• Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    Subtiele stijl in verhalen over ontluistering

    De Zuid-Afrikaanse schrijver S.J. Naudé brak een internationale carrière als advocaat af om een masterstudie creatief schrijven aan de universiteit van Stellenbosch te gaan volgen. Een van de resultaten van die keuze is de verhalenbundel Het vogelalfabet, waarvoor hij de South African Literary Award kreeg.

    De zeven verhalen in deze verzameling kennen thema’s als zelfverzaking, moeizame (familie)relaties en de Zuid-Afrikaanse expat cultuur die de schrijver uit eigen ervaringen in New York en Londen kent. Op het verhaal ‘Moeders kwartet’ na, hebben de verhalen onnadrukkelijke eindes, waaruit desillusie spreekt. Onder meer desillusie over de toekomst en over de wreedheid van ziektes, maar ook naar aanleiding van de moeizaamheid van het aangaan van relaties en het zoeken naar identiteit. Het slot van het genoemde ‘Moeders kwartet’ wekt de suggestie van komende gewelddadigheid en werpt daarmee een ander licht dan de overige verhalen op de ontluistering die leven is. Maar ook hier is de behandeling van de genoemde thema’s subtiel.

    Naast de eenheid in thematiek kent deze bundeling vooral ook een eenheid in stijl. Het vogelalfabet staat vol met passages als: ‘Hij is alleen hierbinnen. Het licht is fel en hij heeft honger. Hij zit naar de hammen te kijken. Ze vertrekken zonder te eten.’ (77) Of: ‘Joschka’s moeder belt om te zeggen dat ze langskomt. Joschka verstijft als zijn zus hem dat vertelt. Er daalt een spanning neer over het huis. Het duurt een uur voordat ze komt opdagen; ze komt van ergens bij de Tsjechische grens. Een buurvrouw brengt haar.’ (85) De stijl in Het vogelalfabet is sober, met veel korte mededelende zinnetjes na elkaar geplaatst, maar kent af en toe ook geheimzinnige passages als: ‘Schaduwen van oude bewegingen beginnen het geheugen van het lichaam te ontrafelen.’ (127) Een rug wordt omschreven als ‘een massief blok’ dat ‘ uiteenbrokkelt in een mozaïek van spieren.’ (131) Naudé biedt in zijn stijl een mix van eenvoudige woordkeus, met hier en daar een ambitieuze zin. Het is met name deze subtiliteit in verwoording die ervoor zorgt dat deze verhalen aanspreken.

    Hiernaast biedt de verzameling een tijdsbeeld van het Zuid-Afrika van na de Apartheid. Onder meer hiv (wijd verspreid in het land) en corruptie van de nieuwe overheid spelen er een rol in. Het raciale thema is niet onbelangrijk, maar is niet alles overheersend in deze verhalen. Naudé stamt uit een geslacht van blanke Afrikaners. Het blank zijn in een zwarte maatschappij wordt echter niet heel nadrukkelijk gethematiseerd. De blanke personages zoeken vooral hun heil in verre buitenlanden, om uiteindelijk wel weer terug te keren naar Zuid-Afrika, maar zonder hoop dat hun terugkeer hen nieuwe levensvreugde of zingeving zal schenken.

    De bundel werd uit het Afrikaans vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die echter ook gebruik maakten van de afwijkende Engelse versie die Naudé van zijn verhalen maakte. Het moet voor de vertaalsters interessant zijn geweest om met een schrijver uit een verwant taalgebied te maken te hebben die de vertaling op zijn merites kan beoordelen.

    Het zijn geen vrolijke verhalen, humor en lichtheid ontbreken. De hopeloosheid van een onrechtvaardig bestaan waarin mensen op weg zijn naar een onprettig einde, zonder veel respijt, dat drukt deze verzameling uit, die vooral om zijn stijl een aanrader is.

     

  • Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Ontbijten met gelei uit kraters van groen

    Je zal toch per ongeluk in een afgelegen hotel belanden, waar internet en een netwerk voor je mobiele telefoon ontbreken. Een ware nachtmerrie voor de moderne mens. Het overkomt Ariel Panek, de hoofdpersoon in DBC Pierre’s nieuwe roman Ontbijt met de Borgias. Hij raakt in het hotel aan de kust verzeild nadat zijn vlucht van Boston naar Amsterdam, vanwege dikke mist, in Londen is gestrand. Dezelfde dikke mist die het hotel omgordt als een nekkraag de hals van een automobilist die een whiplash heeft overgehouden aan een kettingbotsing.

    U stoort zich wellicht aan de potsierlijke beeldspraak in de vorige zin, maar dan bent u tenminste voorbereid. In Ontbijt met de Borgias zaait DBC Pierre groteske beeldspraken zoals een zwartepiet snoepgoed strooit in een kindercrèche. ‘Het hotel rook vaag naar lavendel op dode kool.’ Die geur is met enige moeite misschien nog voor te stellen. Misschien lukt het u ook nog bij het volgende beeld: ‘Een man als een broeierige valk onder de capuchon van zijn houtje-touwtjesjas.’ Maar voor ‘haar ogen fonkelden als gelei uit kraters van groen, omhoog speurend in een rookpluim’ zult u toch diep moeten gaan.

    ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ dichtte Martinus Nijhoff ooit en de lezer die deze roman ter hand neemt, doet er goed aan die aansporing ter harte te nemen. Neem de potsierlijkheid van zijn taal voor lief en grijp de uitgestoken hand van DBC Pierre. Laat u door hem leiden, door de mist en door de krochten van een gedateerd hotel waar vreemde kostgangers op u loeren. Als u het leesavontuur overleeft, wordt uiteindelijk wel duidelijk waarom de schrijver zich van die bijzondere taal heeft bediend. Of niet natuurlijk. Maar dan heeft u in ieder geval een spannende roman gelezen.

    Pierre heeft zijn boek geschreven voor de Hammer List, een literaire serie die horrorfilmproducent Hammer uitgeeft. Is het ook een griezelverhaal geworden? Nee. De roman bevat veel ingrediënten van enge films: de afgelegen locatie, verbroken verbindingen, mist, een naïeve hoofdpersoon en een aantal opmerkelijke typetjes. Je ziet Humphrey Bogart in Key Largo of Nicole Kidman in The Others. Het zijn elementen waarmee DBC Pierre zeker spanning weet op te roepen. Maar griezelen doe je niet, nagelbijten is er niet bij.

    Twee spanningsbogen bouwt Pierre in zijn roman. De eerste concentreert zich rondom de vraag of Ariel contact zal krijgen met zijn liefje Zeva. Die wacht in Amsterdam op hem en wordt met de minuut radelozer omdat hij niet opduikt. Hij probeert op allerlei manieren contact met haar te krijgen, maar zonder succes. Hoewel Zeva via de telefoon van een andere hotelgast wel sms’jes krijgt, tekstberichtjes die er de schijn van hebben dat Ariel de afzender is. De tweede intrige in de roman speelt zich in het hotel af. Er logeert een merkwaardige familie. Al snel vraagt de lezer zich af wat die zonderlingen daar te zoeken hebben. Maar echt intrigerend is de vraag of Ariel uit het web weet te blijven dat die familie om hem heen spint. Waarvan de kleverigste draad de beschuldiging is dat Ariel zich vergrepen heeft aan een minderjarig meisje dat halfnaakt op zijn kamer is aangetroffen. En wat doen die bloedsporen daar?

    Er staat niet wat er staat en herhaaldelijk zet DBC Pierre niet alleen zijn protagonist, maar ook de lezer op het verkeerde been. Dat houd je alert en geeft het verhaal reliëf. De ontknoping is verrassend en verheldert veel, maar lang niet alles. Jammer van die losse eindjes. Blijft over een spannend, vermakelijk en vlot geschreven verhaal, ondanks de potsierlijke beeldspraak.


    Ontbijt met de Borgias

    Auteur: DBC Pierre
    Vertaald door: Karina van Santen en Martine Vosmaer
    Verschenen bij: Uitgeverij Podium
    Aantal pagina’s: 187
    Prijs: € 18,50

  • Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    Loop de loop, sjie-joep, sjie-joep

    De Haarlemsche Courant schreef in 1906 over Van oude menschen. De Dingen die voorbijgaan: ‘Couperus’ nieuwe roman is het ‘boek van wroeging’. Zestig jaar geleden heeft Takma den man zijner minnares vermoord, daartoe gedreven door het aansporen der vrouw.  Die misdaad heeft hen saamgebonden voor àltijd, beheerscht hun verder bestaan.’ De families Takma, Dercks en Steyn de Weert zijn verbonden door een groot  geheim.

    In Klimtol werkt een gebeurtenis uit het verleden ook door in het heden.  Het is klimtolspeler Ludo die een geheim meedraagt.
    De roman speelt in het vissersdorpje Paternoster aan de ‘Weskus’ van Zuid-Afrika, in de Karoo, de ‘plaats van weinig water.’ De tijd is de jaren zestig en het heden, net voor de dood van Nelson Mandela.

    Stian is de zoon van een waterfiskaal, een ambtenaar die belast is met het toezicht op irrigatie en waterverbruik. Als zijn vader een John Deere aanschaft, een tractor met ‘dichtbijmekaarwieltjes’, krijgt hij een houten jojo van de dealer: ‘Kijk wat hij voor jou heeft achtergelaten, het is een jojo, kijk, Stian, er zit een touwtje aan /…/’

    De jongen oefent uren met zijn jojo en hij maakt zich truuks eigen. Na zijn diensttijd kiest hij ervoor als ‘roodjasje’ door het leven te gaan. Als officiële vertegenwoordiger van Coca-Cola-jojo’s rijdt hij met zijn Opel van dorp naar dorp om zijn showtjes te geven. ‘ ging zijn jojo.’ De klimtol is een toverding in zijn hand.

    Zijn vader is niet enthousiast over de klimtolspelerij van Ludo:  ‘Maar dat is geen baan,’ ‘Allemaal leuk en aardig, maar wat heeft het voor nut?’ Maar de jongen ‘zag hoe werken vernedert en koos voor spelen.’

    Hij treedt op als Ludo Loeloeraai. Er is een schaamte in hem over zijn speelsheid, zelfs over zijn aangenomen naam die ik speel betekent. Andere entertainers beschouwen hem als een onderkruiper omdat hij voor een Amerikaans bedrijf werkt, ‘de klimtolkampioenschappen zijn één grote reclamecampagne voor de frisdrank met het geheime recept’. Het was de truuk van de Amerikanen: vermom werk als spel.

    Bij een van zijn ‘gigs‘ is er opeens een fotografe: ‘Dan ziet hij haar / …/ Algauw speelt hij alleen voor haar, terwijl zij lachend, aanmoedigend en uitdagend met haar camera voor het podiumpje rondkruipt.’ Zo snel als ze is gekomen, zo snel is ze ook weer verdwenen.

    Ludo rijdt in de nacht een kind aan… ‘Toen is het gebeurd: zijn hele leven kantelde en dat kwam door het achterom kijken – wie heeft me gezien? Ik kan nog wegkomen! Dat heeft alles veranderd. Dat moment.’ Is dat Noodlot of de vloek van de klimtol?

    Het geheim dat hij met zich meedraagt: ‘het geheim van de bloedvlek bij Tweefontein had zich dieper in hem teruggetrokken. Hij moest denken aan het bijgeloof van oude mensen: als je een lange doorn in je voet krijgt en hij breekt af en je peurt hem er niet uit met een naald waarvan je eerst de punt boven een kaarsvlam hebt schoongebrand, dan trekt het hart die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Volgens John Steinbeck moet elke man een plek hebben en Ludo’s plek is voor zijn huisje aan de Weskus. Hij is als de man uit De oude man en de zee van Hemingway: ‘Hij denkt aan zichzelf en het ene dunne boek dat hij steeds weer herleest, het ritme van de zinnen is als zijn jojospel en in de cadans ervan herkent hij het ritme van de klimtol en de zekerheid van een goede worp, en hij is de oude man in het verhaal en hij zal de vis naar de haven brengen, en hij denkt al in dat ritme. Al is de vis bij aankomst kaalgevreten, hij is de oude man en hij brengt hem binnen.’

    Ludo denkt terug ‘aan zijn eerste klimtol en de bruine hand van zijn vader die hem uit zijn broekzak haalde nadat hij hem van de verkoper van de John Deere had gekregen om later aan het zoontje Ludo te geven, en hij weet nog hoe hij zijn hand uitstak en de jojo van zijn vader aannam en hoe die in zijn handpalm lag alsof hij ermee geboren was. Zo, dacht Ludo, is het leven van onverantwoordelijk spelen begonnen, een leven waarin truuk op truuk is gevolgd /…/.’  Het ongeluk komt steeds terug in zijn gedachten. ‘Het bloed zat nog vers aan zijn handen, maar wat hem nog het meest geschokt had dat hij na de moord op het kind (ja, hij weet wat nalatigheid en opzet is en wat het verschil is tussen een ongeluk en een moord) beter speelde dat hij ooit had gespeeld.’

    Met wie kan hij zijn verhaal delen? Hoe moet hij het Noodlot behagen?

    Het jojospelen geeft hem rust. ‘Dat is wat de jojo / … / betekent, hoe je hand er stabiel van wordt en hoe het spel patronen tekent waarin je orde vindt die je beschermt tegen de chaos en de drukte van dingen. Hij weet dat elke truuk een spinnenweb is en binnen het spinnenweb heeft elke draad zijn functie, het is een veilig web en als je het eenmaal onder de knie hebt, ben je tevreden en een poosje gaat het goed met je, dan kun je je truuk oefenen en erin wegkruipen alsof jij de spin bent en het web je hele wereld is.’

    Maar het loeit in zijn hoofd, want het ongeluk draagt hij als een last met zich mee. ‘Het voelt in zijn hoofd alsof een witte haai een school robben binnenzwemt /…/ De haai zwiept rond, hapt links en rechts, slingert schreeuwende robben uit de zee omhoog en naderhand drijven er half opgegeten dieren uit de zee omhoog en zwemt de haai verveeld weg van de donkerrode plas in het water.’

    Het verhaal krijgt een nieuwe wending als hij vanuit Londen bezoek krijgt van een jong meisje dat ook jojo speelt. ‘Ik heet Doris Steyn en in London ben ik Dipping Doris. Ik jojo.’ Zij haalt hem over samen met haar een vintage jojotour in Europa te doen.

    De roman is ook het verhaal van Snaartjie Windvogel, van de dode kreeftinspecteur en van adelborst Eenslie Maree. De diverse verhaallijnen meanderen door het boek en komen uiteindelijk op een knappe manier bij elkaar. Voor allen geldt: ‘We dragen allemaal een last met ons mee, nietwaar?’

    Het boek staat vol met schitterende zinnen en beelden. Mooi is dit:  ‘Zijn vader stond in de keuken, blies zijn koffie koud, goot hem op het schoteltje en slurpte uit het schoteltje terwijl hij over de koffie heen met een knipoog naar Ludo keek.’

    Het gaat over hoe nieuws zich verspreidt in een kleine gemeenschap : ‘In dit dorp valt een verhaal als een lucifer in droog gras en het knettert een pad open alsof er veel wind achter het vuur zit.’

    De zinnen hebben een mooie cadans, veelal zijn ze met elkaar verbonden door ‘en’: ‘Hij loopt tot aan het water en hij heeft geloof en is lichtvoetig.’

    Terug naar Couperus. ‘O, hoe pijn, fyziek pijn deed dat soms, die stekel in het vleesch van haar hart.’ In Klimtol: ‘het hart /trekt/ die doornpunt aan en in de loop der jaren kruipt hij langzaam door je lichaam en komt in je hart terecht, waar hij gaat zweren.’

    Klimtol is een rijk boek, een boek met diverse hoofdpaadjes en veel kurkentrekkerpaadjes.’
    Een prachtige, sfeervolle roman.

     

  • Een zorgvuldig verborgen geheim

    Een zorgvuldig verborgen geheim

    Recensie door Rosalie Koster

    Sommige boeken roepen meer vragen op dan ze beantwoorden. Zo ook Middernachtsberg van Jean-Marie Blas de Roblès, de tweede roman van de Fransman, die eerder al Waar de tijgers thuis zijn schreef.  Evenals in zijn debuut vraagt Blas de Roblès opnieuw van de lezer het uiterste. Zo niet het onmogelijke.

    Wie Middernachtsberg wil begrijpen, moet dan ook van zeer goede huize komen, het is aan de lezer om zelf het verhaal te duiden. Alsof dit nog niet genoeg is, zit het boek ook nog eens propvol filosofische overpeinzingen  waarover nagedacht dient te worden. Want wat Blas de Roblès te verkondigen heeft, gaat verder dan het verhaal zelf. Maar wat is het dat hij wil vertellen?

    Allereerst het verhaal, Paul en zijn moeder Rose verhuizen naar een appartementencomplex in Lyon. Beneden hen woont een oude man, Bastien, die na zijn gedwongen pensionering in eenzaamheid zijn dagen slijt. Het contact tussen de buren verloopt in eerste instantie moeizaam maar langzaam raken de verschillende levens meer met elkaar verweven. Bastien en Rose ontdekken dat zij beiden gefascineerd zijn door Tibet. En ook de kleine Paul sluit met de oude man een innige vriendschap.De grootste droom van Bastien, Lhasa bezoeken, gaat in vervulling als hij door Rose wordt uitgenodigd om mee te gaan. De reis verloopt echter niet zoals gepland en Rose keert alleen terug naar Lyon.

    Jaren later, Paul is inmiddels volwassen, besluit hij een boek te schrijven waarin Bastien en zijn moeder de hoofdrollen vervullen. Ter beoordeling stuurt hij zijn moeder enkele hoofdstukken die ze zorgvuldig van commentaar voorziet. ‘Dit verhaal is mijn verhaal, en elke regel die ik lees, rakelt het schuldgevoel waarmee het in mijn herinneringen is verbonden weer op.’

    Tot zover het verhaal, dat hoewel het an sich weinig indruk maakt, de gevoeligheid van het achterliggende verhaal teniet wordt gedaan door de summiere uitwerking en een kille, sobere afstandelijkheid, blijft er genoeg over. Want aan onderwerpen heeft Blas de Roblès duidelijk geen gebrek. Zo zet hij niet alleen allerlei Oosterse filosofieën en wijsheden uiteen en geeft hij driftig commentaar op de Chinese overheersing in Tibet, hij laat ook duidelijk weten welke rol hij voor een schrijver ziet weggelegd. ‘Boeken zijn niet in staat de wereld te veranderen, maar vergeet nooit dat ze wel de middelen hebben om dat wat de wereld verscheurt te laten voortduren’

    Met deze woorden eindigt Rose een van haar brieven aan Paul. De waarheid moet verteld worden, zo drukt ze haar zoon op het hart. Ook een ander personage, bij wie Paul te rade gaat over zijn boek, houdt er een duidelijke mening op na over het schrijverschap en het vertellen van de waarheid. ‘Kijk naar Dan Brown en zijn Da Vinci Code. Het maakt  niet uit of die gast slecht schrijft of onzin verkoopt, het enige wat ik hem kwalijk neem, is dat hij zijn boek begint met de woorden: “Let op, alles wat u gaat lezen is de strikte waarheid, ik heb niets verzonnen”, terwijl hij je vervolgens Roodkapje vertelt.’

    Maar wat is de waarheid? Paul en zijn moeder blijken ieder hun eigen gekleurde herinneringen te hebben aan de jeugd van Paul. En dan is er ook nog het geheim van de oude Bastien. Als een zwaard van Damocles hangt een vroeger gepleegd vergrijp boven zijn hoofd. Welke misdaad hij begaan heeft, houdt hij angstvallig geheim. In Tibet, op zijn ziekbed, biecht hij eindelijk de waarheid op.

    Of toch niet? Want wat is er waar van de dingen die Bastien heeft verteld? Wederom krijgt de lezer geen adequaat antwoord. En zo eindigt het boek even raadselachtig als het begon. Toch moet worden gezegd dat Blas de Roblès geweldig mooi beeldend schrijft. Maar dit talent is niet genoeg om te overdonderen en de rest goed te maken. Want telkens opnieuw dringt al lezend de vraag op wat de schrijver nu wil met dit boek. Maar dit blijft, evenals het geheim van Bastien, zorgvuldig verborgen.