• Simpele zielen

    Simpele zielen

    Toen Poetin vorige week onder valse voorwendselen op oorlogspad ging, werd ik daar behoorlijk onrustig van. Als honderden kilometers barvoets lopen of duizenden schietgebedjes zouden helpen, dan zou ik dat doen. Maar ik wist niet waar te beginnen. Dus ging ik naar het filmhuis waar een Oekraïense zwart-wit film uit 1968 draaide, getiteld Скуки ради (Uit verveling), gebaseerd op een verhaal van Maksim Gorki. Over een station in de steppe, een stationschef met zijn vrouw en zoontje, een bevriend spoorwegbeambte, een telegrafist, de dienstmeid  en drie arbeiders. Een keer per dag komt er een trein op het station aan, opgewacht door de bewoners van het station. Op het perron wordt dagelijks een gemakkelijke stoel voor de vrouw klaargezet, die er in uitgaanskledij in plaatsneemt. De twee mannen positioneren zich in uniform op het perron. Zo gauw de trein stilhoudt vergapen ze zich, met het hoofd in de nek, aan het leven van welgestelde burgers in de eerste klas wagon. Als deze weer optrekt, zwaaien ze met omfloerste blik de trein na, als zat hun geliefde erin. Denk aan Herenleed, sketches van Cherry Duyns en Armando, verlangen en weemoed.

    Maar deze film is droeviger. De seinwachter verleidt uit verveling de dienstmeid, vraagt of ze getrouwd is. Ze zegt, kijk naar mij, wie wil mij nou hebben? Hij kijkt en zegt, inderdaad, je bent lelijk. Foei, wat ben jij lelijk. In het geheim bezoekt hij haar, overdag wil hij niet met haar gezien worden. De arme drommel ziet niet hoe mooi ze eigenlijk is. Nu de dienstmeid het geluk even geproefd heeft, kan ze niet meer terug naar haar oude leven, er rest haar slechts de keuze het te beëindigen. Thuis zoek ik naar het verhaal van Maksim Gorki waarop de film gebaseerd zou kunnen zijn. Ik vind het niet. Wel is er een pakketje boeken binnengekomen, verhalen van de in Kyiv geboren Sigizmoend Krzjizjanovski. In het verhaal ‘Autobiografie van een lijk’ uit 1925, lees ik dingen die zich deze dagen ook voordoen. Lees voor ‘kruispunten’, social media. 

    ‘Op de kruispunten stonden groepjes mensen opgewonden met elkaar te praten. Meerdere malen ving ik het woord “oorlog” op.’ Er hangen lijstje met wat er zoal nodig is voor de oorlog, ingezameld door de militaire intendance. Er ‘… worden voor de volgende bedragen opgekocht: voetlappen: 7 kop.; onderhemd: 26 kop.; laarzen (mil. mod.): 6 roeb.; alsmede…’ Op het lijstje staat ook dat de intendance ‘lichamen en hun inhoud: leven’ inzamelt. Krzjizjanovski schrijft, ‘Over de afkoopprijs van dat laatste werd om een of andere reden met geen woord gerept.’

    In Ik heb nooit iets gelezen, van Karel van het Reve kom ik Gorki weer tegen, die Stalin, (die niets met literatuur had) wel eens op bezoek kreeg. ‘In gezelschap van literatoren was hij verlegen volgens iemand die hem ten huize van Maxim Gorki wel ontmoet heeft (…)’. Als Stalin op bezoek kwam, schrijft Van het Reve, dan ‘was het drinken geblazen, want hij werd achterdochtig als je niet dronken was. Als men zich beleefdheidshalve tot hem wendde met een vraag op literair gebied betuigde hij dadelijk zijn onbevoegdheid.’ Dat ‘betuigen’ en ‘onbevoegdheid’, is in deze meesterlijk. Het zomerverblijf van Stalin was een houten ‘datsja’, een spijker in de muur als kapstok ‘de muren beplakt met uit tijdschriften geknipte plaatjes’. Simpele zielen kunnen ernstige schade aan de mensheid berokkenen.

    Van het Reve beschrijft hoe Brezjnev bij een bezoek van Thatcher aan de Sovjetunie een begroeting van papier leest: ‘“Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Hij wordt op zijn schouder getikt: “Leonid Iljitsj, dat is niet Indira Gandhi, maar Margaret Thatcher.” Brezjnev kijkt verstoord op en begint opnieuw: “Namens volk en regering van de Sovjetunie heet ik u hartelijk welkom, mevrouw Indira Gandhi.” Opnieuw wordt hij op de schouder getikt. Nu wordt hij kwaad. “Wat zeuren jullie toch,” bromt hij, “ik zie ook heus wel dat dat mevrouw Thatcher is, maar hier in mijn tekst staat Indira Gandhi.”’ Van het Reve was goed in grote wereldleiders de menselijke maat te nemen. Zo zie ik het graag.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, onderzoekt de dingen van de dag.

  • Driehoog achter

    Driehoog achter

    Lang had ik niet aan Tsjechov gedacht, tot deze week Russisch vertaler Arie van der Ent op een literaire avond kwam praten over zijn vier-delige Repercussies uit het Russisch. Een keuze van zo’n zeshonderd gedichten van veelal onbekende dichters, maar ook van Paustovski, Charms, Tsjechov. ‘Van de ene dichter kom je bij de ander’, zei Van der Ent. En, ‘het zijn ook dichters van driehoog achter’. Ik zag ze daar zitten, aan een keukentafeltje, of leunend tegen het aanrecht, schrijvend aan een gedicht dat niemand onder ogen komt. Er is een zekere noodzaak nodig om te schrijven. Ik dacht aan Tsjechov, hoe hij zijn verhalen schreef aan een tafeltje in een kleine keuken van een rumoerig appartement ergens tweehoog achter. Waar altijd wat te doen was, dronken broers ruziënd binnen vielen, kinderen van familie rondhingen. Rond zijn negentiende begon Tsjechov, om zijn moeders geldzorgen te verlichten, humoristische verhaaltjes te schrijven. Waaronder ‘De dood van een ambtenaar’. Een portier niest per ongeluk in de nek van een afdelingschef. De portier put zich uit in verontschuldigingen. De afdelingschef verwenst hem naar de duivel. Thuis gaat de portier even liggen, sluit zijn ogen, sterft. Het heet een humoristisch verhaal te zijn. Humor is verpakte tragiek.  

    Van der Ent leerde eind jaren zeventig Russisch van Karel van het Reve. ‘Lessen waar niemand beter van werd’, zei Van der Ent. Waarmee hij bedoelde dat Van het Reve het in zijn vrije tijd deed, studenten er geen punten voor kregen. Ware liefde laat zich niet belonen. Lang geleden schreef Karel van het Reve ter inleiding bij zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, ’Er is maar een reden voor het schrijven van de literatuurgeschiedenis, en die reden is niet het nut dat zo’n boek zou kunnen afwerpen, maar de aardigheid dat de schrijver heeft gehad in het maken en de lezer zou kunnen hebben bij het lezen.’ Niemand verloochent een goede leermeester. Van der Ent schreef ter inleiding, ‘Dit is geen canon, geen weldoordachte oogst uit duizenden, miljoenen gedichten. Er was geen selecteerprogram, en geen criteria anders dan de luim van de vertaler. Die leidde tot de zee van regels, verzen en gedichten die nu, na bijna veertig jaar arbeid wordt ingedijkt.’ 

    Van der Ent las een gedicht voor van Wladimir Kuilerovski (als ik de naam goed verstaan heb), dat op zeer eenvoudige wijze laat zien dat onderdrukking leidt tot opstand, een soort vechten tegen de bierkaai is.

    ‘In geleerde periodieken
     en in sombere kritieken
     al een eeuw of twee.
    Hebben mensen hard gebeden
    hard geschreven en gestreden
    om een strategie te smeden
    tegen het café.
    Maar toch stroomt het giftig water
    met zijn vrolijk geklater
    als een woeste zee.
    Vreest het kwaad geen tegenstander
    groeit het monster als geen ander.
    En verdringen dorstigen elkander
    voor het dorpscafé.’

    Ik moet deze vierdelige Repercussies natuurlijk hebben (oh, onbedwingbare hebzucht). Maar goed, terug naar Tsjechov, zijn verhaal De wilg begint zo, ‘Wie van u heeft wel eens over de postweg tussen de plaatsen B. en T. gereden?’ Ik weet van niets, maar voel me direct aangesproken. 

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, luistert graag naar een goed verhaal.

     

     

     

  • Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    Een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Aleksej Navalny

    De boom van de hoop, Navalny in de traditie van onrecht in Rusland, is een bloemlezing ter ondersteuning van de talloze Russen die huisarrest hebben of gevangen zitten omwille van het gebruikmaken van het recht op vrije meningsuiting en het recht op demonstratie. De voorbije maanden werden tienduizenden Russische betogers tegen het regime hardhandig aangepakt door de oproerpolitie. Hun ‘misdaad’ was dat ze gerechtigheid wilden voor Aleksej Navalny, de oppositieleider die als enige durft op te staan tegen Poetin en ondertussen is uitgegroeid tot een wereldwijd fenomeen. Vanuit alle hoeken van de wereld krijgt deze anti-corruptie voorvechter steun, en hoe meer Poetin hem in de hoek drumt, hoe groter de steun wordt. 

    Ondertussen zit Navalny alweer enige tijd in de cel, op basis van een aanklacht die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘willekeurig en onredelijk’ werd genoemd. Na zijn vergiftiging vorig jaar met het zenuwgas novitsjok hing Navalny’s leven aan een zijden draadje, maar hij gaf de moed niet op. Na zijn genezing keerde hij onmiddellijk terug naar Rusland, waar hij prompt werd gearresteerd. Sedert maart probeert hij tegen wil en dank te overleven in een strafkolonie honderd kilometer ten noorden van Moskou. Nog steeds worden zijn rechten geschonden, zo weigerde men aanvankelijk medische hulp. Ondertussen schreeuwt de wereld om zijn vrijlating.

    De bundel verschijnt ter gelegenheid van de uitreiking van de ‘prijs voor morele moed’ door het Forum van de Mensenrechten en Democratie aan Navalny. In de uitgave wordt een interessante vergelijking gemaakt tussen de huidige situatie en de Koude oorlog, de vroegere dissidenten (Sacharov, Martsjenko, Charms, …) en Navalny. Men kan niet anders dan vaststellen dat hier geen evolutie in zit. De schrijvers werkten belangeloos mee aan deze uitgave, de opbrengst gaat naar een organisatie die de vrijheid van meningsuiting in Rusland bevordert. Navalny roept op tot een boodschap van hoop, en dit werk is een eerbetoon aan hem en aan alle anderen die een strijd voeren voor een beter Rusland. De titel De boom van de hoop verwijst naar een verhaal van Varlam Sjamalov die zelf zeventien jaar in strafkampen heeft doorgebracht. Daarin beschrijft hij een dwergden die, ondanks de strenge winter en de meters sneeuw, zich steeds weer opricht. Maar er zijn wel meer woorden van hoop in de bundel. De bundel is verdeeld in de drie delen: ‘Navalny’, ‘Moet’ en ‘Vrij’.

    Navalny

    In het eerste deel verkondigt Maxim Osipov de lof over Navalny. Hij vergelijkt hem met Mathias Rust, die het in 1987 aandurfde met zijn vliegtuigje op het Rode Plein te landen. Osipov hoopt op verandering en ziet in Navalny met zijn frisse verschijning en heroïsche genialiteit de oplossing. Tegelijk is Osipov neerslachtig en de wanhoop nabij. Hij vergelijkt het systeem en de geheime dienst zelfs met het Duitsland van de jaren dertig. Hij roept op tot verzoening en vraagt Navalny vol te houden.
    Hella Rottenberg schetst een mooi beeld van de carrière en aanpak van Navalny. Ze beschrijft hoe hij als jurist en zakenman in de politiek stapte en de anticorruptie beweging in gang zette. Ook zijn gecontesteerde methode van het ‘slimme stemmen’ komt aan bod: een systeem waar hij opriep op andere kandidaten dan de regeringskandidaten te stemmen, ook al waren ook die niet de ‘juiste mensen’. In de vergiftiging van Navalny ziet ze het bewijs dat het Kremlin bang is. Ze roept op te volharden want, ‘alles kan in één dag veranderen…Kijk naar de Sovjet-Unie, kijk naar de DDR’. 

    Ook rechter Egbert Myjer wil dat men blijft hameren op het aambeeld. Rusland heeft iets uit te leggen wat betreft het garanderen van de mensenrechten. Hij geeft enkele voorbeelden van inbreuken.  Volgens Myjer is het toekennen van de ‘Prijs voor morele moed’ aan Navalny van groot belang en toont het dat de wereld achter hem staat. In het fragment uit Kinderen van Brezjnev toont Sana Valiulina dat er in wezen niets is veranderd. Ook toen werden moedige Russen gemarteld, opgesloten en vergeten in de strafkampen. Grunberg parafraseert dan weer Dostojevski: ‘Hoe een staat omgaat met vermeende en echte vijanden – doorgaans vermeende – daaraan is de beschaving van die staat af te lezen.’

    Moet 

    Mikhail Kazachkov noemt Navalny een nationale held, omdat hij voor het land zijn leven op het spel zet. Hij stelt dat Navalny het vertrouwen nodig heeft van iedereen  omdat hij iets doet waar anderen niet toe in staat zijn. Ook teksten van Karel van het Reve uit 1973 zijn in de bundel opgenomen. Daarin onderzocht hij waar de macht van een dictatoriaal regime op berustte en kondigde hij het ineenstorten van de Sovjet-Unie aan. En is er een bijzondere bijdrage over het parcours van dissident Andrej Almarik, dat zeer sterke gelijkenissen vertoont met dat van Navalny. Na enkele gedichten van Osip Mandelstam, volgt een zeer aangrijpend fragment van Anatoli Martsjenko ‘Wat ik wou zeggen’, waarin hij aanhaalt dat ‘publiciteit het enige strijdmiddel is tegen het kwaad en de wetteloosheid van vandaag’.  Dit alles wordt geïllustreerd door fragmenten van twee andere dissidenten, Solzjenitsyn en Charms. Het hoofdstuk wordt afgesloten met twee verhalen van Varlam Sjalamov, waaronder ‘De dwergden’.

    Vrij

    Journalist Hubert Smeets’ analyse van Rusland is haarfijn. De hele nationaal-populistische ideologie wordt gekenmerkt door een anti-beleid en is gebaseerd op  wantrouwen en angst bij de burger. Er dreigt een nieuwe Koude Oorlog waarin het tot een confrontatie komt tussen een gesloten, nationalistisch en autoritair bestel tegenover het kosmopolitische, pluriforme politieke ideaal. Hella Rottenberg komt nog terug op de kritiek als zou Navalny een populist en xenofobe nationalist zijn. Er waren inderdaad twijfels over zijn ideeën, maar sinds 2011 kan hij daar niet meer op betrapt worden en distantiëerde hij zich openlijk van zijn vroegere ideeën. Michel Krielaars roept Amnesty International dan ook op om Navalny  te steunen. Amnesty doet dit niet omwille van zijn vroegere uitspraken. Ook Sana Valiulina roept Amnesty op om Navalny de erkenning en bescherming van ‘gewetensgevangene’ te geven. 

    In een interview met econoom Sergei Guriev legde Navalny zijn plannen voor het ‘Rusland van de toekomst’ bloot. Hij zou eerst de bezem willen halen door het rechterlijke systeem, een duidelijke hervorming van de rechtspraak en een belasting voor de oligarchen. Hij pleit voor een herverdeling van de bevoegdheden van president, parlement, regering en wil vrijheid van meningsuiting, ook in de media. Ten slotte moeten ook de corruptie en het onderwijs aangepakt worden. Lev Rubinstein heeft het in zijn bijdrage over de leugen en het liegen. Hij vergelijkt de Sovjet leugens met de leugens van vandaag. Het grote verschil is dat ze vroeger vertrouwd, afgesproken en inert waren, terwijl de huidige leugens beledigend zijn voor ieder mens persoonlijk. Het boek sluit af met enkele dagboekfragmenten van Navalny zelf van 15 maart tot 23 april, waarin hij zijn lot aanklaagt. Het weigeren van medische hulp, zijn hongerstaking en de uiteindelijke toegift. Hij spreekt een woord van dank en hoop uit voor iedereen.   

    De boom van de hoop. Navalny in de traditie van onrecht in Rusland is een belangrijk boek dat inzicht geeft in de huidige situatie van Navalny en eveneens terugblikt op het verleden en een corrupt systeem toont. Het is schrijnend hoe weinig er in de voorbije eeuw is veranderd in een land met een rijke traditie dat telkens weer zijn dissidenten het zwijgen oplegt. Het boek is een eyeopener en een schreeuw om hulp en steun voor allen die beknot worden in hun vrijheid van meningsuiting.

     

     

  • Pannekoeken opgooien

    Pannekoeken opgooien

    Het is een zonnige zaterdagochtend, ik fietst naar het dorp voor de Volkskrant. Ik wil weten hoe deze krant eruit ziet zonder bijdragen van de verdwenen literair criticus Arjan Peters. Of hadden ze nog een recensie van hem liggen? Ik verwacht iets, een teken een sein, opheldering. In de kantoor- tevens tabaks-  en boekhandel aan het plein leg ik de Volkskrant op de toonbank. Ik zeg, ‘De krant zal anders zijn dit weekend’. ‘Ja’, zegt de zoon van de eigenaar, ‘’t is Pinksteren, dan is ie lekker dik.’ ‘Nee’, zeg ik, ‘een invloedrijk criticus is op non-actief gesteld.’ ‘oh, zegt de zoon van de eigenaar, ‘waarom is dat?’

    Er was een dichter die problemen met vrouwen had, een moord pleegde, vijf jaar tbs kreeg. Deze dichter, Achterberg is nu een van de belangrijkste dichters uit de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzieIn Het bureau, bekent meneer Beerta aan Maarten Koning dat hij eens moest voorkomen op verdenking van ontuchtige handelingen met een jongen. Hij werd onschuldig bevonden, maar er was rook geweest. Die is er ook rond Arjan Peters. Peters zorgde voor reuring in de literaire wereld. Op vileine wijze kan hij in kort bestek een boek afkraken, daarvan getuigt een van zijn laatste recensies, In de wacht van Birney. Een eerlijkheid die ik bewonder. Hij interviewde twaalf jaar geleden schrijfster Frida Vogels, die de publiciteit gewoonlijk meed, in Bologna. ‘Ze praat verzorgd, makkelijk en nogal gedecideerd, waarbij soms een lachje rigoureuze uitspraken lijkt te relativeren.’

    Niet elke afgeleverde roman doet het in zijn eentje. Je kunt het internet raadplegen of je nodigt de schrijver uit om over zijn boek te praten. Over de drijfveer, waarom dit boek, welke boeken lees je. Zo ontstaat een literair profiel, dat van nut kan zijn bij het te bespreken boek. Lunchtijd is een mooi moment. Dat het jonge vrouwelijke schrijvers betreft die via een appje werden uitgenodigd, is opmerkelijk. Ieder creëert de wereld waarin hij op zijn best functioneert. 

    De krant ligt het hele weekend op tafel. Een paar keer blader ik er opnieuw doorheen, als had ik niet goed gekeken. Intussen is het Pinksterzondag, de tuin is ons uitgaansgebied. Ik pak De maan en het vuur van Cesare Pavese, leg het op de tafel onder de appelboom. Geef de jonge rijspeulen water. De kat, die in het zand ligt te zonnen, schrikt op. Bedenk dat je zonder overleg met anderen eenzelvig wordt. Zo kan het gaan. Zonder weerspraak raak je uit koers. 

    Het alter ego van Pavese zegt tegen zijn jeugdvriend Nuto, die niet praat over de dingen die hem bezighouden, ‘Als je iets voor elkaar wilt brengen, moet je voeling met de wereld houden. Heb je geen partijen die voor je werken, afgevaardigden die voor je werken? Praat met ze, zoek ze op.’
    Ik vraag me af wat Peters nu doet. Zoekt hij mensen op, leest hij een boek, of bakt hij pannenkoeken, zoals Karel van het Reve placht te doen wanneer hij niets om handen had. Schort voor, boter in de pan en dan zo hoog mogelijk opgooien. En om deze verdwijning in zijn context te kunnen plaatsen, zou ik Peters wel willen interviewen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist vanaf vandaag met mondkapje, schrijft over bewegingen aan de randen van de literatuur.

     

  • Gevat, dwars en origineel

    Gevat, dwars en origineel

    Je kunt je afvragen of het waar is, dat ‘Karel van het Reve nog steeds de meest geciteerde en bewonderde essayist van het land is’, zoals zoon David, samensteller van de keuze uit zijn korte stukken in zijn Vooraf daartoe beweert. En Rudy Kousbroek dan? Dit neemt niet weg dat je het werk van Karel van het Reve/Henk Broekhuis (pseudoniem) ook gunt in de handen van de ‘potentiële lezers die zijn reputatie (gevat, dwars, origineel, en hij had meestal nog gelijk ook) alleen van horen zeggen kennen’.

    Voor de onderwerpen hoef je het niet altijd te doen. Thema’s die als bekend worden verondersteld, en dat soms niet meer zijn, komen nu gedateerd over. Kees Fens is bijvoorbeeld niet vergeten, integendeel, en de Gijsbrecht van Aemstel van Vondel wordt weer opgevoerd. Maar er zijn uitzonderingen, en die maken het boek lezenswaard. Bijvoorbeeld het stuk over hoe een tekst van de op het moment van schrijven nog onbekende Andrej Sacharov in een Nederlandse krant terecht kwam (in: Het Parool, 21 oktober 1975). Of het mooie portret over schaker Max Euwe. En, voor veel naoorlogse lezers misschien een eye opener: hoe het dagelijks leven in de Tweede Wereldoorlog gewoon doorging en de auteur Sinterklaasinkopen deed in de Bijenkorf.

    Waar je dit boek ook om wilt lezen, is de schrijf- en denkstijl van de auteur. Voor zo’n ontroerende zin over Karel, een Kominternagent die bij de Van het Reves over de vloer kwam en in de Tweede Wereldoorlog is onthoofd: ‘Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?’. Of voor de rode lijnen die in de stukken zitten. Van het Reve heeft het over het gelaat van de werkelijkheid te willen zien, het ongeloof in het onwerkelijke van misdaadseries op de televisie, het niet de indruk hebben dat wat de evangelist in Bachs Matthäus Passion vertelt echt is gebeurd, terwijl je bij Händels ‘The trumpet shall sound’ uit de Messiah de indruk krijgt ‘dat het recht en de waarheid zullen zegevieren, en dat je vrienden uit het kamp zullen terugkeren – zelfs al is de een al in 1945 doodgegaan en zit de ander tienduizend kilometer hiervandaan’.
    Een rode lijn die je ook tegenkomt in de beschrijving van Willinks realistische en ‘tegelijk een beetje griezelige’ schilderijen die hoger geacht zouden moeten worden dan die van ‘kunstenaars die een doek van twee bij drie meter mooi egaal blauw kunnen schilderen’.

    Zo kan elke lezer een ‘eigen’ rode draad terugvinden die hem/haar opvalt en aanspreekt. En zo kan ook elke lezer meningen vinden waar hij/zij het niet mee eens is. Twee voorbeelden. Kunst zou iets zijn ‘wat op de consument is afgestemd’. Dacht het niet. Lang niet altijd in ieder geval. Boerenromans worden volgens Van het Reve ‘door bepaalde dames geschreven’ (id.), terwijl hij het elders vol waardering over de boeken van Stijn Streuvels heeft (p. 91). En je kan toch niet beweren dat daar geen boeren in voor komen …

    Toch is het niet allemaal zware kost die wordt opgediend. Vermakelijk is het dooremmeren over het feit dat Neelie Kroes zich in een interview van Ischa Meijer met haar toenmalige echtgenoot, burgemeester Bram Peper van Rotterdam in het gesprek mengde en tot twee maal toe sprak over Tintoretti (i.p.v. Tintoretto). En toch schaamt Van het Reve er zich niet voor een jongen uit het volk te zijn. Hij lijkt er zelfs een beetje mee te koketteren, door de naam van het hotel in Wageningen waar de Duitsers capituleerden te zijn vergeten, en door de namen van de twee vrienden in Shakespeares Hamlet te verbasteren tot Halberstadt en Finkelstein. Of is er een diepere reden, zoals hij in zijn stuk ‘Afscheid’ schrijft: ‘Ik kan die naam natuurlijk opzoeken in een encyclopedie, maar dat wil ik niet’ (p. 199)? Om niet te hoeven erkennen dat zijn geheugen hem in de steek laat. Hij besluit genoemd stuk met een dubbele bodem: ‘Ik zink weg in een poel van vergetelheid’.

    Maar dat doen zijn ‘kortere stukken’ niet. Daar heeft zijn zoon voor gezorgd. En Uitgeverij Van Oorschot. Het is nu aan de lezers van latere generaties om zich te laten pakken door die soms gedateerde maar in ieder geval gevatte, dwarse en originele stukken.

     

     

     

  • Hij bakt pannenkoeken!

    Hij bakt pannenkoeken!

    Door Machiel Jansen

    Begin jaren zestig was mijn oom een jonge onderwijzer waar sommige leerlingen bewonderend tegen op keken. Een klein groepje meisjes – ze moeten een jaar of twaalf geweest zijn – kwam hem elke schooldag zelfs van huis ophalen. Voor de deur stonden ze te wachten tot hun meester naar buiten kwam om samen met hen naar school te gaan.

    Mijn moeder woonde in die tijd nog in hetzelfde huis en hoorde een keer vanaf de bovenverdieping door het open raam de opgewonden fluisterstemmen van de meisjes, die ongeduldig naar binnen keken. Daar zagen ze mijn oom rustig ontbijten.
    ‘Kijk, hij drinkt melk!’ werd er buiten bewonderd geroepen. ‘En hij eet kaas!’
    Het dagelijks leven van mijn oom was in de ogen van deze leerlingen een wereld vol wonderen geworden.

    Toen ik het fotoboek Knip dan, toe dan! Karel van het Reve in beeld open sloeg, reageerde ik precies als die schoolmeisjes. Ik glimlachte en riep uit: ‘Hij bakt pannenkoeken!’ Want op de binnenflap staat een foto waarop Van het Reve, half op de rug gezien, pannenkoeken bakt. Hij is geconcentreerd bezig met een spatel en een pan en naast hem staat een bord met een stapel pannenkoeken erop. Het is een foto die alleen maar leuk is omdat Karel er op staat.

    Hoe kan het nu dat ik zo vrolijk opgewonden reageerde bij het zien van die foto? Zou het uit bewondering zijn? In dat geval is het wel een bewondering die de grenzen van het redelijke heeft overschreden. Je kunt Van het Reve bewonderen om zijn mooie essays maar om daarom in vervoering te raken (nu overdrijf ik) over een foto waarop hij pannenkoeken bakkend te zien is, gaat veel te ver.

    Het bewonderen van Van het Reve heeft sowieso iets ongemakkelijks. De man was zo nuchter en stond (ogenschijnlijk) zo ver af van elk vertoon van ijdelheid, dat elke vorm van overdreven bewondering ongepast aanvoelt.

    Karel van het Reve heeft tijdens zijn leven al bewonderaars gekend. Maarten Biesheuvel bijvoorbeeld. (Ook van hem staan er twee foto’s in het genoemde fotoboek.) Biesheuvel meende in de vanzelfsprekende nuchterheid van Van het Reve God zelf te herkennen. In een interview met de VPRO gaf hij toe dat dit idee hem nooit helemaal verlaten heeft : ‘Hij rookt niet en drinkt niet, hij is wijs en altijd bescheiden en bovendien is hij altijd grappig en origineel. En dan schrijft hij nog hele mooie essays. Toen ik in 1966 voor het eerst krankzinnig werd, dacht ik waarachtig nog an toe dat Karel God was. Ik dacht dat hij het heelal geschapen had en het paradijs weer zou kunnen laten aanbreken. Soms denk ik dat nog wel eens.’

    Maar kan God wel zo nuchter zijn? Arnon Grunberg vond een goddelijke status voor Van het Reve overdreven: ‘Hooguit mogen wij af en toe aan hem refereren als halfgod, maar niet vaker dan drie keer per jaar.’

    Er zijn twee redenen om Karel van het Reve niet goddelijk te verklaren. Ten eerste heeft hij nooit geprobeerd iemand te bekeren, of op een dwingende manier op andere gedachten te brengen. Zijn studenten en zijn kinderen drong hij nooit iets op, en wie het met hem oneens was, werd niet verketterd of beschimpt. Hooguit werd iemand die slecht schreef en bovendien nog onzin verkocht, daar fijntjes op gewezen.

    Een tweede reden om Van het Reve niet goddelijk te verklaren is dat hij veel meer theorieën onderuit hielp dan zelf bedacht. Hij was een meester in het laten zien hoe het niet moest. Hij kon de fouten van anderen prachtig en geestig aanwijzen maar zelf een theorie bedenken of uitleggen hoe het wel moest deed hij minder graag. Karel was veel meer een afbreker dan een opbouwer en dat kun je van een echte god niet zeggen. Hij versterkte die indruk nog eens door een pretentieloze houding aan te nemen. Van het Reve was de nuchterheid zelf als je hem zag, las en hoorde. Alles wat hij schreef en zei was te begrijpen. Hij deed nooit moeilijk. Hij zei alleen wat hij dacht, en met enkel een beroep op zijn gezonde verstand constateerde hij dat veel grote gedachten eigenlijk onzin zijn. Pretenties om zelf eens een theorie te bedenken, had hij eigenlijk niet – althans zo kwam hij over.

    Toch ligt juist in die kritische en (ogenschijnlijke) pretentieloze houding de verklaring waarom het zo verleidelijk is Van het Reve te bewonderen. Af en toe doet hij een beetje denken aan Socrates, die altijd maar beweerde zelf niets te weten maar vervolgens aan wist te tonen dat de anderen nog veel minder wisten dan hij. Beiden hadden ze meer pretenties dan ze deden voorkomen. Beiden wisten ze veel meer dan ze openlijk wilden toegeven. En beiden hebben na hun dood een groep trouwe bewonderaars achtergelaten. Beiden waren overigens kaal. (Het grote verschil tussen Socrates en Karel van het Reve is dat om de laatste veel vaker te lachen valt.)

    De bewondering zit een bewonderaar van Karel van het Reve vaak in de weg. Zo heb ik wel eens uitgeroepen dat Van het Reve’s Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid, verplicht zou moeten worden voor elke student. Maar in diezelfde lezing spreekt Van het Reve zich juist tegen dergelijke ‘bekeringsijver’ uit. Hij wilde studenten helemaal niets opdringen. De nuchterheid van Van het Reve is dan ook niet alleen een eigenschap die bewonderd kan worden, maar waarschuwt ook dat bewonderaars het niet al te gek moeten maken. Zij moeten hun bewondering dan ook voortdurend corrigeren. De beste manier omdat te doen is af en toe eens te kijken naar een foto waarop de auteur pannenkoeken bakt.

    Het fotoboek Knip dan, toe dan! is ‘met zijn vele citaten’ dan ook geen perfecte introductie tot het werk van Karel van het Reve, al beweert de achterkant van wel. Wie al lezend in het Verzameld Werk tot de conclusie dreigt te komen dat Karel goddelijk of half goddelijk was, komt er door in dit boek te bladeren achter dat Karel een mens van vlees en bloed was. Een man die door velen die hem kenden duidelijk erg gemist wordt. Het boek straalt een warmte en een bijna aandoenlijke toewijding uit. Het sluit de uitgave van het Verzameld Werk dan ook waardig af.

    Knip dan, toe dan! bevat familiefoto’s, klassenfoto’s, foto’s gemaakt tijdens de oorlog en tijdens zijn periode in de Sovjet-Unie. We zien Karel als jongen tijdens een vakantiekamp een poepemmer legen. We zien hem samen met broer Gerard en natuurlijk met zijn vrouw Tini. We zien hem met de Russische dissident Almarik en later met zijn ‘ideale uitgever’ Geert van Oorschot samen de vuist ballen.

    De mooiste foto staat op bladzijde 86. We zien Karel uit een auto springen die in het water ligt. Er ligt een dun laagje ijs op de gracht en alleen het achterste gedeelte van de auto steekt nog boven het wak uit. Van het Reve was even daarvoor op een glad Rapenburg met zijn auto te water geraakt. De hilarische beschrijving van het voorval staat in Afscheid van Leiden (vierde deel Verzameld Werk) en is voor een deel naast de foto afgedrukt. Ik geloof dat ik nooit harder om Van het Reve gelachen heb dan bij lezen van dat verhaal. Er is één detail dat we nog niet wisten en dat door de foto onthuld wordt: de auto, een Austin 1100, was van het type Glider.

    Wie dit fotoboek opneemt om kennis te maken met Karel van het Reve doet zichzelf te kort. De kennismaking begint met deel 4 van het Verzameld Werk, daarna volgt de rest vanzelf, inclusief Knip dan, toe dan! Want wie begint met de foto’s ziet vooral een mens, een man met gezin en een beroep. Maar wie het Verzameld Werk leest, begrijpt heel af en toe die arme Maarten Biesheuvel toen hij in Van het Reve God meende te herkennen. Op zulke momenten blader je glimlachend even door dit prachtige fotoboek, om zeker te weten dat Biesheuvel het toch bij het verkeerde eind had.

     

     

  • Literaire periodieken: Hollands Maandblad, Nynade en Zacht Lawijd

    Recensie: Ingrid van der Graaf

    Met het vallen van een literair tijdschrift op de deurmat, begint een heimelijk voorgenieten; nieuw leesvoer, schenk de koffie in of zet de wijn koud! Eerst wordt er gebladerd: onbevangen surfen door het blad, op zoek naar een debutant, een veelzeggend gedicht of een boeiend essay. Om onverwacht te stuiten op een voordracht, bijvoorbeeld De geschiedenis van mijn haar van F. Starik in Hollands Maandblad no. 4. dat  snel tussen keuken (koffie) en leestafel naar binnen wordt gewerkt. Heerlijk! Soms wil de lezer overtuigd worden, zoals bij het minder bekende blad  Nynade (Kunst & Letteren). De in historische context  gevatte artikelen in Zacht Lawijd vragen om een stevige leestafel waaraan de documenten uiteen gevouwen kunnen worden en het consumeren beginnen kan. 

    Zacht Lawijd is een literair historisch tijdschrift en publiceert gedocumenteerde informatie met een regelmaat van vier keer per jaar. Hoewel het blad de indruk wekt voor academici te zijn uitgegeven is het zeer aanbevelingswaardig voor de breed georiënteerde lezer die zijn klassiekers kent, (of wil kennen).

    Het 3e nr. (2010) van Zacht Lawijd  is een themanummer en gewijd aan Reinold Kuipers (1914-2005). In Zacht Lawijd nr. 1 van dit jaar komt Kuipers opnieuw voor en wel als  fondswerver van De Arbeiderspers. Kuipers was in 1949 in Gent op bezoek bij de dichter Richard Minne (1891-1965). Hij was op zoek naar niet eerder gepubliceerde gedichten. Minne moest hem teleurstellen maar  attendeerde Kuipers op een ‘onmogelijk’ manuscript van de jongeman Louis Paul Boon (1912-1979). In 1949 komen Kuipers en Boon voor het eerst met elkaar in contact, maar pas in 1953 verscheen De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon in het fonds van de uitgever. Want: Deze titel was enkele jaren de inzet van een machtspel tussen Minne en Boon. Zo het zich laat verklaren wilde Boon een ‘vadermoord’ (Minne) plegen om zich zodoende een eigen stek onder de zon te verwerven. Dit had een heftige polemiek tussen beide heren tot gevolg. Wanneer Richard Minne is overleden toont Boon openlijk (ietwat pathetisch aandoend) zijn grote waardering en liefde voor een man als Minne. Waarvan in Kuipers meets Minne en Boon, door Yves T’Sjoen (docent van de Vakgroep Letterkunde aan de Universiteit te Gent) en Els van Damme (bereidt een proefschrift voor over het literatuurkritische werk van Richard Minne en verbonden aan diezelfde Universiteit) in een uitvoerig artikel verslag gegeven wordt.

    Zeer goed gedocumenteerd is ook het artikel Driemaal is scheepsrecht! (Over S. Vestdijks romandebuut), door H.T.M. van Vliet. Voordat Vestdijk debuteerde met Terug tot Ina Damman, had hij de twee modernistische romans Meneer Visser’s hellevaart en Kind tussen vier vrouwen geschreven maar geen uitgever durfde zich aan publicatie daarvan te wagen. Hoewel de schrijver met Kind tussen vier vrouwen had willen debuteren bleef de roman tijdens zijn leven ongepubliceerd. In een prettig leesbaar stuk, geïllustreerd met kladbladen (ah, dat handschrift! welke schrijver wordt nog om zijn handschrift herkend), een portretfoto van de schrijver, van zijn typemachine en een afbeelding van de cover van Meneer Visser’s hellevaart zoals uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar.
    Van Vliet publiceerde in november vorig jaar zijn editie van S. Vestdijks Kind tussen vier vrouwen, en ontving daarvoor de Ina Dammanprijs.

    Verder het artikel ‘Zie daer de trekken van een Nederlandsch penseel!‘ van de historicus en schrijver Jan Lampo. Lampo werkt aan een boek over de relatie tussen kunsttheorie, literatuur en schilderkunst in en om de Antwerpse Academie voor Schonen Kunsten van circa 1750-1850. Hierbij stuitte hij op de kunstopvattingen van Jan-Frans Willems (1793-1846).

    En een document getiteld: De brieven van Alice Nahon aan Emmanuel de Bom, over de Antwerpse auteur Emmanuel de Bom (1868-1933) en zijn vriendschappelijke en joviale levensinstelling door Manu van der Aa. Van der Aa is publicist over voornamelijk Nederlandstalige literatuur van het interbellum.

    Hollands Maandblad heeft twee auteurs die trouw elk nummer een bijdrage leveren, en dat schept een band. Je wilt de nieuwe bijdrage van deze coryfeeën direct lezen, ik in ieder geval. Zoals in de Groene Amsterdammer de bijdragen van Marja Pruis, Perquin en Opheffer mijn ‘leessnacks’ zijn, zijn Vroman en Brandts Corstius dat in Hollands Maandblad.  Hieronder een bespreking van de nummer 4 en 6/7.

    In het zomernummer 6/7 van HM  twee debuterende auteurs, Machiel Jansen en Jochem van den Dijssel. Jansen schreef een vermeldenswaardig stuk ‘over het redeneren van Karel van het Reve’. Jansen ‘verorberde’ alle tweeduizend pagina’s van het Verzameld werk van Karel van het Reve, wat op zich nogal een opgave is en verwerkte dit tot het stuk Helderheid voor beginners. Daarbij volgde hij twee lijnen die hij ontwaardde in het Verzameld werk. En wel de lijn Schopenhauer en de lijn Popper.  Waarin de gedachte van Van het Reve – dat het beter is zelf na te denken dan te lezen wat anderen over een onderwerp te melden hebben – als meanderende draad doorheen loopt. In de eerstvolgende nummer van Tirade zal Machiel Jansen overigens een stuk over de Welwillenden van Jonathan Littell publiceren.

    Jochem van den Dijssel schreef het kortverhaal Bruto Stedelijk Geluk. In helder proza wordt het enigszins absurdistische verhaal verteld van een gemeente ambtenaar die bewoners in een achterstandwijk moet interviewen om te meten hoe gelukkig men is. Natuurlijk denkt niemand in zo’n wijk in gradaties van geluk. De ambtenaar heeft dit snel door, laat de moed niet zakken en verzint zelf een mate van geluk voor elke bewoner, aan de hand van zijn observaties. De uitkomst is niet relevant voor het verhaal, wel de wijze waarop het verteld wordt. Van den Dijssel is een goed waarnemer en een evengoed schrijver.

    In nummer 4 een verhaal van Vrouwkje Tuinman Quo Vadis 1. Over Golders Green Crematorium in Noord-Londen waar onder meer de as van Sigmund Freud, Peter Sellers en Ian Durry is bijgezet. De beheerder Eric Willis kende in zijn vorige loopbaan als loodgieter geen vrienden. Golders Green is voor hem een plek voor de levenden, van de doden heeft hij nooit iets vernomen. Net als in haar laatste dichtbundel schrijft Tuinman over het leven na de dood, waar je vrienden aan overhoudt.
    In Een vorm van troost, van Anke Scheeren komt een schoonmaakster klem  te zitten tussen de georganiseerde zorg en haar eigen behoefte een oude, hulpbehoevende vrouw uit een benarde positie te redden.
    Verder het gedicht Indian winter van Gerry van der Linden en in het zomernummer het kortverhaal Wit van haar. Van der Linden is goed in het toevoegen van mooie zinnen die de werkelijkheid in het verhaal een extra demensie geven. Zoals: ‘De maaltijd verliep met een conversatie die haast zweeg van voorzichtigheid.’ Daarmee aangevend dat alles niet zo duidelijk is als het lijkt. ‘Wit. Maar niet smetteloos.’

    Van Arnon Grunberg werd opgenomen de (licht) bewerkte versie van een lezing over literatuur en traumaverwerking die hij gaf op 11 mei dit jaar aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Na lezing van Welkom thuis, wordt het vermoeden bevestigd dat het verschil in de belevingswereld van man en vrouw, ervoor zorgt dat zij gedoemd zijn elkaar nooit te begrijpen. Naast Leo Vroman gedichten van Wim Brands, Krijn Peter Hesselink, Jos Versteegen en Pieter Grootendorst. Verder nog het verhaal Supermarkt, van Revka Bijl. En in nr. 4 ook een verhaal van Philip Huff, Er breekt altijd wel iets. En van David Pefko, Pijn is iets heel persoonlijks. De tekeningen werden gemaakt door Trille Bedarrides (nr. 4) en Elise van Iterson (nr. 6/7).

    Op de omslag van Nynade (nr. 14 2011) een afbeelding van een schilderij van Ruslan Vashkevich, One of the two, uit 2009. Twee zwart glimmend gepoetste schoenen op een vel gelinieerd papier, met in de rechter schoen een in vele plooien vertrokken babygezichtje met wijd opengesperde mond. Een prachtig schilderij. Het blad bevat twee interviews, een met de schilder Vashkevich (uit het Russisch vertaald door Barney Agerbeek) en Karel Wash tekende een gesprek op met schrijfster Janneke Holwerda over haar roman Zeesteen. Met deze interviews wordt de ondertitel Kunst & Letteren inhoud gegeven. Er zijn veel gedichten opgenomen waarvan de zeggingskracht niet altijd overtuigt. Verrassend is het verhaal over het leven van de kleurrijke Amsterdamse kunstenaar (met foto) Henk de Jong. Een bespreking van A single man van Christopher Isherwood, het boek en de film, door Rita Spigt is ook een mooie bijdrage. Sommige bijdragen ogen wat prematuur. De loop der dingen van Jan Ruward lijkt daardoor een niemandalletje terwijl er wel degelijk een gedragen inhoud inzit. Het tijdschrift is geïllustreerd met vele kleurige illustraties. De redactie van Nynade heeft zeker ‘smaak’, maar de bijdragen verschillen nogal van kwaliteit en lijkt er sprake te zijn van een te willekeurig keuzebeleid.

     

    Voor verdere informatie en abonnementen kijk op de betreffende websites.

    Hollands maandblad: Ga naar website

    Zacht Lawijd: Ga naar website

    Nynade: http://www.nynade.nl/.

  • De ongebundelde stukken bevatten veel aardigs en wetenswaardigs

    De ongebundelde stukken bevatten veel aardigs en wetenswaardigs

    Als je iets aardigs wilt zeggen over artikelen in tijdschriften en kranten die zo’n dertig, veertig jaar geleden geschreven zijn door een schrijver die al weer een tijdje geleden is overleden, dan is het waarschijnlijk dat je iets zegt in de trant van: zijn stukken zijn nog verbazend actueel. Als je iets onaardigs wilt zeggen dan is het dat de stukken verouderd zijn.

    Eigenlijk is dat heel vreemd. Moet literatuur van veertig jaar of langer geleden actueel zijn om interessant te worden gevonden? Waarom zou dat eigenlijk moeten? Ik heb eens een actrice van Toneelgroep Amsterdam op de radio horen zeggen dat Medea nog heel erg actueel is. ‘Laatst,’ zei ze, ‘stond in de krant dat een moeder haar eigen kinderen had omgebracht. Het gebeurt nog steeds,’ benadrukte ze.

    Ik vond het een vreemde opmerking. Het is ook niet waar dat Medea een goed toneelstuk is omdat het actueel is. Het zou betekenen dat als er geen moeders meer zijn die hun kinderen vermoorden Medea opeens minder interessant zou zijn. Het is een goed toneelstuk maar niet omdat er nog steeds moordlustige moeders rondlopen, maar veel eerder omdat Euripides een goed schrijver was.

    Karel van het Reve (1921-1999) is al een tijdje geleden overleden. Hij stierf in 1999, met de P.C. Hooftprijs op zijn naam. Uitgeverij van Oorschot geeft zijn Verzameld werk uit en is nu bij deel vier aangekomen dat maar liefst meer dan 1.000 bladzijden telt. Het bevat de bundels Uren met Henk Broekhuis en Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het grootste gedeelte bestaat echter uit werk dat nooit eerder in boekvorm verscheen, geschreven in de periode 1973-1980. Het zijn stukken afkomstig uit o.a. NRC Handelsblad, Het Parool en tijdschriften als Tirade en Hollands Maandblad.

    Veel van die stukken zijn verouderd. Ze hebben betrekking op situaties die nu totaal anders zijn en kwesties waarom niemand zich meer druk maakt. Toch zijn die stukken heel leuk om te lezen. Sommige zijn er met de tijd zelfs op vooruit gegaan. Dat komt omdat ze nu ook leerzame informatie uit het verleden bevatten. Het plezier in het lezen heeft alles te maken met het feit dat Karel van ’t Reve zo goed schreef. Ik geloof niet dat er een essayist is die helderder schreef dan hij. Ook combineerde hij humor en logisch denken met speels  gemak, wat een grote zeldzaamheid is.

    Een voorbeeld van een verouderd stukje is België en China dat Van ’t Reve schreef in 1973 onder het pseudoniem Henk Broekhuis. ‘Wanneer wij België en China met elkaar vergelijken, dan valt de vergelijking uit in het voordeel van België. (…) de gemiddelde Belg gaat vaker in een Chinees restaurant eten dan de gemiddelde Chinees, hij heeft meer schoenen, winterjassen, en gekleurde overhemden, meer vierkante meter woningruimte, hij heeft het ’s winters minder koud en zomers minder warm. (…) Daar staat tegenover dat die Chinees, althans zijn regering, atoom- en waterstofbommen heeft. Maar daar doe je zo weinig mee.’

    Er is veel veranderd sinds de jaren 70, toen bijna elke student marxist was, en de koude oorlog nog woedde. Van het Reve was Slavist, voormalig correspondent in Moskou voor het Parool en schreef herhaaldelijk over de blinde vlek van Westerse fellow travellers voor de terreur van  de communistische regimes. Het communisme is inmiddels verdwenen of, in het geval van China, onherkenbaar veranderd. Toch zijn Van het Reve’s stukken over dit onderwerp het lezen meer dan waard. Hij analyseert droogjes, feitelijk en met humor en je krijgt als lezer nooit het idee dat je iets opgedrongen krijgt.

    De ongebundelde stukken bevatten veel leuks, aardigs en wetenswaardigs. Ik noem een paar hoogtepunten. Zijn dankwoord bij het in ontvangst nemen van de Nijhoff prijs in 1979 die hij kreeg voor zijn vertalingen uit het Russisch. Een recensie over De Som van Misverstanden van Maarten ’t Hart die bij hem college Russische literatuur volgde. Vier krantenartikelen over het boek Literatuurwetenschap van F.C. Maatje, althans over de eerste 80 bladzijden. (Het tweede stukje heet Diepe Treurigheid .)  En twee stukjes getiteld Op Reis waarin broer Gerard voorkomt en waarop hij vervolgens erg boos werd.

    Maar het mooiste van dit deel vier zijn toch de eerste twee bundels. Uren met Henk Broekhuis is al vaak geroemd en dat is terecht. In korte hoofdstukjes ontkracht Van het Reve algemeen geaccepteerde uitspraken en gedachten, zoals het idee dat een potlood in kunst en literatuur een fallisch symbool is, of de gedachte dat massaproductie tot eenvormigheid leidt, of dat iemands gedrag in een boek ‘psychologisch verantwoord’ moet zijn.

    Van het Reve had een zesde zintuig voor onzin en wist dat met heel eenvoudige middelen te ontmaskeren. Twee hoogtepunten uit zijn werk, die dat heel goed illustreren, staan in Een Dag uit het Leven van de Reuzenkoeskoes. Het eerste is het titelstuk, een aanval op de evolutietheorie, althans het idee dat elke eigenschap die je bij een dier kunt aantreffen tot stand is gekomen op grond van natuurlijke selectie.

    Regelmatig kun je over dit essay lezen dat Van het Reve ernaast zat. Dat wordt dan niet verder uitgelegd. Het lijkt erop dat alleen al de roem van de evolutietheorie een maatje te groot is bevonden voor Van het Reve’s kritiek. Naar mijn idee is dat te kort door de bocht. Zijn bezwaren zijn veel meer logisch van aard dan dat ze bepaalde biologische feiten willen tegenspreken. Voor de goede orde, Van het Reve was geen creationist. Zijn kritiek komt voor een groot deel neer op het feit dat de evolutietheorie, of uitspraken daarover, niet te falsifiëren is. Maar laat ik daar hier niet verder over uitweiden.

    Van het Reve weigerde trouwens over de evolutietheorie iets te lezen. Dat tot ergernis van bijvoorbeeld Maarten ’t Hart die met hem in discussie ging. <link: http://www.groene.nl/2008/48/met-karel-in-de-clinch > Iets niet lezen, en er wel over schrijven, deed Van het Reve wel vaker.  Je komt in dit deel herhaaldelijk tegen dat hij zich verzet om iets te lezen wat slecht geschreven is of wanneer hij de overtuiging heeft dat hij beter over het onderwerp na kan denken dan te lezen wat anderen er over gezegd hebben. In de hierboven genoemde stukken over Maatje komt hij niet verder dan bladzijde 80. In zijn dankwoord voor de Nijhoff prijs in 1979, die hij ontving voor zijn vertalingen uit het Russisch, zet hij zijn theorie over vertalen uiteen (‘Vertaal wat er staat’) en merkt daarbij op dat hij nooit boeken over vertaaltheorie heeft gelezen. NRC Handelsblad vraagt hem eens over burgerlijke ongehoorzaamheid een stukje te schrijven en stuurt hem alvast wat artikelen over het onderwerp. Van het Reve begint zijn stuk met het excuus dat hij ze niet meer kon vinden en dat zijn vrouw niet thuis is. Dan maar zonder. Overpeinzingen van een leek.

    Het tweede hoogtepunt is de Huizingalezing uit 1978, Het Raadsel der Onleesbaarheid. Hij nam het op tegen de literatuurwetenschap, een wetenschap die volgens Van het Reve helemaal niet bestaat. In feite viel hij zijn eigen vakgebied aan, hij doceerde immers Slavische letterkunde.  ‘Aanvallen’ is hier niet het goede woord. Hijzelf noemt het ‘bezinnen’, maar dan wel een bezinnen dat zo ontnuchterend en geestig is dat het een vernietigende uitwerking had, en nog steeds heeft, op hen die het betreft. Hij kreeg er de literatuurwetenschappers de hoogste bomen mee in. Wat waren zij kwaad.

    Wie niet kwaad wordt en enigszins bekend is met de pretentie van wetenschappers ? en dat hoeven geen literatuurwetenschappers te zijn ? zal vaak moeten glimlachen en soms schateren om de ontmaskering van onzinnige ideeën en nuchtere constateringen als: ‘Van een zin als de daarnet geciteerde zin van Lotman begrijp ik niet hoe iemand zo’n zin kan opschrijven, en ten tweede begrijp ik niet hoe iemand die zo’n zin opgeschreven heeft zich niet dezelfde avond nog verhangt.’

    Net als zijn aanval op de evolutietheorie ligt de kern van zijn bezwaar tegen de literatuurwetenschap weer bij het falsifiëren van zogenaamde wetenschappelijke uitspraken. Literatuurwetenschappers doen hun best de eigenschappen van goede boeken te beschrijven maar die eigenschappen kom je ook in slechte boeken tegen. Bovendien is wat er beweerd wordt zo triviaal of onzinnig dat het onleesbaar in een ‘dieventaal’ moet worden opgeschreven om niet direct als zodanig herkend te worden. Maar het allerergste is toch dat de literatuurwetenschap onleesbare teksten produceert terwijl je juist van liefhebbers van literatuur toch wel iets anders zou verwachten. ‘Als Multatuli zo volstrekt aan iemand voorbij gegaan is dat hij dit soort zinnen opschrijft ? waarom schrijft hij dan over Multatuli?’

    Ook hier speelt het niet lezen weer een rol. Van het Reve wil wel, maar het is hem ‘fysiek onmogelijk’ de geschriften die de literatuurwetenschap voorbrengt te lezen.  Veel beter is het om zelf na te denken. Hij citeert dan ook Schopenhauer:  ‘Wie wenig muss doch einer zu denken gehabt haben, damit er soviel hat lesen können!’

    Het Raadsel der Onleesbaarheid dient in de Canon te worden opgenomen. Het is één van de hoogtepunten in dit overigens prachtig uitgegeven deel. Wie kennis wil nemen van het werk van één van de beste essayisten die Nederland gekend heeft kan heel goed met dit boek beginnen. En om met iets aardigs af te sluiten: Van het Reve’s werk is verbazend actueel.

     

  • Karel van het Reve deel 3 verschenen

    Vorig jaar verschenen de  delen 1 en 2 van het Verzameld  werk van Karel van het Reve bij uitgeverij Van Oorschot, deel drie is nu ook verschenen.

    Deel 3 omvat de jaren 1969-1972. Het bevat Het geloof der kameraden, Met twee potten pindakaas naar Moskou (met onder meer reportages uit zijn jaar als Parool correspondent in Rusland) en de essaybundels Marius wil niet in Joegoslavië wonen en Lenin heeft echt bestaan.

    Beide delen sluiten af met een  selectie uit de ongebundelde artikelen die Van het Reve in deze  periode schreef: 350 bladzijden in deel 3. Deze stukken zullen voor veel lezers onbekend zijn. Een grote verrassing zijn de tv-recensies, die hij tussen 1971 en 1976 wekelijks in nrc Handelsblad publiceerde onder het pseudoniem Henk Broekhuis. Lang is onduidelijk gebleven wie achter deze naam schuilging.

    In  deze  ‘columns’ figureren uiteenlopende figuren als Joop den Uyl, Pippi Langkous, Wim Kan, bisschop Gijsen en ‘de kritische leraar’. De twee stukjes over het bezoek van Henk Broekhuis en zijn vrouw aan de grote volksschrijver  Gerard Reve in Frankrijk veroorzaakten een brouille tussen de beide broers. Boeiend zijn ook de nooit gebundelde boekrecensies uit deze jaren. Aangrijpend is de inleiding bij het Dagboek van zijn in de oorlog omgekomen vriend David Koker. En dat Karel van het Reve een meester was in het genre van de necrologie blijkt uit zijn stukken over Jacques Presser en over Andrej Amalrik (‘De onhandelbaarste man die ik ooit heb ontmoet’).

    Dagelijks is een stuk van Henk Broekhuis te lezen op www.kvanhetreve.nl