• Lange ketens met kwetsbare schakels

    Lange ketens met kwetsbare schakels

    De bundel Wat wij doen dat heet bewaren, van Siel Verhanneman valt uiteen in twee delen: Psoas, de zielenspier, en Uterus, daar waar het nieuwe leven ontkiemt. Twee plaatsen in het lichaam waar grote verlangens en gevoelens beleefd en bewaard worden.
    Samengebracht in deze bundel gaan die verlangens en gevoelens vooral over moederschap en het doorgeven van leven in de breedste zin van het woord. Daarbij beschrijft de dichter zichzelf niet zelden als een schakel in een lange familielijn, tussen een vader die er niet meer is en een dochter die gezond en wel het levenslicht ziet. Een kind waarin de dichter een betere, sterkere versie van zichzelf projecteert. Maar niet zonder spijt, want ooit wordt dit kind volwassen en moet het worden losgelaten; en niet zonder angst, want het lot komt in vele gedaanten en spaart niemand.

    ‘Ik herken een zus in liedjes op de radio, / ik zie een vader achter het stuur van rode wagens. / Deze soort van missen vindt geen plek in ons vrolijk circus / waar we verdriet als roze koeken delen. / Deze soort van missen hoort bij de eerste golven / die zich terugtrekken net voor ze mijn tenen raken.’

    Van vasthouden naar loslaten

    Van de vele vormen van verlies getuigt Verhanneman in meerdere gedichten, genadeloos eerlijk en open. Daarmee cirkelt de hele bundel rond dat ene thema: de kwetsbaarheid van het leven. In het begin is dat vooral het verdriet om een mislukte zwangerschap dat al dan niet met een partner kan worden gedeeld.

    ‘Vandaag verloor de vrouw alweer een vrucht, / een idee van jou, tot je afsterft? / Oplost, waarin? / Uitstroomt, waarheen? // Op zoek naar een schuldige / eindigt ze steeds bij jaar vermoeide handen, / gespannen spieren, de kraaienpoten, / het onafgebroken drammen in haar hoofd / hoe graag ze jou hier wil houden, / kan het niet in alle rust / loslaten // het allerkleinste deeltje in haar / geen plek kan vinden. // Het is de natuur, zegt de man / die elke nacht naast haar slaapt, / verzwijgt hoe die voor de vrouw / veel wreder is,’

    Verderop in de bundel is er dan eindelijk een voldragen kind dat na de beschutting van de moederschoot nog een tijdlang gevangen zit in de symbiose buiten het lichaam. Zuigend en zogend innig verbonden totdat het los van het moederlijf kan bestaan en een eigen mens wordt. En de moeder met lede ogen en een bloedend hart moet aanzien dat dit kind behalve een eigen, zelfstandig lichaam ook een eigen geest heeft en herinneringen die in beider DNA liggen opgeslagen, maar die toch niet voor beiden dezelfde waarde en belangrijkheid hebben.

    Is loslaten minder moeder zijn? / Hoe bewaar ik een baby die niet meer / tussen mijn wiegende armen past, hoe hou ik / later de peuter, kleuter, tiener vast / in een volwassen lichaam, zoveel verder bij mij vandaan.’

    Poëzie als een dagboek

    De behoedzaamheid die past bij het thema ‘groei’ bepaalt de continuïteit van de bundel. Waarbij Verhanneman ook nog eens een chronologische volgorde aanhoudt, zodat de gedichten van voor naar achter bijna lezen als een persoonlijk relaas. De veelgebruikte ik-vorm maakt het allemaal nóg persoonlijker. Minutieus en met een ongekende intimiteit wordt dit proces van jaren beschreven. Ondenkbaar bijna om als lezer níet geraakt te worden door het feit hierbij betrokken te worden. Tegelijk maakt die voorzichtigheid de bundel hier en daar zwak. Al was het maar door het ontbreken van heftige uitbarstingen en verrassende wendingen. 

    Daarbij is de intimiteit van dien aard dat de lezer bij tijd en wijle het gevoel bekruipt een dagboek te lezen in plaats van een poëziebundel, waarbij het vertelde – hoe fijnzinnig en poëtisch geschreven ook – meer het karakter heeft van proza. En een heel persoonlijk proza bovendien. Wat een versmalling tot gevolg heeft voor wat betreft het lezerspubliek. Niet iedereen zit op zulke intieme ontboezemingen te wachten; niet iedereen voelt de behoefte het dagboek van een ander te lezen.

    ‘Ik kijk naar deze vreemde moeder / die mij vertelt hoe graag ik / een tweede kind wil. / Dat ik het vechten verlang / om het gebrek aan plek / op mijn lichaam. / … en kan ik / nog een tweede keer / tot zo’n oerversie van mezelf / geboren worden?’

    Een andere zwakke plek: door deze al te persoonlijke invalshoek ontbreekt de blik naar buiten bijna helemaal. Terwijl dat ‘naar de wereld kijken door de ogen van een ander’ iets is dat liefhebbers van poëzie toch graag zoeken in een gedicht. Zowel voor de inhoud, het thema, als voor vorm, de specifieke verbeelding van het vertelde, heeft deze naar binnen gerichte blik consequenties.

    Kunst in een instrumentele rol

    Het enige dat een gezond tegenwicht biedt en de inhoud wegtrekt uit die al te persoonlijke benadering, is de interactie met diverse kunstwerken. Bij 26 van de in totaal 41 gedichten is er een verwijzing naar een kunstwerk van een bekende of minder bekende kunstenaar. Behalve bij de wederwaardigheden rondom het moederschap mag de lezer ook getuige zijn van het proces dat zich als gevolg van deze interactie in de dichter zelf voltrekt.

    ‘Ik denk na bij welk kunstwerk je zou passen, / bladerend door O’Keeffe glimlach ik om een perzik, / bij Chagall staat alles zo snel in brand. / Daar gebeurt het, in die vlammen vang ik een glimp / van je toekomst zonder seizoenen,’

    Zo komt buiten toch binnen en kan het ook over andere dingen gaan. Al is de richting niet zo dat de dichter middels het gedicht de aandacht van de lezer naar buiten, naar het betreffende kunstwerk stuurt. Eerder heeft het kunstwerk een instrumentele rol en helpt het de dichter om de geleefde ervaring te kunnen verbeelden in zoiets taligs als een gedicht. Dus toch weer de blik naar binnen. De beschreven ervaringen blijven dicht bij de beleving van het eigen lichaam, de eigen seksualiteit, de kwetsbare familieverbanden, en zijn daardoor te persoonlijk om universeel te kunnen worden. Er ís een buitenwereld, maar de beweging is van buiten naar binnen en niet omgekeerd.

    De unieke waarde van poëzie

    Het enige achterdeurtje dat leidt tot een meer trans-persoonlijk verstaan van deze gedichten is de herkenbaarheid voor vrouwen – en enigermate ook voor vaders en partners – die ooit ergens in hun leven een vergelijkbare situatie hebben meegemaakt.
    ‘Op klaarlichte dag strekt ze uitdagend haar fijne poten / boven haar hoofd, wikkelt elegant haar spinrag / om alle ophef, zacht is hoe zij monden snoert. // Haar eieren trillen, / zij weten dat dit de moeder is / die hun wereld wel bijeen zal houden.’

    Behalve over mensenbaby’s en dat o zo kwetsbare groeiproces, gaat het veel over natuurlijke, organische dingen. De eieren van de spin van Louise Bourgeois, vogels en nesten, bomen en bloemen van allerlei soort. En behalve in de keuze van thema’s en beelden is die voorzichtigheid, die nadruk op kwetsbaarheid er ook in de taal zelf. Nergens is die hard of bot, kil, stoer of zakelijk. Met wondermooie titels die op zichzelf al poëtische miniatuurtjes zijn: Onze hoop rust in haar eieren, Tweedekansbegrafenis, Madeliefjes plukken, Ontglip-me-nietje.

    Poëzie als een geheime tuin met veel moois om van te genieten doch slechts toegankelijk voor een klein, select gezelschap. Maar is dat niet precies de kracht en de unieke waarde van poëzie, dat het geen mainstream-gebeuren is dat de grote massa met een doorsnee aanbod tevreden stelt? Anders dan proza, dat zich in duidelijke genres laat indelen en herkennen, speelt poëzie zich meesttijds af in een kunstig labyrint met vele niches.



  • Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Vrijheid is ongrijpbaar als lucht en net zo onmisbaar

    Dat de wereld zich uitgerekend tachtig jaar na het einde van WOII in een hachelijke situatie bevindt, is van een ironie die zelfs de Griekse goden niet hadden kunnen bedenken. De vrijheid die op 5 mei dit jaar gevierd wordt en die aanleiding was tot het samenstellen van Stip op de horizon, is daarmee allesbehalve eenduidig en eenvoudig geworden. Zoals de meeste abstracte begrippen laat vrijheid zich gemakkelijker omschrijven in negatieve dan in positieve zin door op te sommen wat het allemaal niet is. Daarvan hebben de meeste mensen desgevraagd redelijk snel een definitie klaar. De dichters in deze bundel zijn opmerkelijk lang van stof, en dan nog wordt er vaak geëindigd in iets vaags, een voorlopige conclusie, een werkhypothese, voor zolang het duurt.

    Wat het niet is

    Ongeacht de voorlopigheid zijn de omschrijvingen van vrijheid talrijk en veelkleurig. Voor de een is vrijheid het ontbreken van dwang, belemmering, gevangenschap; voor de ander is het vrij zijn van honger, armoede, tekort. Weer een ander verstaat vrijheid als ruimte om te zijn wie men wil zijn, niet beperkt of ingevuld door regels en verwachtingen waaraan moet worden voldaan. Soms is vrijheid simpelweg een dag waarop niets moet, zoals in ‘Zondag’ van Sophia Blyden. ‘(…) dagen waarop de boeken lonken in de kast, er tijd / is om gedichten te lezen, de wijnglazen van gister / nog op tafel … de lp-speler / overuren maakt en we dansen, de bank langzaam / verslijt, druppels op het dakraam, het enige wat ik / wil doen is niets( …)’

    Bibi Dumon Tak beschrijft vrijheid gezien door de ogen van een kalf. ‘(…) wij tweetenen / werden opnieuw bijeengedreven / en we voelden de wind in onze haren de zon / onderweg / de geur van gras die in onze neuzen drong / we knepen met onze ogen we strekten bij aankomst onze poten / voor de eerste keer / en waren voor heel even / uitbundig jong.’

    Die veelkleurige ideeën en invullingen vinden we terug in de gedichten van tachtig Nederlandstalige dichters. Om niet in de valkuil te trappen een orde van belangrijkheid te moeten aanbrengen – welke invalshoek heeft prioriteit, welke thematiek de meeste urgentie – is er alfabetisch gerangschikt. Juist dat doet de veelkleurigheid des te sterker uitkomen, omdat er geen chronologie of senioriteit is die de thematiek bepaalt: Tweede Wereldoorlog, de ‘vrije’ jaren zestig, de dichters die vanaf de jaren negentig in Nederland een veilig heenkomen zochten en hier een nieuw leven opbouwden.

    Hoe vrij is vrijheid eigenlijk

    Vanuit al die hoeken en windrichtingen worden ervaringen aangedragen die stuk voor stuk vertellen over wat vrijheid betekent zonder afbreuk te doen aan de beleving van een ander die, als een lichtstraal op een prisma, weer een ander aspect doet oplichten. Wie enigszins thuis is in de Nederlandse poëzie, herkent de unieke stijlkenmerken van deze of gene. Of de toon, de vorm, woordkeus, gedichten met een heldere cadans, of bijna als proza neergeschreven.

    Terecht merkt Stella Bergsma op dat gedichten over vrijheid tralies zijn voor dichters. ‘ieder jaar weer / rond dezelfde tijd / mag je je hok uit / metaforen smijtend / over het blad razen // ieder jaar de zinnen uit de dwangbuis / laten galopperen / zich te buiten buitelen / (…)’
    Want zo vrijblijvend en vanzelfsprekend is vrijheid niet als ze op gezette tijden en binnen strakke kaders moet worden bezongen. Als een dier dat even uit zijn hok mag. Het is niet iedereen gegeven om onder die druk werkelijk iets nieuws en geïnspireerds tot stand te brengen.

    Toch geeft dit thema een breed palet aan pennenvruchten te zien omdat elk vogeltje nu eenmaal zingt zoals het gebekt is. En omdat elk van de deelnemende dichters zingt vanuit een eigen culturele achtergrond en met een eigen geschiedenis, of dat nu de persoonlijke geschiedenis is, of geschiedenis zoals geleerd op school. Die is er hoe dan ook altijd.

    Herinnering aan vrijheid

    Opmerkelijk vaak gaat het over herinneringen. Een moeder die haar zoon niet wil belasten met de herinnering aan de dictatuur waaruit zij is gevlucht, om hem de kans te geven een nieuw leven te kunnen leven. Of omgekeerd, de herinnering aan vrijheid koesteren als een visioen, als een baken om op te koersen. En om het besef levend te houden hoe kostbaar die vrijheid is, en kwetsbaar ook. Noch de geschiedenis, noch de herinnering blijkt een gaaf, afgerond geheel, maar altijd rafelig, en pijnlijk onvoltooid. Zoals in ‘Aardse ochtend’ van Jan Backe.

    ‘Net zoals in het stilstaan, wat ik ben er nog betekent
    als één van hen, een onbekende getuige, een dader, overlever

    die toevallige waarheid, die op dezelfde manier bestond
    als die hele geschiedenis voordat ze geschiedenis werd.

    Zoals mededogers in gedachten, tegen de deur van een heldere nacht
    een aardse nacht, de mensen die zijn weggegooid, die ontbreken.

    Er is geen neutrale of heldere nacht, er is een aardse ochtend
    een afwezige ochtend, het verdriet van verdunde families.
    Kijken naar de mensen die er dan zijn, dan weer niet
    die in het verleden worden vrijgelaten

    die de omtrek van het slachtoffer moeten bewijzen
    de omtrek van het slachtoffer dat er niet had moeten zijn –

    en de sterren die er nog zijn, staan aan de hemel die er ooit was
    verlichten het speelgoed en de familiefoto op het dressoir

    dat er niet meer is in het huis dat er ooit was, een foto
    zonder zwaartekracht, de verwaaide zwarte rook en het puin

    van een huis zonder zwaartekracht, de stilte
    van de stad zonder stad, in een leegte die altijd al stilte was.’

    Een taak die nooit af is

    Reeds in de opzet van deze bundel gaat het om vrijheid tegenover de bezetting die eraan vooraf ging. Ergens in die reeks elkaar opvolgende gebeurtenissen zit het kantelpunt waar onvrijheid overgaat in vrijheid. Al die momenten van voor, tijdens en na dat kantelpunt worden door de diverse dichters op indringende wijze beschreven. Door Rosa Schogt bijvoorbeeld:

    ‘En na het verzet kwam daar de vrijheid aangelopen, maar / we aarzelden: was zij het echt? Zo hadden wij haar / niet bedacht, ze zou toch in een mooie jurk, / met blossen op haar wangen komen? We hadden het idee / van haar toch al die tijd gevoed, hoe kwam ze dan / zo mager en zo stil?’

    Eerst een ideaal, een verlangen dat aanzette tot verzet, nu een realiteit die moet worden vormgegeven want de steden liggen in puin. Er moet hersteld worden, aan materie èn aan mensen. Terecht merkt Anna Enquist op dat vrede makkelijker hanteerbaar en voorstelbaar is dan vrijheid. Vanwege de rust die vrede brengt; vanwege de strijd die vrijheid vraagt. Verantwoordelijkheid ook om die kwetsbare vrijheid te behoeden, om tot een consensus te komen over hoe en wat en vooral wie. Uiteindelijk gaat het om de ruimte die de ene mens bereid is aan de ander te geven, zoals Vrouwkje Tuinman beschrijft in ‘Opstelling’:

    ‘Het gaat tussen mensen die om zich heenkijken en degenen die
    alleen zichzelf zien.
    Dat laatste klinkt negatief, maar kan gunstig zijn: zij zijn het die
    hun vierkante meter steeds groter maken en de rest moet daarom
    opzij. …

    Tussen de hoge heren die de rest een beetje lopen te regeren, en
    de rest. En dan zijn er nog hen, hun, hullie die zich niet ophouden
    in de uitersten, maar ergens in de grijswaarden schuilen. …

    Je hebt degenen die kiezen, en degene die als laatste gekozen
    wordt, wat geen kiezen is, maar een verlies. Het gaat tussen mij en jou.’

     

     

  • Iedereen en niemand in het bijzonder

    Iedereen en niemand in het bijzonder

    Het poëziedebuut van Maaike de Wolf De dansvloer is van iedereen,  leest als een ensemblefilm; een mozaïekverhaal samengesteld uit meerdere kleine verhalen. Denk aan Love Actually, Alles is liefde, The Family Stone, Notting Hill. En dan vooral die scène waar Hugh Grant met zijn ziel onder de arm door vier seizoenen loopt. In dit geval is het geen man, maar een jonge vrouw in een grote stad, en wie ze daar zoal tegenkomt. Voor liefhebbers van dit soort vertellingen is het een genoegen om te lezen, om mee te dwalen door die stad, de straat met de döner kebab-tent, biologische groenteboer, Starbucks op de hoek.
    ‘Ze waarschuwt me voor de middelmaat, drukt me op het hart scherp te blijven en niet te / verdwijnen tussen de juwelier met wansmaak en de failliete platenzaak.’

    De Wolfs poëzie dwaalt zo ver naar haar buitengrenzen dat het raakt aan verhalend proza. En zo leest het ook, als miniatuurverhalen, met een begin, en einde en daarin een minuscuul klein plot. Niettemin een verhaal. Maar wel met de vrije interpunctie en opmaak die poëzie eigen is. Vier blokken van ongeveer gelijke lengte, voorafgegaan door twee losse gedichten waarvan niet duidelijk is waarom ze niet in een van die blokken zijn ondergebracht. De meeste titels bestaan uit slechts een woord: Plek, Vis, Idee, Woensdag, We, Party, Prognose. Afgewisseld met titels zoals gedichten ze verdienen. Speels, origineel, cryptisch: Logboek tropisch eiland, De dirty dancer en ik, De nacht ft. Harry Mens.

    Dwalen door een dichtbevolkte stad

    Niet enkel de dansvloer is van iedereen, ook de straat, de bankjes in tram en metro. Een bevolkte stad is het, anoniem in de uitgestrektheid, de diversiteit, de veelheid van naamloze mensen. Intiem in de ontmoetingen, in de namen en eigenaardigheden die gekend zijn. Of die men te weten komt, omdat de ander – al dan niet met naam – een openheid aan de dag legt die door weer anderen als schaamteloos kan worden ervaren.

    ‘Maria

     Ik zei nog: ik ben Maria niet,
     maar het eerste waar ik aan dacht (zijn vrouw)
     was het laatste waar hij aan dacht en voor ik het wist
     stond ik tegen een afwasmachine die nog warm was.

     Uit angst voor bewijzen betaalde hij niets en dus was ik degene
     die het eten kocht en beloofde – om argwaan te voorkomen –
     me exact zo te bewegen als voorheen.

     Af en toe moest ik even kijken als hij boven op me lag,
     omdat ik de kleur van zijn ogen vergat. Als ik klunzig deed, zei hij:
     een echte roker krijgt hem onder alle omstandigheden aan.

     Er zijn mannen, zo blijkt, die nauwelijks bloeden en steeds vaker
     twijfelde ik of ik überhaupt een roker was.’

    In deze urban jungle legt de hoofdpersoon – bijna alle gedichten zijn vanuit eenzelfde ik-figuur geschreven – de laatste meters af van adolescentie naar volwassenheid. In een setting waar die stappen door veel jonge mensen gezet worden, met alles wat daarbij hoort. Het verloren lopen in half gekende systemen, onhandige afspraakjes, uit de hand gelopen feestjes en het bij gelegenheid wakker worden in een onbekend bed.

    Gewoon mensen

    ‘Er is ook liefde

     Mijn eerste nachten in een nieuwe stad
     waar ik wakker onder de balken lig
     en een storm over mijn dak trekt.

     Op de verdieping onder mij bestiert een narcist
     zijn harem van drie, waar hij ‘hond’ tegen schreeuwt
     wanneer ze zich als dieren gedragen.
     Een huwelijk

     met een verlamde kunstenaar die – elke dag
     naar buiten gereden – als uithangbord fungeert

     met de zwakste van hem, die binnenkort
     de wereld af gaat vallen – het duurt.

     Er is ook liefde
     niet voor mens, maar voor wollen truien,
     een obsessieve pas, naderend gerinkel.

     De derde zegt: er stond een zwarte man
     in de gang vannacht we dachten
     dat het een inbreker was.’

    Ontmoetingen vormen de rode draad. Ontmoetingen met echte mensen, of niet; met echte lijven, of niet; in echte kamers, of niet. Met op de vloer een landschap van kapotte huisraad, gereedschap en losse onderdelen, uitgetrokken kleding; het allergewoonste, dagelijkse: boerenkool, gehaktballen, dubbelvla. Dat alles beschenen door flikkerend blauw computerlicht van chatboxen, met ook daar ontmoetingen, en allemaal zijn ze zo rafelig als het leven zelf. Het gaat steeds om identiteit die lang niet zo helder en eenduidig is als we vaak hopen. En als we zelf niet eens weten of we af zijn, hoe moeten we dan onze zinnen afmaken.’
    Wat ik doe: / kijken naar de ander / één hand voor mijn oog, één hand op mijn rug. // Ze laat zich in delen bij me achter / in de hoop er na een tijdje helemaal te zijn. // Soms ademen we samen, we denken: / niet te vaak voorlezen, samen liggen, kruipen, / sinaasappels persen, gehakt rullen, rustig aan, / het hout aftasten.’

    Dan is het maar goed dat De Wolf, anders dan veel dichters van haar generatie en evengoed nog vrijblijvend, wel kiest voor interpunctie. Dan staat er in ieder geval een punt aan het eind van al die niet afgemaakte gedachten.

    Onbevredigende onvoltooidheid

    Van veel situaties die worden beschreven, krijgen we als lezer niet te weten hoe het afloopt. Maar precies in die onvoltooidheid – die gepaard gaat met een prettig soort ongenoegen – raken de gedichten aan het leven zoals het is. Immers, als we vanuit de tram kijken naar een burenruzie, een kroegbaas die een dronken klant de deur uitwerkt, een moeder die haar kleuter overeind helpt en troost, dan weten we ook niet hoe het verder gaat zodra de tram zich weer in beweging zet.
    Of in het echt, of in computerbeelden, fragmentarisch en flikkerend, als een lampje dat bijna de geest geeft, zó zien wij het merendeel van mensenlevens gebeuren. En in die weerspiegeling zien we vaak ook ons eigen leven.

    Tegelijk schuilt in dat gratuite, in dat niet-afgemaakte het risico dat de dichter de aandacht van de lezer niet overal consequent kan vasthouden. Bij het woord ‘iedereen’ laat zich al gauw ‘niemand in het bijzonder’ aanvullen. Uiteraard ligt daarin de ruimte waarin onbeperkt kan worden ontmoet, gekeken, geobserveerd, gesproken, gedacht en gedicht. Tegelijk mist – juist door dat ongedefinieerde, die onbegrensde anonimiteit – de bundel hier en daar urgentie en ligt onverschilligheid op de loer. Vooral waar de vertellende ik-figuur zich overgeeft aan een niet mis te verstane indolentie, verkeert die lokkende, nieuwsgierig makende ruimte gemakkelijk in haar tegendeel, en raakt ook de lezer met deze desinteresse, met deze onverschilligheid geïnfecteerd. De dwaaltocht die zo verwachtingsvol werd aangevangen, blijft dientengevolge niet van begin tot eind boeien en lijkt bij tijd en wijle te verzanden in een dwaalspoor.

    Uiteindelijk weet De Wolf het allemaal wel weer vlot te trekken en tot een goed einde te brengen. Maar ondertussen heeft zij meermaals het risico genomen van lezers die afhaken. Daarbij komt nog dat op geen enkel moment duidelijk wordt of die toon van ‘ach nou ja, wat doet het er ook toe’ een bewuste keuze is die hoort bij het karakter van haar gedichten, of dat het haar werkelijk niet kan schelen. En de afgehaakte lezers bijgevolg ook niet. Voor een debuutbundel nogal een risico, maar daarover mag men van mening verschillen.
    ‘Waarom niet meegaan. / Voor wie de vlag mag voeren is de reis zo vreemd nog niet / misschien heeft mijn rol in deze samenhang betekenis. // Op pad met vintage leren handschoenen stel ik me voor / een zwarte hoed, voor als ik straks die ander ben. / Boeken, die me op het juiste moment verzwaren.’

     

     

  • Klare taal en exotische mystique

    Klare taal en exotische mystique

    Er zijn van die boeken waar je na het lezen ervan even stil bent. De bundel Plooi van Babeth Fonchie Fotchind is zo’n boek. Poëzie die bij tijd en wijle binnenkomt als een stomp in de maag. Niet alleen vanwege de inhoud, ook vanwege de taal. Het Engelse woord bold is het eerste dat te binnen schiet: stoer, stevig, kordaat. Maar nooit grof of plat. Dat zou in het ergste geval een zekere oppervlakkigheid kunnen maskeren, en oppervlakkig is de poëzie van Fonchie Fotchind allerminst, noch qua inhoud, noch waar het gaat om de wijze waarop zij reflecteert op hetgeen zij te zeggen heeft. Die inhoud liegt er niet om, die gaat om niets minder dan acceptatie, bestaansrecht, voorwaardelijke versus onvoorwaardelijke liefde.

    ‘de man van tante agathe / had zijn renault 5 uitgeleend aan mijn moeder en vader / en ook zijn tijd, hij wachtte al dagen in onze woonkamer / dat is niet normaal bij een dochter / iedereen had hoop dat / ik zou uitblinken in vrijwel alles / zodat de familie erop vooruit zou gaan’

    Meerledige kloof

    Soms is de kloof tussen twee culturen zo groot dat het eerder lijkt te gaan om een andere planeet dan om een ander continent. Weliswaar bereikbaar en bereisbaar, maar evengoed ver en vreemd. In het levensverhaal van Fonchie Fotchind blijkt die kloof ook nog eens meerledig. Niet alleen is dit het verhaal van een Afrikaanse vrouw die op haar vijfde naar Nederland kwam en daar als zwart meisje in een overwegend witte omgeving moest aarden. De kloof wordt vooral gevoeld waar haar geaardheid niet wordt geaccepteerd door haar ouders, want niet verenigbaar met de mores en opvattingen van haar geboorteland Kameroen. Deze kloof, – die na haar coming-out dat zij op vrouwen valt – onoverbrugbaar bleek en die bij elke volgende beweging alleen maar groter wordt, komt in deze bundel veelvuldig ter sprake. Niet als een eentonige dreun, maar even veelkleurig als de gevoelens die erdoor zijn losgemaakt, zodat het ene gedicht leest als een aanklacht, het ander als een afscheidsbrief. De ene keer voeren eenzaamheid en pijn de boventoon, de andere keer woede en onbegrip; een enkele keer als een gelaten ‘ach, laat ook maar’.

    ‘tijdens mijn functioneringsgesprek geeft mijn leidinggevende mij
     terug dat ik niet voldoe aan het ideaal. ik heb dit eerder gehoord, maar
     verloor toen een moeder in plaats van een baan’

    De diepste kloof is wel die tussen zijn wie je mág zijn – van anderen, je familie, je cultuur – en wie je móét zijn, vanuit een innerlijke bepaaldheid waaraan niet valt te tornen: deze mens, deze vrouw, zo, nu, hier, en niet anders, wat de rest van de wereld er ook van meent te moeten vinden. ‘even niet denken / aan uitgaansnachten waarin ik me minder bloot / had moeten kleden om te voorkomen dat een gezwollen geslacht / zich tegen mijn rug aan drukte / in een steegje // proberen te begrijpen dat mijn moeder / alleen kan begrijpen / dat ik op vrouwen val vanwege het voorval / in het steegje’

    Pendelend tussen uitersten

    Misschien is dat ook wat de afbeelding op het omslag wil zeggen. Een ovale vorm, naar alle waarschijnlijkheid een menselijke hoofd, gewikkeld in een soort zijde, of vloeipapier. En voor de persoon in kwestie de hamvraag: blijf je verborgen in je omhulsel – het titelwoord plooi is voor velerlei uitleg vatbaar – of scheur je het open en toon je het gezicht dat waarachtig het jouwe is, maar dat door sommigen misschien niet graag gezien zal worden? ‘een week / de tijd gehad om / zichzelf op te vouwen / tot het meest geschikte formaat / dat uit de lessen van haar vader volgde. / zou hij trots zijn / op hoe ze haar grenzen wegplooit? // iri, nog een keer / maar zelfs in een voor het blote oog / vrijwel onzichtbare gedaante / is ze nog te veel.’

    Niet alleen waar het gaat om de beleving en de bijbehorende emoties wordt er gependeld tussen uitersten. De taal beweegt daarin mee. Taal die af en toe fijn en zacht is, elegant, met een exotische sensualiteit waarbij de lezer de kleurige ‘waist beads’ bijna letterlijk ziet deinen. Op andere momenten een taal die zo hard is als een grove schets in houtskool, tzak-tzak-tzak. Vooral waar de andere realiteit van vrouwzijn wordt getoond, en de afwijzing van een lesbische lichaam in een Afrikaanse cultuur even direct en meedogenloos wordt beschreven als die in werkelijkheid plaatsvindt.

    ‘grootmoeder denkt alles goed te hebben gedaan: mijn moeder
     als zuigeling op de vlisco-doeken gelegd / scheermes in vuur /
     gloeiend scheermes tegen zuigeling / bepaald dat zuigeling
     volmaakt zou zijn als minder gevoelig

    zulke vrouwen gehoorzamen hun husband nu eenmaal beter, leveren
    een grotere bruidsschat op,’

    Klare taal en exotische mystique

    Het is een taal die geen medelijden vraagt. Dat heeft de schrijfster ook met zichzelf niet. Wel compassie. Dat maakt dat deze poëzie geregeld het gangbare, herkenbare ritme van poëzie verlaat om – meer als een dagboek welhaast – de hartslag van het moment te volgen. Omdat datgene wat gezegd moet worden, de urgentie voorgaat op de wijze waarop het wordt gezegd – de vorm, de taal – en al helemaal op de bedenktijd waarin woorden worden gezocht en gewogen, zinnen geproefd, en het papier halen, of niet.

    Toch is de poëzie van Fonchie Fotchind afgewogen en serieus doordacht, ondanks de spontane flow die een zekere impulsiviteit, zelfs een gehaastheid suggereert. Zonder meer met veel talent, intelligentie en integriteit gecomponeerd, maar tegelijk ook heel dicht bij het leven van deze ene specifieke vrouw. Zodanig dat het meer universele uitzicht op de wereld, de tijd, en in dat alles ‘de mens’ in zijn/haar algemeenheid wat in de verdrukking komt.

    ‘wij zijn de ouders van het kind dat in groep vijf
     op de vraag hoe lief haar oma’s zijn
     moet antwoorden dat ze die nooit heeft gekend’

    Individueel en particulier

    Onvermijdelijk rijst de vraag wat de houdbaarheid is van poëzie die zo is geworteld in het individuele levensverhaal – en in een actuele situatie die aandacht vraagt en verdient – maar die precies daarom niet door alle tijden heen dezelfde urgentie zal hebben. Hetzelfde mag gevraagd worden met betrekking tot de vele woorden en begrippen die nu misschien en vogue zijn, maar waarvan je mag aannemen (en zelfs hoopt) dat ze over niet al te lange tijd door iets fraaiers worden vervangen: datingapp, mindfulness, AZC, zelfzorgzondag, stufi, tinder, twitteraccount, captcha-code, lg-lcd-scherm.

    Staande blijft uiteraard de basispremisse dat de mens het recht heeft zichzelf te zijn en zich naar eigen aard moet kunnen ontplooien in vrijheid en veiligheid. De concrete inkleuring kan echter – zoals in deze bundel – zo particulier zijn, en bij vlagen zelfs modieus, dat terecht de vraag gesteld mag worden wat daar van overblijft als met het verstrijken van de tijd de kleur van die persoonlijke aspecten verbleekt. ‘de voicememo / over waarom geaardheid geen keuze is / komt niet binnen op haar frequentie, jullie raken / de verbinding kwijt. zij is niet geprogrammeerd om zonder voorwaarden / te houden van de mens achter het scherm, terwijl zij / zowel jouw genen als de pixels zelf bedacht.’

    Tot slot een tip die niet altijd gegeven kan worden. Niet elke dichter is immers even gecharmeerd van andere media dan het geschreven/gedrukte woord. Sommigen staan niet graag voor een publiek; anderen hebben niet die présence om op een aantrekkelijke wijze hun eigen werk voor te dragen. Babeth Fonchie Fotchind, millennial en kind van haar tijd, duidelijk wel. Zoek haar op en geniet van haar optreden bij bijvoorbeeld, ‘De Nacht van de Poëzie’.

     

     

  • Niets is zonder ons

    Niets is zonder ons

    Begin dit jaar verscheen bij uitgeverij Prometheus, Ik meld mij af, ik meld mij aan van Philip Huff. Gedichten die lezen als verhalen van een of meerdere pagina’s lang, soms opgedeeld in enkele korte scènes. De titels zijn de ene keer poëtisch, de andere keer bijtend nuchter – niet meer dan één woord – maar hoe dan ook verlokkend tot verder lezen: Handen, Spiegel voor een spiegel, Williamsburg Bridge, IJsland, Halverwege de wandeling, Acid, Maart (dennenappels die opentikken).
    Meteen al het eerste gedicht verklaart de titel: ‘Soms denk ik dat wat gebeurt op ons teert. // Niets is zonder ons. // De wereld heeft klerken nodig, // anders is alles voor niemand gebeurd. // Ik meld mij af, ik meld mij aan.’

    De plicht om verslag te doen van wat er gebeurt, van het eigen leven, wordt door de schrijver wel gevoeld maar – zo lijkt het – niet van harte vervuld. Waarom ook? In het geval van Philip Huff gaat het om een pijnlijke en verdrietige jeugd die je je liever niet zou herinneren, laat staan beschrijven. ‘Ik meld mij af’. Maar het verleden, de herinnering laat zich niet vergeten. Je moet er wat mee of je wilt of niet. En soms wil je er inderdaad wat mee. Omdat ook van een ellendig verhaal soms de behoefte wordt gevoeld dat het verteld wil worden. ‘Ik meld mij aan’.

    En omdat ook de beschadigde mens het recht heeft zichtbaar te zijn: hier ben ik, dit is er met mij gebeurd. Los van verwijt of een eventuele schuldvraag; los van de vraag of men zich ooit slachtoffer heeft gevoeld en dat later al dan niet wil blijven. De naakte feiten, zoals in een aantal van Huffs gedichten, door een kind geregistreerd; derhalve zonder schuld, want kunnen kinderen wel schuldig zijn? Ook waar de woorden als zodanig niet vallen, gaat het veel over schuld en plicht, en de twijfel daarover. Moet je het verleden met je meeslepen, of mag je loslaten, vergeten?

    Straffe metaforen, prachtige beelden

    Hoe belangrijk is het om iets van de achtergrond van de schrijver te weten? Bij poëzie, muziek, beeldende kunst wordt vaak gezegd: laat het gewoon over je heen komen, het gaat om wat je voelt. Zonder voorkennis. Anderen zeggen juist meer te begrijpen als ze wel iets van de kunstenaar weten, van zijn of haar motieven, jeugd, omstandigheden. Hoe merkwaardiger de details, hoe interessanter het wordt. Gewoon maar onbevangen en onbevooroordeeld iets laten binnenkomen, daar is de kijker, lezer, luisteraar doorgaans niet zo goed in. Die wil graag kunnen duiden wat ie hoort of ziet.

    Straffe metaforen gebruikt Huff om de pijn in te kunnen bergen, om te vertellen over dingen die hij zich herinnert maar zich eigenlijk niet herinneren wil. Je zou een pilaar moeten zijn, oppert hij, want hoe minder je opvalt, hoe minder zichtbaar je bent, hoe beter het is.

    ‘We waren studenten: we kregen handvatten voor het leven
     aangereikt, maar, meenden we, het leven kreeg geen grip op ons.
     Pas als je eruit bent, kun je zien hoe stompzinnig
     die gedachte is. Het leven ging niet beginnen,
     het was het leven al, en wij bloedden,
     bloedden uit wonden –
     die wij nog niet zagen.’

    Verzen zonder rijm of vaste structuur zijn het. Ongrijpbaar, gratuit als de gedachten zelf; sommige laten zich lang genoeg vasthouden voor een paar fraaie, coherente regels; sommige niet lang genoeg om te worden getemd; van sommige komt slechts de geur voorbij, of een ruis in bladeren. Je weet dat er iets is, iets was, zonder precies te weten wat. Laat het genoeg zijn. Het is genoeg. Die open, vrije, bijna nihilistische verzen zijn gevuld met een weelderige, haast ouderwets aandoende beeldtaal. Rijk aan aandacht voor de schoonheid van het alledaagse, hoe ruig, banaal, liederlijk, onbeduidend ook. Rijk aan bijvoeglijke naamwoorden – dat zal dat ouderwetse dan wel zijn -; rijk aan kleur ook, en van alle kleuren het meest nog blauw; frescoblauw, lichtblauw, vaalblauw, aderblauw. ‘een blauw licht dat om mijn voeten // op de uitlopende golven viel, // inkt-, kobalt-, en marineblauw, // zo diep dat geen renaissanceschilder // er ooit bij kon.’

    Licht, veel warm licht

    Er zijn kinderen, en dieren; zowel kleine als grote, dode als levende; verval en kwetsbaarheid ineen. Er wordt verdronken, gestorven, begraven, liefde verloren. Er is bloed, ziekte, opmerkelijk veel lichaamsdelen, een dode broer, en zorgen om een kwijnende planeet. En dat alles wordt op een uiterst zintuigelijke manier beschouwd en waargenomen.

    ‘Je donderend hart en een moeder met een tumor,
     je broer in de aarde en je vader in een tehuis.
     Er zal steeds meer verdriet dan geluk bestaan,
     dat is wat je terughoort in de diepe klanken van de toetsen
     op dagen dat de grijze wind waait –
     over een veld aan een baai waar warm licht op staat.’

    Gezien wordt er wat licht is en donker, wat glinstert of juist niet. Alles heeft klank, maakt geluid. Geproefd wordt het zoute, zoete en zure. En man, wat wordt er veel gegeten in deze bundel, gedronken trouwens ook. Bovenal wordt er gevoeld; warm en koud, glad en ruw en zand tussen de tenen. Vooral het contrast tussen droog en nat is treffend en keert veelvuldig terug. Of dit: ‘Om hoe het is // met je hoofd te rusten // op een jas, tegen het trillende glas // van de trein, de zon op je gezicht -‘

    En natuurlijk wat veel dichters het meest lijkt te bezielen: jeugdherinneringen. Met name het onherroepelijk voorbije staat garant voor weemoed, nostalgie; dat wat was en nooit meer terugkomt. Ja, vooral dichters hebben er een antenne voor.

    Autoroute du soleil

    In zo’n hoofd waar zoveel ruimte is voor dolen en dwalen, is vast ook een vergaarbak vol herinneringen van allerlei soort. Zoals die ene bak achter in de kringloopwinkel, waar van alles in zit wat in geen enkele categorie valt onder te brengen en waarbij je je afvraagt of het überhaupt nog voor iemand van nut kan zijn. Maar wie kan bepalen wat de zin is van al die bewaarde flarden, gedachten, beelden, snippers van feiten en gebeurtenissen in andermans hoofd? Mogelijk stelt zelfs de bewaarder zichzelf weleens die vraag: wat moet ik hiermee?

    Schrijvers en dichters weten er wel raad mee. Geen herinnering zo bizar of ongerijmd, vroeg of laat komt die ergens van pas; omdat het op die plek, op dat moment iets betekent. Of niet. Dan is het enkel een prachtig beeld – of een reeks van prachtige beelden – waarvan de lezer mag meegenieten.

    ‘Platgelopen plastic flessen lagen rondom vuilnisbakken.
     Het tankstation was koel, de airco gierde en mijn moeder
     pakte voorverpakte ham-kaas-eistokbroden uit een open ijskast,
     stapelde ze tegen haar borst als houtblokken.
     Een lange rij bij de pomp, een lange rij bij de kassa.

     We werkten een rozenkrans af van frescoblauwe dagen,
     waterijsgroen gras, popliedjesgouden graanvelden
     en betrouwbaar ijs, toegewijde sneeuw.
     Dag vorst, mijn norse vriend.
     Kom je nog eens praten?’

    Wie met zo veel gemak en flair en in slechts enkele zinnen de lezer weet mee te sleuren van alledaagse noodzakelijkheden als brood, benzine en toiletbezoek, naar beelden die zo wondermooi zijn dat de tranen er van in je ogen springen, kan zich met recht een dichter noemen. Dan verdwijnt de vraag of het iets betekent – de eis ook dat het iets zou móeten betekenen – naar de achtergrond; dan is poëzie doel in en op zichzelf, puur omdat ze doet wat ze doet, omdat ze schuurt, raakt, ontroert, troost, verstilt, of juist rammelt, trapt, schudt tot er iets in beweging komt.

     

     

  • Twijfel aan de werkelijkheid van het werkelijke

    Twijfel aan de werkelijkheid van het werkelijke

    In het najaar van 2022 verscheen De hartvinger van Paul Demets, sluitstuk van een trilogie waarvan de eerdere delen het jaar daarvoor zijn uitgebracht bij dezelfde uitgever. Een bundel die in meerdere opzichten niet op zichzelf staat. De Vlaamse dichter heeft zich laten inspireren door de schilderijen van stadsgenoot Raoul De Keyser; beiden op hun beurt weer door de Franse filosoof Jacques Derrida. Pas in het vrij uitvoerige nawoord geeft de dichter uitleg daarover. Wellicht was de bundel toegankelijker geweest als die uitleg voorin had gestaan. Voor het overige is de opbouw zeer overzichtelijk. De in totaal negenenveertig gedichten – alle zonder titel – zijn verdeeld over zeven cycli van gelijke lengte. Daarvan hebben alleen het eerste en het laatste onderdeel geen verwijzingen naar specifieke schilderijen. Alle andere gedichten wel. Niet verweven in de tekst, maar onderaan vermeld als in de catalogus van een tentoonstelling, zakelijk bijna; naam, jaartal, vindplaats.
    Sowieso verdient het aanbeveling een en ander van De Keysers werk op te zoeken op internet. Zijn schilderijen zijn niet de obligate kunstwerken die dankzij allerhande beelddragers – van kalender tot koektrommel, van paraplu tot schooletui – bij een groot publiek bekend zijn. Al helemaal niet bij mensen die naar eigen zeggen ‘niets met kunst hebben’.

    Ruimte tussen woord en beeld

    Wie bekend is met begrippen als deconstructivisme, postmodernisme, semiotiek, weet enigszins in welke hoek hij het zoeken moet. Wie die termen niet kent, komt met een natuurlijke basishouding van ‘ik snap het niet’ echter ook een heel eind. Want dat is waar het – kort door de bocht – om draait: dat wat ons ontsnapt, juist als wij – waarnemer, kijker, lezer – denken het te pakken te hebben.

    Alles wat wij waarnemen, benoemen, menen te begrijpen is wat het is, en tegelijk toch ook niet. Tenminste niet zo definitief als wij doorgaans aannemen. Een stoel is volgens Derrida enkel een stoel in vergelijking met andere voorwerpen waarop je níet kunt zitten. Veel hangt af – en Demets en De Keyser volgen hem daarin – van de context, van wat zich rondom het woord, rondom het ding afspeelt. Het enige dat wel onthouden moet worden, en waarvan Demets nadrukkelijk melding maakt op de achterflap, is ‘parergon’, het begrip waarmee Derrida de ruimte tussen woord en beeld aanduidt. Over die ruimte – die gerust kan worden opgevat als vrije ruimte, speelruimte – gaat het in deze gedichten, alsook in de doeken van De Keyser. Noch de dichter, noch de schilder laat zich wat dat betreft dwingen tot een vastomlijnde eenduidigheid.

    ‘Als iemand me zei dat die lijn de krijtlijn op het voetbalveld was, dan zei ik dat het iets anders was. Als iemand me zei dat het iets anders was, zei ik: het is de krijtlijn op het voetbalveld. Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ Zo omschrijft De Keyser zelf die notie van vrije ruimte. In de laatste cyclus van de bundel, waarin Demets meermaals verwijst naar de Twin Towers en Guantanamo Bay, staat het zo:

    ‘Als ik een schilderij aanval, dan is dat de vrijheid die ik neem.’

     Er is verf.
     Ze zal over de dingen strijken.

     Oog voor het accident.
     Onophoudelijk toont de televisie.
     Wij allen zijn getuigen.

     De werkelijkheid wijkt terug
     achter het verschijnen.
     Hier kan geen zonlicht bij.

     We worden gedicteerd.
     ‘Er zijn meerdere einden.’
     We kunnen niet zelf beslissen.

    Een kaal verslag van een gebeurtenis die bij velen nog vers op het netvlies staat en weinig aan de verbeelding overlaat. Tegelijk is niets wat het lijkt in dit gedicht en wordt de lezer op uiterst verwarrende wijze in het ongewisse gelaten omtrent de vraag of wij nu wel of niet vrij zijn, of wij nu wel of niet invloed hebben op deze werkelijkheid, en in hoeverre wij dader zijn of slechts passieve getuigen van wat wij waarnemen.

    Hoeveel ruimte, hoeveel vrijheid, en waartoe?

    Dergelijke vragen worden in meerdere gedichten gesteld, in uiteenlopende bewoordingen en telkens ook anders van toon en emotie. Zoals bijvoorbeeld in de zesde cyclus:

    ‘We moeten recht doen aan het verschil.
     Maar wie is hier wie? Wat is wat?

     Glaasje Sancerre?

     Elk woord is een supplement van het argument,
     aldus Jacques.’

    Welbeschouwd speelt veel – en idealiter zo veel mogelijk – van ons leven zich af in die ruimte tussen woord en beeld; tussen wat vastligt en wat mogelijk ook anders kan. Wat zou er anders te hopen en te dromen overblijven? Vooral waar het leven schier onleefbaar is en de mens nood heeft aan alternatieven, een visioen dat het mogelijk ook anders kan. Misschien, ooit.

    Daarmee is de door Derrida opgeworpen notie van het ‘parergon’ geen academische kwestie meer, en gaat het bij lange na niet enkel over taal, kunst, woord en beeld. Zonder die ruimte zouden wij als eendimensionale wezens met onszelf samenvallen; punten zonder lijnen die ergens heen gaan. Er zou geen fantasie zijn, geen gedroom, geen hoop op transformatie. Die ruimte hebben we nodig om van de ene vorm van zijn naar de andere te geraken. Zo niet, dan zijn we gedoemd aan de lopende band van een volledig voorgeprogrammeerd leven te staan, als personages uit George Orwells 1984, of erger. Terwijl veel in deze gedichten juist gaat over transformatie, over wèl groeien, wèl veranderen, wèl mens zijn met huid en haar.

    Ouderwets hoffelijk

    Er zijn nogal wat gedichten geschreven over kunstenaars en kunstwerken. Auden over Brueghel, Shelley over Da Vinci, Plath over De Chirico, Ginzberg over Cézanne. In alle gevallen met enige, of een behoorlijke afstand tussen gedicht en kunstwerk. Zelden waren dichter en kunstenaar tijdgenoten van elkaar. Nog zeldzamer zijn de gevallen waarbij ze elkaar hebben gekend.

    Paul Demets en Raoul De Keyser kenden elkaar wel. Zelfs hadden zij vanaf hun eerste ontmoeting in 2000 in de bibliotheek van Deinze – hun beider geboortestad – regelmatig contact. Een naar vriendschap neigende omgang die Demets liefdevol beschrijft in het uitgebreide nawoord. Waarom aan deze ontmoetingen in 2005 – het jaar dat het manuscript van De hartvinger werd voltooid – een einde kwam, wordt niet vermeld. Helaas, zou men haast denken. Aangestoken door de serene integriteit van deze vriendschap, is dat woord echter niet op z’n plaats.
    Het past hier om te accepteren en te respecteren dat Demets zelf bepaalt wat hij erover kwijt wil. Zoals De Keyser op zijn beurt bepaalde wat hij wel en niet met de dichter wenste te delen als het ging om zijn werk. Daarmee ademt het relaas van deze vriendschap – en vermoedelijk ook de vriendschap zelf – een aangenaam soort hoffelijkheid die heden ten dage zeldzaam is en die daardoor ietwat ouderwets overkomt, maar juist daarom niet minder charmant.

    Zonder veel van de persoonlijke kanten van deze vriendschap prijs te geven, heeft Demets wel de essentie weten te destilleren van wat hen beiden bewoog en dreef in hun kunstenaarschap. Wat met Derrida in het achterhoofd – het eeuwige getwijfel, het nooit zeker weten, achter elke verwijzing weer een volgend raadsel moeten ontdekken – bepaald geen sinecure is. Dat geeft aan hun beider werk een zuiverheid die krachtig is en tegelijk ontwapenend kwetsbaar. Alsof gedicht en schilderij tezamen het product zijn van een intiem, symbiotisch proces. Vooral daar waar het gedicht is gecomponeerd rond een citaat van de schilder. Zoals bijvoorbeeld het zesde gedicht uit de laatste cyclus.

    ‘Ik heb wel vaker dingen overgeschilderd.’

     De huid, de dichtheid.
     De trilling, de hapering.
     De textuur die vertakt.
     Willen schenden.
     Het licht uit balans gebrachte evenwicht.

     Woordresten, listig, mij te vlug af.
     Spreken over wat zou kunnen zijn
     met iemand die er niet is. Het
     roerend eens zijn met die iemand.

     Daartussen: vogelgekwetter.

     

    Raoul De Kyser (1930-2012)

     

  • Iets van toen in het nu

    Iets van toen in het nu

    Kijken met andermans ogen van Ad Zuiderent opent met een voorwoord dat bij nader inzien een gedicht in prozavorm blijkt te zijn. Het leest als een briefje op de keukentafel: kom binnen, ik ben er even niet, maar maak het je gemakkelijk. Zo uitnodigend dat de bezoeker inderdaad zijn jas ophangt en alvast een speculaasje uit de koektrommel durft te nemen. En let vooral op de rommel, schrijft de gastheer er nog bij.

    Het is hem menens, zoveel is duidelijk. Dit is geen uitnodiging voor de bühne; hier wordt geen schone schijn opgehouden. In deze bundel, in deze dichterswereld is de lezer echt welkom. De gast mag rondkijken, luisteren, er eens lekker voor gaan zitten, of mee eropuit. Want er wordt heel wat gewandeld en nog meer gefietst. Door de dichter zelf of door het fictieve personage Ligthart. Een alter-ego dat de dichter in zijn vorige bundel in het leven heeft geroepen om voor zichzelf meer ruimte te creëren; ruimte om gedachten, meningen, bevindingen uit te spreken waarvoor in gedichten niet altijd plaats is.

    De tijd, een trage sloper 

    Onduidelijk blijft of deze Ligthart, die door meerdere gedichten zijn eigen meanderende route gaat, op een of andere manier verwijst naar Jan Ligthart, de sociaal bewogen onderwijsvernieuwer die ruim een eeuw eerder al met kritische ogen keek naar het stadsleven in Amsterdam. Net als veel hervormers in die dagen sprak hij zijn oprechte zorg uit over industrialisatie en verstedelijking, en alle kwalijke effecten daarvan op mens en natuur.

    Niet alleen wordt in deze bundel opgeroepen te kijken met andermans ogen, wat uiteraard een nieuwe visie moet opleveren en dat inderdaad ook vaak doet. Tevens wordt de lezer verlokt te kijken door de sluiers van de tijd; een beetje zoals wanneer je door je wimpers kijkt. Je ziet wel wat je ziet, maar toch niet precies hetzelfde, iets minder misschien, of juist meer, maar hoe dan ook anders.

    Zo laat Zuiderent – meermaals bij monde van Ligthart – de lezer regelmatig kijken naar wat hij op zijn tochten tegenkomt. Naar de oevers langs het IJ, waar zelfs binnen het tijdsbestek van een generatie meer is veranderd dan men in een paar regels beschrijven kan.

    ‘… dat wat hijzelf
     had gezien als een beeld dat hij altijd weer kon terughalen
     steeds verder onder nieuwbouw verdween, hij dacht zichzelf
     in halflandelijkheid te hebben bewaard, maar de wateren
     waren verzameld, de Pontsteiger een oh en ah van overmaat:
     de stilte rond de stapels blanke planken en rijen schepen
     voor de binnenvaart zou hem begroeten, dacht Ligthart,
     en er lag weliswaar verderop een cruiseschip op het droge,
     maar intussen ging de zoveelste school voor voorbereidend
     vervolgonderwijs uit, vielen scholieren als hijzelf destijds,
     met z’n drieën naast elkaar, op weg naar Noord, waar een event
     op handen was, even helemaal samen met de eigen snelheid…’

    In dergelijke stream of consciousness-zinnen laat de dichter de vertrouwde wereld van meerdere generaties tegelijk zien. En tussen al die fietsers – soms letterlijk elleboog aan elleboog op die pont naar Noord gepropt – een nauwelijks te overbruggen afstand in beleving. De jongeren zijn zich maar zo zelden bewust van alles wat verandert, en van wat er reeds veranderd is; de oudere (Ad Zuiderent werd geboren in 1944) is dat des te meer. Een besef dat aan de gedichten in deze bundel een klank, een kleur van weemoed verleent. Sterker nog, vaak is die weemoed zelf de essentie, de grondtoon van het gedicht. Zichtbaar en invoelbaar door de heldere, soms bijna schrijnende contrasten die worden gebruikt: stilte tegenover lawaai, snelheid versus traagheid.

    ‘Toen wij eindelijk in beweging gekomen Claerbout
     achter ons hadden gelaten, en met Claerbout de dag
     dat hij onversneld had laten zien hoe tijd de trage maar
     besliste sloper is die met dagelijks verschuivend licht
     illusies van een duizendjarig rijk eens en voorgoed
     begoochelt tot hun tegendeel…’

    De bomen, de bladeren

    Met een dergelijke gevoeligheid voor het verstrijken van de tijd en al dat buiten zijn, al dat gefiets door stad en land, kan het niet anders of ook die andere vorm van vergankelijkheid moet worden genoemd: de cirkelgang van de natuur en de jaarlijks terugkerende processen van kiemen, groeien en bloeien, kwijnen en sterven. ‘Dat bladeren ook weer zouden vallen, / ja, dat heb je van in den beginne geweten.’

    Waar Zuiderent enerzijds – fiets aan de hand, starend over het IJ – de grotere lijnen van de geschiedenis beziet en overdenkt, telt hij anderzijds met evenveel precisie en aandacht de vogels in zijn tuin; kijkt hij naar het verkleuren van de bomen; beschrijft hij het steeds opnieuw voorbij trekken van de seizoenen. Zelfs het gedoe van de daarbij behorende werkzaamheden wordt in die beschrijving meegenomen.

    ‘Wie nu geen boomschaar, bosmaaier
     of bladhark heeft, niets van Husqvarna,
     Fiskars, Stihl, geen bijl, geen sikkel,
     wetsteen, hakblok noch kettingzaag,
     landhak of laarzenknecht, wie zelfs
     geen kruiwagen heeft, moet brieven,
     ansichtkaarten schrijven of gedichten.’

    Platanen hemel van een Franse film

    Niet alleen in Amsterdam, in Nederland, wordt het verstrijken van de tijd waargenomen en verdicht. In het derde deel van de bundel ‘Comédie-Française’ wordt zowel de geschiedenis van de mensentijd beschreven als de natuur met de elementen die voor dit gebied zo typerend zijn. Met een vanzelfsprekend gemak verweeft Zuiderent kloosters en kastelen, de oorlog en het verzet, Paul Verlaine en Nescio met drooggevallen rivieren, cipressen en de Mont Ventoux. Zodanig weet de dichter – en daaruit blijkt onmiskenbaar zijn talent – beelden met woorden te bekleden dat in de taal het beeld volledig zichtbaar en voelbaar blijft.

    ‘Door het open dak
     schijnt de platanen hemel
     van een Franse film.

     Wij zijn een slak op koers
     die afstand niet telt
     in kilometers maar in tijd.’

    Hoewel dat soepele heen en weer bewegen tussen speels en serieus tot het einde toe gehandhaafd blijft – evenals de weemoedige toon trouwens -, lijkt de uitnodiging van het begin gaandeweg te veranderen in een opdracht aan de lezer. Steeds minder wordt er dromerig tussen de wimpers door gekeken. In plaats daarvan wordt de lezer, als bij een schoolboek zo tegen het einde van het jaar met het eindexamen reeds in zicht, gemaand er nog eens stevig de pas in te zetten en meer te focussen op wat al de hele tijd het eigenlijke doel was: leren kijken met andermans ogen.

    Kijken met je oren

    Nadrukkelijker wordt er in deel vier, dat ‘Tijdslot’ heet en verwijst naar de strak georganiseerde museumbezoeken tijdens de corona-periode, en in deel vijf, dat dezelfde titel draagt als de bundel, een appèl gedaan op de zintuigen van de lezer. Tasten, proeven, horen, en kijken uiteraard. Er komen woorden voorbij als lezen, tekenen, schrijven, zelfs leren een pen vast te houden. Kunstenaars en hun kunstwerken worden met name genoemd; schilders, fotografen, dichters, musici zelfs, alsof je ook met je oren kunt kijken.

    En misschien kan dat ook wel, als je zo op waarnemen bent ingesteld. Dan is kijken niet meer een louter fysiologisch proces maar een werkelijk doordrongen raken van, besef hebben van, een ge’waar’worden. Een volkomen aanwezig zijn in en bij datgene wat je waarneemt, ongeacht de wijze waarop dat waarnemen gebeurt.

    Ongetwijfeld moet het hoe en wat daarvan de dichter al veel langer hebben bezig gehouden. Wellicht dat daarom het motto is ontleend aan een andere dichter, Fernando Pessoa. Die bij monde van zijn alter-ego Ricardo Reis zegt : ‘In ons leven tallozen; / Ik weet niet, als ik denk / Of voel, wie denkt of voelt. / Ik ben de plaats slechts waar / Gevoeld wordt of gedacht.’

     

  • Wat niet mengt, gaat schiften

    Wat niet mengt, gaat schiften

    Als Haar eerste Amerikaan van Lore Segal iets duidelijk maakt, dan is het wel dat niet ieder boek zich even gemakkelijk leent voor vertaling. De kleurrijke diversiteit van de Amerikaanse samenleving – te pas en te onpas melting pot genoemd – toont zich in dit boek regelrecht als een talige chaos waar door de lezer maar moeilijk in te komen is. Mocht men zich afvragen of dit mogelijk ligt aan de vertaling, dan is het antwoord: nee, de vertaling is uitstekend. Al moest dat wel even gecontroleerd worden. Is men eenmaal thuis in deze gelaagde rommeligheid, dan valt er volop te genieten van gênant natuurlijke dialogen en verbijsterend mooie zinnen. Hulde aan de vertaler die goed begrepen moet hebben waar hij mee bezig was.

    Transatlantische spraakverwarring

    De warrigheid vloeit vooral voort uit het verhaal zelf; uit de thematiek en uit de wijze waarop die door de personages tot leven wordt gebracht. De schrijfster heeft zich daarbij geen enkele restrictie opgelegd, noch in het neerzetten van haar karakters met al hun eigenaardigheden, noch in de manier waarop zij het verhaal schriftelijk heeft vormgegeven. Wie zijn dan die personages? Wat is hun zo vreemde en moeilijk te volgen verhaal? In een café bij een stationnetje in Nevada ontmoet immigrante Ilka Weissnix de gekleurde schrijver-journalist Carter Bayoux. Niets nieuws onder de Amerikaanse zon. In de voornoemde smeltkroes zijn dat soort ontmoetingen schering en inslag. Zelfs dat hij twee keer zo oud is als zij doet er niet toe. Wat er wel toe doet is dat het 1952 is, dat de rassensegregatie op scherp staat, dat McCarthy als een dolle tekeer gaat tegen iedereen die niet netjes binnen de lijntjes kleurt. Wat in een land met een dergelijke geschiedenis van culturele diversiteit voor velen ondoenlijk, zo niet onmogelijk is. Bij Carter Bayoux, die als begaafde intellectueel al heel zijn leven tegen de beperkingen van zijn huidskleur aanbotst, heeft de frustratie geleid tot een slopende alcoholverslaving.

    Expliciet en hilarisch beschrijft Segal hoe de flessen bourbon worden aangeleverd door de piccolo van het hotel waar hij woont. Even levendig beschrijft ze de dronkemansdromen waarbij ook de lezer op zeker moment niet meer weet wat onder of boven is, voor of achter, dag of nacht. Ilka Weissnix – Weetniks – is een Joods meisje uit Wenen dat nog maar net in Amerika is. Haar gestuntel met de Engelse taal die ze nog maar amper machtig is, is door Segal al even geloofwaardig neergeschreven. Veel van het boek gaat op aan misverstanden rondom verkeerd uitgesproken en verkeerd begrepen woorden. Zo lang die gemankeerde communicatie zich afspeelt tussen de twee geliefden, is het nog redelijk aandoenlijk. Tenenkrommend ergerlijk wordt het als er anderen bij zijn. En er zijn nogal eens anderen bij. In tegenstelling tot Ilka, beschikt Carter over een enorm en gevarieerd netwerk. Talrijk zijn de feestjes, etentjes, logeerpartijen waar hij haar mee naartoe neemt.

    De nieuwe wereld

    Ilka is een onhandig meisje, in alle opzichten. Wanneer iemand in de metro recht in haar gezicht zegt ‘Jesus, wat ben jij lelijk’, mag gevoeglijk worden aangenomen dat ze ook al niet moeders mooiste is. Waar die houterigheid, die sociale onhandigheid vandaan komt, blijft onduidelijk. Is het haar aard, of komt het door de oorlog die zij als tiener in haar eentje heeft moeten doorstaan? Schrijnend wordt het als de misverstanden helemaal niet zo persoonlijk blijken. Hoewel Ilka ze wel zo opvat, omdat ze – ook als ze de taal eenmaal een stuk beter beheerst – geen weet heeft van de diepe scheuren onder het fraaie oppervlak van haar nieuwe thuisland. Ook daarin is Segal – zelf Joodse immigrante – onbarmhartig expliciet. Opvattingen en vooroordelen rond huidskleur, discriminatie, rassenhaat en antisemitisme komen onverbloemd ter tafel in de gesprekken die tussen de vrienden van Carter worden gevoerd, en waar Ilka, als ze eenmaal iets durft te zeggen, steevast de verkeerde opmerking maakt of de verkeerde vraag stelt.

    Mededogen met haar onhandigheid is er niet. Er is in het geheel maar weinig mededogen voor de situatie van de ander. Iedereen heeft de handen vol aan zijn eigen struggle. Een terugkerend motief is het pijnlijke gebrek aan onderling begrip, aan solidariteit. De kleurlingen hebben geen boodschap aan Ilka’s Europese verleden inclusief Holocaust. Ilka op haar beurt begrijpt niet dat hun verhaal van uitsluiting en onderdrukking in wezen identiek is aan dat van haar. Voor haar is Amerika een land van belofte waar iedereen dezelfde kansen en vrijheden heeft.

    Kansloze liefde

    Ware liefde is het wel tussen Ilka en Carter, ondanks alle haken en ogen. Maar vanwege de brakke grond waarmee ze het maar te doen hebben, lukt het ze niet om echt wortel te schieten, om te aarden in een redelijk leefbaar leven, niet als individu en niet als stel. Dan, juist als de lezer gewend is geraakt aan hun warrige communicatie, wordt aan deze toch al wankele constellatie een nieuwe lading misverstanden toegevoegd. Ilka’s moeder wordt teruggevonden in een kibboets in Israël. Levend en wel, maar in haar hoofd zo verkreukeld dat een doorstart in New York op voorhand gedoemd lijkt te mislukken. Voortaan pendelt Ilka heen en weer tussen twee gebroken mensen die meer van haar vragen dan zij als eenentwintigjarige geven kan. Bovendien heeft ze ook nog een eigen leven op te bouwen.

    Boekverfilming

    Er zijn maar weinig boekverfilmingen waarbij de film beter is dan het boek. Het woord alleen al is voor ware boekliefhebbers als vloeken in de kerk. Er gaat immers nogal wat verloren aan nuances en subtiele details. Het verhaal moet in twee, tweeënhalf uur verteld worden, en moet – om uit de kosten te komen – een zo breed mogelijk publiek aanspreken. Nog zeldzamer is een boek dat van meet af aan beter een film had kunnen zijn, juist vanwege die onmiddellijke zichtbaarheid van details. Het bekende gezegde van die duizend woorden die het afleggen tegen één beeld, omdat het verhaal dat verteld moet worden eigenlijk niet met woorden beschreven kan worden. Zo’n boek is Haar eerste Amerikaan zeker. Hoewel levendig en expliciet geschreven, ontbeert het de intieme nabijheid die bij een dergelijk verhaal wel verwacht mag worden. Emoties en wat zich verder op die lagen afspeelt, worden maar summier beschreven, en zouden visueel wellicht veel beter uit de verf komen. Een kundige filmmaker zou hoe dan ook wel raad weten met dit verhaal.

    Great American Novel

    In de Nederlandse vertaling ontbreken zowel de opdracht alsook het voorwoord van dichter Stanley Crouch. Aan het begin van dat voorwoord vraagt hij zich af of dit nu een meesterwerk of niet. Een vraag die hij op het einde herhaalt en opnieuw onbeantwoord moet laten. Dat is de twijfel die blijft hangen. Ook bij de lezer. Heeft Lore Segal met Haar eerste Amerikaan werkelijk de ‘Great American Novel’ geschreven, zoals The New York Times beweert? Waarschijnlijk niet. Daarvoor is het verhaal te particulier, te ‘klein’ in ruimte en in tijd. Weliswaar weerspiegelt het veel van de kleurrijke diversiteit en de fysieke uitgestrektheid van het land, er komt ook teveel niet aan bod. Daardoor wordt de gelaagdheid gemist die we wel tegenkomen bij Fitzgerald, Faulkner, Morrison, Proulx. Al kan een goed pleitbezorger altijd beweren dat die fundamentele breuklijnen en onvolkomenheden nu net de Amerikaanse identiteit uitmaken. Knap is het zonder meer om in een taal die niet de moedertaal is een dergelijk werk te schrijven en daarbij zo veel persoonlijke bagage als bouwmateriaal in te zetten zonder dat men het gevoel krijgt een autobiografie te lezen.

     

     

  • Wij roeien ruggelings naar later

    Wij roeien ruggelings naar later

    Veel van wat Marjoleine de Vos schrijft in haar laatste bundel roept associaties op met de misschien wel meest bekende uitspraak van de Deense filosoof Kierkegaard: Het leven kan alleen achterwaarts worden begrepen, maar moet voorwaarts worden geleefd. Waarbij moet worden opgemerkt dat we ons bij dat ‘begrijpen’ niet al te veel moeten voorstellen. Want daar gaat het bij de gedichten in Hoe verschillig regelmatig mis. Er valt weinig te be-grijpen of te be-vatten. Was het maar zo simpel. Niet voor niets koos De Vos voor een motto van de hand van collega-dichter Hans Tentije.

    dat het verleden nooit voorbij is
    maar zich ergens anders bevindt –
    in de leemten, de wijkplaatsen van herinneringen en vergeten

    Na de vragen of dat verleden nu wel of niet voorbij is, en waar het zich dan zou bevinden, rijzen er meteen nieuwe vragen. Is dat verleden wel zo eenduidig als wij vaak – en graag – aannemen? Wat hebben we aan onze herinneringen als dat verleden zich zo moeilijk laat kennen en bewaren?

    Odysseus & Penelope

    Hoe iets of iemand door de tijd verandert, wekt nogal eens verbazing en verwondering, en niet zelden zelfs verwarring. Des te meer als we dat iets of die iemand al langer niet hebben gezien. We zijn dan immers geen getuige geweest van de veranderingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden. Daarbij speelt mee dat de dingen in het echt toch altijd anders gaan dan in de voorstelling die wij er in onze verbeelding van maken.

    Je bent het denk ik wel, ik ken je wenkbrauwboog
    de welving van je voet, ik houd zo pijnlijk veel

    van wie je was in mij, van mijn geweven beeld
    dat niet is jij, die man hier, slapend, aan mijn zij.

    Valt er nog wel iets te herkennen als de periode van afwezigheid te lang heeft geduurd. Is de band, opgebouwd uit de unieke, intieme details en honderden herkenbaarheden van allerlei aard, is die band, dat bij-elkaar-horen op zeker moment niet over z’n kantelpunt heen? Wat valt er nog bij te praten als je zo lang geen getuige meer bent geweest van elkaars leven; als je allang niet meer diegene bent die je toen was? Wat heeft het dan nog voor zin?

    Een weemoedig besef, dat niet alleen wordt benoemd in het eerste deel, Odysseus keert niet terug, maar ook in de andere drie delen van de bundel: ‘God doet de rest’; ‘Gedichten zeiden dat alles voorbij moest gaan; ‘Het mooie overhemd weer aan’.

    Dat gezicht van je

    De motieven uit de Griekse mythologie waar De Vos vrijelijk mee speelt, zijn ook zonder voorkennis op dat gebied goed te verstaan, omdat het telkens weer gaat om thema’s die ten diepste menselijk zijn. In alle grote literatuur – van bijbel tot Shakespeare – komen we ze tegen: verlangen en gemis, het gereis en gezoek naar waar en bij wie men thuis is, liefde, dood, verraad, of menen te worden verraden. En de ultieme desillusie: dat wie denkt met de tijd te kunnen spelen altijd aan het kortste eind trekt.

    Voorbije uren, dagen, jaren keren nooit meer terug, en de geliefden van wie we ooit afscheid namen meestal ook niet. En mocht die geliefde toch wel terugkeren, dan is het hoe dan ook niet meer de man, de vrouw van wie we eertijds de laatste aanblik in ons geheugen hebben vastgezet.

    We praten maar. We wisten niet
    dat dit, dit tasten zoeken wijken
    dat dit is wat er rest. Dit ben jij nog
    een pen die krast over papier.
    Ach dat gezicht van je.
    Ik krijg het niet meer hier.

    Waarmee zich de volgende valkuil aandient. Hoe betrouwbaar is ons geheugen eigenlijk? Niet zo erg betrouwbaar, en dat betreft niet alleen de vertekening die optreedt naarmate de tijd verstrijkt. Meteen al bij het inprenten gaat het mis. We slaan die beelden van onze geliefden tenslotte niet voor niets op. Als het ons niets kon schelen, zouden we immers ook geen moeite doen om iets van hen vast te houden. Maar het kan ons wel degelijk iets schelen. Of nu ons kind voor het eerst alleen op de fiets naar school gaat, ons vriendje een tussenjaar neemt en gaat backpacken aan het andere eind van de wereld, een partner op missie gaat in oorlogsgebied, we slaan dat beeld op omdat we rekening houden met de angstige mogelijkheid dat hij of zij misschien wel niet meer terugkeert.

    Wat de aanleiding ook is, het opslaan van zo’n innerlijk beeld is allerminst een neutrale handeling, maar van meet af aan beladen met emotie van welke soort dan ook. Daarmee zijn ook onze opgeslagen herinneringen per definitie gekleurd. Persoonlijk, uniek, niet uitwisselbaar, en valt dus ook niet te controleren of en in hoeverre dat beeld wel klopt met het gegeven dat eraan ten grondslag ligt.

    Onnozel wie zichzelf vertrouwt

    Dergelijke op voorhand gekleurde, beladen en belaste beelden beschrijft De Vos. En wel op zo’n cryptische wijze dat je je als lezer meermaals afvraagt: hoezo herinnering? Is er eigenlijk wel iets gebeurd, of is zelfs dát een illusie? Een onvast gevoel dat nog wordt versterkt door de rafelige, onafgemaakte zinnen. Alsof zelfs de taal aarzelt of deze gebeurtenissen wel echt hebben plaatsgevonden en echt genoeg zijn om te kunnen worden vastgelegd.

    En jij, hoe leef je nu je onbereikbaar bent.
    Denkt nog aan mij, voert kleine riten uit
    rond wat er rest: een schoen, bikini
    die ik ooit, een handgeschreven zoen
    sieren de leegte die ik achterliet.
    Ben ik het uitgespaarde gat in je bestaan.
    Een door jou zelf geschapen vrouw.

    Op enkele verzen na die niet zozeer qua stijl als wel qua diepgang uit de toon vallen – te lollig, te gezocht, te voor de hand liggend – is het merendeel van deze bundel van een toon en inhoud die beklijft. Ook als het boek allang dicht is, blijft men in het eigen hoofd bezig met wat zich daar in de loop der jaren allemaal aan herinneringen heeft opgestapeld, en bevraagt men de betrouwbaarheid daarvan. Was hij wel echt zo knap? Was die vakantie eigenlijk wel zo heerlijk? Heb ik het me niet gewoon verbeeld?

     

     

  • Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    Gecontroleerd uit de bocht vliegen

    In weerwil van de woorden van Dimitri Verhulst (1972) zou men – zoals wel meer verhalen en gedichten – hardop moeten voorlezen. Met een smeuïg Vlaams accent. Om zo de bandbreedte van de Nederlandse taal weer eens vol in beeld te krijgen, en ons opnieuw te verwonderen over de rijkdom en de veelkleurigheid ervan. Of het nu gaat om de klanken van een oud Polygoon-journaal, onberijmde psalmen of de liedjes van Annie M.G. Schmidt, veelkleurig is het Nederlands. Ook het Nederlands zoals Verhulst het bezigt in dit boekje.

    Verhulst vertelt het verhaal van Pol Verholst die in een lange monoloog vol flashbacks zijn leven beziet op een moment dat hij er niet langer greep op heeft. Een teloorgang die zich kort en bondig laat omschrijven: man vervuilt in dichtgeslibd huis nadat hij jarenlang zijn post niet meer heeft opengemaakt. Het heeft zo weinig om het lijf heeft dat het een format van een RTL-programma had kunnen zijn.

    Eenvoudig grondmotief

    Onder de woest boetserende hand van Verhulst, die de overdrijving niet schuwt, is het een tragikomisch verhaal geworden dat bij vlagen zo hilarisch en absurdistisch is dat het aan Monty Python doet denken. Het grondmotief is even eenvoudig als doeltreffend: het begon met iets onbenulligs, en toen liep het gruwelijk uit de hand. En hoe verder het uit de hand loopt, hoe absurder het wordt.

    De wijze waarop Verhulst de ik-figuur laat vertellen is kleurrijk en gekruid met de nodige zelfspot. En zodanig levendig dat je het gevoel krijgt de man echt te leren kennen en zijn probleem gaat begrijpen. Met vaart sleurt Verhulst de lezer door het verhaal alsof het een omvangrijk epos is. Hij laat de hoofdpersoon uitvoerig vertellen over zijn leven, zijn jeugd, zijn familie zodat men achterblijft met het gevoel een vuistdikke roman te hebben gelezen. En met verwondering. Zoveel, en zulke gedetailleerde informatie in zo’n klein boekje. Zo kan het blijkbaar dus ook.

    Teloorgang van cafeetjes 

    Zowel door de absurditeit van het onderwerp – die ongeopende post die zich maar opstapelt – als de vaart waarmee het is geschreven dreigt het verhaal meermaals uit de bocht te vliegen en moeten de serieuze thema’s steeds opnieuw uit de brij van stijlfiguren en verbale uitspattingen naar boven worden gevist. Onder al die hilariteit wordt namelijk wel degelijk een verhaal verteld. Van een tijdperk dat niet meer bestaat maar dat door velen herkend zal worden als het decor van eigen jeugdherinneringen, de jaren zestig en zeventig.

    Van vrouwen die met krulspelden de straat op gingen, of in te dunne jurkjes de melkboer en de postbode ontvingen; van cafeetjes waar het blauw zag van de rook, met kaartende en pimpelende mannen, met een biljart, en een jukebox vol hijgende Françaises.

    Een tijd waarvan Verhulst alleen maar het staartje kan hebben meegemaakt, maar die hij treffend en met een beeldrijke zintuiglijkheid laat beschrijven door zijn hoofdpersoon die een jaar of tien ouder moet zijn dan de schrijver zelf. Zodat het levensverhaal van die Pol Verholst meer in de pas loopt met de teloorgang van dat tijdperk en de opkomst van het tijdperk waarin die cafeetjes niet meer mochten bestaan.  Op kritische, vaak zelfs cynische toon vertelt de hoofdpersoon hoe dat ging in die tijd. Hoe die cafeetjes, en daarmee heel die gemoedelijke, ongeordende manier van leven aan banden werd gelegd en uiteindelijk braaf gestroomlijnd door regelgevers die vonden dat het wel mooi was geweest met dat gelanterfant op klaarlichte dag.

    Wind uit een ander hoek

    Door de automatisering en digitalisering van de jaren tachtig kregen overheden gaandeweg steeds meer greep op al die rommeligheid en kon er effectief korte metten mee worden gemaakt. Daarmee ging voor een bepaalde groep een langgekoesterde wens in vervulling: meer controle op het doen en laten van burgers, minder ruimte om te leven zoals men zelf verkiest. Wat vanaf dan in toenemende mate het conflict wordt tussen de hoofdpersoon en een maatschappij waar hij steeds meer moeite mee heeft.

    Dat is het leitmotiv van dit verhaal. Met welhaast liefkozende finesse beschrijft Verhulst hoe in de jaren tachtig de wind uit een andere hoek begon te waaien en hoe dat voor velen het leven ingrijpend en voorgoed veranderde. Pol Verholst – die in die periode aan zijn volwassen leven begint – zegt erover met wrange berusting: het werd pas geweten en gevoeld toen het te laat was.

    Meer op persoonlijk niveau vertelt de ik-figuur hoe hij daar stond, midden in de grote jeugdwerkloosheid, met zijn tandartsendiploma, samen met talloze andere jongeren die net zo hard als hij probeerden een plek te veroveren op die zieltogende arbeidsmarkt, en zich toen al afvroeg wat de zogenaamde vooruitgang – het feit alleen al dat de zoon van een postbode naar de universiteit had kunnen gaan – van de decennia ervoor hen had gebracht. Alsof hij toen al de zakelijkheid en de anonimiteit van het digitale tijdperk voelde aankomen. En de bijbehorende ontmenselijking die hem uiteindelijk zal vermalen. Ook dat is een van de thema’s in dit verhaal. De strijd van de eenling tegen het systeem. De vraag in hoeverre een overheid zich mag bemoeien met de autonomie en zelfbeschikking; in hoeverre de mens vrij is zijn eigen leven in te richten. Is een mens verplicht zijn post open te maken? Mag een mens vervuilen in zijn eigen huis zolang de ratten maar niet bij de buren door de keuken rennen? Waar ligt de grens, en wie bepaalt waar de grens ligt?

    Sterke maag

    Icoontjes op de ruggen van bibliotheekboeken geven het genre aan van wat de  lezer verder kan verwachten van een boek. Welk label er op dit boekje past, valt nog te bezien. Het zou de lezer in ieder geval kunnen waarschuwen voor de plastische wijze waarop Verhulst allerlei lichamelijke processen beschrijft.

    Van de te onderzoeken mondholtes van doden – want dat is wat de onfortuinlijke tandarts te doen krijgt als hij eindelijk werk heeft gevonden: onbekende doden identificeren – tot de tandheelkundige behandelingen bij levende patiënten, Verhulst is ongeremd expliciet. Verder komen er nog flinke hoeveelheden poep, pies en kots voorbij. Meestal hilarisch beschreven, maar je moet er tegen kunnen.

    Wat behalve het verhaal en de virtuoze taal ook beklijft, is de verwondering dat dit blijkbaar kan in slechts vijftienduizend woorden. Zelfs voor een novelle is dat aan de magere kant is, maar wellicht daardoor juist een aanbeveling om het te lezen. Hoe het ook valt, als lezer heb je er niet meer dan een paar uur voor nodig. In het beste geval wordt er genoten van een verhaal dat smaakt als een Belgisch biertje, en blijft de taal als een rijpe Passendale kaas aan het gehemelte plakken.

     

  • Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Voor wie dwalen wil tussen regels zonder begin of eind

    Een fotoalbum voorgelezen aan een blinde, die indruk wordt gewekt bij eerste lezing van de poëziebundel Niemand blijft het langst van poëzie- prozaschrijfster en kunstenares Gerry van der Linden. Meer specifiek is het album een familiealbum met welhaast huiselijke plaatjes uit vervlogen tijden. De blinde is in dit geval iemand die ooit kon zien en in het geheugen nog beelden bewaart van die huiselijkheid, de moeder met schort, de keuken, het kind, de boom in de tuin. Bij diepere lezing stuit men op een onderscheid van wat zich gemakkelijk en niet zo gemakkelijk in taal laat uitdrukken, kleuren bijvoorbeeld.

    Een schilder weet dat kleuren moeilijk met woorden te omschrijven zijn en daarom ten diepste geen naam kunnen hebben. Tenslotte kun je aan een blinde niet uitleggen wat rood is. Wellicht dat daarom spaarzaam met kleur wordt omgesprongen in deze bundel. Buiten een vleugje hemel en een toefje gras worden er in de gedichten nauwelijks andere kleuren genoemd dan die van huid en haar: zwart, wit, roze. Beweging is er daarentegen des te meer. Precies wat je op een schilderij juist weer niet zo goed kunt laten zien. Want er wordt wat bewogen. Er wordt gezwommen, geschommeld, gerend, gedanst, gefietst, op bedden gesprongen, hoger, hoger. Dat lijkt de ultieme beweging, weg van waarin men is vastgeklonken.

    jij doet mij niks wind
    ik houd niet in ik stap niet af
    ik fiets naar de einder
    mijzelf aan het stuur mijzelf achterop
    mijzelf in de fietstas

    Niemand blijft

    Gaandeweg wordt uit die vlieg- en vluchtbeweging duidelijk dat er niet zonder reden wordt bewogen. Er is een voortdurende drang tot weggaan, al vraagt men zich wel af waardoor die drang wordt veroorzaakt. Is er ergens verderop een doel dat lokt? Of ligt de noodzaak van het weggaan in het feit dat men niet blijven kan? En moet daar dan in godsnaam maar een doel voor bedacht of gevonden worden? Met de schrijfster, het kind, de verteller, voelt de lezer zich heen en weer geslingerd tussen die drang te moeten gaan enerzijds en het verlangen te blijven anderzijds. Waarmee de werkelijke tragiek in beeld komt: het weggaan wil eigenlijk het liefst een teruggaan zijn, en is daarom dooraderd met weemoed en alle attributen waaraan weemoed zich vastklampt, de kinderkleren, de schommel in de tuin, de gebaren van de moeder en wat er verder op die oude foto’s staat afgebeeld. Een weemoed die schrijnt, want nooit draait de tijd terug, noch het vergaan ervan. We worden ouder tegen wil en dank, ouder dan onze ouders soms. Nooit keren we terug in het kinderlijf en de meisjeskleren die we toen pasten. Alleen in dromen wordt de tijd nog bij de kladden gepakt en beetgenomen. Tot bij het ontwaken de beetgenomene de dromer zelf blijkt te zijn.

    elke ochtend elke avond elke nacht droom ik
    over mijn droom
    waarin ik rondloop op zoek altijd op zoek naar nou ja
    gewoon op zoek maar wel nog beeldig.

    Keukenla

    De gedichten zijn doordesemd met een veelvoud aan beelden en zijn allesbehalve eenduidig. Terwijl steeds opnieuw de vraag rijst hoe letterlijk – of niet letterlijk – die beelden moeten worden opgevat. Meteen in het eerste gedicht dat als een soort proloog aan de drie delen vooraf gaat, valt het woord keukenla en dat benadert dicht het gevoel dat meer dan eens wordt opgeroepen. Alsof iemand midden op tafel een keukenla heeft omgekieperd en met een zucht ergens tussen ergernis en lichte wanhoop de inhoud aanschouwt: ook dat nog. En datgene waarnaar zo naarstig werd gezocht ligt er niet tussen.

    In het eerste deel van de bundel, ‘Alles is vroeger’ wordt er veel van die inhoud op haast tastbare wijze beschreven. Gewone alledaagse voorwerpen die ooit in een ander tijdsgewricht betekenis hadden maar nu alleen nog maar zijn wat ze zijn. Rekwisieten van een verhaal dat – buiten de verteller zelf – haast niemand zich nog herinnert. Dingen die na het verlies van hun symbolische waarde niets anders over hebben dan hun substantie, hun vorm, hun naam. Doelloos voor het moment, mogelijk zinloos. Maar wel aandoenlijk mooi. Al zullen er vast mensen zijn die vinden dat dergelijke prozaïsche voorwerpen en woorden niet in poëzie thuishoren: gebaksvorkje, stofzuiger, krulspeld, soepkip, paardendeken.

    Het koord waarop ik liep als kind
    het koord waarop ik liep

    knapte en in vleermuismouwen viel ik
    in de schort van vrouwen

    glipte rakelings langs een graaiende oom
    het kirren van vrouwen op een familiefeestje

    prikken van een gebaksvorkje in de room
    o jij hebt te veel praatjes dacht je

    dat alles voor jou zou wijken dat
    door je te laten vallen

    het misschien anders zou lijken
    (vrouwen met dichte dijen bevallen?)

    Nog fysieker wordt het in deel twee, getiteld ‘Stemmen’. Langs een reeks plastische verbeeldingen van huid en haar, van mannelijke en vooral vrouwelijke lichaamsdelen, van vrienden in de loop der tijd aan de dood of aan het leven kwijtgeraakt, beschrijven de gedichten in dit gedeelte de kanteling van meisje naar vrouw. Ouder worden dat onherroepelijk gevoeld en ervaren wordt, tegen wil en dank, met weemoed, woede of weerbarstigheid.

    (Zijn we nu toch terug in de keuken
    waar het heerlijk naar vroeger ruikt
    waar de vrouw haar schort omknoopt
    de man zijn glaasje drinkt

    waar de kleine jongen
    tegen de tafelpoot schopt – ja
    wij zijn nog van die generatie.)

    In deel drie ‘Binnenin, buitenom’ lijkt de verteller definitief te zijn geland in het nu. Jeugd wordt enkel nog waargenomen in jonge blaadjes, konijntjes, een meisje met afgezakte kousen dat voorbij fietst. Waargenomen door een volwassene die zich bij deze onomkeerbaarheid lijkt te hebben neergelegd en weet dat de herinneringen verleden tijd zijn; hoe het jonge in het oude, het kleine in het grote, het kwetsbare in het harde wordt opgenomen en nooit meer terugkomt.

    Houvast

    Tussen haar debuut De Aantekening (1978) en deze (twaalfde) poëziebundel liggen jaren waarin het soms voor langere of kortere tijd stil was, maar niet werd stilgezeten. Jaren waarin de dichteres meer en meer haar eigen stijl ontwikkelde, daar ook vrijer in werd. De gedichten zijn allerminst eenvoudig, noch voor wat betreft thematiek en inhoud, noch qua vorm. In alle opzichten wordt de lezer uitgedaagd in het diepe te springen, het onbekende in dat op het eerste gezicht zo bekend en gewoon lijkt.

    Niemand blijft het langst is zeker geen poëzie voor wie houvast zoekt bij meer klassieke dichtvormen, met een traditionele opbouw in verzen, een stevig metrum en rijm. Des te meer voor wie dwalen durft tussen dit soort regels, zonder leestekens, hoofdletters, zonder begin of eind. En de vraag onbeantwoord wil laten of de dichteres dit alles werkelijk zo argeloos en impulsief uit de losse pols heeft neergekrabbeld of dat de woorden en regels zo zijn gestileerd dat het alleen maar zo lijkt; doorgecomponeerd op het perfectionistische af, prachtig is het hoe dan ook. En doet het ertoe, om dat te weten? Nee. Tegen de tijd dat we ons dat afvragen, zijn we al meegenomen; vliegen, springen, schommelen, fietsen we al, zijn we al gevallen en neergekomen in een bed met kruimels en gekreukelde lakens.