• Oogst week 28 – 2024

    Aangrenzende kleuren

    De nieuwe roman van de Poolse schrijver Małecki gaat volgens de flaptekst over moed, vergelding en onmogelijke liefde. En over de vraag of je kunt sterven van verlangen. Door die vraag raakt de hoofdpersoon in Aangrenzende kleuren gefascineerd als hij werkt aan een doodskist voor iemand bij wie dat gebeurd zou zijn.

    Jakub Małecki (1982) is een schrijver die in eigen land veel succes heeft en die al voor verschillende literaire prijzen is genomineerd. ‘Małecki schrijft geestig en toegankelijk’ aldus Thomas van Houwelingen in april 2023 in zijn recensie over Saturnin, het tweede boek dat van Małecki in Nederlandse vertaling is verschenen, na het eerder goed ontvangen Roest.

    Karol Lesman die in 2017 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontving voor zijn vertalingen uit het Pools, tekende voor de vertaling van Aangrenzende kleuren.

    Aangrenzende kleuren
    Auteur: Jakub Małecki
    Uitgeverij: Uitgeverij Querido (2024)

    Een tuin voor verloren benen

    ‘Stemmen uit Gaza’ is de naam van een serie Palestijnse literatuur die Uitgeverij Jurgen Maas gaat uitgeven samen met de stichting Hope. De eerste titel uit deze serie is Een tuin voor verloren benen van Mahmoud Jouda. Het plan voor de serie ontstond enkele maanden voordat de oorlog in Gaza uitbrak. Ook de keuze voor het boek van Jouda was van vóór die tijd. Vertaalster Djûke Poppinga is een van de raadgevers bij de keuze voor de titels uit de serie.

    Een tuin voor verloren benen grijpt terug op de Mars van de Terugkeer uit 2018 en 2019 toen duizenden Palestijnen die in het verleden door de Israëliërs uit het gebied verdreven waren demonstreerden om te mogen terugkeren naar de plek waar ze vandaan kwamen. Op enig moment schoten Israëlische soldaten op de demonstranten. Velen Palestijnen werden gedood, nog meer werden ernstig verwond. Sinds die tijd werd het straatbeeld in Gaza bepaald door mannen en vrouwen op krukken en in rolstoelen. In Een tuin voor verloren benen zoekt de verteller de gehandicapten op, gaat met ze in gesprek en tekent hun ervaringen op.

    Mahmoud Jouda (1985) is psycholoog en schrijver/journalist. Begin 2024 ontvluchtte hij Gaza. Hij woont nu in Egypte.

    Een tuin voor verloren benen
    Auteur: Mahmoud Jouda
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas (2024)

    Strijdtonelen

    Naar aanleiding van de trilogie van de Engelse schrijver en oorlogsdichter Siegfried Sassoon raakte Paul Moeyes gefascineerd door de Eerste Wereldoorlog. Hij realiseerde zich naar eigen zeggen toen pas wat the Great War in Engeland had aangericht en werd daardoor ook nieuwsgierig naar Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog en naar de rol van Nederland als neutraal buurland.
    Sindsdien leest, schrijft en praat Moeyes over de Eerste Wereldoorlog.

    In Strijdtonelen, De Eerste Wereldoorlog in de Nederlandse pers en literatuur 1914-1918 gaat Moeyes in op de manier waarop door de Nederlandse kranten verslag werd gedaan van de strijd en hoe dat er uiteindelijk voor zorgde dat de Nederlandse pers onbedoeld partij werd in de propagandaoorlog.

    Strijdtonelen
    Auteur: Paul Moeyes
    Uitgeverij: Uitgeverij de Arbeiderspers (2024)
  • Een ongrijpbaar, prachtig boek

    Een ongrijpbaar, prachtig boek

    Bij lezing van de nieuwe roman van de Pool Jakub Małecki, getiteld Saturnin, dringt zich bij tijd en wijle de indruk op dat er iets nét niet in de haak is, alsof een schilderijtje scheef hangt dat je maar niet recht kan krijgen. Dat unheimische gevoel wordt concreet als de verteller een buskaartje beschrijft dat heen (7 km) de reis korter voorstelt dan terug (9 km). Zo is het precies met dit boek, je weet dat er iets niet helemaal klopt, maar wat dat is, blijft lang onhelder. Toch slaagt Małecki er heel goed in de lezer mee te zuigen in een poging van de verteller(s) hun familieverleden te begrijpen. Saturnin is Małecki’s tweede in het Nederlands vertaalde boek, na het zeer positief ontvangen Roest.

    De plot van de roman is niet in een paar zinnen samen te vatten. De sfeer wel: die is voor een groot deel droomachtig. Dromen worden daadwerkelijk beschreven, maar andere delen lijken op verkenningen van de schrijver. De schrijver tast alternatieve werkelijkheden af in fantasievolle (dag)dromen; wat als een situatie anders was gelopen? Er is niet één waarheid, zo lijkt Małecki te stellen, zonder dat die vaststelling cliché aanvoelt. En door middel van zijn nawoord zet hij zijn eigen roman in wezen ook weer op z’n kop. Waardoor dat komt, moet maar even in het ongewisse blijven, om spoilers te voorkomen.

    Zijn ‘idiote naam’

    Małecki schrijft geestig en toegankelijk, waardoor het boek gemakkelijk leest. Toch is het dat niet; het snijdt heftige thematiek aan die de lezer niet onberoerd laat. Hoofdpersoon Saturnin, oud-gewichtheffer, wordt namelijk min of meer gedwongen zich in de, voor hem onbekende, heftige geschiedenis van zijn grootvader te verdiepen. Saturnin woont inmiddels in de grote stad en één van de grote vragen waar hij mee worstelt is waarom hij nou in vredesnaam zo’n ‘idiote naam’ heeft.

    Zijn opa, Tadeusz, een stugge man wiens verleden als militair in de Tweede Wereldoorlog voor Saturnin een raadsel is, blijkt opeens verdwenen. Halsoverkop rijdt hij naar Kwilno op het Poolse platteland, ten westen van Warschau, waar hij is opgegroeid. Daar woont zijn grootvader met zijn dochter, Saturnins moeder. Samen met zijn moeder gaat hij zijn opa zoeken. Hij blijkt vernoemd naar een dienstmaat van zijn grootvader, wat het startschot betekent voor een duik in het verleden.

    Małecki doet een reuzenstap terug in de tijd als het verleden van Tadeusz aan bod komt wanneer hij de (ogenschijnlijk gedroomde) avonturen van Tadeusz als militair in het Poolse leger tijdens het begin van de Tweede Wereldoorlog beschrijft. Het is dat onderdeel van het boek dat het meeste indruk maakt.

    Poppen

    De auteur laat zien hoe een oorlog voor een militair een onduidelijk en onbegrijpelijk fenomeen is. Ook Tadeusz lijkt zich te realiseren dat er iets niet klopt: ‘ik weet niet of dit zo hoort, of oorlog neerkomt op om iemand heen lopen, maar ik zeg niks, want ik hier geef ik de voorkeur aan, ik geef er de voorkeur aan om iemand heen te lopen dan dat ik ga vechten, dus zet ik zwijgend de ene stap na de andere, wel vind ik het een beetje stom: in uniform, en toch een lafaard. Dat is precies wat ik ben. (…) De hele tijd had ik schijnbaar gehoopt dat we zo zouden blijven marcheren en kruipen tot de oorlog voorbij was en we veilig naar huis konden terugkeren. (…) Overal soldaten, half bewusteloos, onder het bloed en de modder. Ze liggen als poppen verspreid over het gras en het mos. Ze slapen of kijken voor zich uit, alsof er niets meer is.’

    In die chaos komt Tadeusz terecht, raakt hij gewond en keert hij na zijn herstel terug de oorlog in. Zijn zus Irka bezweert dat hij niet zal sterven, maar dat, mocht het toch gebeuren, ze elkaar bij een vijver in de buurt zullen ontmoeten. Helaas blijft dat laatste bij een droom.

    Verzetsstrijder

    Daarna verwordt Saturnin tot een lappendeken van realiteit en fantasie. Tadeusz sneuvelt, maar hij vertelt verder: ‘Een paar boeren uit een naburig dorp begraven me tegelijk met anderen die aan de Bzura zijn gesneuveld, het graf is drie bij vijf meter, tamelijk ondiep en er passen veertien lichamen in. (…) Ik zal dus op mijn zij liggen en helemaal verdraaid, met mijn rechterarm onder mij (…) Mijn hoofd drukt in de rug van een magere Duitse soldaat. (…) Mijn ouders zullen mijn lichaam nooit te zien krijgen.’

    Daar blijft het niet bij. Hij staat plots weer op en verandert in een gevierd verzetsstrijder die menig Duitser ombrengt. Hij glijdt als een slang door de bossen richting zijn volgende slachtoffers en ziet zijn vriend Saturnin, die wat aan de corpulente kant is, bosjes Duitsers in één keer verzwelgen. Tadeusz wordt met andere woorden een held. Maar is hij het ook werkelijk? Zodoende verklaart Małecki langzaam maar zeker waarom Tadeusz op zijn oude dag verdwijnt.

    Al met al is Saturnin al een prachtig geschreven boek. Het droomachtige gevoel dat het bij de lezer oproept maakt dat wat er gebeurt ongrijpbaar – maar zijn dromen zelf dat niet per definitie? De roman maakt de lezer op haast pijnlijke wijze deelgenoot van het verdriet dat een oorlog aanricht binnen een familie. Een boodschap die nu, na 14 maanden oorlog in Oekraïne, alleen nog maar heviger resoneert.

     

     

     

  • De hel van Tadeusz Borowski

    De hel van Tadeusz Borowski

    De lezer die dacht dat hij na schrijvers als Primo Levi, Imre Kertesz en Curzio Malaparte de meest gruwelijke Holocaust literatuur wel onder ogen zou hebben gehad, heeft niet gerekend op Tadeusz Borowski’s Hierheen naar het gas, dames en heren. Een titel zo wrang en cynisch dat je als lezer direct aanvoelt welke gruwelen je kunt verwachten. Borowski beschrijft in zijn verhalen de hel. Erger nog, hij beschrijft een hel waarvan we ons zelfs met onze kennis omtrent de meest duistere aspecten van de geschiedenis van de 20e eeuw geen voorstelling kunnen maken. Het resultaat is zowel trefzeker als ontstellend.

    In het – net zoals vrijwel alles uit deze bundel, autobiografische – titelverhaal vertelt de ik-persoon hoe hij samen met een groep medegevangenen verantwoordelijk is voor het leeghalen en schoonmaken van de wagons nadat er een nieuwe groep Joden in Auschwitz is aangekomen. ‘De grendels knarsen, de wagons worden geopend. Een golf frisse lucht dringt naar binnen en slaat de mensen als mijngas tegemoet. Dicht op elkaar geperst, geplet door een enorme hoeveelheid bagage, koffers, koffertjes, rugzakken, bundels van alle soorten en maten (…) zitten ze in vreselijke krapte; ze vallen flauw van de hitte, stikken en laten anderen stikken. Nu verdringen ze zich bij de open deur, hijgend als vissen op het zand.’ Nadat alle overlevenden van de reis zijn uitgestapt en naar de plek zijn gevoerd waar de selectie zal plaatsvinden, moet de groep de wagons legen. ‘We springen naar binnen. In de hoeken tussen de menselijke uitwerpselen en verloren horloges slingeren gestikte, vertrapte baby’s rond, naakte monstertjes met enorme hoofden en uitpuilende buiken. We dragen ze naar buiten als kippen, een paar tegelijk in elke hand.’

    Ieder voor zich
    Met zijn kille beschrijving toont Borowski aan waartoe ontmenselijking leidt. Een moeder verloochent haar kind omdat ze onder de levenden wil blijven, een groep uitgehongerde gevangenen rent naar de plek waar zojuist een groep jonge Russen is geëxecuteerd want de volgende dag ‘verzekerde de Joodse muzelman uit Estland […] me ervan dat mensenhersenen zo mals zijn dat je ze zonder te koken volstrekt rauw kunt eten,’ een lid van het sonderkommando vertelt enthousiast over een nieuwe efficiënte manier om zoveel mogelijk lichamen tegelijk te verbranden. ‘We pakken vier kinderen met haar, leggen die met de hoofden bij elkaar en steken het haar in brand. Dan brandt het verder vanzelf en is het gemacht.’ Het doet denken aan de efficiëntie van de fabrikant van de verbrandingsovens, die enthousiast bij de nazi’s aankwam met nóg betere ovens waarin de lichamen nóg sneller konden worden verbrand. De nazi’s waren er uitermate vernuftig in van de slachtoffers daders te maken, met als resultaat dat de ontmenselijking ook tot ongevoeligheid bij de gevangenen leidt. ‘Zie je, vriend, ik voel een volstrekt onbegrijpelijke woede tegenover die mensen in me opkomen, omdat ik door hen hier moet zijn. Ik heb helemaal geen medelijden met ze dat ze naar het gas gaan. Dat de aarde onder hen uiteen moge splijten. Ik zou me met mijn vuisten op hen kunnen werpen. Dat is toch ziekelijk, ik kan het maar niet begrijpen.’ In de hel van Auschwitz is het in de drang om te overleven ieder voor zich. ‘Het belangrijkste is om vandaag te overleven. Ik wil terug naar mijn vrouw, naar mijn kind, ik heb al genoeg oorlog lopen voeren.’

    Vertalers Karol Lesman en Charlotte Pothuizen zijn erin geslaagd de zo kil beschreven hel van Borowski in helder Nederlands te vertalen, voorwaar geen geringe prestatie. Naast de verhalen uit Hierheen naar het gas, dames en heren, bevat deze bundel een aantal verspreide verhalen en gedichten, die deels ook na de oorlog spelen. Een wereld waar nog altijd de chaos regeert, waar het nog steeds ieder voor zich is en waar het antisemitisme nog springlevend blijkt.

    Moraliteit
    Wat de verhalen van Borowksi zo sterk en tegelijkertijd schokkend maakt is de afstand tussen de moraliteit waar wij ondanks alle mogelijke ellende in de 21e eeuwse maatschappij van uitgaan en de hel van Auschwitz. ‘Borowski speculeert op een moreel besef waarvan hij vermoedt dat dat nog aanwezig is bij de lezer; vooral daaraan is het effect van deze tekst te danken, de botsing tussen het residu aan moraliteit in de lezer en het universum waar de moraal de absurditeit bij uitstek is geworden,’ zo zegt Arnon Grunberg treffend in zijn zeer sterke inleiding. Het zorgt er steeds weer voor dat de gebeurtenissen uit deze verhalen aankomen als een mokerslag.

    Tadeusz Borowski en zijn vriendin overleefden beiden de oorlog. Ze hadden het geluk dat drie weken voor hun arrestatie in 1943 de nazi’s de gang naar de gaskamer voor ‘Ariërs’ hadden afgeschaft, waardoor ze aan een vroege dood waren ontsnapt. Na de oorlog en omzwervingen van zijn vriendin naar onder andere Zweden, trouwden ze. Maar eenmaal getrouwd kon Borowksi zijn draai niet vinden en begon hij een buitenechtelijke relatie. Gedesillusioneerd in de Communistische Partij in Polen, waar hij aanvankelijk zijn hoop op had gevestigd, pleegde hij op 1 juli 1951, daags na de geboorte van zijn dochter, zelfmoord, ironisch genoeg door de gaskraan open te draaien. Hij liet geen briefje na waarin hij een motief gaf voor zijn daad. Tadeusz Borowski was nog geen 30 jaar oud.

  • Wedervaren op het Poolse platteland

    Wedervaren op het Poolse platteland

    In Roest van de Poolse auteur Jakub Małecki kan de herinnering zomaar toeslaan. We volgen drie generaties lang het leven in het Poolse plattelandsdorp Chojny. Dat leven staat in de schaduw van grotere gebeurtenissen waarin de dorpsbewoners worden meegetrokken. Ze zijn het slachtoffer van de geschiedenis. Hun aller lot is op ingenieuze wijze met elkaar verbonden en hun persoonlijke geschiedenissen staan op de voorgrond in dit universele verhaal. 

    Het begint op de dag dat alles eindigt voor Szymek Stawny, die op één dag beide ouders verliest in een auto-ongeluk. Na hun dood komt Szymek bij zijn oma Tośka te wonen. Afwisselend ontvouwt zich het verhaal van Szymek in het heden en dat van Tośka in het verleden, een verleden dat is doortrokken van verlies. Tośka heeft de Tweede Wereldoorlog meegemaakt en wordt gekweld door de herinneringen aan de bombardementen op Chojny en de deportatie van de bewoners. Ze was er niet op voorbereid om nog voor een kind te moeten zorgen. Ze omschrijft zichzelf als ‘een gebouw dat op instorten staat’, nu Szymek komt staat het ‘in de steigers’. 

    Vreemde oma

    Als Szymek in het huis van zijn oma komt kan hij niet slapen omdat hij bang is dat Onze Lieve Heer hem ‘s nachts komt halen, net als hij zijn ouders heeft gehaald. Tośka belooft dat ze Onze Lieve Heer wel zal neerschieten als hij nog een keer komt. Uit het koekblik haalt ze een pistool en laat het aan Szymek zien. Dat pistool is haar verzekering tegen de toekomst. Als de tijd komt om eruit te stappen heeft ze alles al voorbereid. Szymek speelt ondertussen met zijn vriendje Budzik langs het spoor waar ze muntjes op leggen, die ze later weer verzamelen als de trein eroverheen is gereden. 

    Nu hij zijn oma met de kwartels en konijnen moet helpen breekt een nieuwe tijd voor Szymek aan. De geruststellende aanwezigheid van zijn ouders is vervangen door de vreemde oma die soms verloren in gedachten voor zich uit zit te kijken. In de mist van de ouderdom stommelt ze door het huis, geluiden die Szymek al snel vertrouwd voorkomen. Tośka probeert Szymeks leven makkelijker te maken met stilzwijgend begrip. Niet lang daarna moet hij naar school, waar zich een incident voordoet waarbij hij een pestkop slaat. Hij krijgt een zekere reputatie en moet daarna ook van Budzik pesterijen ondergaan. Szymek verwijt zichzelf niet moedig genoeg te zijn, niet net zo moedig als zijn betovergrootvader Lucjan die ooit met zijn blote handen een beer schijnt te hebben gedood. 

    Betonnen standbeeld in het bos

    Tośka raakt ondertussen steeds meer verstrikt in haar herinneringen. Zij denkt aan haar vroegere geliefde Karol, aan de tijd en de oorlog die zich moeilijk vergeten laat. Haar herinneringen zijn heel zintuiglijk; de geur van de bedrukte wagon waarin ze vervoerd werden, de kleuren van het landschap. In de buurt van Chojny lag het vernietigingskamp Chełmno waarvan de lugubere geur als de wind verkeerd stond hun kant op waaide. Karol had het met eigen ogen gezien, wat daar gebeurde, waarna hij zo geschokt was dat hij zich opsloot in een schuur en weigerde naar buiten te komen. 

    De vreselijke gebeurtenissen die nabij Chojny hebben plaatsgevonden drukken een stempel op het dorp. Aan Chojny valt niet te ontkomen, laat Małecki Szymek ergens zeggen. Hetzelfde geldt voor de geschiedenis en Tośka. Ze raakt Karol uiteindelijk kwijt en moet haar dochter alleen opvoeden. Zo verloor iedereen wel iets in de oorlog, geliefden, verwanten, jaren van hun leven. De oorlog leeft voort in verhalen die door de ouderen eindeloos aan hun kinderen worden verteld. Voor de kinderen zijn het oude zwart-witfoto’s waarbij ze zich niets kunnen voorstellen. Net als Szymek die op een dag op schoolreisje moet naar Chełmno, wat Tośka nog probeert te verbieden. Hij vindt er niets aan, want er staat alleen maar een betonnen standbeeld in het bos. 

    Toekomst

    Voor Szymek duurt de werkelijkheid om hem heen ‘hardnekkig voort’. Hij zou naar de universiteit gaan. Tot hij op een dag bij de bushalte Budzik tegenkomt, die hem zonder reden in elkaar slaat. Szymek besluit in Chojny te blijven en krijgt een baantje bij zijn oom op het postkantoor. Hij gaat bij zijn oom wonen en probeert niet aan de toekomst te denken. ‘Soms vroeg hij zich alleen af of er in zijn leven nog iets zou gebeuren. Hij was niet bang dat er misschien iets zou gebeuren en hij was niet bang dat er misschien niets zou gebeuren. Hij was benieuwd, zoals hij soms voor de tv benieuwd was als hij naar de lotgevallen van anderen keek die even vreemd en fictief waren als zijn eigen leven.’ De houding van veel personages in het boek lijkt op die van Szymek. Het leven dwingt ze tot bepaalde keuzes en zo worden ze wie ze zijn. Opvallend genoeg keren ze vaak terug naar hun geboorteplaats, slechts een enkele keer lukt het iemand om dat lot te ontstijgen. 

    Onvergetelijke sfeerschets

    Op het platteland is de geschiedenis onlosmakelijk verbonden met het land. De boom op het erf van de familie Budzikiewicz die vijf generaties heeft gekend staat er symbool voor. De rol van het herinneren ligt bij ouderen zoals Tośka. Zij staan nog met een been in het verleden en hun pijnlijke herinneringen roepen begrip op voor het menselijk onvermogen. Bij auteur Małecki is geschiedenis iets wat door de generaties heen werkt. Roest vertelt het verhaal van betovergrootvader Lucjan en de volgende generaties tot en met Szymek. Daardoor gaat het niet alleen om Szymek en Tośka maar is het boek eerder een familiesaga. De relatie tussen Szymek en Budzik vormt de katalysator. Verbonden door het spoor en hun gedeelde verleden leggen ze ieder hun eigen traject af. Tot het op het einde allemaal op dramatische wijze samenkomt. 

    Jakup Małecki heeft met Roest een oersterke roman afgeleverd, een zorgvuldig en langzaam opgebouwd coming of age verhaal met een melancholische toets. Daarbij zet hij een onvergetelijke sfeerschets van het Poolse platteland neer. De stijl is eenvoudig maar pijnlijk levensecht. Sommige zinnen komen aan als een sloophamer. De personages zijn knap beschreven, geloofwaardig en herkenbaar door hun individuele gebreken. Door de bijna filmische weergave van het verhaal groei je als het ware met hen mee door de tijd. Małecki laat zien wat ervoor nodig is om jezelf te worden. Zijn helden zijn hele alledaagse mensen die hun best doen om hun leven te leiden. Dat is vaak al moeilijk genoeg onder druk van de omstandigheden.

     

  • Het sektarisch gezelschap van Jacob Frank

    Het sektarisch gezelschap van Jacob Frank

    ‘Voor de wijzen pro memorie, voor mijn landgenoten ter reflectie, voor de leken tot lering, voor de melancholici evenwel tot vermaak’, zo stelt het titelblad van De Jacobsboeken, dat verhaalt over de merkwaardige geschiedenis van Jacob Frank en zijn volgelingen.
    Olga Tokarczuk kreeg voor eerder werk zowel de Poolse Nike-prijs als de Man Booker International toegekend. Ook vertaler Karol Lesman is gelauwerd; hij ontving de Martinus Nijhoff-prijs in 2017. Met De Jacobsboeken verschijnt nu de vierde titel van Tokarczuk in het Nederlands. Rijk geïllustreerd en ruim 900 pagina’s lang vergt het weinig verbeelding om van een ambitieus boek te spreken. ‘Verteld door de doden’, staat op de achterflap.

    De verlosser

    Het onderwerp van Tokarczuk is een cultus die eind 18e eeuw ontstaat binnen de gemeenschap van Joodse Polen. Beschreven wordt hoe de charismatische Jacob Frank uit verschillende landen aanhangers trekt die hem beschouwen als de Messias, de door Joden verwachtte verlosser. Wat hij hiervan zelf gelooft, blijft onduidelijk: het ene moment spiegelt hij zich aan de Bijbelse Jakob en diens bedriegerij (door zich voor te doen als een ander), later gaat hij steeds meer op in zijn rol en ontwikkelt hij despotische trekken. Twee van zijn trouwste volgelingen projecteren in het prille begin van zijn opkomst hun eigen verwachtingen vrij letterlijk op zijn hoofd tijdens een spiritueel ritueel. Gedurende vele decaden blijven ‘rechtgelovigen’ hem navolgen, geven ze have en goed, lichaam en geest, voor Frank. Een van de markerende gebeurtenissen is de doop die de frankisten ondergaan, waarmee ze ingelijfd worden bij de katholieke kerk, een onherstelbare breuk met de Joodse traditie.

    Sektarische gemeenschappen

    Een opmerkelijk verhaal, hoewel de essentie niet onbekend voorkomt: de mechanismen van godsdienstwaanzin en hiërarchisch geleide gemeenschappen zijn uiteraard al vaker gedocumenteerd. Tokarczuk blinkt vooral uit in gedetailleerde beschrijvingen en de volledigheid van haar verslag. De Jacobsboeken is daarom een geschiedenis in de ware zin, minder een roman. Personages worden nauwelijks ingekleurd, hoewel de levensloop van velen wordt beschreven. De narratieve ontwikkeling beperkt zich tot een aaneenschakeling van gebeurtenissen. Inhoudelijke thema’s, anders dan die inherent zijn aan de stof, met name een geïntegreerde visie van de auteur zelf, vallen moeilijk te ontwaren.

    Telkens nieuwe verhaallijnen

    Sowieso is het niet al te gemakkelijk om deze geschiedenis te volgen. Dit heeft te maken met de gehanteerde mozaïekstructuur, waarin telkens nieuwe (maar wel op elkaar lijkende) namen worden geïntroduceerd. Een deel daarvan verandert halverwege ook nog eens, na de omdoping van Joden tot Poolse katholieken. Zo blijft er maar een handjevol personages over die je als lezer goed kan plaatsen van begin tot eind. Eén van de eigenaardigheden waarmee Tokarczuk komt is de rol van ene Jenta, die als oude vrouw in het begin van het verhaal sterft maar door een bezwering een niet aan tijd en plaats gebonden bewustzijn blijft houden. Gedurende de rest van de geschiedenis duikt ze met onregelmatige tussenpozen op. Dit staat in schril contrast met de onnadrukkelijke manier waarop andere bijfiguren doodgaan, vooral de vrouwen die het kraambed niet overleven zijn talrijk.

    Er zijn in De Jacobsboeken interessante dingen te vinden. Met name voor lezers die houden van een historische inbedding zullen aan hun trekken komen. Ontwikkelingen als de groeiende invloed van de boekdrukkunst en de Verlichting komen op de achtergrond voorbij. De centrale geschiedenis had echter geen negenhonderd bladzijden nodig om zich te laten vertellen. Of kon beter vanuit enkele personages uitgewerkt worden, om meer binding te creëren. Nu is het wel een wat lange zit.

     


    Wie meer wil lezen over de ontstaansgeschiedenis van De Jacobsboeken, lees hier het interview van Literair Nederland met Olga Tokarczuk.

     

  • Een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven


    Eind jaren negentig werd de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962) in de Nederlandstalige literatuur geïntroduceerd door vertaler Karol Lesman. Inmiddels zijn er drie romans en een verhalenbundel van haar bij De Geus verschenen. Haar laatste boek, De Jacobsboeken in vertaling van Lesman, behelst een geschiedenis van maatschappelijke en religieuze omwentelingen eind achttiende eeuw in Midden-Europa, een tijd waarin de verlichting zich aandiende maar oude waarden en geloven nog sterk leefden. De Jacobsboeken volgt het waargebeurde verhaal van sekteleider en zelfverklaard messias Jacob Frank (1726-1791), gesitueerd in de achttiende-eeuwse Poolse samenleving. Voor het boek reisde Tokarczuk in de voetsporen van Jacob Frank door Midden-Europa en doorzocht vele papieren archieven. Aan de hand daarvan reconstrueerde ze Jacob Franks leven en een deel van de assimilatie geschiedenis van Midden-Europa.

    Jacob Frank is de oprichter van een egalitaire commune en bekeerde vijftienduizend joden tot het frankisme, een door hemzelf bedachte mix van joodse en christelijke elementen. Hij was een omstreden figuur, naast zijn charismatische uitstraling was hij arrogant, een ruziezoeker en een manipulator. De Jacobsboeken kent vele verhaallijnen en vertelt een complexe Poolse geschiedenis. Gelukkig is het in een dusdanig heldere en open stijl geschreven dat je met gemak met de schrijfster mee de geschiedenis in gaat.
    Het is een boek dat Tokarczuk moest schrijven, zo vertelt ze, omdat de mengkroes aan culturen en religies gelijkenissen laat zien met de tijd waarin we nu leven. Voor wie het boek leest, zal op verschillende punten de overeenkomsten gewaar worden.

    In Polen was De Jacobsboeken een groot succes (ruim 150.000 verkocht), al volgde er ook een haatcampagne naar aanleiding van Tokarczuks optreden voor de Poolse tv waar ze openlijk kritiek uitte op de Poolse samenleving. Hoe de Polen hebben bijgedragen aan de jodenvervolging. Daarbij verwees ze naar de ­pogroms tijdens en na de Tweede ­Wereldoorlog. De bedreigingen vanuit Pools nationalistische hoek namen dusdanige vormen aan dat haar uitgever het nodig achtte haar enige tijd te beveiligen.

    Maar dit is niet waar de schrijfster om bekend wil staan. De bedreigingen, die hoofdzakelijk online geuit werden, vindt ze het noemen niet waard. Ze spreekt liever over hoe zich steeds weer een nieuw boek aandient en hoe ze met haar schrijven mensen in beweging wil brengen. Eind maart was Olga Tokarczuk in verband met de publicatie van De Jacobsboeken in Nederland. Literair Nederland sprak met haar op een zonnige vrijdagmiddag in het Ambassade hotel in Amsterdam.

     

    Er is weinig over Jacob Frank bekend, hoe kwam u hem op het spoor?

    ‘Dat was heel toevallig, in een kleine boekhandel in het noorden van Polen vond ik een oud boek en ik realiseerde me direct, toen ik het begon te lezen, dat ik  iets heel belangrijks in handen had. De eerste vraag die ik mezelf stelde, toen ik over hem gelezen had, was: Waarom ken ik dit verhaal niet, heb ik nooit over deze man gehoord? Waarom werd deze man niet in de geschiedenisboeken genoemd? Tijdens mijn zoektocht naar zijn leven, ontdekte ik drie redenen waarom er niet over Jacob Frank gesproken en geschreven is. De orthodoxe joden, waar hij vanaf stamde, waren er niet in geïnteresseerd, voor hen was Jacob Frank een verrader. Voor de katholieke Poolse geschiedenis was het ook geen prettig geschiedenis want de katholieke kerk speelde een nogal belangrijke rol in het drama van de sekte van Jacob Frank. De derde reden is dat de nazaten, de achter- achterkleinkinderen van deze gemeenschap met succes assimileerden in de Poolse samenleving. Ze waren er niet happig op om te weten of ze van joodse afkomst waren in het licht van het heersende antisemitisme in Polen. Een geschiedenis dus die met succes onder het kleed geveegd werd.’


    U bent geen historicus, waarom dan toch een  historische roman?

    ‘In eerste instantie wilde ik er een essay over schrijven. Maar er zaten zoveel verhaallijnen in, zoveel avonturen dat ik besloot een historische roman te schrijven. Ik heb heel veel onderzoek moeten doen voor dit boek en moest mezelf ook voorbereiden op het schrijven van een historisch boek. Het was niet alleen nodig me in het leven van Jacob Frank te verdiepen, maar ook in de achttiende eeuw van Europa en Polen, het begin van de verlichting. Het boek gaat dus ook over de verlichting, het verhaal van sociale emancipatie, een idee dat me erg aantrok.’


    Wat trok u aan in Jacob Franks levensverhaal ?

    ‘Jacob Frank en zijn volgelingen waren textielhandelaren tussen Europa en Turkije. Het waren arme mensen maar ze klommen op tot aan de top van de samenleving. Toen hij stierf was Jacob Frank een Baron van Offenbach. Hij had zich de titel gekocht, het was dus niet legaal, maar hij werd wel behandeld als een aristocraat. Dat idee, te komen vanaf de bodem van de samenleving en te eindigen aan de top, is zeer ongebruikelijk voor die tijd. Dat vond ik een interessant uitgangspunt. Net als de religieuze context van het verhaal. Je moet je voorstellen dat deze mensen eind achttiende eeuw leefden tussen twee beschavingen, drie religies en vele talen. Het doel van Jacob Frank was uiteindelijk te assimileren tot de katholieke gemeenschap van Polen.’


    Over Jacob Frank bestaan verschillende beelden, de een omschrijft hem als een verschrikkelijke man en anderen vinden hem zeer sympathiek. Er zijn zelfs fysieke verschillen, hij wordt omschreven als een klein lelijk mannetje en als een imposante knappe verschijning.

    ‘Ik vond in de archieven vele verschillende beschrijvingen van Jacob Frank. Veel beschrijvingen zijn vanuit verschillende zienswijzen gemaakt. En dat is ook het wonder van de literatuur, over hetzelfde onderwerp wordt heel anders geschreven. Een goed boek laat zien dat de realiteit vanuit verschillende oogpunten gezien kan worden, wat aantoont dat de werkelijkheid gecompliceerd is. Er is niet één werkelijkheid en ook niet zoiets als een zwart/wit situatie. Het is heel zelden dat je kunt kiezen tussen zwart en wit. Het is altijd gecompliceerder, het verhaal van Jacob Frank is zeer veelzijdig.’


    Wat was uw relatie tijdens het schrijven tot Jacob Frank.

    ‘Ik had een zeer ambivalente relatie tot hem. Aan de ene kant voelde ik me tot hem aangetrokken, maar hij was ook een psychopaat, manipuleerde zijn mensen, noemde zichzelf de messias en vertoonde zelfs crimineel gedrag. Psychologisch gezien een uiterst gecompliceerd figuur. In het boek heb ik hem nooit direct beschreven, altijd indirect door de ogen van de ander.’


    Als sekteleider onderhield Jacob Frank openlijk seksuele relaties met zijn volgelingen en propageerde de vrije liefde, voor die tijd een nogal opmerkelijk gegeven.

    ‘Tijdens het schrijven van dit boek heb ik ook een studie gemaakt van de psychologie van de sekte. Om te begrijpen hoe dit in zijn werk ging, wat de mechanismen van een sekte zijn. Gedeelde seksualiteit in een sekte is bedoeld om iedereen met elkaar te verbinden en te vermengen om zo een eigen groep van mensen, een soort van consistentie te creëren. Veel van de volgelingen van Frank waren slim, intelligent maar ze verafgoodden hem ook. Ze gaven hun leven voor hem, en dat is een van de mechanismen van een sekte. Ze konden niet meer zonder hem. Dat was vooral te merken toen Jacob Frank in Offenbach verbleef en een van de aristocraten hem daar een kasteel schonk om ook daar een gemeenschap te vormen.’


    Was er aan het begin van dit omvangrijke project direct een uitgever geïnteresseerd?

    ‘Het was een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven. Als ik nu terugkijk, weet ik niet meer hoe ik het deed, het was een zware taak. Ik schreef er zes, zeven jaar aan. Met een onderbreking, want toen ik er middenin zat, diende zich een persoonlijke crisis aan. Voor het schrijven van zo’n omvangrijk boek heb je tijd en geld nodig. Vooral aan geld ontbrak het me. Ik heb toen ik halverwege de roman was een detective geschreven om aan geld te komen. Ik had nog nooit een detective geschreven, het was een prettige afwisseling. Daarna kon ik weer verder met De Jacobsboeken.’


    U was in 2007 in Amsterdam als Writer in Residence waar u het laatste stuk van De rustelozen schreef, ook een boek over verscheurde levens. Is er een overeenkomst tussen dat boek en De Jacobsboeken?

    Ze kijkt verheugd. ‘Inderdaad, ik heb hier het einde van De rustelozen geschreven. Voor dat boek heb ik ook veel onderzoek gedaan. Ik heb goede herinneringen aan die tijd, op de vloer van het appartement spreidde ik alle bladzijden uit om een overzicht te krijgen. De rustelozen en De Jacobsboeken zijn wel twee heel verschillende boeken, maar een kiem voor het boek is daar ontstaan. De rustelozen is een constellatieroman en door de verschillende verhaallijnen is het ook wel een complexe roman.’


    In De Jacobsboeken worden karakters als ooggetuigen opgevoerd. Zijn alle karakters aan de geschiedenis ontleend of zijn er ook die door u bedacht zijn?

    ‘Het boek kent drie vertellers die door mij bedacht zijn. Sommige karakters, die al bestonden, heb ik uit de geschiedenis gehaald, zoals Jacob Frank uiteraard. Als schrijver paste ik een methode toe om tussen de historische figuren en feiten mijn eigen karakters te kunnen creëren. Om de afstand en de ruimte ertussen te vullen. Maar het hele boek is gebaseerd op historische feiten. Alleen om het verhaal verteld te krijgen, heb ik nieuwe karakters gecreëerd.’


    Zoals Jenta, die in de proloog wordt opgevoerd en die zich door tijd en ruimte kan verplaatsen. Het lezen over haar voelt als een ingenieuze zet om het boek te kunnen beginnen.

    ‘Zonder Jenta had ik het verhaal niet kunnen vertellen, ik ben haar veel verschuldigd ook al is ze een door mijzelf bedacht karakter. Ze is mijn favoriete verteller en in de proloog overkomt haar iets waardoor ze bijna doodgaat maar weer terugkeert met als gevolg dat ze dan de gave bezit uit zichzelf te kunnen treden. Zo kan ze door de tijd reizen en krijgt ze het overzicht over heden en verleden. Jenta weet alles van iedereen, kan de gedachten van de andere karakters lezen. Ze was een grote hulp bij het schrijven.’


    Leven er in Europa nog nazaten van Jacob Frank?

    ‘De sekte viel uit elkaar na de dood van Jacob Frank in 1791 en veel van zijn volgelingen emigreerden naar Polen. Ze assimileerden daar en leefden als Polen. Veel van ons, de Polen, zijn geworteld in die gemeenschap van Frank. Voor zover ik weet ontmoeten ze elkaar nog wel eens maar alleen in het geheim. Er wordt gezegd dat er tot aan de twintigste eeuw een grote bibliotheek van frankisten zou zijn die tijdens de oorlog vernietigd is. Er is wel bewijs dat de nazaten van Frank vrij actief waren tot aan het begin van de twintigste eeuw.’


    Wat heeft u het meest geïntrigeerd in deze geschiedenis?

    ‘Dat in Europa volkeren, religies en landsgrenzen constant in beweging zijn geweest, iets waar we nu niet zo bij stilstaan. Mijn eigen familie komt uit Podolië, een streek in Oost-Europa dat in 1945 in handen kwam van Rusland, en waar ook Jacob Frank geleefd heeft. Alle Polen werden gedwongen hun huizen te verlaten en kwamen in Neder-Silezië terecht waar tot dan toe alleen Duitsers woonden die daar verwijderd werden en de Polen die uit uit Podolië verdreven waren, trokken weer in die verlaten huizen. Dat laat De Jacobsboeken ook zien, dat het niet alleen van deze tijd is dat culturen en volkeren zich vermengen. Het boek gaat ook over assimilatie. ’


    Hoe is het om over dit boek te praten nu het al zo lang uit is?

    ‘In zekere zin is dit boek oud voor mij. Na dit boek heb ik een bundeling met korte verhalen gepubliceerd, ik schrijf nu compleet andere dingen. Ik herinner me dat toen ik dit boek af had, ik compleet leeg was. Het voelde als was het mijn laatste boek en dat ik nooit meer zou schrijven. Ik voelde me werkelijk uitgeput. Nu na vijf jaar is die verbondenheid niet meer zo groot en dat vind ik prima.’


    Achterin het boek schrijft u dat het spoor van de nazaten van Jacob Frank die naar Polen trokken, stof is voor een volgend boek. Is dat te verwachten?

    ‘Dat was mijn idee, om over de negentiende eeuw te schrijven en het spoor te volgen van de nazaten van Jacob Frank. Maar ik was ook wel helemaal klaar met het onderwerp en ik denk niet dat ik er nog op terugkom. Ik had tijd nodig om van dit boek los te komen. Ik heb vorig jaar een boek met korte verhalen gepubliceerd in Polen en dan is er nog de detective die ik tijdens De Jacobsboeken heb geschreven.’


    Waardoor bent u gaan schrijven?

    ‘Door te lezen! Ik heb altijd veel gelezen. Na mijn werk als psycholoog besloot ik rond mijn dertigste het schrijven uit te proberen. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik in mijn levensonderhoud kan voorzien met wat ik het liefste doe. Ik ben altijd op zoek naar verhalen om te vertellen, zo ben ik ook het verhaal van Jacob Frank tegengekomen. Het opnieuw creëren van karakters, ontwikkelingen, het houdt mijn geest open, all the time.’

     

     

     

     

     

     

     

     

    De Jacobsboeken Olga Tokarczuk / 920 pagina’s / vertaling Karol Lesman / De Geus


    Noot: De detective en haar laatste verhalenbundel waren op het moment van dit interview nog niet vertaald. De rustelozen, vertaling Greet Pauwelijn en De laatste verhalen, vertaling Karol Lesman verschenen bij De Geus.

    Foto auteur: Jacek Kolodziejski

     

  • Zomerboeken 2018 – Het gaat weer zomeren

     

     

     

     

     

     

     

    De pop

    ‘Het gaat weer zomeren’. Aldus constateerde mijn onlangs overleden ome Bep bij het verschijnen van de eerste korte rokjes en foute schoenen in het straatbeeld, gezien vanuit het spionnetje aan het raam van zijn appartement aan de Lauriergracht in Amsterdam. Kortom, het is tijd om de stad de rug toe te keren en vakantieplannen te smeden, wat mij betreft naar gebieden waar de rust en de stilte overheersen en waar het hoogste genot bestaat uit het lezen van een dik boek, gezeten onder een schaduwrijke boom aan de oever van een kabbelend beekje.

    De vertaling van De pop beschouwt Karol Lesman als zijn magnus opus. Hij is er meer dan tweeënhalf jaar mee bezig geweest. Het lezen van dit boek heeft Lesman doen besluiten vertaler te worden in plaats van postbode. Inmiddels heeft Lesman meer dan vijftig vertalingen uit het Pools op zijn naam staan en is hij daarvoor bekroond met de Martinus Nijhoff Vertaalprijs. In het juryrapport wordt hij omschreven als een ‘in de huid kruipende vertaler’. Dit alles schept verwachtingen, die zonder meer worden waargemaakt in De pop.

    Het verhaal speelt zich af in 1878/1879 en handelt voornamelijk in Warschau. Op een avond in het theater valt het oog van de succesvolle koopman Stas Wokulski op een beeldschone, melancholisch voor zich uitstarende jongedame, Izabela Łeçka. Wokulski is totaal van slag. Voortaan is er een leven vóór de aanblik van juffrouw Izabela en een leven na de aanblik. Hij stelt alles in het werk om haar te veroveren. Haar vader, een verarmde edelman, ruikt geld en Wokulski zijn kans.

    Naast een heerlijk adembenemende liefdesgeschiedenis met veel Warschause couleur locale en fijnzinnige humor is De pop ook een ideeënroman waarbij Wokulski staat voor de positivistische ideeën van de Verlichting, maar ook voor het smachten van de Romantiek. Aan de andere kant zien we de opkomst van het Poolse nationalisme en het anti-semitisme. Fascinerend om hierover te lezen in een boek waaroverheen nog niet de schaduw en de doem hangen van ons ‘weten‘ na de Tweede Wereldoorlog.

     

     

    De pop
    Auteur: Boleslaw Prus
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Het wereldje van Serjozja

    Soms heb je niet zo’n zin om tijdens de vakantie meteen een lijvig boekwerk ter hand te nemen. De Russische Miniaturenreeks van Van Oorschot bevat een hele serie absolute topverhalen van beperkte omvang met prachtige titels als: Een voetbreed aarde, Melk, Geen markt voor holle vaten en Ik en mijn automobiel. Bij mij stond dit keer Het wereldje van Serjozja van Vera Panova op de rol. Terwijl we steeds meer tot de ontdekking komen dat allerlei opvoedkundige hulpprogramma’s niet of nauwelijks zoden aan de dijk zetten, maar dat voor een goede opvoeding liefdevolle aandacht en verdieping in de belevingswereld van het kind onontbeerlijk is, dan is dit boek een absolute aanrader. Het is een kleinood geschreven in de beste traditie van de Russische literatuur. Het verhaal speelt zich af in de Sovjetunie in de jaren vijftig op de sovchoz De Heldere Oever. Serjozja woont daar met zijn moeder. Zijn vader is in de oorlog overleden. Serjozja’s wereldje bestaat uit zijn directe omgeving met zijn vriendjes en vriendinnetjes. Op een dag verschijnt Korosteljev op het toneel. Zijn moeder is verliefd op hem en hij komt bij hen wonen. Als aan het eind van het verhaal Serjozja ziek is en zijn moeder, in verband met een nieuwe baan, en Korosteljev genoodzaakt zijn te verhuizen naar een ander dorp binnen de sovchoz, dreigt dit voor Serjozja catastrofale gevolgen te hebben. Hoe het afloopt, vertel ik hier niet, maar met de vertaler, Nico Scheepmaker, zeg ik: ‘Ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik deze passage las’. Een pure schoonheidsbeleving.

    Het wereldje van Serjozja
    Auteur: Vera Panova
    Uitgeverij: Van Oorschot (niet meer leverbaar)

    Arc de Triomphe

    Douanecontrole, waar zie je dat nog in Europa? In Patras (Griekenland) dus, en wel een scherpe controle. Vlak voor onze neus werd een vrachtwagen opengemaakt. Controle met schijnwerpers en honden. Twee jongemannen werden er uitgehaald en geboeid afgevoerd. Ook onze dakkoffer moest open. De tas met boeken werd aandachtig bekeken. Tsja, wie leest er tenslotte nog boeken?

    Arc de Triomphe is, naast De nacht in Lissabon, het tweede boek van Remarque dat in de Cossee Centuryreeks wordt uitgegeven. In beide boeken gaat het om een vergelijkbare problematiek, nl. die van de voor de Nazi’s gevluchte enkeling. In Arc de Triomphe staan de belevenissen centraal van Ravic, arts, en sedert de machtsovername van Hitler in 1933 ontsnapt aan de martelkamers van de nazi’s en gevlucht naar Parijs. Daar zit niemand op hem te wachten. Zonder papieren kan hij elk ogenblik worden opgepakt en uitgewezen. Hij komt aan de kost als chirurg in een chique praktijk, waar hij illegaal de rottigste klusjes mag opknappen tegen een fractie van het bedrag dat door zijn superieur wordt geïncasseerd, die bovendien met de eer gaat strijken. Het hotel waarin hij bivakkeert, is een doorgangshuis voor illegalen. Altijd op de vlucht. Dat is het thema van het boek. Op de vlucht voor de autoriteiten en voor zijn verleden – Ravic is niet zijn eigen naam, maar slechts één van de vele schuilnamen –, maar ook op de vlucht voor zijn gevoelens, voor zichzelf. Hij kan zich niet binden aan mensen. Daarvoor is zijn bestaan veel te onzeker. Voor de liefde is er geen ruimte en als er iemand op hem verliefd wordt, moet hij dit afkappen. Dit prachtige, psychologische en filosofische boek moet met aandacht gelezen worden. Gezien de huidige problemen rondom vluchtelingen en integratie is dit boek uiterst actueel en beslist een aanrader.

    Arc de Triomphe
    Auteur: Erich Maria Remarque
    Uitgeverij: Cossee
  • Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Op zoek naar een onvoltooid verleden

    Wieslaw Myśliwski (1932) is een van de bekendste en meest gelauwerde Poolse schrijvers van dit moment. Van hem werden in de afgelopen jaren twee dikke romans door Querido in het Nederlands uitgegeven: Over het doppen van bonen in 2009 en Steen op steen in 2012. Beide zijn epische romans over het verdwenen boerenleven in de periode rond de Tweede Wereldoorlog.
    Nu is er al weer een nieuwe, nog dikkere, onder de titel De laatste hand in vertaling verschenen. Daarin laat hij een verteller aan het woord die zich moeilijk hecht aan mensen, plaatsen en dingen. Hij is in zijn leven van plaats naar plaats en van beroep naar beroep getrokken. Het ouderlijk huis (zijn moeder) heeft hij verwaarloosd en de meisjes die hij heeft gekend heeft hij uit het oog verloren of in de steek gelaten.

    Herinneringen
    De roman begint met een beschrijving van zijn adressenboekje dat uitpuilt van de visitekaartjes en met een elastiekje bij elkaar wordt gehouden. Aan de namen is een wereld van herinneringen verbonden aan mensen, die hun eigen verhaal in het boek vertellen. Zo komt een bonte, bijna onafzienbare stoet van figuren aan het woord: geliefden, personen voor wie hij gewerkt heeft, docenten, mensen met wie hij zaken heeft gedaan, lotgenoten.

    De roman is echter veel meer dan een beschrijving van allerlei vreemde snoeshanen uit het leven van de verteller. Het is in de eerste plaats een ideeënroman over een man die op zoek is naar zijn identiteit. Hij gelooft enerzijds niet aan het bestaan van een eenduidige identiteit: ‘Iedereen is tenslotte een soort verzameling van tegen elkaar botsende fragmenten, net verbrande meteoren die door niets met elkaar worden verbonden, uitgebluste hoop, dromen, smeulende verlangens, verspilde gevoelens, voor leugens doorgaande waarheden, en dat allemaal niet eens in staat is rond een gemeenschappelijke as rond te draaien.’ Door het adresboek – de enige vaste plek die hij zich vergunt – naam voor naam door te vlooien,  probeert hij zich telkens weer een beeld van zijn leven te vormen. De ene naam is daarin belangrijker dan de andere en enkele namen schrapt hij. Zijn leven bestaat in feite louter uit de ontmoetingen met al die mensen. Voor hem zijn de anderen niet de hel, maar ze geven nog enigszins vorm aan zijn vormeloze identiteit.

    De uitdrukking ‘de laatste hand’ is afkomstig uit de wereld van de ambachten. Een kleermaker legt de laatste hand aan een jas, een rietdekker legt de laatste hand aan een dak. In zoverre is de titel van deze roman richtinggevend aan het lezen. Niet voor niets is de kleermaker Radzikowski een van de belangrijkste personen in de roman. De roman speelt zich niet af op het platteland, en brengt niet het boerenleven in beeld, maar het leven van ambachtslieden en handelaren in de stad. De titel verwijst ook naar de verteller die als een soort ambachtsman heel nauwkeurig probeert vast te stellen wie er toe deed in zijn leven en wie hij dus zelf is.

    De verteller is lange tijd een fervent liefhebber van pokeren geweest. In het spel gaat het om de laatste hand, in het Engels ‘The last deal’ die bepaalt wie er gaat winnen of verliezen. In gesprek met een onderwijzeres zegt de verteller: ‘Voor het leven zijn we slechts pionnen in het spel dat het leven met ons speelt. Maar wat het voor spel is en wat er op het spel staat, dat weten we niet.’ In het pokerspel staan de regels vast, maar in het leven niet. Hij komt wanhopig tot het besef dat hij geen betekenis aan zijn leven kan verschaffen.

    Maria
    De belangrijkste persoon in zijn leven – Maria – staat niet in het adresboekje. Zij schrijft hem ontroerende liefdesbrieven, die door hem nooit beantwoord worden. Zij is zo anders dan hij. Zij is nooit buiten de stad geweest, waarin zij elkaars geliefden waren. Zij heeft geen behoefte gehad om te vertrekken uit een stabiele omgeving, om levenslang op de vlucht te zijn voor zichzelf, zoals hij. Maria en hij stammen uit andere tijdperken. Zij is gehecht aan een plaats, waar ze elkaar ontmoet hebben toen zij nog maar acht of negen jaar oud was, de plaats waar hij eindexamen heeft gedaan en waar hij in zijn jeugd heeft gewoond. Hij vraagt zich af wat hij voor haar heeft betekend. Het boek eindigt met een onvoltooid hoofdstuk, waarin Maria contact zoekt met de verteller, over de dood heen.

    De auteur geeft in deze roman weinig houvast en dat wekt wrevel op. Waarom zo veel verhalen, waarom zo breedvoerig mensen aan het woord laten die nooit van ophouden weten? De vertaling leest hier en daar ook stroef en dat vergroot het leesplezier bepaald niet.

    Wat na lezing overblijft de is herinnering aan een verstikkende overvloed van het onaffe en het onvolkomene, aan de onmogelijkheid om wat soeps van het eigen leven te maken, maar misschien is dat precies wat de auteur ons wil laten voelen.

     

  • De verzinsels die we allemaal willen horen

    De verzinsels die we allemaal willen horen

    Een romanschrijver en een oplichter hebben veel gemeen. Natuurlijk, de bedoelingen van de eerste zijn nobeler dan die van de flessentrekker. Maar op de toppen van hun kunnen spelen ze beiden met de werkelijkheid, spiegelen ze allebei hun publiek een wereld voor die er verduiveld echt uitziet. Maar het niet is.

    In de drie romans van Marek Hłasko (1934-1969), die nu verzameld zijn in De Israëlische trilogie, speelt de auteur overduidelijk met die overeenkomst tussen beiden. Waar hij de hoofdpersoon diens slachtoffers laat verleiden met behulp van verzonnen verhalen, zo verleidt ook de schrijver zelf met zijn verhalen de lezer. Want die moet op zijn qui vive zijn, het hele boek door: waar word ik bij de neus genomen door de schrijver, wat is zíjn verhaal en wat is het verhaal van zijn personages?

    Dat is niet altijd even leuk. Het gaat op een gegeven moment zelfs vervelen. Dat komt omdat de eerste roman, De tweede hondenmoord, en de tweede, Bekeerd in Jaffa, te veel op elkaar lijken. De tweede is vooral een herhaling van zetten. Die schelmen ben je zo’n beetje beu, je hebt door wat de verhouding is tussen de vooraf gerepeteerde dialogen en die van de werkelijkheid in het verhaal. Dan komt het moment dat je verzucht: nou weet ik het wel, Hłasko, kom eens met iets nieuws. Wie uiteindelijk de emotie wil voelen, wie ontroert en verrast wil worden, zal dan toch moeten doorlezen. Tot de laatste roman en eigenlijk tot de allerlaatste zin. Pas dan, aan het eind van de korte roman Ik zal jullie over Esther vertellen, komt die laatste zin die genoegdoening oplevert en een glimlach oproept.

    Marek Hłasko, vanwege zijn uiterlijk en gedrag in de jaren zestig wel de Poolse James Dean genoemd, was gedoemd tot zwerven nadat het communistische regiem van zijn geboorteland Polen hem de rug toekeerde. Hij woonde op verschillende plekken in Europa en een aantal jaren in Israël. Daar spelen zich de verhalen af die in deze romantrilogie bij elkaar zijn gebracht.

    Een thema in het werk van de Pool is de zelfgekozen dood. De hoofdpersoon in De Israëlische trilogie koketteert ermee en ook andere personages beschouwen zelfmoord als een denkbare uitweg uit de hel die het leven voor hen lijkt te zijn. Sommigen zie je gewoon in één rechte lijn naar de ondergang lopen, ook al ontkennen ze dat zelf. Mooiste voorbeeld: een oude, zwaarlijvige hartpatiënt die zich in de Israëlische hitte door een hoertje van de ene trappengalerij naar de andere laat loodsen. Hij moet haast wel weten dat het beloofde nummertje met het meisje zijn ondergang wordt, áls het er al van komt. Maar hij sjouwt zijn zwetende, veel te zware lichaam desondanks trap op en trap af, met dat onvermijdbare infarct tot gevolg.

    Een treurig einde was ook voor de schrijver zelf weggelegd. In 1969 nam hij een te grote dosis slaapmiddelen, die hij met alcohol wegslikte.  Zelfmoord of een ongeluk? Veel van Hłasko’s fans en critici gingen, zijn werk kennende, van het eerste uit.

    De drie Israëlische romans worden wel schelmenromans genoemd. En schelmen kun je de twee belangrijkste personages, hoofdpersoon Jacob en zijn partner in crime Robert, wel noemen. De twee troggelen geld af bij eenzame buitenlandse dames die goed in de slappe was zitten. Jacob speelt de gigolo die het vertrouwen wint door zijn levensgeschiedenis te vertellen. Een geschiedenis die er van geval tot geval anders uitziet en door Robert wordt verzonnen. Jacob is de acteur en Robert de scenarioschrijver annex regisseur. De verhalen die Robert zijn partner laat oplepelen zijn subliem en zitten ingenieus in elkaar. Het werkt zó goed dat als Jacob, die een eind aan de oplichting wil maken, een vrouw vertelt dat hij haar wat op de mouw spelt, zij meent dat die bekentenis een verzinsel van hem is die zijn meelijwekkende psychische gesteldheid alleen nog maar bevestigt.

    Hłasko weet dat we behoefte hebben aan de verhalen, aan de mythes. Of ze nou verzonnen zijn of niet. Zoals de lezer van een roman weet dat-ie belazerd wordt. Dat de verhalen pure verzinsels zijn. Zo lijken de slachtoffers van Jacob en Robert ook wel door te hebben dat ze bedonderd worden. Alsof de mens niet anders wíl, niet anders kán dan besodemieterd worden. Misschien is dat ook wel zo. Hłasko tekende het op in zijn memoires en Arnon Grunberg haalt het in zijn nawoord terecht aan: ‘Niemand is in staat de waarheid te geloven’.

     

    De Israëlische trilogie

    Auteur: Marek Hłasko
    Vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch
    Met een nawoord van Arnon Grunberg
    Verschenen bij: Uitgeverij Athenaeum
    Aantal pagina’s: 301
    Prijs: €19,99


  • Oogst week 19

    door Carolien Lohmeijer

    Heeft het vertrek van Wouter van Oorschot bij zijn uitgeverij G.A. van Oorschot een direct verband met het verschijnen van Verborgen boeken dat eind vorige maand bij Querido verscheen? Daar lijkt het wel op. Verborgen boeken kon geschreven worden omdat bij uitgeverij G.A. van Oorschot persoonlijke documenten van Querido’s eigenaar Emanuel Querido werden gevonden. Het kan haast niet anders of Wouter van Oorschot heeft zijn kantoor ‘opgeruimd’ willen overdragen aan zijn opvolgers en toen de documenten gevonden die zijn vader jarenlang bewaard had. Zijn vader, Geert van Oorschot, was door Emanuel Querido als zaakwaarnemer aangesteld vlak voor diens deportatie naar Sobibor. Tot voor kort wist men niet beter of het archief van de uitgeverij was bij de inval van de Duitsers verbrand om de joodse auteurs en medewerkers te beschermen.
    Bijzonder feit is dat uitgeverij Querido dit jaar honderd jaar bestaat; een mooier cadeau kan de uitgeverij zich niet wensen.

    Willem van Toorn beschrijft de geschiedenis van Querido Verlag, waar Duits-joodse schrijvers vanaf de jaren dertig hun werk konden publiceren. Arjen Fortuin belicht de rol van Geert van Oorschot als zaakwaarnemer in oorlogstijd. En Hugo van Doornum schetst de jaren na de bezetting.
    Verborgen boeken. EM. Querido’s Uitgeverij tijdens en na de bezetting, Arjen Fortuin, Hugo van Doornum, Willem van Toorn, Uitgeverij Querido, 140 pagina’s, € 18,99

     

    De Israëlische trilogieSchwob is een initiatief voor de ‘beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Op Schwob-avonden gaan auteurs met elkaar in gesprek over hun favoriete vergeten boeken.
    Arnon Grunberg sprak tijdens zo’n avond over Marek Hlasko (1934-1969). Hlasko was een populaire schrijver in post-stalinistisch Polen, die toen hij in 1958 Polen verliet, geen toestemming kreeg om terug te keren. Hij leefde daarna in West-Europa, de VS en Israël. Hij was geen Jood, maar voelde zich zeer betrokken bij de Poolse Joden in Israël, en schreef in dat land een aantal meesterwerken, waaronder De tweede hondenmoord, Bekeerd in Jaffa en Ik zal jullie over Esther vertellen.

    De boeken van Hlasko zijn geen vergeten boeken meer. Bovengenoemde drie romans zijn nu opgenomen in De Israëlische trilogie die bij uitgeverij Athenaeum verschenen is. Zij schetsen een beeld van de mensheid vol zwarte humor. De stijl is direct en filmisch.

    De Israëlische trilogie, Marek Hasko, vertaald door Karol Lesman en Gerard Rasch, Uitgeverij Athenaeum, €19,99

     

    Franz KafkaIn Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte analyseert Saul Friendländer Kafka’s leven en werk. Hij geeft een beeld van de auteur als jonge man die wordt verscheurd door gevoelens van schuld en schaamte. Over dit beknopte biografische essay wordt gezegd dat het het beeld doorbreekt van de verlegen literaire heilige dat werd geschilderd door Kafka’s vriend Max Brod. Aan de hand van brieven en dagboeken schetst Friedländer de afgronden van persoonlijke angst, van seksuele ambiguïteit, van ziekte en van de permanente wanhoop waarin Kafka’s werk wortelde. Hierdoor ontstaat een nieuw beeld van de ‘verknoping tussen persoonlijk lijden en een uniek literair oeuvre’.

    Franz Kafka, schrijver van schuld en schaamte, Saul Friedländer, vertaling Jabik Veenbaas, Uitgeverij Bijleveld, € 19,50

     

     

  • Ambitieuze jongeren in het Polen van de zestiger jaren

    Ambitieuze jongeren in het Polen van de zestiger jaren

    Een vrouw vlucht met in elke hand een zware boodschappentas, de trap op naar haar appartement waarbij ze ternauwernood aan de dood ontsnapt. In het Poolse stadje Swidnica stort op 5 januari 1963 een vier meter hoge toren naar beneden waardoor ramen en deuren van omliggende panden uit hun sponningen worden geblazen. Niko, die zijn moeder grauw en grijs van het stof en op één schoen het appartement ziet binnen strompelen, pakt zijn camera en begint de chaos vanuit een gesprongen venster te filmen. Met deze scène trekt Tomek Tryzna (1948) de lezer het leven van Niko binnen. Dat het verhaal is geschreven zonder hoofdstuk- of alineaindeling maakt dat het leest alsof je in een wildwaterbaan hebt plaatsgenomen die je, zonder oponthoud, meevoert van de ene onwerkelijke situatie naar de andere.

    De verteller, Niko, werkt dagelijks aan verschillende scenario’s, filmt en ontmoet zijn vrienden in bars waar hij buitensporig drinkt en meisjes het hof maakt. Deze vrienden introduceert hij op grootse wijze. Zoals zijn vriend Filip Kapuscik, een ‘bekroond dichter en schrijver van een zeshonderd bladzijden tellende familiekroniek’ die dagelijks zit te schrijven in koffiehuis Casanova, alwaar de vrienden elkaar dagelijks treffen. Het is een magere, lange verschijning met een gouden tand, een sikje en een afrokapsel. Hij gaat gekleed in een geel colbert met streepje, een vlinderdas en zwarte lakschoenen. ‘s Winters draagt hij daarbij een zwarte pelerine en loopt hij met een wandelstok. Al lezende ontstaat het beeld van een sophisticated old man maar niets is minder waar. De jongeman is net als Niko negentien jaar oud.

    Om zijn bleke gelaatskleur en lichte haren wordt hij bleke Niko genoemd. Hij karakteriseert zichzelf  als een aan ‘originaliteit lijdende knoeier’. Hij beschikt over een tomeloze fantasie en een optimisme die aan arrogantie grenst en weet zijn mislukkingen steeds om te zetten in nieuwe projecten. Na het zien van de film Le mépris van Godard is zijn streven zich te evenaren met deze bewonderde cineast. Hij doet mee aan verschillende filmwedstrijden maar houdt daar zelfs geen eervolle vermelding aan over. Dan kondigt vriend en voorzitter Oczko van de filmclub aan dat hij is gebeld door ene dokter Wunde uit Hamburg die er een hobby van heeft gemaakt films van amateurfilmfestivals die het niet gehaald hebben te bekijken. De film van Niko heeft hem diep geraakt, laat hij weten. Hij wil hem een camera met geluid schenken, een Arriflex BL. Wanneer bekend is dat er een camera vanuit het vrije Westen naar Polen wordt gezonden, ontstaat er onder de leden van de filmclub een getouwtrek om wie de camera het best gebruiken kan. Maar niet alleen de filmclubleden zijn begerig naar de camera, ook de staat is nieuwsgierig naar hun plannen en stuurt de geheime dienst op hen af. Uiteindelijk is niet de camera zelf, maar het wachten erop, de rode draad door het boek wat voor een onverwacht (humoristisch) einde van het verhaal zorgt. De meesterlijke dialoog tussen Niko en de vicevoorzitter van de Federatie van Amateurfilmclubs toont de stoïcijnse sfeer die uit het boek spreekt:

    “´Meneer Jozef, hoe kan ik een film aanmelden voor het amateurfestival in Pesaro?’
    ‘Via onze Federatie.’
    ‘En de Federatie stuurt hem dan door naar Pesaro?’
    ‘Nee’, antwoordde meneer Jozef ernstig.
    ‘Hoe kan ik hem dan aanmelde?’
    ‘Zoals ik net heb gezegd.’
    ‘Dus?’
    ‘Via de Federatie.’
    ‘En de Federatie meldt hem natuurlijk niet aan?’
    ‘Nee.’
    ‘En kent u nog een andere manier?’
    ‘Zeker.’
    ‘En wat is dat voor manier?’
    ‘Via de Federatie.’
    ‘Hartelijk dank voor deze uitputtende informatie.’” Waarna Niko schaterlachend de verbinding verbreekt.

    De Poolse (script)-schrijver en cineast Tomek Tryzna (1948) voltooit met Bleke Niko een trilogie over de groei naar volwassenheid. Met zijn debuut Meisje niemand (1993) brak hij wereldwijd door, gevolgd door Ga, heb lief. Met het hoofdpersonage Romek uit dit tweede boek vertoont Niko veel gelijkenissen. Ook Romeks ouders hebben, net als de ouders van Niko een naaiatelier en beide jongens zijn op een haast irritante wijze, ambitieus. Niko als filmmaker en Romek als acteur.

    Met beeldende zinnen als: ‘Vanwege een dringende massa dronken gedachten kon ik tot de volgende ochtend niet in slaap komen.’, en ‘(…) een meisje in de kleuren van de beroemdste roman van Stendhal,’ is Bleke Niko een mooi stuk proza waarvan je geen idee hebt waar het op afstevent. Maar dat werkt absoluut niet storend. Alles is mogelijk. Maar dan lijkt het erop dat Tryzna op het laatst het verhaal nog een motto wilde meegeven. Uit het niets wordt een neef van Niko opgevoerd om hem de volgende frasen uit het gedicht Ode aan de jeugd van de Poolse dichter Adam Mickiewicz (1798-1855) te laten reciteren: ‘Jeugd, geef me vleugels. Laat mij boven de doodse wereld vliegen naar de paradijselijke sfeer van de waan, want daar haalt geestdrift zijn wonderen vandaan.’

    Maar tot die conclusie komt de lezer zelf wel; Bleke Niko is een loflied op de jeugd. Niko en zijn vrienden begeven zich in ‘paradijselijke’ sferen om buiten de werkelijkheid om, hun ambitieuze ideeën en plannen te kunnen realiseren. Als deze neef ook nog opmerkt dat Niko een anagram is van Kino, ontstaat er een barstje in dit surrealistisch vertelde verhaal waar de schrijver steeds op afstand bleef en de lezer zichzelf een beeld kon vormen zonder inmenging van de auteur. Of is het dat Tryzna, zoals regisseurs zich in hun films als passant opvoeren, zichzelf in zijn roman zichtbaar wil maken? Het wachten op de beloofde camera wordt uiteindelijk niet beloond. Dokter Wunde blijkt niet te bestaan en Niko doet een ontdekking die hem volledig verrast en  ondergetekende een brede glimlach ontlokte.

     

     

  • De laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska

    De laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska

    ‘De eerste zin van een toespraak schijnt altijd de moeilijkste te zijn’, begon de Poolse dichteres Wilsawa Szymborska (1923-2012) destijds haar toespraak bij de uitreiking van de Nobelprijs 1996. Om die zin te laten volgen door: ‘Die heb ik dan in elk geval achter de rug…’ Het tekent haar bravoure en het daarvoor benodigde laconieke soort van optimisme. Het verklaart bovendien waarom zo’n geest niet te knakken was in een maatschappij waar de menselijke waardigheid gedurende het grootste gedeelte van haar leven lichtvaardig werd geschonden. De Nobelprijs maakte haar, zeer tegen haar zin overigens, op slag wereldberoemd. De Nederlandse lezer werd ondertussen goed bedeeld met vertalingen van haar werk. De bloemlezing Uitzicht met zandkorrel van de hand van wijlen Gerard Rasch beleefde vele herdrukken. Hier bleek een dichteres aan het woord die er een uitdaging in zag om van elke beantwoorde vraag een nieuwe vraag te maken, die de speelsheid had om van elk opgelost probleem een nieuw probleem te maken. Met minder zou haar intelligente, zoekende geest zich te kort hebben gedaan. Niets werd door haar als vanzelfsprekend aangenomen. Szymborska, die een broertje dood had aan praten over haar poëzie en hoogdraverij meed als de pest, situeerde ‘inspiratie’ in nieuwsgierigheid, verwondering, een bestendige toestand van ‘ik weet het niet’. Zij stond zich dan ook met reden toe zichzelf te blijven verbazen. Van grote zaken maakte zij kleine, van kleine grote. Een gedicht over zwarte gaten kon probleemloos naast een gedicht over een kiezelsteentje staan. Weldra bracht de verzamelbundel Begin en einde een bijna integrale vertaling van haar oeuvre tot dan toe. Ook de latere bundels Het moment, Dubbele punt en Hier waarin wederom Szymborska’s lichtvoetigheid, trefzekere nuchterheid, discretie, ironie en charmante scepsis op vaak verrassende wijze samenspanden, deden het goed bij het Nederlandse lezerspubliek.

    Het wekte dan ook geen verwondering dat haar volgende bundel eveneens een Nederlandse vertaling ging beleven. De titel Zo is het genoeg had Szymborska vooraf bij haar Poolse uitgeverij gedeponeerd. Spijtig genoeg heeft de dichteres de bundel echter niet mogen voltooien. Al won de titel door haar voortijdig overlijden aan kracht. Besloten werd om aan de 13 voltooide gedichten de in haar nalatenschap aangetroffen kladversies van gedichten en notities toe te voegen. Alles respectvol ontcijferd en van editietechnisch commentaar voorzien. Zodoende groeide de uitgave uit tot een pagina of 60. Echte pareltjes worden hiermee niet ontsloten, maar een en ander biedt een aardig kijkje in de keuken van de Nobelprijslaureate. Ondanks het geringe aantal voltooide gedichten zit er poëzie tussen die om een andere reden dan dat het haar laatste verzen betreft meer dan de moeite waard is:

    Er zijn van die mensen die

    Er zijn van die mensen die bedrevener zijn in leven.
    In en om hen heen heerst orde.
    Voor alles hebben zij een manier en het juiste antwoord.

    Zij raden onmiddellijk wie wie, wie met wie,
    met welk doel, waarheen.

    Stempelen unieke waarheden af,
    gooien overbodige feiten in de versnipperaar,
    en stoppen onbekende personen
    in op voorhand voor hen bestemde ringbanden.

    Denken zo veel als de moeite waard is,
    en geen ogenblik langer,
    want achter dat ogenblik loert de twijfel.

    En als ze uit hun bestaan worden ontslagen,
    verlaten ze hun post
    door de aangegeven deur.

    Soms benijd ik hen
    – gelukkig gaat dat ook weer over.
    De Poolse redacteuren mogen zich ontfermd hebben over Szymborska’s gedichten in onvoltooide staat, zelf gunde ze de door haar ongeschreven verzen op subtiele wijze de nodige eer in Aan mijn eigen gedicht:

    In het beste geval
    word je, gedicht van me, aandachtig gelezen,
    becommentarieerd en onthouden.

    Tref je het minder,
    dan alleen gelezen.

    De derde mogelijkheid is dat
    je weliswaar wordt geschreven
    maar even later in de prullenbak gegooid.

    Je hebt nog een vierde uitweg tot je beschikking:
    je verdwijnt ongeschreven,
    tevreden mompelend in jezelf.
    Met recht kan men zeggen dat deze dichteres tot het laatst toe haar geestkracht en nieuwsgierigheid onverflauwd heeft weten te behouden. Deze uitgave kent als royale toegift de DVD Einde en Begin, een zeer onderhoudende documentaire van Nederlandse makelij gebaseerd op een van de zeldzame ontmoetingen met de aandachtschuwe Wislawa Szymborska, bij wie het schalkse en gedistingeerde voortdurend om voorrang strijden. Met deze finale krijgt Szymborska de eer die haar toekomt. Al laat de ernst waarmee de snippers van haar onvoltooide manuscripten worden ontcijferd, zich niet zo makkelijk rijmen met de lichtvoetige aanpak van de dichteres. Zich omdraaien in haar graf is niet naar haar aard. Eerder zou eventuele verontwaardiging haar weg vinden in een mild ironisch vers. Hoe hoog deze elfde bundel in het oeuvre van Szymborska ook te waarderen valt, er worden geen nieuwe wegen ingeslagen. Haar werk kent daarbij ook weinig ontwikkeling. Deze elfde bundel had even goed de tiende of de zesde kunnen zijn. Waarmee vooral ook gezegd wil zijn welk een rijpheid haar gehele oeuvre kenmerkt. De lezer kan dan ook na het dichtslaan van Zo is het genoeg tevreden verzuchten: zo is het mooi geweest.

     

    Zo is het genoeg

    Auteur: Wislawa Szymborska
    Vertaald door: Karol Lesman
    Verschenen bij: Uitgeverij De Geus
    Aantal pagina’s: 61
    Prijs: € 19,95 (incl. DVD)