• Verhalen over dood, magie en geesten

    Verhalen over dood, magie en geesten

    De aanslag op Salman Rushdie in 2022 noodzaakte hem eerst helder te krijgen wat die daad voor hem betekende. Hij deed er verslag van in Mes. Dat boek moest er komen voor hij weer ruimte voelde voor nieuwe fictie. Die is er nu in de vorm van vijf verhalen in de bundel De levensavond. Ze gaan over verschillende aspecten rond de dood: het sterven, verlies, de geest van doden en verdwijningen. In enkele gevallen gaan ze zelfs over wraaknemingen door de overledenen.

    Het eerste verhaal waarin dat gebeurt is ‘De muzikante van Kahani’. Het heeft de lengte van een novelle met als hoofdpersonages de Indiase sitar- en pianospeelster Chandni en haar ouders Raheem en Meena Contractor.

    Business

    Raheem is hoogleraar wiskunde. Hij raakte in een depressie toen hij het bewijs had gevonden voor de Laatste Stelling van Fermat maar net voor hij dat kon publiceren verslagen werd ‘door een Engelse wetenschapper die beroemd werd en overladen met lof en prijzen, terwijl Raheem Contractor anoniem bleef’ (een verwijzing naar Andrew Wiles, die in 1994 het bewijs leverde).
    Zoals ook in ander werk gebruikt Rushdie hier een historisch feit om op basis daarvan over te stappen naar magisch realisme door dat feit in te bedden in een verhaal over andere werkelijkheden of droomwerelden.
    Raheem verlaat in zijn depressie zijn gezin en raakt bevriend met een sekteleider Shankar die er vooral op uit is een vermogen op te bouwen en seksorgies te organiseren (‘Meditatie was big business geworden’). Tot hij na drie invallen door de belastingdienst wordt ontmaskerd en vlucht met één van zijn drieënnegentig Ferrari-wagens.

    Muziek

    Ondertussen viert dochter Chandni triomfen als (concert)musicus. Daarin wordt ze tegengewerkt door de puissant rijke familie Ferdaus waarbinnen ze trouwt met een playboy. Ze wordt totaal door de familie ingepalmd; haar taak is te zorgen voor een stamhouder. Ze bevalt voortijdig van een dood kind en verlaat de familie om terug te keren naar haar ouders. Het Ferdaus-imperium gaat daarna ten onder omdat Chandni haar muziek weer oppakt en door de magie daarvan alle bedrijven van de familie ten gronde richt.

    Overigens zijn de uitweidingen over gedrag en leefwijze van het Ferdaus-imperium en de sekte van Shankar nogal clichématig. Menigeen zal het beeld dat hij er al van had gemakkelijk herkennen. Rushdie voegt daar geen nieuwe inzichten aan toe. Wel lardeert hij de beschrijvingen met erg veel humor.

    Arthur

    In het daaropvolgende verhaal ‘Ontijdig’ verbindt Rushdie opnieuw een historisch feit met een geesteswereld, al wordt dat pas gaandeweg duidelijk. En opnieuw is het een verhaal van wraak. De openingszin stuurt de lezer al meteen die kant op: ‘Toen Eredoctor S.M. Arthur wakker werd in zijn verduisterde slaapkamer in het College was hij dood’. (Later zal blijken dat nog van meer mythes sprake is: de letter M in de voornaam staat voor Merlijn en er volgen diverse verwijzingen naar de Arthursagen).
    Als geest kwelt deze Arthur zijn baas, Lord Emmemm. Hij neemt wraak voor wat deze hem heeft aangedaan door hem te beletten na de publicatie van zijn eerste boek zijn werk verder nog openlijk uit te oefenen. En dan blijkt Rushdie hier een magisch-realistische versie geeft van de lotgevallen van de kraker van de Enigma-code in de Tweede Wereldoorlog, Alan Turing. Die publiceerde, net als Arthur in ‘Ontijdig’, een belangrijk werk (over de Turingtest), maar mocht daarna alleen in het geheim bij het instituut blijven werken; hij werd vanwege zijn homofilie chemisch gecastreerd.

    Veranda’s

    Van de drie andere verhalen in De levensavond is het eerste van amper twintig pagina’s, ‘In het zuiden’, het meest innemende. Ook dit begint omineus met de zin ‘De dag dat Junior viel…’
    Junior is de buurman van een man die dezelfde naam heeft. Om de twee, die in leeftijd maar zeventien dagen verschillen, uit elkaar te houden wordt de andere Senior genoemd. Ze zijn het voortdurend met elkaar oneens, bijvoorbeeld over de vraag of het in het zuiden (vandaar de titel) van India beter wonen is dan elders. Ze kunnen echter ook niet zonder elkaar.
    De val uit de eerste zin is Junior fataal en laat Senior alleen achter: ‘De dood en het leven waren niets anders dan belendende veranda’s. Senior stond op de ene zoals hij altijd had gedaan en op de andere, hun traditie van vele jaren voortzettend, stond Junior, zijn schaduw, hem tegen te spreken’.

    Manuscripten

    De laatste twee verhalen in De levensavond zijn minder toegankelijk. In ‘Oklahoma’ heeft dat te maken met de ingewikkelde structuur en de talloze literaire verwijzingen.
    De verteller introduceert een manuscript van een zekere Mamouli Ajeeb uit India dat de dag voor hij stierf bij de uitgever werd bezorgd. Hij noemde het ‘een narratief dat onwaar is en dus waar, zoals dat gaat met fictie’. Hoofdpersoon in dat manuscript is op zijn beurt weer een personage, oom K, dat geobsedeerd is door verdwijningen en de dood. Er volgen er een aantal waarvan hij een lijst heeft aangelegd. Maar ook oom K. zelf verdwijnt met achterlating van zijn kleren op het strand. Het is onduidelijk of het een verdwijntruc is of dat hij echt is verdronken.
    Daarna wordt bij Ajeeb een pakje bezorgd van oom K met weer twee nieuwe manuscripten, deze keer naar aanleiding van een schilderij van Jeroen Bosch. Om die raadselachtige teksten te kunnen verklaren bezoekt hij tante K. die Ajeeb er echter vervolgens van beschuldigt dat hij het handschrift van oom K heeft vervalst…. Volgt u het nog?

    De titel ‘Oklahoma’ verwijst naar de belangrijkste vraag die oom K zich stelde: waarom voltooide Kafka zijn roman Amerika niet (Kafka brak die af op het punt waarop hoofdpersoon Karl Rossmann onderweg was naar Oklahoma).

    Meningsverschillen

    Ook het laatste stuk, ‘De oude man op de piazza’ laat zich niet gemakkelijk ontsleutelen. De oude man zit elke dag voor zijn café aan de piazza te luisteren naar de discussies op het plein. Aan de andere kant zit een vrouw die de belichaming van de taal is. Het gekibbel op het plein kent tijden waarop alleen ‘ja’ mag worden gezegd en later weer alleen ‘nee’. Het verhaal lijkt een parabel – zo komt het over met de gedachten aan de toenemende polarisering in onze tijd – over de teloorgang van de democratie, die juist gebaat is bij discussies en meningsverschillen waarbij naar elkaar wordt geluisterd.

    De levensavond

    De levensavond

    Salman Rushdie

    Translation by: Karina van Santen en Martine Vosmaer

    Uitgever: Uitgeverij Pluim (2025)

    ISBN 9789493420465

    256 pagina’s

    Prijs: € 24,99

    Buy with Libris
  • Geen helden, maar gewone mensen

    Geen helden, maar gewone mensen

    Het debuut Zwarte zomer van Tea Tupajić verscheen onlangs in juli, dertig jaar na de verschrikkingen in Srebrenica in 1995. Het Nederlandse vredesbataljon ‘Dutchbat III’, werd daar door de VN gestationeerd om de moslimenclave en de door de VN toegewezen veilige zone te beschermen tijdens de Bosnische burgeroorlog. Maar dat liep mis.

    Op 11 juli vonden hevige gevechten plaats tussen de Bosnische Moslims en de Bosnische Serviërs. De moslimenclave viel en na de overgave overtuigde kolonel-generaal Mladić de Dutchbat leiding dat de overdracht van de inwoners noodzakelijk was voor hun veiligheid. Het bleek een valstrik. In de dagen die volgden werden bijna 8400 Bosnische moslimmannen en -jongens gedood door de Bosnisch-Servische troepen.

    Tea Tupajić (1984, Sarajevo) is film- en theaterregisseur. Zij reisde door heel Nederland en sprak met meer dan honderd veteranen. Zwarte zomer is gebaseerd op het theaterstuk Dark Numbers dat ze in 2018 maakteover en met Dutchbat-veteranen. In het boek verweeft Tupajić de herinneringen van zes slachtoffers, waardoor het een dwarsdoorsnede van ervaringen wordt. Al is het aanvankelijk gissen wie er aan het woord is.

    Deze mensen, mannen en vrouwen, jong en onervaren of ouder met meer ervaring, waren tijdens de bloedhete zomer van 1995 getuige van de verschrikkingen. Nog steeds leven ze met de trauma’s en nabeelden ervan op hun netvlies. Soms zijn het slechts een paar zinnen op een bladzijde, wat indringend overkomt, omdat er ook veel wordt weggelaten. De getuigen hebben hun ervaringen heel verschillend beleefd. Soms zijn die rauw en benemen je de adem, dan weer zijn ze afstandelijk, relativerend.

    Dwarsdoorsnede van ervaringen
    Twee jonge vrouwen die de ernst van hun missie aanvankelijk niet zo duidelijk in de gaten hadden, worden in één keer volwassen als ze oog in oog met de vijand staan. ‘Ik sta bij de poort. Ik zie vijfentwintigduizend vluchtelingen die allemaal de compound in willen. We hebben plek voor vijfduizend. We moeten een selectie maken.’ Na een halve bladspiegel witregels eindigt het stukje. ‘Alleen vrouwen en kinderen.’

    Een legerarts staat voor moeilijke keuzes en een onwerkbare situatie. Een man moet na de oorlog in het reine komen met PTTS. Een ander wilde graag net zo heldhaftig worden als zijn grootvaders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het verzet zaten. Het zijn de mooie, en gruwelijke herinneringen, grappige anekdotes en morbide grappen die een eerlijke inkijk geven in wat er destijds gebeurd is. In het laatste hoofdstuk presenteert de auteur zich, en horen we bij monde van een van de slachtoffers meer over haar motief om dit boekje te maken.

    Dark numbers en zwarte zomer
    Zwarte zomer is mooi opgebouwd, gaandeweg weet je (toch) wie er aan het woord is en dringt de pijn en onzekerheid van de slachtoffers steeds dieper tot je door. Zoals de twijfel als je moet kiezen tussen menselijkheid en militair handelen. ‘Ik handelde overeenkomstig de opdracht. Maar was de opdracht goed? Had ik de opdracht moeten negeren.’ En later als de confrontatie met het thuisfront komt, waar de beste stuurlui aan wal stonden, overheerste de twijfel. ‘Ben ik een goede soldaat geweest of een lafaard?’ Dat dealen met het onbegrip van de buitenstaanders wat er bij dergelijke traumatische ervaringen altijd is, bleek voor iedereen moeilijk en ingewikkeld.

    Enkele veteranen die in het boek voorkomen speelden ook mee in het theaterstuk Dark numbers. In een interview met Herien Wensink in De Morgen in 2019 zegt Tupajić:

    ‘Het wordt hen verweten dat ze zich niet als helden hebben gedragen daar. Maar het zijn geen helden, het zijn gewone mensen, mensen die worstelen en fouten maken. Hoe houden zij zich staande in zo’n situatie? En erna? Goed, ze leven nog. Maar als ik naar ze kijk, vraag ik me af of ze het zo goed hebben doorstaan. Hebben ze het wel overleefd? Of zijn ze alleen maar lichamelijk ongeschonden teruggekomen?’

    Zwarte zomer is een aangrijpend relaas van de verschrikkingen van een oorlog, een genocide, gezien door de ogen van gewone mensen. Het is een eyeopener voor gewone mensen die er niet bij waren en die geen idee hebben wat zich daar heeft afgespeeld. Kortom, een belangwekkend boek over een geschiedenis die niet in de vergetelheid mag raken.

  • Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.

    Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?

    Dode kraai

    De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
    De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
    Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.

    Verdriet

    Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.

    Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.

    Nouveau roman 2.0

    De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).

    Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.

    Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.

  • Literaire vertolking van het triviale

    Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Kunst overwint geweld

    Kunst overwint geweld

    Toen Salman Rushdie door zijn aantekeningen voor een nieuwe roman na Victoriestad bladerde, merkte hij dat hij er niet mee verder kon: ‘Tot ik de aanslag had behandeld, zou ik niet in staat zijn iets anders te schrijven (…) Schrijven zou mijn manier zijn om bezit te nemen van wat er was gebeurd, de controle erover te nemen, het me toe te eigenen, te weigeren louter een slachtoffer te zijn. Ik zou geweld beantwoorden met kunst’. Die behandeling van de aanslag heeft geresulteerd in Mes. Gedachten na een poging tot moord.
    De aanslag op Rushdie vond plaats op 12 augustus 2022 om 10:45 uur in het amfitheater van Chautauqua in de staat New York waar hij een lezing zou geven. Rushdie liep vijftien messteken op die hem op het randje van de dood brachten en waardoor hij blijvend een gehandicapte linkerhand heeft en zijn rechteroog is kwijtgeraakt. De dader van de aanslag was een fundamentalistische moslim die Rushdie in zijn boek slechts als ‘de A.’ aanduidt (‘Aanvaller, would-be-Assassino, Achterlijke man die Aannames over mij maakte, die met mij een bijna dodelijke Afspraak had’).

    Mes bestaat uit twee delen. In het eerste, ‘De engel des doods’, blikt Rushdie vooral feitelijk terug op de aanslag, zijn tijd in het ziekenhuis en zijn revalidatie. ‘De engel des levens’ is het tweede deel waarin de auteur tracht de aanslag mentaal te verwerken en zijn (schrijvers)leven opnieuw in te richten. Als een rode draad loopt door beide delen de aanwezigheid van zijn vrouw, de dichteres en fotografe Eliza Griffiths, die je als een derde ‘engel’ zou kunnen zien. In Rushdies eigen woorden: ‘(…) het verhaal dat ik hier wil vertellen, is dat het een verhaal is waarin haat – het mes als metafoor voor haat – wordt beantwoord, en uiteindelijk overwonnen, door liefde’.

    ‘Foreshadowing’

    Dit verslag van een aanslag en de verwerking ervan kent – hoe kan het ook anders bij iemand als Rushdie – tal van reflecties op literatuur en kunst. Zo staat hij op de avond voor de aanslag voor zijn hotel naar de maan te kijken die spiegelt in het meer. Die doet hem onder andere denken aan het beroemde beeld van een ruimteschip dat op het rechteroog van de maan botst in de stomme film Le voyage dans la lune van Georges Méliès’. Het is een voorbeeld (Rushdie noemt er later meer) van foreshadowing van het verlies van zijn eigen rechteroog bij de aanslag van de dag erna.

    Op een gegeven moment neemt Rushdie zich voor de aanslagpleger te ontmoeten om die met de gevolgen van zijn daad (het uitgestoken oog, maar ook het overleven van het slachtoffer en dus de mislukking van wat ‘de A.’ beoogde) te confronteren, maar daar ziet hij op advies van Eliza van af. Het wordt, als we inmiddels in het tweede deel van Mes zijn beland, een fictieve ontmoeting met ‘de A.’ waarin Rushdie probeert te achterhalen wat hem gedreven kan hebben. Er volgen vier sessies van een vraag- en antwoordspel waarin Rushdie zijn eigen vermoedens ontvouwt en zijn fantasie moet aanspreken om geloofwaardige antwoorden van ‘de A.’ te bedenken.

    Afgewezen

    Het is twijfelachtig of Rushdie erin geslaagd is een helder beeld van de aanslagpleger te bereiken. De ondervrager gaat op zoek naar de werkelijke voedingsbodem van de would-be-moordenaar. Hoe kon hij zo haatdragend worden dat hij ervan overtuigd was dat hij de schrijver van een boek (De duivelsverzen) dat hij niet eens had gelezen, moest vermoorden? ‘Jij bent een boze jongen’ zegt ondervrager Rushdie: ‘Zes miljard vijanden, nul vrienden, nog minder geliefden. Woedend. Zoveel wrok. Ik vraag me alleen af wie je eigenlijk wilde vermoorden. Een meisje dat je afwees? Een jongen op de sportschool of aan de Israëlische grens? Je moeder misschien? (…) Wiens gezicht zag je voor me toen je me stak?’
    Het is een psychologie die Rushdie ontleent aan schrijfster Jodi Picoult. Zij vertelt in haar roman De tweede dochter dat eenlingen er niet voor kiezen eenzaam te zijn, maar voortdurend zijn teleurgesteld in hun pogingen om in harmonie met de wereld te leven.

    Leert de lezer daardoor ‘de A.’ echt kennen? Diens drijfveren zien we natuurlijk zoals Rushdie ze zich probeert voor te stellen. Veel overtuigender is de les die Rushdie voor zichzelf trekt over zijn schrijverschap na deze hypothetische ontmoeting: ‘Kunst is geen luxe. Ze is de essentie van onze menselijkheid en vraagt geen speciale bescherming, afgezien van het recht om te bestaan. Ze accepteert discussie, kritiek, zelfs afwijzing. Maar ze accepteert geen geweld. En uiteindelijk overleeft ze degenen die haar onderdrukken’.

    Rushdie hoefde nadat hij dat inzicht had verwoord zijn aanvaller niet meer in levende lijve te ontmoeten. De tragedie is mede door het schrijven van Mes tot een ‘afsluiting’ gekomen. Maar ook realiseert hij zich de grootste schade: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven’.

     

     

  • Cassante passages van een astrante tante

    Cassante passages van een astrante tante

    Lionel Shriver (1957), de schrijfster die haar naam in een jongensnaam veranderde omdat ze zich een tomboy voelde, werd bekend met de roman We moeten het eens over Kevin hebben. Vorig jaar bracht ze met Tegendraads een non-fictie boek uit. Omdat ze haar aanvankelijk ‘schamele verdiensten als romanschrijver moest aanvullen’ werd Shriver namelijk ook journalist en columnist. Voor Engelse en Amerikaanse media schreef ze columns, essays en opiniestukken over vele onderwerpen: van vriendschap tot gezondheidszorg, belastingen, de dood en overgewicht. Materiaal was er genoeg. Tegendraads leest alsof je mee tolt met een wervelwind. Het keert je hoofd binnenstebuiten en schudt het heen en weer. Eenmaal tot rust gekomen hou je er soms nieuwe percepties aan over.

    Bakken kritiek

    In de inleiding waarschuwt Shriver evenwel de lezers. Ze drukt de hoop uit dat zij nog altijd haar romans zullen lezen indien zij het niet eens zouden zijn met haar standpunten over bijvoorbeeld Brexit, migratie, woke. Shriver vindt echter niet dat ze zich moet verontschuldigen voor haar controversiële stukken. Volgens haar helt de overgrote meerderheid van haar literaire collega’s ver naar links en heeft de letterenwereld ernstig behoefte heeft aan tegenwicht. Voor haar essays en toespraken kreeg Shriver bakken kritiek over zich heen.

    In haar persoonlijke essays is ze op haar best. De brief naar haar jongere zelf, toen zij nog een onbekende arme schrijfster was, is ontroerend en geestig. Ook de stukken over haar broer die aan een eetstoornis stierf en over wat dik zijn betekent in deze maatschappij getuigt van moedige openhartigheid en scherpzinnige ideeën. Het relaas van haar jarenlange verblijf als correspondent in Belfast koppelt het persoonlijke met de politieke situatie en dat is bijzonder interessant. Vriendschappen kunnen eraan stuk gaan. Wat Shriver vertelt over The Troubles in Belfast doet soms denken aan de tijd van corona waarin anti-vaxers ruzie kregen met hun tegenstanders in eenzelfde familie.

    Het is ook boeiend om te lezen hoe haar romans tot stand kwamen: soms licht Shriver namelijk een tipje van de sluier op en ontrafelt ze haar fictie tot non fictie, legt ze fictie als het ware uit. In tijden waarin fictie wordt bedreigd en zich steeds meer moet verantwoorden, is dat een grappige contradictie. Maar Shriver toont het denkproces dat aan fictie voorafgaat, de keuzes die de schrijver moet maken. Het is interessant hoe zij, geboren in een strenge religieuze familie, vertelt hoe ze het juk van godsdienst van zich afgooide en fictie ging schrijven. Hoe verhouden die twee zich eigenlijk tot elkaar?

    Andermans hoed

    Met heldere argumenten en pittige quotes fulmineert Shriver over woke en culturele toe-eigening. Ook een witte man mag volgens haar in de huid kruipen van een zwart tienermeisje. Zelf beschreef Shriver een schietpartij in een school en ‘het spijt haar dat ze het moet zeggen: ze heeft zelf nog nooit zeven kinderen, een leraar en een kantinemedewerker doorzeefd.’

    Nadat een verkleedpartij onder studenten werd beschouwd als ‘een daad van etnisch stereotyperen’, – studenten hadden een mini-sombrero opgezet – pleit Shriver ervoor dat iedereen een sombrero mag opzetten. Je mag andermans hoed opzetten! Is schrijven ook niet in iemands schoenen gaan staan en empathie ontwikkelen?

    Shrivers essays over taal zitten goed in elkaar. Haar betoog om zorg te dragen voor die taal is vurig, gaat verder dan wat kommaneuken. Voorbeelden zijn het essay over de interpunctie en het verkeerd gebruik van de komma of het enkele haakje. Daarin voert ze opnieuw sterke argumenten aan. Shriver is hevig maar blijft de logica bewaren wanneer ze het heeft over de ‘linguïstische verlakkerij’. Zo vindt zij de term ‘cisgender’ geforceerd en niet organisch. ‘Cis’ is Latijn voor ‘aan deze kant van’ tegenover ‘trans’, wat ‘aan de andere kant van’ betekent. ‘Door het gebruik van dit adjectief onderschrijf je de opvatting dat sekse bij de geboorte wordt ‘toegewezen’ en niet erkend wordt als een biologisch gegeven,’ schrijft Shriver. En even later: ‘om entiteiten aan te duiden die zijn wat ze lijken te zijn, zouden we overal ‘cis’ voor kunnen zetten. ‘Cisblauw’ zou betekenen blauw en niet geel. ‘Cisboring’ zou echt saai betekenen en niet stiekem toch amusant.’ Deze redeneringen doen aan de filosoof Peter Sloterdijk denken die ook al wees op de gevaren van rechts én van links, van conservatief én van progressief.

    Wat Shriver vertelt over syntaxis, interpunctie en grammatica gaat ook over een maatschappij. Ze wil de taal en haar grammaticale regels beschermen tegen barbarij en gemakzucht. In het woke-debat en het debat over diversiteit wordt het kind weleens met het badwater weggegooid, telt de wijsheid plots niet meer als die bijvoorbeeld van een witte geprivilegieerde man komt.

    Vast in de bubbel

    Wanneer Shriver zich waagt op politiek terrein lijkt ze soms zelf in een bubbel vast te zitten. Ze herhaalt zichzelf dan met nog een luider woord, zoals in een facebookdiscussie. Het politieke spectrum lijkt haar eigen ideeën plat te drukken en dat is jammer. De argumenten worden minder krachtig. Shriver gaat soms wel heel kort door de bocht. Ze spreekt zichzelf tegen als ze zegt dat je in elk personage mag kruipen. Dat heeft ze blijkbaar met een zekere egocentrische willekeur bedoeld, want sommige van haar standpunten getuigen niet bepaald van empathie en mededogen. Shriver vindt het normatieve jargon van links duiden op bekrompenheid die neigt naar dogma. Haar jargon wordt echter even bekrompen: sceptisch over vaccinaties, migratie, woke, voor Brexit. Het zijn de af te vinken lijstjes van rechts. Het blijft wel interessant dat een dochter van conservatieve religieuzen die zich daarvan wilde losrukken, nu zelf ook neigt naar het conservatieve.

    Gaandeweg ontbreekt er een zekere rust in de teksten. Sommige quotes worden weleens drammerig, Shriver stampvoet als een macha rond en pookt op met veel stof. Sommige zinsneden doen gezwollen aan. Het wordt bijwijlen teveel, zoals in het nochtans hilarische stukje over een bezoek aan het filmfestival van Cannes. Daaraan heeft Shriver een epiloog gebreid die de droge tekst met gevoel voor zelfrelativering teniet doet en de grappen uitmelkt. Het brede scala aan onderwerpen is goed gemonteerd in Tegendraads. Ondanks hier en daar een drammerige passage schreef een pittige tante een boeiend boek dat je in beweging zet.

     

     

  • Een stad als een verhaal

    Een stad als een verhaal

    ‘Woorden zijn de enige overwinnaars,’ luiden de laatste woorden van Pampa Kampana, de 247-jarige protagoniste van Victoriestad, de nieuwste roman van Salman Rushdie. Eindelijk is Pampa Kampana oud geworden en mag ze sterven.
    Victoriestad is een mythe van een mythe, of een mythe bovenop een mythe, zoals gecreëerd door Rushdie, opgeschreven door Pampa Kampana en selectief herverteld door de naamloze alwetende verteller. Dit is niet de eerste roman waarin Rushdie vrijelijk jongleert met geschiedenis en bestaande verhalen en personen, wel misschien een van de boeken in zijn rijke oeuvre met de meest opengewerkte constructie. Wat we lezen, waarschuwt zijn verteller keer op keer, is niet te vertrouwen, alleen te geloven.

    Mythe én geschiedenis

    Het verhaal van Pampa Kampana is gelijk aan de opkomst en ondergang van Vijyanagara, de hoofdstad van een Zuid-Indiaans rijk dat werkelijk heeft bestaan. Vijyanagara stond van halverwege de veertiende tot halverwege de zestiende eeuw op de grens tussen de huidige deelstaten Karnataka en Andhra Pradesh. De ruïnes van de stad zijn door Unesco erkend werelderfgoed en dragen nu de naam Hampi. De ‘victoriestad’, een letterlijke vertaling van Vijyanagara, ontstaat in Rushdie’s versie door de magische kracht van Pampa Kampana. Als haar grote liefde, de Portugese paardenhandelaar Domingo Nunes, over de naam struikelt en er Bisnaga van maakt, aarzelt zij niet de stad zo te hernoemen. Zo krijgt de mythische stad krijgt een naam, die berust op een verspreking: een even ludieke als veelzeggende ingreep van Rushdie.

    Alles wat eenmaal ontstaat, verdwijnt weer: zoals Bisnaga, kent ook het lange leven van Pampa Kampana meerdere cycli. Na de dood van Domingo Nunes volgt haar tweede roodharige Portugees, en als ook hij overleden is, nog een Venetiaan. Zij hebben een voor hun tijd gebruikelijk kort leven. Alleen Pampa Kampana leeft voort als de jonge vrouw die ze eens was, want de goden zijn aan haar kant en beschermen haar tegen ouder worden. Althans, tot het onvermijdelijke gebeurt en ook zij een grijsaard wordt, nadat ze haar zicht en daarmee haar magische krachten kwijt is geraakt.

    Liefde, samen met het verzet van Pampa Kampana tegen de naargeestige, door mannen en hun onvermogen overheerste samenleving, mag naast het onwrikbare vertrouwen in de kracht van het vertellen, gerust het hoofdmotief van het boek genoemd worden. Rushdie rekt het verhaal wijd en breed op, maar vaart en spanning zitten er eigenlijk alleen in het eerste deel. Die slordige honderd pagina’s zijn een weergaloze vertelling die alle natuurwetten teistert, overeenkomstig het ontembare karakter van Pampa Kampana. Daarna neemt het tempo af en volgen er passages die, hoewel nog steeds aardig, het niveau van het begin bij verre niet halen. Of dat daadwerkelijk de bedoeling van Rushdie is geweest, valt te betwijfelen, al is het idee dat hij met Victoriestad de kracht van de jeugd bezingt, misschien niet heel ver gezocht.

    Ingehaald door werkelijkheid

    Met de kennis van nu doet de blindheid van Pampa Kampana onheilspellend aan. In augustus vorig jaar, een paar weken nadat hij de drukproeven van Victoriestad had gecontroleerd, werd Rushdie net voor het begin van een openbare lezing aangevallen door een jonge moslim. Binnen een halve minuut stak hij de schrijver twintig keer met een mes. Ook in zijn rechteroog. Dat Rushdie de aanval overleefde, lag aan een gelukkig toeval. Zoals hij aan David Remnick van The New Yorker vertelt in het eerste interview dat hij vier maanden na de aanslag gaf, werd hij gered door een duim. Na dertig seconden kwamen omstanders in beweging en lukte het iemand zijn vinger op de bloedende slagader van Rushdie te leggen, terwijl ze wachtten op de helikopter die hem naar het ziekenhuis zou brengen.

    ‘Ik heb altijd gedacht is dat mijn boeken interessanter zijn dan mijn leven. Helaas lijkt de wereld anders te denken,’ zegt Rushdie tegen Remnick. De hetze tegen zijn persoon, met als culminatie de fatwa die op hem werd uitgeroepen na de publicatie van de roman Satansverzen, heeft zijn gevoel voor ironie niet kunnen aantasten. Hoewel hij zijn oog voorgoed kwijt is, blijvend moe is en niet weet of hij ooit nog een boek zal schrijven, is hij net zo strijdbaar als altijd.

    Dat wordt ook duidelijk in Victoriestad. De roman leest even goed als een bespiegeling op de huidige tijd: er zitten talrijke verwijzingen in naar de groeiende intolerantie in het India van premier Modi, een hindoenationalist, die de Indiase geschiedenis graag presenteert als één grote strijd tussen hindoes en anderen. De werkelijkheid is veel ingewikkelder en rommeliger, zoals overal. Ook in het hindoeïstische deel van India zijn er talloze voorbeelden van culturele invloeden en overnames van gebruiken, net zo goed van moslims en sikhs als van christenen, in werkelijkheid en in de roman.

    Als een van Bisnaga’s koningen, de eigengereide Krishnadevaraya, zich toont in een kostuum van noordelijke moslim-heersers, steken zijn toekomstige vrouw en schoonmoeder hun afschuw niet onder stoelen of banken. Een Zuid-Indiase koning hoort een bloot bovenlijf te hebben, laten ze hem weten. Op de achtergrond wrijft Pampa Kampana in haar handen van plezier: zij is de belichaming van tolerantie en culturele versmelting. En van vrouwenrechten. Trouwen doet ze alleen uit strategische overwegingen. Ze trouwt drie keer met drie koningen, waarvan de eerste twee, de broers Hukka en Bukka, geënt zijn op historische figuren: de eerste twee koningen van het Vijyanagara-rijk.

    Tijdelijkheid

    Rond haar tweehonderdste, tijdens de afwezigheid van Krishnadevaraya, haar derde en laatste echtgenoot, lukt het Pampa Kampana eindelijk haar ideale Bisnaga te creëren, met scholen voor meisjes, rijkdom, goederen uit alle windrichtingen en, vooral, ‘talen, die tot extatische hoogte werden verheven door de grote dichters die huizen om in te wonen en podia om op te spreken hadden gekregen.’ Die wensdroom van iedere literatuurbeminnende geest is helaas net zo kortstondig als al het andere in het leven – in het leven van gewone stervelingen althans – en als al het moois met een onverklaarbare droogte verdwijnt, is ook het leven van Pampa Kampana over.

    Victoriestad, misschien wel de laatste roman van Salman Rushdie, zit bol van plezier, het soort plezier waarvan Rushdie in het interview met David Remnick zegt dat het wat hem betreft best het uiteindelijke doel van alle kunst zou kunnen zijn. Hij laat zijn Pampa Kampana gelijk in het begin van het boek constateren dat als het leven te veel wordt, het tijd is dat de verbeelding het overneemt van de herinnering. Ondanks de oneffen kwaliteit van de hoofdstukken is Victoriestad een lust om te lezen, was het alleen al om de vele grappen en verwijzingen naar andere verhalen en personages uit alle tijden, tot en met – een spoiler – The Pirates of the Caribbean.

     

     

  • Oogst week 6 – 2023

    Victoriestad

    Salman Rushdie heeft juist deze week voor het eerst weer van zich laten horen sinds de aanslag op zijn leven augustus vorig jaar in een interview in de New Yorker. Veel over de aanslag en de aanslagpleger, een beetje over zijn nieuwste boek Victoriestad, dat voor de aanslag al geschreven was. Eigenlijk stond er een grote boektour gepland voor deze winter. Maar daar zal niks van komen. Zijn lichamelijke conditie is niet zo best. Hij is blind aan zijn rechteroog, zijn vingertoppen zijn gevoelloos. De grote vraag in het interview is of hij nog weer zal kunnen schrijven. Maar eerst is daar Victoriestad, een episch verhaal over een vrouw die een mythisch rijk tot leven ademt om er vervolgens in de loop der eeuwen door vernietigd te worden.

    In de nasleep van een veldslag tussen twee vergeten koninkrijken in het veertiende-eeuwse Zuid-India heeft een negenjarig meisje een goddelijke ontmoeting. Nadat haar moeder gedood is, wordt het negenjarige meisje Pampa Kampana een medium voor de godin die door de mond van het meisje begint te spreken. De godin verleent Pampa Kampana krachten die het begrip van het meisje te boven gaan en vertelt haar dat ze een rol zal spelen in de opkomst van een grote stad genaamd Bisnaga – letterlijk ‘victoriestad’ – het wereldwonder.

     

    Victoriestad
    Auteur: Salman Rushdie
    Uitgeverij: Pluim

    Een mens valt uit Duitsland

    De in 1908 in Berlijn geboren Kurt Lehmann vluchtte in 1934 naar Nederland. Daar verscheen bij Querido, in die tijd uitgever van emigrantenliteratuur, zijn boek Ein Mensch fällt aus Deutschland. Dat het boek hier werd uitgegeven had hij te danken aan Menno ter Braak, die bleef aandringen toen Querido het manuscript in eerste instantie had afgewezen. Lehmann schreef het boek  onder het pseudoniem Konrad Merz, waardoor de Duitsers ook lang niet wisten dat hij de auteur was. Merz verklaarde de titel als volgt: ‘Mijn vader is voor Duitsland gevallen [hij kwam om in de Eerste Wereldoorlog], zijn zoon is uit Duitsland gevallen.’

    Menno Ter Braak recenseerde het boek in 1936 in Het Vaderland en vergeleek Merz daarin met Heinrich Heine om hun beider vermogen om culturen met elkaar te verbinden. Het met Berlijnse humor geschreven Ein Mensch fällt aus Deutschland was volgens hem geschreven op de grens van twee landen: ‘Dat is ook de reden waarom men deze lotgevallen van een Duitser, die naar Nederland moet vluchten, beschouwen kan als een werk van Europese betekenis’.
    Er kwamen al snel Nederlandse vertalingen, maar de bekendste daarvan is de latere Een mens valt uit Duitsland van Lore Coutinho uit 1979. Van deze is nu een herdruk verschenen.

    Een mens valt uit Duitsland
    Auteur: Konrad Merz
    Uitgeverij: Cossee

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf

    ‘Gisteren avond kreeg ik de mededeling dat mijn dochtertje, Raphaëla, overleden is. Het was haar geboortedag, want ze is op 3 januari 1947 ter wereld gekomen. Ik heb haar de naam gegeven van de schilder der idealen, van de zon en het licht, van de zoetste harmonie. Ze mocht niet lang bij haar moeder blijven, die geestesziek naar een gesticht voor zenuwlijders ging. Ik heb Raphaëla, dochter van mijn dromen, in een kinderkribbe moeten doen. Ze had haar eigen kleedjes niet meer. Ze werd een nummer en ze trok zo op mij, met haar grote, bange oogjes. En nu is ze gegaan, zonder een glimlach, zonder een glimpje liefde, gestorven in een vreemde wereld, verwelkt voor haar ontluiken. “Het is maar een wicht van drie maanden”, zegt men, “troost u dus”. Ik kan geen troost vinden, want met haar ging iets schoons en goeds van mezelf. De nacht heeft dit glimpje licht opgeslorpt, mij nu nog meer alleen latend.’

    Dit schreef Leopold Flam op 4 april 1947 in zijn dagboek. Flam (1912-1995) was een Belgische filosoof met een indrukwekkende bibliografie. Hij was kind van analfabetische joodse ouders en leerde zichzelf vanaf zijn achtste jaar in barre armoede in Antwerpen lezen. Hij overleefde Buchenwald en een werkkamp. Van 1925 tot 1957 schreef hij bijna obsessief brieven en dagboeken die zeer intiem zijn. Een selectie daaruit is door Kristien Hemmerechts en Guido van Wambeke uitgegeven in het lijvige Ik zal alles verdragen, ook mezelf. Ze leveren ook toelichtingen op de tekst.

     

    Ik zal alles verdragen, ook mezelf
    Auteur: Leopold Flam
    Uitgeverij: De Geus
  • Het belang van de glimlach

    Het belang van de glimlach

    Het zal je maar gebeuren, je bevalt van een tweeling en de volgende dag zie je in de spiegel dat de linkerkant van je gezicht is verlamd. Het overkwam Sarah Ruhl, de in Amerika bekende New Yorkse theaterregisseur en toneelschrijver. Ze kreeg de diagnose aangezichtsverlamming van Bell, een aandoening die vaker na een bevalling optreedt en meestal weer wegtrekt. Echter niet bij Sarah Ruhl. Ze deed er tien jaar over om te accepteren dat ze verder zonder spontane glimlach door het leven moest.

    In dit egodocument beschrijft ze met veel humor, maar ook met woede en frustratie over het belang van de glimlach, een lichaamstaal die essentieel is om je emoties te tonen en om contact te maken. ‘Soms is vreugde de bron van de glimlach, maar soms is de glimlach de bron van vreugde.’ Aldus Thich Nhat Hanh, die ze samen met veel andere filosofen citeert.

    Nooit meer op de foto

    Tegen de achtergrond van haar moederschap, ze heeft een dochtertje en de tweeling, gaat ze verbeten op zoek naar genezing, een lange weg langs het medische circuit. Het allopathische, waar ze goede en slechte neurologen en artsen met grensoverschrijdend gedrag ontmoet. De alternatieve geneeswijze is meer haar ding, ze gaat naar acupuncturisten, chiropractors en fysiotherapeuten. Ze wíl weer kunnen glimlachen naar haar kinderen, want de glimlach van een moeder naar haar kinderen is hun eerste spiegel. 

    Haar hele leven komt voorbij. Ze schrijft over haar eigen rol als kind, dochter van een vader die te vroeg overleed en een moeder die actrice was. Ze heeft een oudere zus en put uit soms hilarische herinneringen. Ze haalt gesprekken met vrienden en haar sociale leven aan, wat van deze memoires levendig en boeiend leesvoer maakt. Ze heeft het over haar werk in het theater. Een van haar toneelstukken speelt net op Broadway en ze is genomineerd voor een Tony award. Ze moet met een glimlach op de foto, wat een drama is, en ze besluit nooit meer op de foto te gaan.

    Rode draad

    Ruhl schrijft met vaart en zelfspot en haalt tal van citaten uit de literatuur aan die op haar situatie slaan en achterin het boek worden verantwoord. De rode draad is altijd haar gezichtsverlamming. Haar onzekerheid, frustratie en teleurstelling zijn voelbaar aanwezig, wat het verhaal soms vertraagt, maar ze is bijzonder eerlijk en openhartig en gaandeweg, tien jaar verder, is ze geheeld en bewust geworden van wie ze eigenlijk is en in staat om haar situatie te accepteren. 

    In Glimlach leert Sarah Ruhl ook omgaan met een chronische ziekte. Tijdens haar vele doktersbezoeken wordt ontdekt dat ze coeliakie heeft, met alle nare gevolgen vandien. ‘Als kind was ik veel ziek. Ik miste waarschijnlijk elk jaar wel twee maanden school door ziekte. De diagnose van coeliaki verklaarde dat, en het verklaart ook waarom ik altijd zo ver achterlag op de groeicurve.[…] Nu wist ik dat ik te weinig voedingsstoffen binnenkreeg, het eten ging eigenlijk gewoon door me heen, …’ Coeliakie is een glutenallergie, die de groei remt door vitaminegebrek, het is een erfelijk overdraagbare auto-immuunziekte. Na testen blijkt haar oudste dochtertje het ook te hebben en waarschijnlijk had haar vader, die stierf aan kanker, het ook. 

    Mijn gezicht als gezicht

    Glimlach is zowel grappig als aandoenlijk, maar vooral is het een belangrijk boek voor vrouwen die worstelen met zwangerschapscholestase, coeliaki, postnatale depressie, of een niet-herstellende aangezichtsverlamming van Bell. Ruhls verhaal opent de ogen van de lezer  over het belang van de zeggingskracht van de glimlach. ‘Als het gezicht een masker is, verstopt de ziel zich of hij verblijft elders. Ik probeer mijn ziel weer te verwelkomen in mijn gezicht. Hoeveel procent herstel heb ik nodig om mijn gezicht weer als gezicht te accepteren? Vreugde is een diep gewortelde emotie. Het is drijven op een stromende rivier. Het is kijken naar een acrobaat die door de lucht vliegt, en lachen als een reactie. Het is niet in de spiegel kijken.’

    Ze stelt dat de glimlach voor een vrouw onontbeerlijk is om geaccepteerd te worden door haar kinderen, collegae, in de trein, overal. Een man is veel minder afhankelijk van zijn glimlach om iets voor elkaar te krijgen. ‘Een mooie glimlach is niets anders dan een flits, een openbaring, van symmetrie. De lippen zijn gordijnen die een kort moment opengaan en tanden onthullen. Zonder symmetrie is een glimlach een grijns, een spiertrekking, een grimas.’

    Tussen alle boeken over leven met een chronische ziekte of lichamelijk ongemak is dit een bijzonder boek. Ruhl klaagt niet, maar zoekt actief naar een oplossing om met haar ongemak om te gaan. Ze stelt belangrijke vragen over allopathische versus alternatieve geneeskunde, scheiding tussen geest en lichaam, moederschap en vrouwzijn en het belang van plezier in wat je doet. En uiteindelijk gaat het om de aanhoudster die wint. 

     

     

  • Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Ode aan Ethiopische vrouwelijke krijgers

    Dat de Ethiopisch-Amerikaanse schrijfster Maaza Mengiste met haar tweede boek ‘The Shadow King’ de shortlist van de Booker Prize 2020 behaalde is een terechte prestatie. Ze heeft tien jaar aan dit boek gewerkt en jarenlang in Italië foto’s verzameld over Ethiopië, een van de weinige niet gekoloniseerde landen in Afrika. ‘De schaduwkoning’ is fictie schrijft Mengiste in het nawoord maar is gebaseerd op ware gebeurtenissen. Het verhaal gaat over de belangrijke geschiedenis van Ethiopië toen de troepen van Mussolini in 1935 het land binnenvielen. Ze geeft de Ethiopische vrouwelijke strijders en soldaten die vochten en stierven voor hun land, een naam en stem om de herinnering aan hen levend te houden. 

    We staan aan de vooravond van de invasie van het Italiaanse leger. Het weesmeisje Hirut is bediende van legerofficier Kidane en zijn intrigerende vrouw Aster. Haar vader liet haar een geweer na, een Wujigra, die Kidane haar afpakt want zijn leger heeft wapens nodig. Dit vergeeft Hirut hem nooit, het zet haar relatie met haar baas en jeugdvriend van haar moeder op scherp. Aster en Hirut gaan in tegen zijn wil dat ze thuisblijven, ze besluiten mee te vechten tegen de Italianen. Hirut en Aster worden de twee dapperste vrouwen in het leger, tot ze gevangengenomen worden door de mannen van Fucelli, de Italiaanse commandant tegen wiens leger ze vechten in hun vallei.    

    Rijke poëtische taal

    De Schaduwkoning is een verhaal waarin je als lezer moet groeien om één te worden met de personages en de rijke poëtische taal. Taal die goed past bij de Afrikaanse achtergrond maar in het Nederlands wel als mooischrijverij wordt afgedaan. Het vertelperspectief is alwetend en dat maakt de stijl tamelijk afstandelijk. Mengiste schrijft vaak in de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd wat ook afstand schept, maar ook een sterke manier is om informatie door te geven: ‘Misschien zal er vandaag ook een nieuwe gevangene worden gebracht van de plek waar hij gevonden is, en moet hij stilstaan voor foto’s. Hij zal zoals gewoonlijk weigeren te salueren en te poseren. Hij zal geen woord Italiaans spreken. Hij zal niets anders doen dan staan op een manier die Fucelli tegelijkertijd ergert en amuseert.’

    Het verhaal begint met een proloog in 1974 en eindigt met een epiloog die daar naadloos op aansluit. Daartussen vormen de scènes tussen 1935  tot 1941 een caleidoscoop van korte hoofdstukken vaak vanuit verschillende perspectieven verteld. Het zijn als het ware akten in een opera met tussenspel, koor en foto’s. Het verhaal wordt dan even op een andere manier onder de loep genomen. De foto’s zijn letterlijke beschrijvingen van het beeld dat gefotografeerd is. Dit leidt soms tot herhalingen, wat overigens niet storend is. ‘Met herhaling worden herinneringen herschept,’ zegt Kidane.

    Er komen veel namen voorbij, maar lang niet iedereen krijgt een gezicht. Zo is daar Kidane, de Ethiopische legerleider, zijn soldaten: Aklilu, Seifu en zijn zoon Tariku, Minim. Aan Italiaanse kant worden de personages van Carlo Fucelli, de wrede kampcommandant en zijn fotograaf Ettore Navarra meer uitgediept. Vooral Navarra krijgt een gezicht als belangrijke tegenspeler van Hirut. Even lijkt er sprake te zijn van een liefdesaffaire, en misschien had dat gekund als Hiruts haat voor de vijand niet sterker was. Navarra bewaart de herinnering aan de doden door foto’s te maken. Hirut bewaart veertig jaar lang Ettores herinnering aan zijn ouders, in de vorm van brieven en foto’s, in zijn ijzeren legerkistje.

    Noem je naam

    Het boek is een ode aan de vrouwelijke krijgers in de zeer ongelijke strijd tegen de Italianen met hun moderne leger, wapens en gebruik van mosterdgas. De rol van de vrouwen is niet te veronachtzamen, maar alleen Hirut, Aster en Fifi, de maîtresse van Fucelli en de kokkin, die naamloos blijft, krijgen een gezicht. Wellicht staat het personage van de kokkin voor de vele niet genoemde vrouwen. De kokkin is eerst de bediende van Aster, later wordt ze vertrouwelinge van Fifi, en speelt ze een dappere rol in het verhaal. Wanneer de krijgsgevangenen in de nieuwgebouwde gevangenis van Fucelli hun afschuwelijke dood tegemoet zien, is het de kokkin die hen als laatste toespreekt: ‘Vertel me wie jullie zijn, zegt ze. Vertel het langzaam en herhaal het drie keer, dan zal ik zorgen dat jullie bekend zijn. Ik zal een nagedachtenis van jullie maken die deze val waardig is. Zeg nu je naam. Zeg je naam wanneer je gefotografeerd wordt. Zeg hem als je in de lucht springt en leert vliegen. Laat hen niet vergeten wie ze vermoord hebben.’

    Namen zijn belangrijk zegt Mengiste in een interview, en dan vooral de namen die men bij de geboorte kreeg. Als we ze blijven herhalen wordt hun geschiedenis niet vergeten.

    Aster, de vrouw van Kidane, is een interessant personage, helaas blijven haar achtergrond en beweegredenen onderbelicht. Zij is de grote leidster die de vrouwen aanspoort nooit op te geven. ‘Aster verzamelt de vrouwen om zich heen. Aan de voet van de heuvel maken de mannen zich klaar voor de verrassingsaanval. (…) Zorg dat geen man zich terugtrekt, ren achter hem aan en keer hem met spot en liedjes. Help hem overeind als hij valt, sleep zijn lichaam weg als hij sterft. Gebruik je stem, gebruik je armen en benen, maak van je lichaam een wapen dat de Italianen nooit zullen vergeten. Het zal niet hetzelfde zijn als vechten, herhaalt ze steeds opnieuw, maar het zal je voorbereiden op de frontlinies bij het volgende gevecht.’

    Verdi als metafoor voor keizer Selassi

    En dan is daar Haile Selassi. Geliefde en verguisde Ethiopische keizer die onafgebroken naar een 78-toerenplaat van de opera Aida van Verdi luistert en zich vereenzelvigt met de Ethiopische troepen die Egypte gaan aanvallen. Zo maakt Selassi zich op voor wraak, maar voordat hij kan overgaan tot een aanval vlucht hij naar Engeland en laat zijn volk in de steek. Zonder keizer is de motivatie en strijdlust van de Ethiopische soldaten ver te zoeken. Het is Hirut die op het idee komt om Minim, de man die niets betekent zoals zijn naam zegt, maar die een sterke gelijkenis met Haile Selassie vertoont, te verkleden als de keizer. Als tijdelijke aanvoerder met de twee vrouwelijke wachters Hirut en Aster wordt hij de schaduwkoning die het volk weer moed geeft en tot een overwinning brengt.   

    Het verhaal staat bol van symboliek en stijlfiguren, zo zijn licht en schaduw veel terugkomende beelden. Of de aanwezige dreiging van de zwarte vogels als de legers zich opmaken om aan te vallen. En het geweer van Hirut, de Wujigra, die door het hele verhaal de rol speelt van verbinding met Hiruts verloren jeugd. De Opera van Verdi is een metafoor voor het leven van Haile Selassie. En de spiegeling van Hirut en Ettore is een stijlmiddel. Beide zijn gevangen in hun tijd, Hirut als vrouw en soldate. Ettore, als zoon van een Joodse vader, wiens ware gezicht hij nooit gezien heeft. 

    Mengiste schuwt gewelddadige scènes niet. Indringende beschrijvingen van moord en doodslag, verkrachting en wrede oorlogsvoering worden afgewisseld met prachtige natuurbeschrijvingen en intieme momenten tussen de personages. Toch raakt de taal lang niet altijd en blijf de lezer op afstand. Het zal voor de vertalers Karina van Santen en Martine Vosmaer geen gemakkelijke taak zijn geweest deze roman te vertalen, wat zij overigens uitstekend gedaan hebben. Al zullen Abbessijnse krijgers anno 1935 geen T-shirts gedragen hebben, de vertaling van hemd of hes was misschien beter geweest.

     

     

  • Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Rushdie en het einde van de waarheid en de wereld

    Het jaar 2016 wordt wel gezien als het jaar waarin fake news volwassen werd: het Brexit-referendum werd gewonnen door ‘Leave’ met aantoonbare leugens en de Amerikaanse presidentsverkiezingen werden gewonnen door iemand die ook niet bekend staat om zijn voorliefde voor feiten. In Quichot thematiseert Rushdie in feite de periode van post-truth waar we ons thans meer dan drie jaar in bevinden. Het hedendaagse Amerika is daarvan het decor. In dit verhaal over twee ‘Indiaas-Amerikaanse mannen, de ene echt en de andere fictief, allebei lang geleden geboren in wat toen Bombay heette, in naburige appartementen, die allebei echt bestonden’, gaat Rushdie (die je de derde man zou kunnen noemen, zij het dan Brits-Amerikaans) in op de vervaging tussen fictie en werkelijkheid.

    De roman gaat over Sam DuChamp, een weinig succesvol auteur die een boek aan het schrijven is over de queeste van een oudere heer die zichzelf Quichot noemt, verslaafd is aan televisie kijken en verliefd wordt op de eveneens Indiase Salma R, een voormalig actrice en nu talkshowhost.

    Wat is echt?

    DuChamp laat Quichot met zijn wagen door Amerika rijden, op zoek naar zijn heilige graal: een ontmoeting met Salma R. Zoals het een goede queeste betaamt maken Quichot en later ook zijn imaginaire zoon Sancho van alles mee. Zo worden de Indiase mannen abusievelijk (fake news!) voor islamterroristen aangezien en raken ze verzeild in een dorp dat getroffen wordt door een tamelijk absurde plaag.

    Sancho heeft als eerste de dubbele laag van het boek door: ‘Het lijkt net, op die momenten dat ik me een vreemde voel, alsof er iemand onder schuine streep achter schuine streep boven de oude man zit. Iemand – ja – die hem maakt zoals hij mij heeft gemaakt.’ Maar ook een familielid van DuChamp, een niveau hoger in het verhaal maar evengoed fictief, heeft vergelijkbare gedachten: ‘Misschien was het menselijk leven werkelijk fictief, in zoverre dat degenen die het leefden niet begrepen dat het niet echt was.’ Zodoende is de lezer getuige van het wordingsproces van de queeste van Quichot, opgetekend door DuChamp. Daardoor vloeien die twee werelden ook steeds meer in elkaar over: ‘Nu zijn Quichot en ik niet langer twee verschillende werelden, de een geschapen, de ander scheppend (…) Nu ben ik deel van hem, net zoals hij deel van mij is.’

    Op een zeker moment zijn de hoofdstukken niet meer netjes verdeeld tussen het ‘Quichot-universum’ en dat van DuChamp. Gebeurtenissen van de één hebben bovendien ook plotseling hun weerslag op de ander. De ene werkelijkheid wordt de andere en dat is buitengewoon verwarrend voor de personages.

    Te expliciet

    Quichot overtuigt uiteindelijk niet helemaal omdat Rushdie geen moment onbenut laat de lezer bij de hand te nemen. Hij laat DuChamp pagina’s lang reflecteren over wat hij Quichot nu weer zal laten doen. De verwarring van de personages dringt nooit echt door tot de lezer. Was het hem niet juist daar om te doen? Is de vervlechting tussen nep en echt nieuws niet soms juist subtiel? De uitleg over de vraag op welke plekken fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen is met andere woorden wel erg expliciet.
    Actueel is het boek wel: het zijn buitengewoon verwarrende tijden. Nepnieuws is aan de orde van dag en zelfs politieke instituten verzinnen alternative facts, zodat het zicht op de, voor hen mogelijk negatieve, werkelijkheid troebel wordt. De schrijver laat met het eveneens verzonnen Quichot zien dat dit onwenselijk is. Zoals de aantasting van het milieu onze aarde verschroeit, zullen leugens en verdraaiingen dat met onze wereld doen.

     

  • Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Kijkje in de keuken van DBC Pierre 

    Naar verluidt belanden er jaarlijks meer dan achthonderd manuscripten op de bureaus van Nederlandse uitgevers. Die, ook al willen de uitgevers je dat wel laten geloven, lang niet allemaal gelezen worden. Wie zijn of haar werk gepubliceerd wil zien, heeft meer aan een goed netwerk dan aan een stevige envelop. Je hoort weleens zeggen dat er in Nederland meer geschreven wordt dan gelezen. Dat er wel een miljoen mensen zijn die een boek zouden willen publiceren.
    Ook dat is een markt. Er zijn bureaus, magazines en websites die de schrijver in spe vooruit willen helpen. En er zijn gevestigde schrijvers die niet te beroerd zijn om de amateurs van adviezen te voorzien. Op websites, zoals Stephen King dat doet. Of in boeken die als schrijfhulp worden gepresenteerd.

    DBC Pierre (1961), die we vooral kennen als de auteur van Vernon God Little (2003), ontpopt zich op geheel eigen wijze als schrijfadviseur. In zijn nieuwste boek, met een titel die direct al een advies is: Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent, geeft hij op een bijzondere manier een kijkje in zijn keuken. De ondertitel luidt: Een atypische schrijfgids, en atypisch is die zeker. Zo barstensvol ironie dat je niet zelden het gevoel hebt dat je voor de gek gehouden worden. Zie hem daar zitten: verwoed tikkend op zijn toetsenbord, voor zich uit murmelend: ‘Ik zal al die nepschrijvers eens een poepje laten ruiken.’

    Doolhof
    Dat gevoel bekruipt je tijdens hoofdstukken waarin hij je een doolhof instuurt waaruit geen uitweg mogelijk lijkt. Als hij het heeft over ‘de krakende kloof tussen conceptueel ideaal en existentiële chaos: waar geweld vermomd is als vrijheid, autocratie als democratie, verlangen als behoefte, verwijt als onschuld.’ Mooie zinnen, daar niet van. Maar ze bieden de lezer, de potentiële schrijver, weinig praktische handvatten.
    Toch staan ze er wel degelijk in, de concrete adviezen. Zoals deze: trek je er niks van aan als je redacteur zegt dat je rekening moet houden met de markt. ‘De markt gedraagt zich als een school angstige sardientjes, zenuwpezende flitsen in de vorm van uitgevers die uitgevers volgen, agenten die agenten volgen die uitgevers volgen die uitgevers volgen (…). Laat ze hun gang maar gaan. Als de school op een dag achter jou aan zwemt zal hij vol hese stemmen zijn die zeggen dat ze altijd al geweten hebben dat jij de nieuwste hit was.’ Waarna DBP Pierre het belangrijkste advies geeft dat een beginnend schrijver kan krijgen: ‘De enige manier om te schrijven is je best doen.’

    Drugs
    Heel onorthodox is ook de manier waarop DBC Pierre aankijkt tegen het gebruik van alcohol en drugs. Vermakelijk is de manier waarop hij één voor één verschillende opwekkende middelen behandelt. Om af te sluiten met de meest verslavende van allemaal: het schrijven zelf.

    Een van de meest aansprekende hoofdstukken is die waarin de schrijver fictie en de waarheid tegenover elkaar zet. Waarin hij vertelt hoe huiverig hij is om echte gebeurtenissen in zijn fictiewerk op te nemen. Hij geeft voorbeelden van gebeurtenissen uit de werkelijkheid die een willekeurige luisteraar of lezer als fictie zou bestempelen. Eenvoudige voorbeelden, over iemand wiens motor was gestolen en die, toen hij na allerlei omzwervingen terugkwam, in een veel betere conditie was dan daarvoor. ‘Het is een ironie van de moderne tijd dat de ware realiteit vaak te onwaarschijnlijk is om in fictie te verwerken.’ Toen hij feiten verzamelde voor zijn debuutroman, over een schietpartij op een middelbare school in de VS, schrok hij zo van de waarheden achter wapencriminaliteit en doodstraf in de VS, dat hij ze niet durfde te gebruiken.

    Het vergt enig doorzettingsvermogen om uit het driehonderd pagina’s tellende boek de tips en adviezen te destilleren waar een beginnend fictieschrijver echt iets aan heeft. Ze staan er wel in. Maar eigenlijk is het lezen van Laat ze maar denken dat je als schrijver geboren bent leuker als je je niet focust op schrijftips en je je in plaats daarvan laat meesleuren in die lawineachtige, ironische schrijfstijl van DBC Pierre. Dan krijg je in ieder geval een fraaie inkijk in de manier waarop híj schrijft, een succesvol auteur die in meer dan 43 landen wordt gelezen.