• Kijk, jongeren en literatuur gaat heel goed samen!

    https://youtu.be/UYvwCJbi2KM

     

    Literaire talkshow voor en door jongeren. Met interessante gesprekken, muziek, ontwerpen en veel vragen van jonge lezers. Besproken wordt het boek Sunny Boy van Annejet van der Zijl. Uitzending is vanuit Openbare Bibliotheek Amsterdam Oosterdok. Presentator Tim Hofman ontvangt auteur van het Boekenweekgeschenk Annejet van der Zijl en Karin Amatmoekrim.

     

  • Kansloos

    Kansloos

    De advocaat probeert de juryleden te vermurwen: Ziet u hier een man zitten? Ziet u ook maar een greintje verstand? Ziet u hier iemand zitten die een moord kan beramen, of welk plan dan ook? Nee, heren, wat u hier ziet is een ding dat bevelen opvolgt, uw greppels graaft, uw hout hakt, uw katoenbalen oplaadt. De strafpleiter vraagt om vrijspraak, de verdachte was op het verkeerde tijdstip op de verkeerde plaats en kan onmogelijk voor de roofmoord opdraaien die ze hem in de schoenen schuiven. Dood door elektrocutie? Je kunt net zo goed een varken op de elektrische stoel zetten, zegt de advocaat. Het pleidooi haalt niets uit, de verdachte wordt veroordeeld–Jefferson, weliswaar een jongen nog, maar een zwarte jongen uit Louisiana. De jury bestaat uit louter blanken. Kansloos proces.

    Harper Lee
    Dit proces vormt het uitgangspunt voor A Lesson Before Dying, een roman van Ernest J. Gaines, in het Nederlands vertaald als Een les voor het sterven. Het thema is bekend in de Amerikaanse literatuur, alleen al door het wereldberoemde To Kill A Mockingbird van Harper Lee, onlangs overleden. Ook daar een zwarte man in de beklaagdenbank, vermoedelijk net zo onschuldig als Jefferson. Lee laat je de gebeurtenissen zien door de ogen van de kinderen van de (blanke) advocaat, Gaines schrijft vanuit een ander perspectief: Miss Emma, de pleegmoeder van Jefferson en de onderwijzer Grant Wiggins die erop uitgestuurd wordt om de jongen in zijn dodencel te bezoeken. De gebeurtenissen doen zich voor in de jaren veertig, als het ‘oude’ Zuiden van de Verenigde Staten nog springlevend is en de herinneringen aan de katoenplantages en de slavernij nog vers in het geheugen liggen. Miss Emma heeft een alles overheersend verlangen: haar Jefferson zal als een man sterven, het stempel van varken dat de advocaat hem opdrukte, moet worden uitgewist. Ze denkt dat Wiggins, die Jefferson als leerling in de klas heeft gehad, daarvoor kan zorgen. Hij is de enige ‘geleerde’ zwarte die ze kent–als hij er niet toe in staat is, wie dan wel?

    Wiggins voldoet met tegenzin aan zijn opdracht, hij voelt zich niet betrokken, kent de jongen nauwelijks en weet bij benadering niet waarover hij met hem zou kunnen praten. Bovendien komt hij in een situatie terecht die hij verafschuwt: hij heeft de toestemming en medewerking nodig van de plaatselijke autoriteiten en vooral de sheriff en diens assistenten. Dat soort mensen haat zwarten in het algemeen, maar in het bijzonder zwarten die iets meer opleiding hebben genoten dan de lagere school, praatjesmakers die hun plaats niet kennen. Die verhoudingen zijn scherp getroffen in de roman, het is duidelijk dat Gaines uit eigen ervaring weet waarover hij schrijft. Wiggins wordt geacht met twee woorden te spreken (‘Ja, meneer’), zich onderdanig op te stellen en zich te schikken naar beledigingen en vernederingen. Ze bestellen hem om zes uur, maar laten hem rustig een paar uur wachten. Ook de lichaamstaal is van belang. Gaines laat zien hoe gedrag kan worden afgedwongen door alleen maar te kijken, hoe situaties worden verduidelijkt met oogcontact.

    Morality tale
    De opdracht van Wiggins is extra zwaar door de houding van Jefferson, die aanvankelijk weigert om een stom woord te zeggen en pas tegen de tijd van de strafvoltrekking een beetje ontdooit. Waarom zet de onderwijzer door? Gaines haalt veel overhoop om die beslissing aannemelijk te maken: de slavernij, de positie van zwarte mannen op de katoenplantages, gebrek aan opleiding, discriminatie en apartheid, het geloof, de locale cultuur versus de boze buitenwereld, de centrale positie van oudere vrouwen in de zwarte gemeenschap. Het komt aan de orde in gesprekken of in de mijmeringen van Grant Wiggins, de verteller van het boek. De roman is daardoor soms topzwaar, de romanfiguren worden pionnen in een groter verhaal over de emancipatie van Amerikaanse zwarten en het verhaal verandert in een morality tale. Je ziet van verre hoe de afloop zal zijn, Jefferson gaat praten en sterft uiteindelijk als een man op de elektrische stoel. Miss Emma trots, Grant Wiggins blij en zelfs hulpsheriff Paul ontroerd. Het boek is in 1999 door regisseur Joseph Sargent bewerkt als tv-film voor HBO, met acteur Don Cheadle als Grant Wiggins en Mekhi Phifer als Jefferson. De spanning tussen die twee is op zichzelf een fraai uitgangspunt, maar de film is een zachte dood gestorven.

    Waarom het boek zo’n vijfentwintig jaar na datum in het Nederlands vertaald is, valt moeilijk te begrijpen. In het Voorwoord betoogt Karin Amatmoekrim dat het boek ons een belangrijke les leert, namelijk dat onze menselijkheid verbonden zou zijn aan een gevoel van eigenwaarde, het boek verheft de menselijke waardigheid boven tijd en plaats. Tja, wie zal het zeggen; het is geen antwoord op de vraag. De Nederlandse vertaling is krakkemikkig, soms storend. De zwarte wijk, in de oorspronkelijke tekst quarter, wordt systematisch vertaald met kwartier, alsof het om een scheepsruim gaat. Zwarte romanfiguren spreken en schrijven een vreemd brabbeltaaltje. Waarschijnlijk bedoeld als vertaling van het plaatselijke dialect uit Louisiana, maar dat klinkt in de oorspronkelijke tekst doeltreffend en krachtig, in het Nederlands slap en onnozel. Sommige woorden zijn helemaal niet thuis te brengen. Getuig Zondag? Getuig Lied? De gebruikelijke woordenboeken laten het hier afweten en zelfs Google geeft nul hits.

  • Debuteren leer je op het Debutantenbal

    Debuteren leer je op het Debutantenbal

    Gevestigde en recent gedebuteerde schrijvers delen hun ervaringen, uitgevers vertellen over hun werk en voor iedere bezoeker is er gratis schrijfadvies. Je kunt schrijvers horen vertellen over feit en fictie en hun eerste pogingen tot schrijverschap, met redacteuren en schrijfdocenten aan de bar hangen en erachter komen hoe die relatie tussen schrijver en redacteur nu in elkaar zit.

    De verschillende programma onderdelen zijn:

    Feit en fictie
    Veel schrijvers verwerken gebeurtenissen uit hun eigen leven in hun werk. Andersom worden fictieve gebeurtenissen soms door lezers voor waar aangenomen. Waar ligt de grens tussen feit en fictie en hoe beïnvloeden de twee elkaar? Met de auteurs: Karin Amatmoekrim, Pieter Waterdrinker en Michael Bijnens.

    Rijp voor je eerste boek? 
    Tijdens dit programma spreken schrijvers en hun redacteuren met elkaar over de totstandkoming van hun eerste boek. Waar letten de redacteuren op en wat vinden de schrijvers hiervan? Hoe weet je dat een schrijver klaar is om te debuteren en welke relatie hebben schrijvers met hun redacteuren? Met o.a.: Jelte Nieuwenhuis (redacteur Atlas Contact), Jerry Hormone (schrijver en muzikant), Suzanne Holtzer (redacteur De Bezige Bij), Frederik Willem Daem (schrijver), Roos van Rijswijk (schrijver en journalist) en Josje Kraamer (redacteur Querido).

    Terug naar het debuut 
    Bekende gevestigde schrijvers lezen voor uit hun debuut en vertellen over het schrijfproces. Ze spreken over welke invloed hun debuut gehad heeft bij het verschijnen, maar ook op de vorming van hun oeuvre. Met o.a.: Connie Palmen en Renate Dorrestein.

    Aan het eind van de avond maakt een vakjury de winnaar bekend van de Debutantenschrijfwedstrijd.

    Koop hier een ticket.

     

  • Boekencafé in debat met verschillende auteurs, thema: 'De zeven hoofdzonden'

     Agenda

    De laatste vijf dagen van januari staan in het Boekencafé in het teken van De zeven hoofdzonden. Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, vanaf 17.00 uur gesprekken met schrijvers. Vijf achtereenvolgende avonden waarop gedebatteerd zal worden tussen een bekende auteur en evenzo bekende interviewer over De zeven hoofdzonden. Toegang is gratis, iedereen is welkom.

    Het Boekencafé opent maandag 27 januari met een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.

    Waarna de volgende auteurs met de daarbij behorende thema’s aanwezig zullen:
    Di. 28 januari: Poëzie en beeldende kunst verenigd in een boek / Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
    Wo.29 januari: Het succes van culinaire boeken / Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
    Do. 30 januari: Caraïbische letteren / Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
    Vr. 31 januari: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.

    Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur inloop, 17.30 uur start gesprek
    Na afloop tijd voor een borrel (18.45 uur).
    Adres: Amsterdamse Academische Club,
    Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam.
    Graag aanmelden via aac.uva.nl/agenda

    Boekencafé is een nieuw begrip in Amsterdam en een initiatief van Boekface. Programmering is in handen van Vera de Kort. Zie ook boekface.

     

  • Erbij willen horen zonder jezelf te verliezen

    Erbij willen horen zonder jezelf te verliezen

    ‘Sandra en haar moeder waren wel een beetje zwart, maar niet helemaal. Dat verschil was heel subtiel. Je kon te zwart zijn, zoals Tanya, en dan wilden witte mensen niet met je omgaan. Als je een beetje meer bruin was, zoals Sandra’s familie, dan was je oké. Zolang je tenminste altijd even aardig deed en het niet te veel had over dingen die niet Nederlands waren.’

    De Surinaamse Sandra woont met haar zusje en moeder in ‘de wijk’. Een wijk die bestaat uit armoedige grijze flats van drie- tot achttienhoog. Aan het tuinmeubilair en de vitrage kan je zien waar Nederlanders wonen. Hoe meer buitenlanders er komen wonen, hoe meer boerenbont-servies er voor de ramen van de autochtonen verschijnt. ‘En zo was er dan een soort evenwicht.’

    Sandra heeft geleerd  zich te handhaven in deze omgeving. Op feestjes bij haar beste vriendin Chantal thuis, waar grappen worden gemaakt over buitenlanders. Maar ook hangend op straat in het ‘uniform van de wijk (een dun, neonkleuring trainingspak met badslippers eronder.)’

    Na de zomervakantie gaat Sandra naar de middelbare school. Als enige uit de wijk gaat ze naar het gymnasium. De kinderen daar komen uit ‘het dorp’ (officieel geen dorp, maar wel groen en ruim) of uit ‘Zuid’ (de villawijk). De lezer volgt een jaar uit het leven van Sandra: van de musical bij de afsluiting van de basisschool tot de zomervakantie na het eerste jaar. Sandra heeft niet alleen de gebruikelijke problemen van een brugklasser, zoals een enorme tas met De Bosatlas en het woordenboek. Ze moet zich ook zien te handhaven in een nieuwe wereld met andere regels, normen en gebruiken, de wereld van de ‘kakkers’. Een plek waar ze wordt verbeterd als ze het heeft over de kapotte auto van haar moeder (‘o-to’ naar het Franse automobile) en waar haar klasgenoten na de voorjaarsvakantie van die vreemde witte ringen om hun ogen hebben.

    Het gym is een roman over anders zijn. Sandra is vergeleken met haar klasgenoten niet alleen anders van kleur. Een belangrijker verschil is de armoede waarin zij leeft. Haar vriendinnen hebben problemen die vergelijkbaar zijn met die uit de brieven in de rubriek Achterwerk uit de VPRO-gids. Sandra daarentegen komt op een dag thuis in een donker huis, afgesloten van elektriciteit.

    In een precieze, observerende stijl schildert Karin Amatmoekrim de twee werelden waarin Sandra probeert te overleven. Met korte zinnen en veel dialogen creëert de schrijfster een filmische stijl die doet meeleven met de hoofdpersoon. Af en toe eist de taal aandacht voor zichzelf op, bijvoorbeeld bij de beeldende metaforen: ‘de bus ging zuchtend open’ of  ‘Sandra [..] zag haar vader voor wat hij was, een lusteloze man die zijn lichaam als een dweil op de witte nepleren bank had neergelegd.’ Na de eerste zin verwacht je een roman vol met dit soort vondsten. Dat is niet het geval; meestal staat het eenvoudige taalgebruik in dienst van rake beschrijvingen en overtuigende dialogen. Het verhaal is op enkele plekken wat traag, maar de eerlijke stem van Sandra in combinatie met haar humor zorgt ervoor dat je blijft lezen. Als een antropologe maakt zij een ontdekkingstocht in de wereld van hockeymeisjes en doet observaties als:
    ‘Zeggen dat je op ‘het gym’ zat in plaats van gymnasium, was net zoiets als zomervakanties in Amerika doorbrengen. Het was extra chic omdat je daarmee deed alsof het niets bijzonders voor je was. Zo van, o, het is dinsdag en ik ga gewoon een biefstukje eten, omdat dat voor mij heel normaal is.’

    Het gym heeft een heel eigen karakter. In de scènes in de klas is er af en toe een vleugje van een hedendaagse Bint, in de gedachtewereld van Sandra vind je soms een echo van Kees de jongen, de rol van literatuur herinnert aan Dead Poets Society en als haar moeder niet zo arm was, had ze geleefd tussen de Vinexvrouwen.
    Ondanks de gedoseerde verwijzingen naar de jaren tachtig (Toppop, Skychannel, Salt-n-Pepa) komt de roman tijdloos over. Ook het thema gaat verder dan een Surinaamse op het gym: het gaat over erbij willen horen zonder jezelf te verliezen. Herkenbaar voor iedereen die puber was of is. Het gym is daarmee meer dan een ‘multiculturele roman’.
    Deze vierde en goed verfilmbare roman van Karin Amatmoekrim kan een hit worden op de leeslijsten van middelbare scholieren.

     

  • In het centrum van een fisheye

    In het centrum van een fisheye

    Recensie door Pauline van der Lans

    Karin Amatmoekrim (1975) groeide op in Suriname en woont in Nederland. Titus is haar derde roman waarmee ze een mooi tijdsdocument neerzet met als centrale vraag: hoe geeft een mens betekenis aan zijn of haar leven?

    De ramp waar velen van ons in een angstige bui wel eens aan denken, overkomt de drieëndertig jarige Titus. Op een onbewaakt ogenblik midden op de dag let zijn vrouw Kat niet op en komt onder een vrachtwagen terecht en overlijdt. Na de veelbelovende beginzin: ‘Wat was er nu gebeurd’, brengt hoofdpersoon Titus op tamelijk onderkoelde toonde lezer hiervan op de hoogte.
    Titus loopt na dit afschuwelijke ongeluk met zijn ziel onder zijn arm. Hun gezamenlijke Amsterdamse appartement is hem te groot, het contact met zijn vrienden heeft hij verbroken en zijn werk als docent op de kunstacademie ziet hij niet meer zitten. Hij denkt na over zijn verlies en over zijn leven als half Surinamer, half Nederlander. Als blijkt dat hij een enorme som geld van Kat heeft geërfd, besluit hij de deur achter zich dicht te trekken en te gaan reizen. Het eerste station wordt Kopenhagen omdat Kat hem twee retourtjes heeft nagelaten. Daarna volgen Barcelona en New York.

    Hoewel Titus de onbetwiste hoofdfiguur van de roman is, alterneren zijn hoofdstukken met die van Anneke en Buurman Schrijver. Anneke is de in een bejaardentehuis wonende moeder van Titus en Buurman Schrijver is zijn buurman die, ja, schrijver is. Beide personages geven extra informatie aan de lezer. Zo komen we meer te weten over zijn jeugd en de rol van zijn Surinaamse vader, maar ook over het ongeluk van Kat. Het verhaal van Titus is geschreven in de tegenwoordige tijd, wat de nodige vaart met zich meebrengt. Bij Anneke en Buurman Schrijver gebruikt de auteur de rustiger verleden tijd.

    Het thema: hoe een mens standhoudt te midden van chaos, is bij alledrie de personages terug te vinden. Titus gaat op in de massa in Barcelona op het moment dat zijn portemonnee gerold wordt. Later bevindt hij zich in hectisch New York waar de bevolking geobsedeerd is door de presidentsverkiezingen waar voor het eerst een niet bij name genoemde zwarte kandidaat aan deelneemt. Titus herkent zich in de half blank half zwarte man die hij ‘mijn broer’ noemt.

    Anneke onttrekt zich in het bejaardentehuis aan de chaos door haar medebewoonster Maggie en haar gevolg te mijden. Buurman Schrijver zoekt de chaos juist op door erover te schrijven. Plekken waar veel gebeurt, hebben een magnetische werking op hem en hij raakt mateloos geïntrigeerd door ontregeling. Zijn contact met een dakloze waarzegster versterkt dit.

    Op zijn reizen heeft Titus een aantal toevallige ontmoetingen. De eerste is met de zakenman Karel in Kopenhagen. Dankzij hem komt hij in een fraai hotel terecht en ontmoet hij de beeldschone prostituee Julia met wie hij een liefdesrelatie krijgt zonder dat zij beiden deel van een paar willen zijn. In museum Glyptotek treft hij Richard, een oudere kunstkenner in wie Titus een vaderfiguur ontdekt en die op zijn beurt in Titus een zoon ziet. Richard vertegenwoordigt in het boek niet alleen de rol van de vader, maar ook die van de kunst. Dit komt met name goed tot uitdrukking in de passages die zich in het museum afspelen.

    Tijdens hun ontmoeting in het Glyptotek praat Titus namelijk met Richard over een schilderij met de titel: ‘Chaos zal zijn deel zijn’. Bij dit schilderij is de zogenaamde fisheye techniek gebruikt: ‘Alles wat buiten de middelste cirkel valt, wordt naar buiten afgebogen, wat een bollende vervorming geeft,’ aldus Titus. Er staat een man in het midden van het schilderij afgebeeld en door de fisheye techniek lijkt hij onaangedaan door de drukte om hem heen. Hier staat dus eigenlijk Titus: versteend door zijn emoties staat hij niet alleen in het middelpunt van de chaos in zijn eigen leven, maar ook nog eens in die van de wereld om hem heen.

    Ook raakt Titus onder de indruk van een beeld van Kai Nielsen in de museumtuin. Hij weet zich te herinneren dat zijn moeder Anneke beeldhouwkunst als ‘gemakkelijke kunst’ ziet. Het beeld dat Titus raakt, laat een glad gepolijst moederfiguur zien dat omringd wordt door hongerige kinderen. Haar voluptueuze ronde vormen associeert hij met het oermoederschap. Beide kunstwerken contrasteren met elkaar. In het bolvormige schilderij stelt de man in het centrum zich onaanraakbaar op omdat hij anders door de buitenwereld verstikt wordt. De vrouw in het beeldhouwwerk daarentegen, laaft zich juist aan haar centrale positie waarin de hongerige kinderen een beroep op haar doen.

    Terug naar de reizende Titus. Omdat Richard en Julia onafhankelijk van elkaar geldige redenen hebben om naar Barcelona af te reizen, besluit Titus dat ook te doen. Wat moet hij anders? Hij kent niemand in Kopenhagen en Karel is hem ook al weer gevlogen. De rust en ruimte van Kopenhagen worden ingeruild voor het rumoerige en onoverzichtelijke Barcelona. Dit uit zich mede door het ongrijpbare werkcircuit van Julia waar Titus ongewild in wordt meegezogen. Eenmaal met Julia naar New York gevlucht, wordt de chaos nog groter. Naast de presidentsverkiezingen vindt op hetzelfde moment de marathon van New York plaats. Het wemelt er van de marathonlopers, presidentkanditaataanhangers en toeristen. In al deze gekte komt het ook nog eens tot een gangsterachtige apotheose als blijkt dat de vlucht van Julia tòch anders is dan gedacht.

    De chaos in het leven van Titus wordt vergroot omdat er geen vast punt is waar zowel hij als de lezer tot rust kan komen. Hij is constant onderweg en alle gebeurtenissen vinden plaats in vliegtuigen, treinen, hotelkamers, musea en in mensenmassa’s. Dit wordt bijna voelbaar door de temperatuurswisselingen: in Barcelona is het tropisch warm, in New York juist ijzig koud. De roman krijgt hierdoor een zintuiglijke lading. Wel moet je als lezer je best doen om de lijn vast te houden en de diepere lagen te zien, want het is wel eens puzzelen. Dat geldt met name voor het einde: een onondertekende brief aan Titus waarin Buurman Schrijver via de dakloze waarzegster het verhaal van Titus vertelt, waarbij een prominente rol is weggelegd voor zowel het fisheye schilderij als het beeldhouwwerk van Nielsen. Dit is in mijn ervaring wat te geconstrueerd: in gedachten zag ik de auteur voor me, gebogen over een vernuftig verhaalschema met verwijzingspijlen en doorhalingen.

    Dat is echter geen minpunt want op een gestructureerde manier zorgt ze voor houvast als ze de lezer de chaos in sleept. Vanzelf vragen we ons dan af: hoe geef ik zelf eigenlijk betekenis aan mijn leven? Terwijl we onze ogen sluiten, doen alsof we in het centrum van een fisheye zitten en ons zo van de buitenwereld afsluiten, is dat een interessante vraag om over na te denken. Mochten we daar onverhoopt niet uitkomen, dan hebben we in ieder geval een zeer fraai boek gelezen.

     

  • Goed leesbaar debuut van eigentijdse doodsstrijd

    Goed leesbaar debuut van eigentijdse doodsstrijd

    ‘Ik heb mijn naasten niet eens echt liefgehad, ik heb ze alleen niet heel slecht behandeld. Het ergste is nog dat de keuzes die ik heb gemaakt in dit leven, allemaal gericht waren op verbetering van mijn eigen situatie. Ik had er ook voor kunnen kiezen te schrijven voor het ledenblaadje van Greenpeace. Of ik had ontwikkelingseconomie kunnen gaan studeren en de situatie in willekeurig welk derdewereldland proberen te verbeteren. Of ik had kunnen blijven doen wat ik nu doe, maar op mijn vrije middagen soep helpen scheppen voor de daklozen bij het Leger des Heils. In plaats van al deze dingen, probeer ik mijn gevoel van schuld af te kopen door me tien keer voor te nemen geld te storten en het drie keer daadwerkelijk te doen.’

    De hoofdpersoon uit het literaire debuut Het Knipperleven van Karin Amatmoekrin houdt van afleiding. Oppervlakkige zaken als seks, mode en videoclips op The Box hebben haar voorkeur boven reflectie op het leven. Diepere gedachten worden afgedaan als deprimerend en nutteloos. Mede dankzij haar knappe uiterlijk en overspelige geest laat zij zich zonder schuldgevoel in met meerdere mannen tegelijk terwijl zij een vaste relatie met Samuel onderhoudt. Voor de hoofdpersoon is dit allemaal niet zo’n probleem. Haar seksavontuurtjes horen nu eenmaal bij een andere kant van haar dan die kant van haar die ’s avonds bij Samuel in bed kruipt. Daarnaast is vreemdgaan er in haar jeugd met de paplepel ingegoten. Vader reed een scheve schaats zonder dat het Barbie en Ken-huwelijk van haar ouders daaronder leed. Ze heeft volgens eigen zeggen de aandacht van nieuwe, verse mannen net zo hard nodig als zuurstof. Hun onderzoekende handen, hun keurende blik, hun hongerige geluiden vormen een eerste levensbehoefte.

    Aan al deze oppervlakkigheid komt een einde als de tandartsassistent tijdens een controle per ongeluk een foto van de hersens maakt in plaats van de kiezen. Op de foto is duidelijk een gezwel te zien dat wijst op kanker. Het ziekenhuis kan het vermoeden van de tandarts alleen maar bevestigen. De prognose luidt dat ze nog zes weken te gaan heeft. In plaats van dat de hoofdpersoon de handdoek in de ring gooit en haar laatste weken wijdt aan het sterfproces waarin zij zich laat bijstaan door vrienden en familie, kiest zij ervoor over haar op komst zijnde einde te zwijgen. Consequentie van haar keus is dat het normale leven gewoon doorgaat zonder aandacht voor het komende heengaan en de helse pijnen die zij lijdt.

    Het verhaal van Het Knipperleven wordt verteld vanuit de ik-persoon. In korte fragmenten die zich soms in het heden en soms in het verleden afspelen leren we voornamelijk de oppervlakkige kant van de hoofdpersoon kennen. We lezen dan wel haar gedachten, maar die zijn zelden origineel. De hoofdpersoon zelf maakt zich hier zelf ook zorgen om. Zij zal dit leven verlaten zonder ook maar één vernieuwend inzicht te hebben gehad.

    Het perspectief van een oppervlakkige verteller heeft als uiterste consequentie dat zij ons, de lezer, niet eens vertelt wat haar naam is. Het niet noemen van je eigen naam is niet alleen goed verzonnen, maar onderstreept daarnaast de wens van de hoofdpersoon onkenbaar te blijven voor haar omgeving en daarmee ook voor de lezer. Het Knipperleven kent dankzij de vlotte stijl net als het hoofdpersonage geen verdieping en blijft tot aan de laatste bladzijde spartelen aan de oppervlakte, bang om door het pittige thema naar beneden getrokken te worden. Met Het Knipperleven heeft Karin Amatmoekrim een makkelijk leesbaar debuut neergezet van een zeer eigentijdse doodsstrijd beschrijft.