• Nacht van de Poëzie wederom met vele hoogtepunten

    In de door blauwe en roze lampen verlichte zaal van Tivoli/Vredenburg, opende Maarten van der Graaff, die vorig jaar de nacht afsloot, de Nacht van de Poëzie met een stevige aftrap en meer als een Angry Youg Man die blijkbaar ook in hem huist. Waarna presentator Piet Piryns: ‘de romaticus van het abattoir’, Luuk Gruwez aankondigde die voordroeg uit zijn bundel Moeders. En hier begon het dat men het applaudisseren tussen de gedichten door, al niet laten kon. Was het bewondering of waren de dichterlijke gemoederen al te hoog opgelopen?

    Voorafgaande aan de Nacht vond er in een van de ruimten in de catacomben van Tivoli/Vredenburg de tv-opnamen plaats voor het VPRO programma Brands met Poëzie. Zo’n twintig plaatsen voor wie het wel eens wilden meemaken en hoe Wim Brands (hoorde ik naast me) in het echt is. Nu, hij was niet veel anders dan voor of tijdens de opnamen, luidde het oordeel. Wat klonk als een compliment. Er was een format: eerst leest de dichter iets voor uit zijn werk, dat ene gedicht zal de spil van het gesprek zijn. In afwachting van de opnamen, vraagt Brands of er iemand in het publiek een gedicht uit zijn hoofd kent. Een echte Brandsvraag, die de werking van geheugen en herinneringen in het schrijfproces, mateloos intrigeert: wat gaat er om in dat hoofd? Er werd voorzichtig wat geschoven op stoelen en evenzo gelachen. Ellen Deckwitz was er wel goed in, zowel uit eigen werk als uit het werk van anderen declameerde zij uit het hoofd. Vier mooie interviews met Pieter Boksma, Ellen Deckwitz, Hester Knibbe en K. Schippers.

    Verhalen en anekdotes

    De Nacht was vol verhalen en anekdotes, met dank aan de presentatoren Esther Naomi Perquin en Piet Piryns. Perquin vertelde dat zij eens met een bijna tachtig jaar oude dichter een museum bezocht. Dat zij die dichter onderweg kwijtraakte en na tientallen minuten zoeken, waarbij ze de suppoost inschakelde en bang werd, bij elke toiletdeur die zij opentrok, de dichter ineengezakt op de vloer zou aantreffen. Tot ze de dichter buiten in de zon zag zitten, een sigaret rokend. Zij vertelde hem hoe ze hem gezocht had en haar groeiende angst hem op de vloer 12027525_992788844076975_5632214561750089309_naan te treffen terwijl ze deur van het toilet opentrok. En de dichter, die aandachtig luisterde, vroeg: ‘En, lag hij daar?’ Met deze tekst werd K. Schippers aangekondigd die met verende tred het podium betrad en vanaf de katheter voorlas: Iemand elke dag zien/iemand toevallig zien/iemand af en toe zien/ iemand per vergissing zien/(…)/iemand nooit meer zien, uit zijn nieuwste bundel Fijn dat u luistert.

     

    ‘Thuis wil ik zijn, al is het maar een nacht.’

    Een dichtregel van Tsjêbbe Hettinga (1949-2013) waarop de Nacht van de Poëzie werd gedragen. Thuis was men zeker in deze Nacht, misschien wat al teveel. Het publiek was vlot en overweldigend met applaus, joelen en fluiten dat menig dialoog, dat eventueel had kunnen ontstaan tussen zaal en podium, in de kiem werd gesmoord. Nog voor de fragiel ogende Juliette Gréco één noot had gezongen, werd de zaal haast afgebroken  met stampen, roffelende handen op houten relingen en een overweldigend applaus. Haar zang en intonatie waren zeer beheerst en soms haast krampachtig, zoals bij ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel. Het doorlopend fladderen van haar handen leek teveel een maniertje en bewogen steeds net een fractie van een seconde achter de tekst aan. Misschien was het bij een wat minder overweldigend onthaal wel tot een dialoog tussen haar en het publiek gekomen. 12032127_993690873986772_8240695244972306113_nDe ontdekking van dit jaar is Benjamin Clementine met zijn theatrale zangkunsten en intrigerende teksten. In zijn donkergrijze lange coat, stond hij min of meer achter de vleugel die hij merendeels bespeelde met één hand. De rechterhand bewoog mee op de tekst van zijn songs: ‘It does’nt matter any more. En het beroemd geworden Condolence, ‘I swear, you’ve seen me/You’ve seen me here before/before.’

     

     

    Tussen de golven van applaus en performance in, was het een verademing te luisteren naar Hester Knibbe, ‘liefde, liefde, het zit altijd vast aan iemand’ en Anneke Brassinga, één met haar gedichten in haar voordracht. Zij kregen ieder op hun wijze de zaal stil, aandachtig luisterend. Waarna het lachen was met de verzen van Ivo de Wijs, en de wat cynischer, maar daarom des te komischer poëzie van  Lévi Weemoed.

     

    11987199_992793087409884_8579969130201574497_nPeter Verhelst maakte indruk met zijn gedicht over de foto van de Syrische peuter op het strand. Afhankelijk van wat we zien hoelang dit op ons netvlies blijft: ‘Zelfs toen we niet meer keken bleef het liggen op het strand/zelfs toen het weggehaald was bleven we het zien liggen’.
    Na de dip van de Nacht, en zoals Piryns het zo treffend verwoordde dat ‘je het niet kon maken nu thuis aan te komen’,  blies Ilja Leonard Pfeiffer ( ‘Zij hadden mij de nacht beloofd’), de Nacht nieuw leven in met zijn verschijning en voordracht. Ook Pieter Boksma, maakte indruk. Hij  vond het tijd worden voor een revolutie en dan een dichtertje op de troon ‘zodat men weer genieten kan van dansende zonnevlekken op een bospad’.

    Ode aan dode dichters

    Deze Nacht waren drie dode dichters aanwezig. Mike Boddé bracht een ode aan Drs. P (1919-2015) door op aanstekelijke wijze over hem te spreken en zijn liederen te zingen. Dat deed hij op zo’n zelfde wijze, dat het leek of Drs. P himself aanwezig was. Ester Naomi Perquin las het gedicht God te zijn van Joost Zwagerman voor. En vertelde dat Rogi Wieg eindeloos kon bellen. De laatste keer dat zij met hem sprak zei ze na vier uur bellen: Rogi, ik heb ook nog wat te doen.’ Waarop Rogi zei: ‘Ja, naar mij luisteren.’ Indrukwekkend was de video waarvan hij en wij in de zaal ook, wisten dat hij op het moment van uitzending er niet meer zou zijn, en waarin hij hij licht geëmotioneerd zegt: ‘Ik ga nooit meer een gedicht schrijven.’

    Terwijl voor het podium op de vloer het publiek op kussens de laatste uurtjes van de Nacht doorbrengt, de geur van zweetvoeten zijn hoogtepunt bereikt, maakt Typhoon er 12049638_992786484077211_4116692214999661065_neen feestje van met een swingend einde. Waarna Charlotte Van den Broeck met een ongelofelijke woordkracht de zaal bezwoer en de Nacht waardig afsloot. Zoals Van den Broeck haar gedichten declameerde, zo zou je het willen. Eindelijk eens een gedicht uit het hoofd leren zodat, als bijvoorbeeld Brands erom vraag, je het zo op kunt zeggen. Van den Broeck verliet het podium met een mondig ‘Goedenacht’, waarin een glimlach hoorbaar was. Mooi was het.

     

     

    Foto’s: Charlotte Van den Broeck / Peter Verhelst / K. Schippers : Annemarie Sint Jago
    Foto’s: Zaal / Benjamin Clementine: Michael Kooren

     

  • Longlist AKO Literatuurprijs 2014

    Wat schreef Literair Nederland over zes van de vijfentwintig titels die de longlist haalden?

    Onlangs werd de longlist van de AKO Literatuurprijs, waarop maximaal 25 titels, bekend gemaakt. Uit deze longlist worden zes boeken gekozen die op de shortlist terechtkomen. Die lijst wordt vrijdag 26 september bekend gemaakt. Wie uiteindelijk de winnaar wordt van de AKO Literatuurprijs moet wachten tot donderdag 13 november. Dan zal de prijs worden uitgereikt in Den Haag in een bijzondere samenwerking met het festival Crossing Border. Het wordt een speciale Crossing Border avond waarin de genomineerde auteurs geïnterviewd zullen worden door  Wim Brands. De avond zal worden afgesloten met de bekendmaking van de winnaar van de AKO Literatuurprijs 2014.

    Zes van de vijfentwintig titels zijn door Literair Nederland besproken.

    indexMachiel Jansen over Appels en peren van Maarten Asscher: 
    De creativiteit zit ‘m erin dat je nieuwsgierig wordt gemaakt naar wat Asscher nu zo belangrijk vindt in een goeie roman. Want behalve over Het fregatschip gaat dit essay (kort gezegd) over de opvatting dat goede romans ideeën behoren te bevatten.

     

    thumb.phpIngrid van der graaf over De nacht van Merijn de Boer:
    Het blijkt dat Marcel de gewoonte heeft  op een willekeurige plek van zijn stadsplattegrond een konijn te tekenen, als uitdaging om delen van de stad te doorkruisen. Langs niet gekende wegen, waarbij hij zich niet mag laten afleiden door zaken die zijn aandacht trekken, moet hij het traject lopen dat correspondeert met het op de kaart getekende konijn. En dat is exact wat De Boer met zijn roman doet: hij daagt zijn lezers uit door de complexe verhaallijnen het spoor van Marcel te blijven volgen. De andere personages zijn in wezen van geen enkel belang maar tegelijk zijn ze onmisbaar om Marcel te kunnen laten stralen in zijn rol van klunzige buitenstaander.

    thumb.phpMenno Hartman over Vis in bad van Tijs Goldschmidt:
    Vis in bad
    is een gevarieerde essaybundel van hoge kwaliteit die aanzet tot denken en lezen. En vergelijken: het register van Vis in bad is alleen maar wat minder streng opgesteld dan dat van de eerste twee bundels. Zodat je moet constateren dat Goldschmidt in dit boek wel over ‘zee’ en ‘actrice’ heeft geschreven, en in de vorige twee niet. Of toch?

     

    thumb.phpAstrid van Wijngaarden over Zeer helder licht Wessel te Gussinklo:
    Te Gussinklo dwingt je mee te spartelen in gepijnigde zielekrochten, megalomane opvlammingen, tedere droomgedachten, hysterische razernij, obsessief verlangen en uitvergrote schrikgezichten. Soms – hoe aangenaam – mogen we ook even deinen op het gladde oppervlak maar ja, je zou als schrijver geen Te Gussinklo heten als je uiteindelijk niet toch weer kopje onder gaat. Of erger nog, door koude golven genadeloos wordt uitgespuwd.

    thumb.phpHelle Kuipers over De laatste ontsnapping Jan van Mersbergen:
    Terwijl het verhaalheden gaat over een tripje van het viertal naar Zuid-Frankrijk, is De laatste ontsnapping voor een groot deel een kaleidoscopische terugblik op de kroegbelevenissen en de wording van Ivan als vader.

     

    thumb.phpMartin Lok over Voor jou van K. Schippers:
    Voor wie nu denkt dat Voor jou louter een melancholische blik is van een verdrietig man; dat is geenszins het geval. Voor jou is ondanks de alomtegenwoordige Dood vooral een ode aan het volle leven. Het is een parade van herinneringen aan jazz, film en kunst. Billy Eckstine, Balthus, Rudy Kousenbroek, John Cage, René Margritte, Johnny Mercer, Édouard Manet en Geer van Velde. Allemaal komen ze bij Schippers langs, steevast in gezelschap van zijn vrienden.

    I. v/d Graaf

     

  • Ode aan het leven en herinnering aan twee overleden vrienden

    Ode aan het leven en herinnering aan twee overleden vrienden

    Hij had wee fotorolletjes in zijn hand. ‘Het voelde als een toegift,’ zo schrijft K. Schippers in Voor jou.  Op de rolletjes stonden de laatste foto’s van twee jeugdvrienden, G. Brands en J. Bernlef. Ze waren kort na elkaar overleden, ‘verdwenen’ zoals Schippers zelf zegt. Hij voelde ‘het beschutte verleden’ in zijn hand. ‘Het zal tot leven komen, als alles hier, om mij heen.’ En dat doet het. Brands en Bernlef nestelen zich in de warmte van Schippers’ verhalen. Een diepe vriendschap komt intens tot leven.

    Schippers (1936) kende Brands en Bernlef al sinds zijn jaren op de hbs. ‘Alles hebben we samen ontdekt, de film, de jazz, dada en Schwitters in de zijvleugel van het Stedelijk. Met niemand heb ik zoveel gelachen.’ Samen richtten ze in 1958 het literaire tijdschrift Barbarber op, ‘een verspreking van Gerard [Brands], op een middag dat we weer eens langzaam probeerden te fietsen, dit keer op de Singel, bij de Bloemenmarkt. Zo zetten drie jongens hoe ze al op de hbs praatten een leven lang voort.’

    Als het leven van zijn twee vrienden ten einde loopt verblijft Schippers in Brussel om workshops te geven voor filmstudenten. Hij rondt er ook zijn verhalenbundel af, maar terwijl hij dat doet dringen zijn jeugdvrienden en zijn herinneringen steeds meer zijn verhalen binnen. Zo herinnert Schippers zich hoe hij met Gerard in 1957 in een bioscoop in Barcelona kennismaakte met het veranderende zwart-witte licht van Robby Müller, de Nederlandse cameraman van Down by Law. Of hoe hij zich laafde aan de ‘tengere kleuren’ waarmee de Nederlandse schilder Piet Moget de zee ‘betrapte’. Altijd weer bezingt hij kleuren en licht. Zelfs als anderen vooral naar een prachtig punt bij volleybal kijken: ‘Heiig weer, een vermoeden van de horizon, die schuilgaat achter algemeen lichtgrijs. Hemel, zee, strand, door dezelfde tint bedekt.’

    Voor wie nu denkt dat Voor jou louter een melancholische blik is van een verdrietig man; dat is geenszins het geval. Voor jou is ondanks de alomtegenwoordige dood vooral ook een ode aan het leven. Het is een parade van herinneringen aan jazz, film en kunst. Billy Eckstine, Balthus, Rudy Kousenbroek, John Cage, René Margritte, Johnny Mercer, Édouard Manet en Geer van Velde. Allemaal komen ze bij Schippers langs, steevast in gezelschap van zijn vrienden. Hij wisselt deze herinneringen af met verhalen en met flarden van zijn tijd voor Brands en Bernlef. Flarden die je doen glimlachen. Bijvoorbeeld als hij verhaalt hoe hij in de oorlogsjaren voor het eerst onder de douche ging, bij een ‘Uitspanning’, naakt, buiten, tussen de koeien. Beeldender kan je haast niet schrijven. Je ziet het voor je.

    In één van de verhalen bezoekt Schippers de schilder Geer van Velde, die hem doceert hoe hij moet kijken. ‘Kijk eens naar dit potlood en de inktpot. Het essentiële is niet het ene of het andere voorwerp, maar de ruimte die er tussen beiden is,’ zegt Van Velde.’ Het is de perfecte omschrijving van de vriendschap die Schippers voelt voor zijn twee Barbarber-genoten. Hij vindt zijn essentie in datgene dat er tussen hen is. Een essentie echter die tijdens het schrijven van Voor jou verwordt tot herinnering.

    ‘Een luchtige, prettige herinnering waarover nu een schaduw dreigt te vallen,’ zo schreef Bernlef aan Schippers, vlak voor Brands’ overlijden. Een schaduw die niet veel later ook Bernlef zelf mee zou sleuren, en Schippers, zelf nog even ‘weggelopen voor de dood,’ verdrietig zou achterlaten. Maar niet alleen. Want zijn vrienden zijn, in weerwil van wat hij zelf schrijft, nooit echt verdwenen. In tegendeel. In Voor jou komen ze weer intens tot leven, als alles hier, om Schippers heen. Als ode aan een voorbije maar niet vergeten vriendschap. Op elke pagina, in elke alinea, in elke zin schreeuwt Schippers ze toe. ‘Ik kijk hoe het licht verandert.’ .

     

     

     

  • Voor jou – K. Schippers

    Etalage

    K. Schippers is in Brussel om workshops te geven aan filmstudenten en om aan zijn nieuwe verhalen over kijken en het toeval te werken. Bevlogen vertelt hij over het wonder van Barcelona en over zijn ontmoeting met de vrouw die op haar zestiende model stond voor de schilder Balthus. Maar dan wordt zijn verblijf in Brussel ruw onderbroken: kort na elkaar sterven twee van zijn vrienden, de schrijvers en medeoprichters van Barbarber: Bernlef en G. Brands. Wanneer Schippers verder schrijft, komen er steeds meer herinneringen naar boven. Schrijvendeweg worden de twee vrienden opgenomen in de verhalen waarmee hij ze voorgoed een plaats geeft.

    Lees hier een fragment uit Voor jou op de site van Athenaeum Boekhandel

    K. Schippers (1936) schrijft romans, gedichten, verhalen, essays en literaire beschouwingen. Eerder ontving hij al de P.C. Hooftprijs en de Libris Literatuurprijs.

    Hier een radio intervies van Wim Brands met K. Schippers in Brands met boeken van 30 aug. 2013. Schippers praat over zijn nieuwste boek en de Barbarber tijd.

     

     

  • Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er een writers in residence op nahoudt. Zo kwam het dat K. Schippers (1936) nu al twee maanden in Brussel verblijft, om te schrijven en om werken met studenten aan de universiteit. Ter afsluiting geeft hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedraagt zich niet als een operadiva die haar masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Wel was hij dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

    Schippers leest en parafraseert gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelt vragen en moedigt het publiek aan een bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken ernaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat, ‘ olieverf en mixed media’):

    ‘Een neveltje zien dat er niet is,
    komt door een minieme oogafwijking
    Maar niet merken dat het weg is,
    als je ter correctie een bril draagt.’

    Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

    ‘En dat wat beoogd wordt of waar
    het om gaat is zeker aanwezig
    in een sterke concentratie: dit is
    het, wat hier staat, nee, niet de
    woorden die ontbreken, die zijn er
    met opzet niet bij gezet, precies,
    de aandacht ligt veilig in de rails.

    Want in een gedicht horen geen
    dode plekken als lange straten of
    eindeloze weilanden, die in ’t echt
    wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,
    maar op papier te veel nummers hebben
    of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
    maar alleen buiten mogen ze
    volop, dubbeldik, mat en saai zijn.
    Daar is geen plaats voor in een gedicht.’

    Declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

    Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

    ‘[…]
    Schoenen die je niet meer draagt
    Voorbijgangers op een zebrapad
    De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden
    Wolken
    Het gewicht van een tas
    Adres van een opgeheven stomerij
    […]’

    ‘Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie,’ reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die melancholie in de lezer. ‘Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?’ Interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: ‘Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.’ Mensen doen de werkelijkheid, ‘de dingen’ tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

    ‘Wat er overblijft? Verhevigde observaties’, meent Schippers. ‘Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.’ Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

    ‘Een doos op tafel
    Tafel waarop doos
    Een doos op de tafel
    Doos op tafel
    Tafel met doos”

    ‘In de taal zitten alle standen van de doos vervat,’ zegt hij. ‘Meer lijkt niet mogelijk. ‘ En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan. ‘Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.’

    Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. ‘Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw.’ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: ‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.’ Tot betekenisloze taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

    Hij draagt het gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

    ‘achter toe wel uit
    Zo toe met van uit zo
    Toe met van wat

    Of op ter nog
    Tussen tot om
    In te met ook’

    Vierendertig strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet. Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.’ Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

    Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de zevenentwintigste letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

     

    De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

     

  • Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    Peuteren aan de rafelranden van het gewone

    De Canadese pianist Glenn Gould (1932-1983), ooit wereldberoemd door zijn onnavolgbare uitvoeringen van Bach, waarbij je hem kon horen neuriën en zichzelf met één hand zag dirigeren, had een voorliefde voor de muziek van Arnold Schönberg. Deze had in 1921 de zogenaamde twaalf tonen muziek bedacht. Piep- en knor muziek heb ik het wel eens horen noemen. Gewone harmonieën zijn verdwenen en de klanken klinken nog wel eens willekeurig, waardoor de meeste mensen zich achter de oren krabben en zich afvragen waar ze nu eigenlijk naar luisteren. Schönbergs twaalf toon muziek verwart, zeker diegenen die het voor het eerst horen.

    Gould vroeg zich af waarom we toch zo veel moeite hebben met zulke muziek die fundamenteel afwijkt van de melodische  klanken die we gewend zijn. Als je nou eens een kind alleen maar atonale muziek zou laten horen, zou het dan later net zo in de war raken van conventionele, tonale muziek? Gould dacht van wel. Het zijn volwassenen die moeite hebben het ongewone gewoon te vinden.

    Je zou kunnen zeggen dat Schönberg het muzikale alfabet had veranderd. Hij had de harmonische wetten van de muziek naar zijn eigen hand gezet. In het begin van de twintigste eeuw was hij niet de enige die morrelde aan bestaande alfabetten, wetten en grammatica’s. Schönbergs vriend, de schilder Kandinsky maakte abstracte schilderijen bestaande uit cirkels, driehoeken, lijnen en kleurvlakken die allemaal een eigen betekenis hadden en onderdeel waren van een zelf bedachte, spirituele taal. Tijdgenoot Marcel Duchamps bedacht zelfs een alternatieve, humoristische natuurkunde die hij in zijn kunstwerken tot in detail uitwerkte. Het resultaat van al die experimenten was telkens dat het gewone plotseling ongewoon werd en het enige wat je daarvoor hoefde te doen was iets veranderen aan een klein maar fundamenteel principe.

    In K. Schippers nieuwe roman Op de foto staat een dergelijk experiment centraal. Ons alfabet kent 26 letters, maar wat als er nu een 27ste zou blijken te zijn? Hoe zou die letter er uit zien en hoe zou de taal er mee verrijkt worden? Schippers’ roman is een dans rond die vragen en de lezer blijft na afloop prettig duizelig achter.

    Een extra letter in het alfabet hoe zou die eruit zien? In Schippers roman is het een kleuterklas die op die vraag het best en zonder moeite het antwoord weet. Het zijn de volwassenen die reageren alsof ze voor het eerst een muziekstuk van Schönberg horen. Zij zijn het die even verward raken, op zoek gaan naar betekenis en in een enkel geval zelfs hun leven een andere wending geven. Glenn Gould zou tevreden geknikt hebben.

    Het verhaal is in deze roman eigenlijk ondergeschikt aan het gedachtenexperiment rond de 27ste letter. Abbie en Jan zijn op vakantie en laten door een onbekende een foto van hen maken. De foto (op een ouderwets rolletje) wordt naar huis gestuurd waar een zekere Yvette en haar vriend Rob onmiddellijk geïntrigeerd raken door de foto. Er is iets mee. Het tweetal ziet er van alles in en komt er snel achter dat hij gemaakt is door Alain Dubout, een beroemd fotograaf. Ze besluiten dan ook de foto te koop aan te bieden aan een Londens veilinghuis dat onmiddellijk geïnteresseerd is. Abbie en Jan weten ondertussen van niets, maar ook zij raken later in de ban van de foto en ontdekken dat deze verwijst naar de 27ste letter van het alfabet. Zowel foto als letter worden een steeds belangrijker onderdeel van hun leven. Maar het is Yvette die alleen besluit af te reizen naar het eiland en op zoek te gaan Dubout en het raadsel van die ene letter probeert te ontcijferen.

    Het verhaal mag dan ondergeschikt zijn aan het idee van een extra letter in het alfabet, de manier waarop het verteld wordt, vol met raadseltjes en (pseudo)aanwijzingen, blijft voortdurend boeien en illustreert op een fraaie manier het doel van experiment. Schippers peutert voortdurend aan de rafelrandjes van het gewone, waardoor je op zijn minst het vermoeden krijgt dat er iets ongewoons onder zit. Het idee dat elke zin betekenis heeft kun je bij Schippers dan ook het beste los laten. Zo noemt hij de naam van het eiland niet waar Abbie en Jan op vakantie zijn en waar Dubout de foto maakt, en prikken Rob en Yvette spelden op een kaart om zo bij te houden waar Dubout op zijn reizen is geweest. Maar wie er achter komt dat het eiland Corsica is, heeft een puzzelstukje in handen dat op geen enkele plaats lijkt te passen. De boodschap lijkt te zijn dat de randen van een enkel puzzelstukje veel leuker zijn dan de afgemaakte puzzel en dat een zoektocht veel interessanter is als je dingen vindt waar je helemaal niet naar op zoek was. Sterker nog, de lol is er af als je snel vindt waar je naar op zoek naar bent.

    ‘Plezier’ is het woord dat komt bovendrijven na het lezen van deze roman. Plezier om het gewone weer ongewoon te vinden, de plezier van de lichte verwarring en de plezier van het vluchtig kennismaken met kunstenaars en kunst. Want Schippers wordt niet moe in kleine terzijdes te verwijzen naar kunstenaars, literatuur en muziek, van Meret Oppenheim tot Judy Garland. Maar nergens wordt het opdringerig of overdreven ijdeltuiterij. In plaats daarvan illustreren al deze verwijzingen het plezier van het peuteren aan het gewone. Je zou dan ook kunnen zeggen dat Op de foto in essentie gaat over kunst, die op een lichtvoetige manier levenskunst wordt.

    In 2010 publiceerde Schippers nog zijn zoektocht naar Marcel Duchamps en je zou deze roman een fictieve versie van dat verslag kunnen noemen. Zoals Schippers gefascineerd en beïnvloed werd door de kunstenaar die gewone voorwerpen tot kunst verhief en eigen wetten en meeteenheden bedacht, zo raakt Yvette gefascineerd door Dubout, die veel meer blijkt te zijn dan een fotograaf. Net als Duchamps is Dubout een kunstenaar die kunst en leven met elkaar vermengt, zich terugtrekt en geen aandacht besteed aan roem en publiciteit.

    Duchamps werk is wel in verband gebracht met Dada, de beweging die na de eerste Wereldoorlog Europa even in zijn ban had. En Schippers draagt zijn oude, niet versleten liefde voor Dada nog altijd uit, zoals vorig jaar nog tijdens de tentoonstelling van de gebroeders Ritsema in Drachten. In Op de foto is het dan ook niet voor niets dat Abbie kinderpsychologe is en pogingen doet om het moment vast te leggen dat kinderklanken betekenis krijgen. Dada probeerde in zekere zin het omgekeerde; het betekenisvolle moest tot onzin worden afgebroken.

    Het is op de scheidslijn van onzin en betekenis waar Schippers zich het meest op zijn gemak voelt. In 1958 richtte hij samen met Bernlef en G. Brands het tijdschrift Barbarber op, waarin de poëzie gezocht werd in de onzin en het verrassende in het alledaagse. Naast bijdragen van de oprichters en hun vriendenkring waren regelmatig teksten te lezen van dadaïsten of half vergeten schrijvers uit vroeger tijd. Een enkeling wordt ook genoemd in Op de foto, zoals bijvoorbeeld Edward Lear (1812-1888), aan wie Barbarber eens een heel nummer opdroeg. Lear is de auteur van diverse onzin alfabetten die overigens allemaal 26 letters hebben. Lear schreef onzin rijmpjes voor elke letter van het alfabet, en gaf ze in eerste instantie aan kinderen te lezen. Dat de kring rond Barbarber ze zo mooi vond, heeft alles te maken met het kinderlijk vermogen de grens tussen onzin en betekenis te laten vervagen. Bij Lear werd de systematiek van het alfabet immers ondermijnd door de ontregelende onzin van zijn rijmpjes.

    In 1990 toen Schippers, Bernlef en Brands hun Barbarber-tijd wilden samenvatten in een boek, deden ze dat ook in de vorm van een alfabet. Maar ook hier ontbreekt de 27ste letter. Op de foto maakt die omissie goed.

     

  • Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    Rudy Kousbroek – schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen

    In het derde nummer van De Gids aandacht voor de – op 4 april 2010 – overleden essayist, polemist en dichter Rudy Kousbroek. Annet Mooij in het inleidende stuk Bij dit nummer: ‘Het essay vormt  samen met de poezie en het verhalend proza het hart van De Gids’. Maar een van Nederlands grootste en scherpste essayisten leverde slechts eenmaal een bijdrage. Niet omdat de redactie geen vinger aan de pols hield bij de betreffende schrijver. Graag had de redactie meerdere stukken van hem opgenomen maar het bleef bij die ene keer in 1984, toen hij enkel korte stukjes leverde als bijdrage voor het  ‘Het pak van Sjaalman’. Tot iets groters voor De Gids is het nooit gekomen. 

    Kousbroek schreef liever voor kranten. De redactie pakt nu haar kans door dit nummer geheel aan Kousbroek te wijden. Niet uitsluitend gaan de stukken over hem maar is het vooral een nummer geworden in de geest van Kousbroek. Waarvoor onder andere Tijs Goldschmidt, Jaap van Heerden, Daniel Rovers, Xandra Schutte, Arjan Mulder, Maarten Asscher, Roel Bentz van den Berg, Bas van Putten, Dirk van Weelden en Joost de Vries een bijdrage leverden.                                                                               Sarah Hart – zijn tweede vrouw – verzorgde  Seven Photos of Rudie Kousbroek. Foto’s van Kousbroek die ze voorzag  van tekst, in de geest van Kousbroeks fotosynthese boeken.

    Tilly Hermans memoreert Kousbroek als: Schrijver die zich niet tussen twee kaften liet dwingen.  Als toegewijd redacteur en later uitgever van Kousbroek, maakte zij van dichtbij de problemen mee die Kousbroek ondervond bij het schrijven. Een tekst op commando produceren ging hem niet goed af. Een tekst van zichzelf kon Kousbroek tot grote vertwijfeling brengen: schrijven was voor hem een moeizaam proces. De ideeën die in zijn hoofd ontstonden, kosten hem veel moeite ze zo opgeschreven te krijgen zoals hij het zich voorstelde. Tilly Hermans bezocht hem verschillende malen in Parijs met het doel hem tot schrijven te brengen aan Het Oostindisch kampsyndroom. Er wordt  gewandeld tijdens die bezoeken, over katten gesproken, musea bezocht maar tot schrijven van de gewenste stukken komt het niet. Dan beklimt Tilly Hermans op een zondagmorgen de trappen naar zijn Parijse woning. Van ver hoort ze het droge tikken van een schrijfmachine. Even gelooft ze dat de schrijver schrijft.  Om dan te ontdekken dat Kousbroek de inhoudsopgave van het boek nog maar eens uittypte. Het Oostindisch kampsyndroom dat in de aanbiedingsfolder van Meulenhoff in 1986 werd aangekondigd, verscheen pas in1992. Toen CPNB aankondigde dat het boekenweekthema van 1992 Nederlands-Indie zou zijn schreef  Kousbroek opeens in enkele maanden 500 paginas. Tilly noemt het in vergelijk met Multatuli, Kousbroeks ‘pak van Sjaalman’.  Ook Medereizigers – over hoe de liefde van de mens voor het dier is ontstaan – kwam pas tot een compositie toen Dieren het thema werd van Boekenweek 2009. Tilly Hermans: “(…) wanhopig en kwaad kon ik zijn omdat hij maar niet leek te willen geloven dat we zijn boeken heel graag wilden uitgeven, dat ik echt niet zijn enige lezer zou zijn.”

    De tekst van de eerste Rudy Kousbroek-lezing, gehouden door K. Schipper staat in dit nummer. Het Rudy Kousbroekplein bevat onverhuld een pleidooi om een bestaand plein in het Rudy Kousbroekplein om te dopen. Want het Sarphatipark heette eerst Bollandpark en het Jan Willem Brouwersplein is nu Concertgebouwplein. En waarom niet een “(…) Rudy Kousbroekplein, (..) aan de zijkant van de muziektempel (…) In de naam klinkt van alles door (..) compleet met Jan Willem Brouwers, een verhaal dat ontploft tussen al die trampassagiers, wachtend op de halte.” Denkend aan Kousbroek komen toch vooral de knetterende polemieken boven die hij met schrijf-collega Jeroen Brouwers voerde. Schippers schreef een forensische schets over Kousbroek, die als zestienjarige met het troepentransportschip Noordam vanuit Sumatra, Nederland binnenvoer. Over de wegen die hij in het Amsterdam van de jaren 50 bewandelde of per tram beslechtte op weg naar school of theater. Daar zou nog wel eens een Rudy Kousbroek-route uit kunnen ontstaan die uitkomt op het Rudy Kousbroekplein.

    Maarten Asscher interviewde Rudy Kousbroek in het Academisch-Cultureel centrum Spui 25 te Amsterdam op 17 april 2007. Het gesprek begint als volgt: “MA: Wil je een glaasje water om mee te beginnen? RK: Wat ik eigenlijk het liefst zou willen is de gordijnen dicht. We zitten hier zo te koop. MA: Voor schrijvers is dat toch niet zo ongepast? RK: Voor een schrijver als ik wel, hoor. Ik werk in het donker.”  Waarna het interview onder het motto de ‘fotosynthese’ wordt afgenomen. Een formule van foto’s waarbij een tekst geschreven. Kousbroek heeft verschillende fotosyntheseboeken gepubliceerd. In dit gesprek noemt Kousbroek zichzelf een  mislukt romancier. “Het is mij nooit gelukt om een roman, een echte roman, te schrijven zoals ik denk dat dat gedaan moet worden, en die ook werkelijk af te maken.”

    Uit alles blijkt dat Rudy Kousbroek leed aan een gebrek aan zelfvertrouwen waardoor veel ideeën het niet tot een publicatie brachten. Kortom, een Gids  voor de liefhebber van Rudy Kousbroek, een collecters nummer!

     

     

  • K. Schippers en de invloed van Marcel Duchamp

    K. Schippers en de invloed van Marcel Duchamp

    Recensie door Machiel Jansen

    In 1913 schroeft Marcel Duchamp (1887 – 1968) een fietswiel op een krukje. Het is leuk om naar het draaiende wiel te kijken, net zoals je naar de vlammen in de open haard kunt staren. Een paar jaar later kiest hij voorwerpen uit, (een flessenrek, een sneeuwschep, een urinoir)  signeert ze en promoveert ze tot kunstvoorwerpen, Readymades. Vooral het urinoir, dat hij in 1917 Fontein noemt en signeert met het pseudoniem R. Mutt, onder meer een verwijzing naar een stripfiguur, houdt de gemoederen lang bezig. Het wordt geweigerd bij een tentoonstelling en verdwijnt, hoogstwaarschijnlijk op de vuilnisbelt. Later zijn er verschillende replica’s van gemaakt. In 2004 wordt Duchamp’s Fontein door kunstkenners uitgeroepen tot het meest invloedrijke, moderne kunstwerk.

    Duchamp kan zonder meer beschouwd worden als de voorloper van bijna elke grote kunststroming vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. Pop Art, Conceptuele kunst, Minimal Art, Performance Art, Postmodernisme, al die stromingen zijn schatplichtig aan Duchamp. De gedachte dat het bij moderne kunst niet zozeer gaat om het kunstwerk zelf als wel het idee dat er achter zit, het conceptuele, vind je als eerste bij de uitvinder van de Readymade.

    Ook in de Nederlandse literatuur kom je Readymades tegen, met name in het werk van K. Schippers (1936, pseudoniem van Gerard Stigter).  Schippers richt in 1958 met zijn twee vrienden J. Bernlef en G. Brands het tijdschrift Barbarber op. Behalve nieuwe bijdragen van het drietal oprichters en schrijvers als Jan Hanlo en Dick Hillenius, staan er ook bestaande teksten in van schrijvers en kunstenaars, waaronder Francis Ponge, Daniil Charms, Kurt Schwitters en Marcel Duchamp.  De stemming bij Barbarber is die van vrolijkheid, vrijheid, het onverwachte. Loodzware ernst wordt met humor en ironie bestreden. Het zijn woorden die ook op het werk van Marcel Duchamp van toepassing zijn.

    Duchamp heeft  een aantal keren zijn aantekeningen verzameld en deze verschijnen in stukjes af en toe in Barbarber. Ze worden hier, misschien wel voor het eerst, gepresenteerd alsof het poëzie is. Wat opvalt is dat K. Schippers de vluchtige, pseudowetenschappelijk stijl van Duchamp, in zijn eigen teksten imiteert. De invloed is groot. De titel van Schippers’ tweede dichtbundel Een klok en profil (1965), verwijst naar een uitspraak van Duchamp (‘when a clock is seen from the side it no longer tells the time’).  In de bundel staat de éénregelige,  poetische Readymade getiteld Rijksmuseum, waarin het Nederlandse paleis van de kunsten teruggebracht wordt tot een adres: Stadhouderskade 42 te Amsterdam

    Bernlef en Schippers schrijven in 1967 een aantal essays over moderne kunst onder de titel Een cheque voor de tandarts. Ook die titel verwijst naar een werk van Duchamp; een zelf ontworpen cheque om zijn tandarts te kunnen betalen. En ook in Schippers’ latere werk is de geest van de Franse kunstenaar nooit ver weg.

    De invloed van Duchamp op Barbarber komt ook kort aan de orde in het nieuwe boek van K. Schippers De bruid van Marcel Duchamp. Het bestaat grotendeels uit beschrijvingen van de reizen die Schippers door de jaren heen ondernam om de plaatsen waar Duchamp woonde, werkte en verbleef te bezoeken. Het resultaat van die zoektocht is een plezierig en persoonlijk boek over een kunstenaar die zijn geheim niet prijs geeft en over een schrijver die zo graag eens bij zijn geestverwant en voorbeeld op bezoek zou gaan.

    Schippers reist Duchamp, die in 1968 overleed, na. Hij bezoekt Philadelpia waar het grootste gedeelte van het oevre te zien is, Parijs, Neuilly, Blainville-Crevon, München, New York. Waar Duchamp geweest is komt Schippers langs. Soms denkt hij hem elk moment te kunnen tegen komen.

    Wie helemaal niet bekend is met het werk van Duchamp of zijn tijdgenoten zal aan sommige delen van De bruid van Marcel Duchamp nog een hele kluif hebben. Schippers geeft geen systematische beschrijvingen van de kunstwerken, en ook aan interpretaties waagt hij zich niet. Daar zijn andere boeken voor. In plaats daarvan zijn het mijmeringen, herinneringen aan wat hij gelezen heeft, soms in de vorm van proza die flarden van Duchamps werk en leven vertellen. Daarbij gebruikt hij soms een overvloed van namen en titels, die de oningewijde wel eens kan afschrikken:

    ‘Wat weet hij nog van Rêlache, het ballet van Picabia en Satie, dat in 1912 in het Théâtre des Champs Elysées werd opgevoerd? Kwam Jacques Rigaut ook naar de première? Deze jonge dandy was immers bevriend met René Clair, de maker van de film Entre’acte, die in de pauze werd gedraaid. Les Deux Timides, waarin de twee geliefden elkaar achternazitten kwam pas zeven jaar later uit.’

    Achterin het boek staat een leeslijst, maar wie snel kennis wil maken met het werk van Duchamp kan het best www.understandingduchamp.com bezoeken. Een geweldige website waar met animaties de werken hier en daar verduidelijkt worden. Vooral voor een goed begrip van Duchamps meesterwerk De bruid, ontbloot door haar vrijgezellen,zelfs is dat geen overbodige luxe. Het werk heeft de naam ondoorgrondelijk te zijn en speelt een grote rol in Schippers’ verhaal.

    Het grote glas, zoals het werk ook wel wordt genoemd, verbeeldt een enorme machine, een pseudowetenschappelijke uitbeelding van de ongeziene krachten die de menselijke erotiek vorm geven. Een apparaat dat, zoals een criticus eens opmerkte, niet kan functioneren zonder de olie van de humor. Het werk is geen schilderij, geen beeldhouwwerk, maar wat Duchamp een ‘opschorting’ noemde. Een poging om een kunstwerk te maken waarbij het visuele ondergeschikt was aan de ideeën die er in tot uitdrukking komen. Iets totaal nieuws dus, een poging om los te komen van elke conventie, maar niet van de ironie en de lach.

    Centraal in Het grote glas, staat de bruid in de vorm van een apparaat dat niets menselijks heeft. Zij wordt bestookt door negen vrijgezellen die via vreemde mechanismen de bruid proberen te verleiden. Duchamp ontwierp voor het geheel een persoonlijke natuurkunde en de aantekeningen die het werk moeten verduidelijken zijn later uitgegeven in de zogenaamde Groene doos. Het zijn o.a. deze teksten die in Barbarber terecht kwamen.

    De titel van het boek verwijst naar de bruid in glas. In Het grote glas is zij een abstracte motor die draait op liefdesbrandstof. Schippers gaat op zoek naar haar menselijke gedaante, maar ook naar de raadsels die Duchamp en zijn werk omgeven. Daarbij gaat het hem niet eens zozeer om antwoorden maar meer om de nabijheid te ervaren van de kunstenaar met wie hij zich zo verwant voelt.

    De achterkant van het boek vermeldt dat hij op zoek is naar Duchamp’s bruid, de vrouw of vrouwen die de inspiratie geweest moeten zijn voor Duchamps Grote glas. Maar zo doelgericht zijn de reizen van Schippers niet en dat is nu ook net wat het boek zo leuk maakt. Zo beschrijft hij een hele dialoog tussen Mondriaan en Duchamp alsof hij er zelf bij was. In New York sluipt hij een oude studio van Duchamp in die inmiddels als kantoor dienst doet en beschrijft de ruimte alsof het nog vol met Duchamps spullen staat. In München gaat hij in een café zitten en alsof het 1917 is verwacht hij Duchamp  en zijn vriend elk moment te zien binnenkomen.

    Misschien nog wel leuker dan de bezoeken aan Duchamps vroegere woon- en verblijfplaatsen zijn de ontmoetingen die Schippers door de jaren heen heeft gehad met Man Ray, John Cage, Nelly van Doesburg en de ex-vrouw van Picabia. Het zijn geen diepgravende gesprekken en er komen geen wereldschokkende, nieuwe feiten aan het licht. Maar de grote kunstenaars van weleer komen opeens  dichterbij. Ze worden tastbaarder en het voetstuk waar de kunstgeschiedenis ze op heeft gezet wordt even weggenomen.

    Wat dat betreft doet De bruid van Marcel Duchamp denken aan Holland Dada (1974, uitgebreid en herzien in 2000) waarin Schippers de activiteiten van Dada kunstenaars in Nederland beschreven heeft.  Maar De bruid… is speelser in toon en opzet dan het meer feitelijke Holland Dada. Schippers is er met De bruid van Marcel Duchamp in geslaagd een informatief eerbetoon te schrijven aan een kunstenaar die zoveel invloed heeft gehad maar die we desondanks niet goed kennen. Schippers laat ons een beetje kennis met hem maken. De raadsels die Duchamp en zijn werk omgeven lost hij niet op. Een tipje van de sluier licht hij ook niet op. Dat hoeft ook niet bij een bruid die al ontbloot is.