart tienermeisje. Zelf beschreef Shriver een schietpartij in een school en ‘het spijt haar dat ze het moet zeggen: ze heeft zelf nog nooit zeven kinderen, een leraar en een kantinemedewerker doorzeefd.’

    Nadat een verkleedpartij onder studenten werd beschouwd als ‘een daad van etnisch stereotyperen’, – studenten hadden een mini-sombrero opgezet – pleit Shriver ervoor dat iedereen een sombrero mag opzetten. Je mag andermans hoed opzetten! Is schrijven ook niet in iemands schoenen gaan staan en empathie ontwikkelen?

    Shrivers essays over taal zitten goed in elkaar. Haar betoog om zorg te dragen voor die taal is vurig, gaat verder dan wat kommaneuken. Voorbeelden zijn het essay over de interpunctie en het verkeerd gebruik van de komma of het enkele haakje. Daarin voert ze opnieuw sterke argumenten aan. Shriver is hevig maar blijft de logica bewaren wanneer ze het heeft over de ‘linguïstische verlakkerij’. Zo vindt zij de term ‘cisgender’ geforceerd en niet organisch. ‘Cis’ is Latijn voor ‘aan deze kant van’ tegenover ‘trans’, wat ‘aan de andere kant van’ betekent. ‘Door het gebruik van dit adjectief onderschrijf je de opvatting dat sekse bij de geboorte wordt ‘toegewezen’ en niet erkend wordt als een biologisch gegeven,’ schrijft Shriver. En even later: ‘om entiteiten aan te duiden die zijn wat ze lijken te zijn, zouden we overal ‘cis’ voor kunnen zetten. ‘Cisblauw’ zou betekenen blauw en niet geel. ‘Cisboring’ zou echt saai betekenen en niet stiekem toch amusant.’ Deze redeneringen doen aan de filosoof Peter Sloterdijk denken die ook al wees op de gevaren van rechts én van links, van conservatief én van progressief.

    Wat Shriver vertelt over syntaxis, interpunctie en grammatica gaat ook over een maatschappij. Ze wil de taal en haar grammaticale regels beschermen tegen barbarij en gemakzucht. In het woke-debat en het debat over diversiteit wordt het kind weleens met het badwater weggegooid, telt de wijsheid plots niet meer als die bijvoorbeeld van een witte geprivilegieerde man komt.

    Vast in de bubbel

    Wanneer Shriver zich waagt op politiek terrein lijkt ze soms zelf in een bubbel vast te zitten. Ze herhaalt zichzelf dan met nog een luider woord, zoals in een facebookdiscussie. Het politieke spectrum lijkt haar eigen ideeën plat te drukken en dat is jammer. De argumenten worden minder krachtig. Shriver gaat soms wel heel kort door de bocht. Ze spreekt zichzelf tegen als ze zegt dat je in elk personage mag kruipen. Dat heeft ze blijkbaar met een zekere egocentrische willekeur bedoeld, want sommige van haar standpunten getuigen niet bepaald van empathie en mededogen. Shriver vindt het normatieve jargon van links duiden op bekrompenheid die neigt naar dogma. Haar jargon wordt echter even bekrompen: sceptisch over vaccinaties, migratie, woke, voor Brexit. Het zijn de af te vinken lijstjes van rechts. Het blijft wel interessant dat een dochter van conservatieve religieuzen die zich daarvan wilde losrukken, nu zelf ook neigt naar het conservatieve.

    Gaandeweg ontbreekt er een zekere rust in de teksten. Sommige quotes worden weleens drammerig, Shriver stampvoet als een macha rond en pookt op met veel stof. Sommige zinsneden doen gezwollen aan. Het wordt bijwijlen teveel, zoals in het nochtans hilarische stukje over een bezoek aan het filmfestival van Cannes. Daaraan heeft Shriver een epiloog gebreid die de droge tekst met gevoel voor zelfrelativering teniet doet en de grappen uitmelkt. Het brede scala aan onderwerpen is goed gemonteerd in Tegendraads. Ondanks hier en daar een drammerige passage schreef een pittige tante een boeiend boek dat je in beweging zet.

     

     

  • Tussen onschuld, misbruik en opportunisme

    Tussen onschuld, misbruik en opportunisme

    De man van het licht is een duister sprookje verteld in een opvallend bloemrijke taal. Dat wordt al in de openingszin duidelijk: ‘Buiten adem belde Jelena aan bij de toekomst, ze kon maar net bij de bel.’ Fraaie openingszin, in een debuut dat grossiert in mooie formuleringen, met name als het verhaal op stoom is gekomen.

    De man als moderne heks

    Hoofdpersoon is Jelena, een ogenschijnlijk onschuldig meisje, opgegroeid in een instelling en bij weinig liefdevolle gastgezinnen, maar met een grote ambitie iets van haar leven te maken: schrijver worden. Daarvoor meldt ze zich bij een oude professor, die we inderdaad alleen als professor leren kennen. De professor is zojuist gescheiden, is verre van lichamelijk aantrekkelijk (‘zijn buik was een kolossale pudding’) en ziet in Jelena niet alleen een talentvolle schrijfster in de dop, maar ook een liefdesgezel om zijn oude dag kleur te geven. Met alle middelen die hij tot zijn beschikking heeft, variërend van lieve woorden, dreigementen tot theatrale uitbarstingen, weet hij haar in zijn web te vangen. Zo lijkt De man van het licht bij eerste lezing vooral een Me-Too-achtig sprookje te zijn, met een slechte oude man als moderne heks, en een meisje dat, als in zovele sprookjes, een leven leidt in armoede en eenzaamheid en in het aanbod van de oude man een weg ziet om uit een kleurloos bestaan te kunnen ontsnappen. Toch vertelt Katrien Scheir (1978) in haar debuut uit 2021 ook een ander verhaal, dat minstens zo actueel is als we het hedendaagse debat volgen over klassenmigratie en het aantal vinkjes dat iemand heeft. Kun je je afkomst achter je laten en kun je van een dubbeltje een kwartje worden? Lees je met die bril, dan is De man van het licht niet alleen een sprookje, maar past het verhaal ook in de lange traditie van de realistische roman.

    Bevoorrechte klasse

    Hoofdpersoon is Jelena dus, ze leeft van de bijstand, klust wat bij in een café, en woont in een mansarde (zolderkamer), waar ze zo nu en dan haar vriendje Hans ontvangt. Deze jongen, met zwart haar en een kek staartje, houdt nauwgezet de uitgaven bij die hij spendeert aan zijn vriendin. Als de relatie strandt, wordt de rekening prompt gepresenteerd. De scène is een prelude op de rekening die Jelena uiteindelijk door haar levenskeuzes gepresenteerd krijgt. Naast Hans heeft zij nog twee vriendinnen, Hanna die linguïstiek studeert en Evi die een theateropleiding volgt. Net als Hans, komen de twee vriendinnen uit een andere, meer bevoorrechte klasse. Als Hanna en Evi Jelena de vraag stellen wat ze gaat studeren, volgt de volgende veelzeggende passage:
    “‘Eerst een job regelen,” zei ze na een poos.
    “Normaal studeer je eerst en dan regel je een job,” lachten ze.’

    Het is zelfs ingewikkelder, omdat Jelena een bijstandsuitkering heeft mag ze niet studeren. ‘Het was kennelijk niet de bedoeling dat instellingskinderen zich ontwikkelden.’ Daarom belt Jelena aan bij de professor, de grote man van het Nationaal Theater, in wie zij een mentor zoekt en die op zijn beurt en tot haar verrassing, haar schrijverstalent ondersteunt. Niet veel later trekt ze bij hem in, samen met haar zusje Nika. Dan begint de ellende pas goed. Ze heeft een eigen kamer, maar hoort in de belendende kamer, afgeschermd door haar keukenkast, de professor vaak genoeg moeizaam ademen, hij heeft, zo verwacht ze, niet lang meer te leven (‘Hij was al zo oud dat zijn adressenboekje een dodenakker moest zijn.’). Onder al dat benauwde ademen vraagt hij haar telkens bij hem in bed te komen. Of ze niet zijn dochter kon worden? De professor heeft andere plannen, een verloving, een huwelijk. Wat ze hem, zo nu en dan kan geven en met veel moeite, zijn seksuele handelingen, steeds meer seksuele handelingen, uiteindelijk ontaardend in wat, hoe kort beschreven ook, een sadomasochistische relatie genoemd kan worden, waarbij onderwerping plaatsvindt in het schemergebied van dwang en vrije keuze.

    Rimpelloze carrières

    Ondertussen volgen we in tussendoorzinnen de rimpelloze carrières van Hanna en Evi. Vooral Evi maakt gemakkelijk carrière met veel gossip-achtige berichten in de krant: ‘Naast een busongeval en het weerbericht stond Evi. Een ster met een felle schijn (…). Evi lachte extatisch in de camera (…). Evi had een facelift gekregen en een kind.’ Jelena’s commentaar op haar vriendinnen wordt naarmate zijzelf steeds meer in een uitzichtloze situatie terechtkomt cynischer, zoals het ook haar vriendinnen naar haar toe steeds meer ontbreekt aan hartelijkheid.

    Natuurlijk loopt het helemaal mis tussen de professor en Jelena. Dan blijkt dat ze, ondanks haar jeugd en talent, de onderliggende partij blijft. Pijnlijk hoe sociale afkomst, het ontbreken van een eigen netwerk, daarvoor leunde ze teveel op die van de professor, er voor zorgen dat Jelena er helemaal alleen voor komt te staan. Alleen dankzij de hulp van de eenvoudige man van het licht, die haar als een schaduw volgt, wordt een totale ondergang voorkomen.

    Dunne lijn

    Met De man van het licht bewijst Katrien Scheir haar dubbeltalent. Naast haar beeldend werk, zo is de omslagtekening van haar hand, blijkt zij een schrijver die krachtige scènes schrijft in beeldende taal. De soms overmatig aanwezige ‘als’-vergelijkingen (op de eerste twee bladzijdes zijn er zo’n vijf te tellen) zorgen voor een trage, wat moeizame start, maar naarmate het verhaal vordert, golven de zinnen ritmischer en verdwijnen de soms wat gezochte vergelijkingen. Je raakt meer betrokken in het verhaal: de zelfkwelling van Jelena, haar schuldgevoelens, onschuld en opportunisme tegelijk, én wensdromen zijn invoelbaar, zelfs haar keuze om haar leven aan de oude professor te geven. Uiteindelijk zijn de drijfveren van de professor op zijn beurt ook invoelbaar. Wat doe je als je eenzaam bent, als je kinderen nauwelijks naar je omkijken, als er op zo’n moment iemand op je pad komt die mooi, talentvol en toegewijd is? Er is een dunne lijn, voor beide karakters, tussen gebruik maken en misbruik maken van een situatie. Lezers ontsnappen niet aan de vraag of er wellicht in hen tegelijk een Jelena én een oude professor schuilgaat.

     

  • Een geredde strook met verhalen

    Een geredde strook met verhalen

    De titel Rombo duidt op het verschijnsel dat zich bij aardbevingen bijna altijd voordoet. Het is een eigenaardig onderaards geluid dat bestaat uit een rollende klank en vaak wordt vergeleken met de donder. In Rombo vertelt de Duitse vertaler, schrijver en dichter Esther Kinsky over de Italiaanse regio Friuli die in 1976 zwaar geteisterd werd door twee aardbevingen.

    Verschillende lagen liggen in dit verhaal door elkaar, als na een aardbeving. Kinsky wisselt lenig tussen verschillende tijden, van toekomstdromen van vroeger tot het puin van na de aarbevingen. Zij zigzagt langs bergpaden en rivieren, over bergketens naar dalen en voert de lezer mee door het landschap en in de hoofden van dorpsbewoners. Dit verhaal is een landschap.

    Voorvoelde ramp

    Natuurkrachten vallen buiten de categorieën van goed en kwaad. De mens heeft niet steeds controle. Het zijn grote thema’s die Kinksy voortreffelijk weergeeft. ‘De mens met zijn twee benen op de grond, met zeis, hamer, zaag, fluit en viool, wordt het wanhopigste wezen van allemaal als de trillingen niet meer te negeren zijn.’

    Ook op metaniveau krijgen de zinnen betekenis. Wanneer Kinsky schrijft over aardlagen, aardverschuivingen en trillingen, lijkt ze het evenzeer over de menselijke psyche te hebben. De aardbeving als metafoor. Rombo komt niet alleen uit de diepere lagen van de aarde maar ook uit die van de geest. Degenen zonder talig bewustzijn, zoals de dieren, voorvoelden de ramp. De slangen kropen plots tot boven in het dorp en ‘De koekoek riep aan één stuk door, ’s ochtends al.’ Ook de vergeetachtige moeder is de dag voor de aardbeving onrustiger dan anders. Wat Kinsky in Rombo schrijft, grijpt je naar de keel. Kolossaal en wreed, ontroerend en poëtisch.

    De beschrijvingen van de landschappen zijn meesterlijk. ‘De rivier is vooral een bedding, een met het stijgen en dalen, het stromen en sijpelen van het water veranderend landschap van stenen, een grensgebied, dat zijn eilanden opwerpt en afgraaft, ranke wilgen neerplant en uitrukt, de oevers onderspoelt, uitspoelt, opbouwt en links laat liggen, tot ze zich hebben verlaagd tot vlakke tongen die het water in lopen, alsof ze op zoek zijn naar een nieuwe gedaante.’ Elders gaat het over een pijnbomenbos dat ‘donker en ernstig boven op de kam ligt’.

    In kleine stukjes, brokstukken geklemd tussen het getormenteerde landschap en encyclopedische kennis, doen zeven bergbewoners hun verhaal. Elk heeft een eigen stille stem. Ze zijn geitenhoeder, of vrouwen die look verbouwen of konijnen kweken. Een meisje van wie de flamboyante moeder aan zee is gaan werken, een dochter die voor haar moedertje zorgt. Gewone dorpsbewoners. Esther Kinsky opent het hoofd van de getroffenen, kijkt door de spleten en groeven. Deze schijnbaar eenvoudige mensen beschikken vaak over een kennis van landschap en natuur die stedelingen vergeten zijn. Ze zijn geworteld in het landschap, maar door de aardebevingen ontworteld.

    Oerverhalen

    Zelden praten de mensen met elkaar over de wond. Voor de aardbeving verstopten zij hun diepste geheimen al. Het leven in de bergen is hard, vaak conservatief. Er worden snel oplawaaien verkocht. De getuigenissen van het natuurgeweld zijn eenzame monologen en inwoners zoeken moeizaam naar woorden over dat wat hen roert. ‘Hoe zag het land er eerst uit? Opeens ben je het vergeten en zul je er in je dromen nog jaren naar zoeken – hoe zag de aardbodem eruit voor de scheur, voor de brokstukken, het puin, de sleepsporen, hoe zag de grond onder je voeten eruit, van dag tot dag?’

    Sommigen geven aan dat ze het trauma weleens kwijt willen. Zij vormen een koor met verschillende stemmen. In elke versie wordt er iets herhaald door een andere stem. Ten slotte rest er een soort oerverhaal van het gebeuren, met scherven en brokstukken bij elkaar gebracht. Behalve getuigenissen tekent Kinsky ook oude verhalen op zoals verklaringen, fabels, sagen, geruchten van de streek, waarbij waarheid en verzinsels door elkaar lopen. ‘Eronder of erin, donderde de Orcolat, het aardbevingsmonster. Een fabelwezen met sporen die onuitwisbaar zijn.’

    En er is de sage van Riba Faronika, de Farao-Vissin. Ze lag te sluimeren op de bodem van de zee, een enorm wezen, tot aan haar buik vrouw, vanaf de buik voorzien van een gespleten vissenstaart. Opgeschrikt door de zandkorrel die God liet vallen, maakte ze met een van haar vissenstaarten een schokkende beweging en de aarde begon te rommelen…

    Het verhaal van het grote witte steenveld ontstond na een steenlawine. Sindsdien lag dat veld daar. ‘Volgens de verhalen werd er na die steenlawine iemand uit het dorp vermist. En de mensen zeiden dat die witte vlek eruitzag alsof daar iemand stond met gespreide armen. Een grootmoeder kende alle bergen bij naam. Bij elke naam hoorde een verhaal.’ De verhalen zijn in het landschap gegrift. De aardbeving deed er een schepje bovenop. ‘Aan de andere kant van de bergen, aan de zuidkant, regent het alleen, ook in de winter valt er geen sneeuw. Daar is het urinoir van Onze-Lieve-Heer, zeggen de mensen.’
    Ook de geluiden zijn verankerd in het landschap. De geitenmelker is een nacht- en schemeractieve vogel die ‘net als de muziek van de streek’ een stijgend en dalend vibrerend geluid voortbrengt, gevoelig en minimaal wisselend van toonhoogte.

    Levend landschap

    De auteur laat ook het landschap zelf leven. Ze spreekt over een rivier die van richting veranderde. ‘Misschien veranderde hij van stemming. Voelde hij zich aangetrokken tot de andere rivier, het andere dal, ander gesteente, de oostkant. Rivieren hebben hun eigen beweegredenen.’

    Ze getuigt ook van het menselijk landschap, zoals bij het motel ‘met een hoogdravende naam met een fout gespeld Engels woord erin’. Gammel en poëtisch. De pomphoudster is tevens de kokkin. Mannen drinken er een biertje, soms buiten op een blok beton, en lachen de dingen weg. Op een Italiaans kerkhof met plastic bloemen poetst een oude vrouw een grafsteen ‘met de foto van een oude vrouw die op de poetsende vrouw lijkt.’ Humor en weemoed komen tot uiting in zinnen als ‘De nieuwe Moeder Gods, die licht gaf in het donker, zat in haar schortzak en scheen door de stof heen, zo’n blauwgroen licht. Je kon de Moeder Gods ook in flikkerstand zetten, als een knipperlicht.’

    Van encyclopedische kennis maakt Kinsky literatuur. Aardlagen, de eigenschappen van kalksteen, planten en bloemen worden door haar beschrijvingen levendige essenties, net als de diepste holten op aarde. ‘Ravijnen, kloven, afgronden, abissi, waar niets wat er eenmaal in terecht is gekomen ooit nog de weg vindt naar het licht. Afgronden van het vergeten. Wanneer verandert het-zich-herinneren in echt-vergeten?’ Het geheugen zelf kan door verschuivingen en gerommel littekens krijgen, want de psyche krijgt evenveel klappen. Rombo blijft voelbaar en hoorbaar, soms hard, soms in verre echo’s.

    Het einde van het boek verhaalt over de tweede aardbeving, waarop Kinsky met de ouder geworden inwoners wederom terugblikt. Op de cover en in het boek staan foto’s van een fresco. In het koor van de heropgebouwde kathedraal van Venzone is een lange, van een vernield fresco geredde, strook te zien. Hij is bedekt met tekens en inscripties zoals pelgrims die er eeuwenlang op achterlieten. De sublieme roman van Kinsky lijkt op een geredde strook met verhalen uit het geheugen van de landstreek Friuli.

     

     

  • Reizen en dromen met Zwier

    Reizen en dromen met Zwier

    Wat doet een reisauteur tijdens een pandemie? Zich omscholen tot volbloed romancier. Meer te weten komen over lucide dromen. Reizen door zijn kamer…
    De kamer van antropoloog, bioloog, geograaf en reisauteur Gerrit Jan Zwier blijkt een museum zelf, met Noorse tijdschriften, reisverhalen, een schelpencollectie. Zwier verbindt vele vakken. Ooit volgde hij colleges meteorologie bij W.F. Hermans. Stof genoeg en een boeiend gegeven: een boek van een reisauteur tijdens de lockdown.

    Boom in een winters bos voert de lezer langs herinneringen, verwijzingen, dagboekfragmenten. Zwier schetst een manier van reizen die dicht bij het romantische levensgevoel ligt: beschouwen en zwerven tegelijk. Een manier die geschiedenis, natuur en kunst samenbrengt.
    De jongeren die tijdens de pandemie feestjes bleven houden of toeristen die niet zonder ‘hun pleziertjes’ konden, krijgen er geregeld van langs. Hun houding contrasteert met de filosofie van Zwier, brompot of niet en zeker geen toerist. Hij steekt zijn mening niet onder stoelen of banken.

    Draden en sporen

    In Boom in een winters bos volgt Zwier een spoor van landschapsschilders zoals Johan Christian Dahl en van de Noorse trollentekenaar Theodor Kittelsen. Hij vertelt over schilderijen, plaatsen, muziek en een enkele schrijver van de noordelijke romantiek. Ook Grieg en Ibsen passeren de revue. Corona vormt een spanningsboog door het boek heen. In dagboekfragmenten brengt Zwier verslag uit van de pandemie. Dat doet vaak opschrikken uit de dromerige romantiek van een ver verleden of een uitgestrekt landschap. Het heden vormt een boeiende dialoog met de romantiek van het verleden. Ook de lockdown noopt tot verlangen, maar een ware romanticus als Gerrit Jan Zwier kan daarmee omgaan.

    De auteur geeft aan dat hij zelf maar half de manier begrijpt waarop allerlei zaken uit zijn verleden en binnen zijn interesses met elkaar samenhangen: Tolkien, Kuifje, Eric de Noorman, Heer Bommel, trekvogels, hunebedden, landschapsschilders, Boudewijn Büch, Paaseiland, Slauerhoff, antropologie, reisboeken, Faust. Soms zijn de sprongen in de draden en sporen groot en blijft onduidelijk waar het verhaal heengaat, want als lezers zijn wij gewoon om vakken gesegmenteerd op een bordje te krijgen. De verbindingen die Zwier legt zijn reispaden. Soms verdwaalt hij in zijwegen – ‘nog een terzijde’ – maar gaandeweg lijkt alles op zijn plaats te vallen en volgt het gevoel een groot schilderij langs alle kanten en door vele lagen te hebben bekeken.

    Facetten van de romantiek

    Zwier belicht de noordelijke romantiek in vele facetten. Hij toont aan dat Hans Christian Andersen, tijdens zijn leven versmaad door zijn landgenoten, met hart en ziel thuishoort in de negentiende-eeuwse romantiek. Andersen was een gekwelde kunstenaar bij wie de spreuk ‘Nooit hier, altijd daar’ paste. Hij was ijdel en bitter maar niet nationalistisch.

    ‘De faustische mens staat open voor de donkere regionen in zijn ziel. Hij is de eenzame wolf die de grenzen van zijn mogelijkheden opzoekt. Net als de wijngod Dionysos is hij afkerig van het gematigde, apollinische denken, dat streeft naar harmonie,’ schrijft Zwier. Het begrip ‘faustisch’ duikt ook op in De ondergang van het Avondland, van Oswald Spengler. Zwier haalt er Jan de Vries bij, de germanist en volkskundige die een hekel had aan de moderne tijd en de oude plattelandscultuur zag verdwijnen. Hij zocht zijn heil, zoals wel meer volkskundigen destijds, bij de ideologie van de nazi’s.

    Romantische schilders wilden het echte, ongerepte landschap vastleggen. Een nationaal-romantische schilder moest niet zozeer een spiegelbeeld van de werkelijkheid weergeven als wel doordringen in wat eigen en oorspronkelijk is. Een ware romanticus zoekt de eenzaamheid en grootsheid van de wilde natuur, en als die niet voorhanden is, stelt hij het platteland boven de stad. Zwier kaart, gedocumenteerd door verschillende bronnen, ook de valse verheerlijking van het platteland aan, met haar vaak starre en onbeschaafde mentaliteit. Er bestaat ook een noordelijke romantiek die aanschurkt tegen de rechtse ideologie.

    De romantiek die Zwier vooropstelt, lijkt onschuldiger. Het is die van de dromer die met een schetsboek en veldfles door het landschap trekt. Gedreven door Wanderlust, het diepe verlangen om door de natuur te trekken. Zelf reisde Zwier dikwijls al liftend, lopend, kamperend. Hij ging op zoek naar afgelegen eilanden, vuurtorens, hunebedden, natuurschilderingen, dichtregels vol verlangen en verhalen over avonturiers en Einzelgängers. Doet dit niet denken aan het schilderij De wandelaar boven de nevelen van Caspar David Friedrich?

    Al toont Zwier zich zelf geen nationaal-romanticus, soms laat hij dubieuze ballonnetjes op: ‘Ik kon er maar moeilijk aan wennen dat je zelfs in Lapland groepen zwaar gesluierde vrouwen tegenkwam. Soms heb je het idee dat al dat goedbedoelde laisser-faire rijkelijk naïef is, of het nu om asielzoekers of corona gaat.’ Hij vertelt dat er twee donkere vrouwen met hoofddoekjes zijn boeken op een marktje links laten liggen omdat ze geen connectie met de Nederlandse cultuur hebben. Hun interesse wordt wel gewekt door de kraaltjes van zijn buurvrouw. Zwier was ook in De dwaze eilanden al bezig met botsingen tussen beschavingen.

    Feit, verbeelding en verzinsel

    Interessant is de link die Zwier legt tussen kunst en wetenschap. Dat geeft stof tot nadenken, zeker met corona op de achtergrond en lieden die het virus en de wetenschap minimaliseren of ontkennen. De vaak getrouwe weergave van de natuur op romantische schilderijen, soms magischer gemaakt om een spiritueel effect te bereiken, bevat ook een grote kennis, zo betoogt de auteur.
    Ook als hij over trollen en andere verzinsels vertelt, is dat doordacht. Hij zegt niet steeds iets letterlijks, maar door de compositie van feiten en beschouwingen reikt hij inzichten aan, bijvoorbeeld over fictie en werkelijkheid.

    Op de achtergrond van zijn beschouwingen over het noorden maken complotdenkers steeds vaker furore. Voor hen is corona een verzinsel. In dat licht krijgen de kobolden, trollen en elfen plots een nieuwe betekenis. Zij komen vaker voor op het platteland en in uitgestrekte landschappen. Trollen verstenen bij het zonlicht. Ook complotdenkers en hun aanhang lijken rigide en versteend. De verzonnen mythische wezens met hun grimassen zijn een uitdrukking van realistisch gedrag.

    Zwier merkt ook op dat Andersen en zijn sprookjes vroeger werden verguisd en pas veel later nationaal geroemd. Met sprookjes werd gelachen, terwijl Denen nu in verzinsels van complotdenkers trappen…  Wel vaker toont Zwier het weefsel van geschiedenis, wetenschap en mythen. Soms verwijst hij naar zijn andere werk. Dat komt soms zelfgenoegzaam over, later blijkt het informatief en een oprecht verslag van een zoektocht in de reis door zijn kamer.

    Het omslag van het boek is een schilderij van Peder Balke (1804-1887) over wie Zwier ook al eerder schreef, met als titel Boom in een winters bos. Balkes werk werd sterk beïnvloed door Johan Christian Dahl en Caspar David Friedrich. Het kijken naar een schilderij heeft vaak dezelfde meditatieve uitwerking als kijken naar een landschap of naar een hunebed in dat landschap, zegt Zwier. Vaak probeert hij de verbeelding te vergelijken met de realiteit. ‘Nadat we door een stoppelveld rond de tuin zijn gelopen staan we opeens oog in oog met de inspiratiebron van het beroemdste schilderij van Lundbye.’

    Het romantische levensgevoel laat zich niet zo makkelijk definiëren. ‘Het gaat daarbij om sfeer en herkenning,’ concludeert Zwier. ‘Wie met een onverschillige blik naar het maanverlichte hunebed van Carus op Rügen kijkt, hoeft zich verder niet in de romantiek te verdiepen, of die nu noordelijk is of niet.’ Lees Boom in een winters bos. Het met subtiele ironie geschreven boek is een boeiende reis.

     

     

  • Het dossier van de liefde. Of: hoe het kostbare te regelen

    Het dossier van de liefde. Of: hoe het kostbare te regelen

    In haar nieuwe roman De fiscalist plaatst Ariëlla Kornmehl de wereld van geld en bezit lijnrecht tegenover intimiteit. Het hoofdpersonage is Anton Frankenmolen. Hij belandt in een midlifecrisis of burn-out. Alles begint met een opgejaagd gevoel. Een onverklaarbare druk op zijn borst. Gaandeweg voelt hij zich betekenisloos. De dokter raadde hem eerder al gesprekstherapie aan. Of een vriend.

    iPhone

    Anton koopt een iPhone. Dat beeld is veelbetekenend: Anton, de fiscalist waarop valt te bouwen, blijkt maar moeilijk in staat tot menselijke relaties. Op dat machientje spreekt hij voortaan gedachten en gevoelens uit, vaak op momenten waarop hij alleen is, op de parking bijvoorbeeld. Het beeld past in een transhumane werkelijkheid. Anton heeft steeds hard gewerkt, stond paraat voor veeleisende klanten. Zijn huwelijk is een dode zaak: zijn vrouw lijkt ook een veeleisende klant maar aan haar tracht hij te ontkomen. Zijn kinderen bellen hem enkel wanneer ze wat nodig hebben. Ze vinden hun vader nors.
    Anton ergert zich ook aan zijn secretaresse Dorien met wie hij weleens wat had op het bureau. Zij bemoeit zich, ze snuffelt. Maar Dorien kent hem ook, dat schept misschien vertrouwen. Het lijkt erop dat zij hem nog steeds wil.

    Geleidelijk aan krijgt Anton de dochter van zijn oudste klant in het vizier. Mila beheert met haar vader de joodse familiezaak.  Antons iPhone heeft voortaan meerdere functies. Hij kan Mila’s aanwezigheid verifiëren via WhatsApp, tenminste als ‘online’ zijn aanwezig zijn betekent. Het virtueel loeren begint.

    Vervreemding

    Iedereen in het verhaal lijkt op zijn beurt eenzaam rond te dolen met een geheim. Zelden wordt er echt contact gelegd. Het leven speelt zich grotendeels af op kantoor, maar het heeft er alle schijn van dat dat kantoorleven ook elders is binnengedrongen. De hedendaagse vervreemding wordt in De fiscalist knap geschetst, het toont een gelaten oppervlakkigheid. Het bezit wordt netjes geregeld. De innerlijke wereld daarentegen lijkt een puinhoop.
    Tijdens Antons crisis ontluikt er een zekere liefde voor Mila en zelfs voor ‘het leven’.
    Ik ben niet meer te redden en voel me hemels,’ zegt Anton. Is hij gedrogeerd door dopamine of begint er een loutering? Het interessante aan het personage van Anton is dat je tot het einde niet weet welke kant het opgaat.

    Dubbel

    Soms is er die barst, waardoor het licht kan binnenkomen, zoals Leonard Cohen zingt (‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in’). Dan lijkt alles te ontdooien, in beweging te komen. Er is zelfs tederheid voelbaar en Antons gedachten en gevoelens hebben een bestemming: ze worden menselijk en breekbaar.
    Als Anton bijvoorbeeld de giften voor de goede doelen van zijn rijke klanten bekijkt, vraagt hij zich af: ‘Gaat het om de aftrekbaarheid van de belastingen of om de goede doelen zelf? Dan heeft hij kritiek op bepaalde systemen, stelt hij dingen in vraag.  Op zo’n moment doet zijn existentiële tocht weleens denken aan De valvan Camus waar de hoofdpersoon niets meer zeker weet en de maatschappij en zichzelf grondig aftoetst.

    Op andere momenten lijkt Anton voorgoed ingemetseld. Hij doet mee aan de dingen waarvan hij last ondervindt en die hij bekritiseert. Hij zegt van zijn vrouw dat ze enkel met het uiterlijk bezig is, maar koopt even later een cabrio.
    De moed ontbreekt om zich werkelijk te bevrijden. Hij stelt de liefdadigheid van rijke klanten terecht in vraag, maar dan is hij weer cynisch over huurders of cynisch tegenover zijn vrouw, die hij enkel gebruikt.

    Zijn vermogen tot liefhebben lijkt wel gevangen in een wereld van bezit. Hij is een vertrouwensman van financiële zaken, niet van liefde.
    Het lijkt erop dat die liefde niet ontwikkeld is, dat ze zoals een goudstaaf in de kluis terechtkwam. Het staat in schril contrast met de ontwikkeling van formules en mogelijkheden in de financiële wereld om bezit goed te regelen.
    Intimiteit wordt een grijpreflex, iets bezetens in een wereld van bezit. De liefde is iets dat je kan berekenen, opvragen, bestellen. Al blijft het platonisch, Anton wil Mila voor zichzelf, eist haar op alsof hij recht op haar heeft. Liefde blijft slechts bij lichamelijk genot, uiterlijk. De wereld bestaat uit kantoor en porno.

    Niets in zijn leven is zo duidelijk dan zijn geilheid,’ klinkt de hulpeloze puber die hij nog steeds is. Intimiteit blijft ook iets mechanisch, machinaal. In Antons wereld ‘objectiveren’ mensen elkaar, gebruiken ze elkaar.
    De ‘liefde’ die Anton voelt, wordt bovendien overgenomen door techniek. Anton raakt geobsedeerd door zijn iPhone. Hij weet wanneer Mila online is. Menselijke aanwezigheid wordt slechts geregistreerd.
    Toch is de hoop achter de beklemmende sfeer nooit verdwenen. Er zijn kansen om zich te bevrijden, alleen is Anton verblind.

    Zelfreflectie

    De man, die niet in staat blijkt tot werkelijke menselijke dialoog, legt uiteindelijk ook met zichzelf geen contact. De vragen die hij zich stelt, blijven hangen, zijn vrijblijvend. Onhandig zoekt hij oplossingen om Mila te bereiken en te ontsnappen aan de verstikkende en banale wereld. Hij koopt gewichten om te trainen. Het stereotiepe houdt hem gevangen en dat weet Kornmehl scherp te analyseren. Antons obsessies krijgen bijwijlen iets engs, geven een onbehaaglijk gevoel. Het kan exploderen. De liefde werd verwaarloosd en nu tikt de teller. Tijd is geld.

    Op de achtergrond van Antons toenemende obsessie vindt er een aanslag op een joodse school plaats. Mila is joods en studeerde geschiedenis. Ze heeft het gevoel dat het verleden haar, net zoals Anton, achtervolgt.
    Antons gedrag is tegelijkertijd griezelig herkenbaar. Hij is eerder doorsneemens dan Einzelgänger. De fiscalistis geen portret van een individu, maar het portret van een geldzuchtige maatschappij.

    Eenvoud

    Kornmehl blinkt uit in trefzekere zinnen. Beheerst en zonder drama geeft ze de feiten mee. Het verhaal wordt rustig en minutieus opgebouwd, in een sobere stijl. De eenvoud getuigt van vakmanschap. Soms zijn haar zinnen poëtisch. Af en toe staat er een bewuste herhaling, als een echo die oproept om iets te laten doordringen.
    Vaak zorgen originele combinaties van adjectieven voor scherpe observaties. Aan andere zinnen merk je dat Kornmehl filosofie studeerde.
    Het is knap hoe Kornmehl vaktermen uit de financiële wereld laat doorklinken als levenswijsheid. Over de restauratie van een vastgoed zegt Anton: ‘Zo werkt het blijkbaar, dat het lang verwaarloosd wordt en dan ineens heeft het haast.’
    Antons gedachtegang wordt verteld in de hij-vorm, als een zakelijk verslag van zijn innerlijk. Zijn gedachten verspringen snel. Zijn monoloog klinkt dan weer minder fragmentarisch en is gericht aan Mila, als een steeds obsessiever gebed. Fijn tekendetail bij Antons monologen is het icoontje van de iPhone die op ‘aan’ staat. Door Antons perspectief weet je niet altijd wat oprecht is en wat gedreven door angst of obsessie. Kornmehl is erin geslaagd om de tijdsgeest een eigen invulling te geven in een beklemmend boek dat op een verademende manier is geschreven. Ze nodigt de lezer uit om na te denken over liefde in een materialistische wereld.