• De vernietigende werking van haat en zelfhaat

    De vernietigende werking van haat en zelfhaat

    Goede schrijvers hebben genoeg aan honderdvijftig  boekpagina’s bewijst Justine le Clerq in haar derde boek, Krimp geheten. De schrijfster heeft zelf een jeugd vol drugs en geweld achter de rug en put daar gretig uit bij het vertellen van het verhaal van Lina.

    Lina is de dochter van Hugo Hersenvoort, eigenaar en kok van Bistrot, een Haags restaurant met een goede culinaire reputatie. Haar moeder is ooit verdwenen, maar haar vader amuseert zich uitstekend in onenightstands met steeds andere vrouwen. Papa wordt geadoreerd door zijn dochter die hem graag helpt in de keuken van het restaurant. Hij is een man met stevige opinies over opvoeding en vindt dat zij op haar vijftiende oud genoeg is om zelfstandig te wonen. Ze moet iemand worden, vindt hij. Hij regelt een kamer voor haar, verhuist er wat van haar meubels naar toe en laat haar daar achter. Lina is vol woede en onbegrip over wat hij haar aandoet, en eenmaal ontkoppeld van de veiligheid van het ouderlijk huis, ontspoort ze. Ze komt in een Bonnie & Clyderelatie met de wat oudere Rick en woont met hem op de pof in hotels en ‘hosselt’ in winkels goederen die ze elders weer verkopen om rond te komen. Geleidelijk wordt dat bestaan gewelddadiger, met roofovervallen als eindpunt.

    Lina blijkt aanleg te hebben voor het succesvol bewandelen van het verkeerde pad en kan dat ook goed verwoorden:

    Een overval doe je niet zomaar, niet met elk humeur. Je moet jezelf in een bepaalde staat brengen, in een woedende staat. (…) De haat moet tegen mensen zijn, maar praktisch van aard. Je wilt geld, geen bajes. Je moet net genoeg haten om iemand een mes tegen de keel te drukken (…) met genoeg beheersing om (…) het lemmet op de huid te houden.

    Maar uiteindelijk loopt het toch mis. Als dat tenminste zo genoemd mag worden, want in een tussendoorhoofdstukje heeft Lina de lezer al laten weten dat zij inmiddels een dertiger is met een goede baan bij een ministerie.

    De jacht van politieagenten die voorafgaat aan de arrestatie van Rick en Lina geeft de schrijfster van Krimp de gelegenheid te laten zien wat beeldend schrijven is:

    Alles in mijn lichaam was op de vlucht, had nog maar één doel. Mijn spieren veerden, ik voelde Ricks stevige handdruk die me nooit los zou laten, me nooit in de steek zou laten. (…) Ze mochten mij laten gaan of doodschieten, het maakte me niets meer uit. (…) Iedere rennende stap voelde rank, alsof er helium in mijn benen zat en tegelijk leek de stap in al zijn lichtheid uitgerekt te duren en keek ik naar papa die de schilletjes van druiven trok omdat ik ze anders niet wilde eten, keek ik naar mama die toch ergens moest zijn, ergens. 

    Omdat Rick alle schuld op zich neemt, komt Lina ongeschonden uit de confrontatie met de politie en slaagt er in haar leven weer op de rails te krijgen. Ze maakt haar studie af, krijgt een baan, herstelt het contact met haar vader enigszins en krijgt zowaar gedurende enige tijd een relatie met een oppassende burger. Ze blijft wel last houden van woedeaanvallen. En Rick? Die bezoekt ze één keer in de gevangenis maar laat het daarbij, wetend dat ze hiermee hem in de steek laat.

    Met Rick loopt het mede daardoor niet goed af en haar schuldgevoel daarover verziekt het leven van Lina in het laatste deel van Krimp. De verhaalstijl wordt emotioneler, de scènes fragmentarischer, de woede-uitbarstingen nemen in aantal toe. Haar zelfhaat en toch weer terugkerende wrok over wat haar vader haar aangedaan heeft, zullen ooit leiden tot een onvergeeflijke misdaad, beseft ze steeds meer.

    Met Krimp heeft Justine Le Clercq een overtuigend portret geschilderd van een meisje dat door aanleg maar ook door omstandigheden gedreven wordt tot haat en zelfhaat. Het is geschreven in een stijl – bruusk en emotioneel, maar soms met vertederende aandacht voor details – die past bij het personage.

     

  • ‘Het is maar goed dat ik niemand werd’

    ‘Het is maar goed dat ik niemand werd’

     ‘Ik wilde leven, maar ik kon er nooit helemaal bij. Ik vreesde de herinneringen aan mijn jeugd, en de herinnering aan de ouderdom, en daartussen vreesde ik het roemloos zijn’.

    Titine Clement, de centrale figuur in de roman De roemlozen, leren we kennen op een cruciaal punt in haar leven: samen met regisseuse Welmoed zal ze, nog voor haar veertigste, haar doorbraak beleven als scenarioschrijfster. Of dit gaat lukken, is natuurlijk de vraag. Ondertussen leren we als lezer wel een aantal opmerkelijke figuren kennen.

    Titine is geboren in een welgesteld Haags kunstenaarsmilieu. Haar vader, ‘de beroemde kunstenaar’ en zijn muze, de snobistische, dominante en materialistische moeder, Moema, voeden hun kinderen vrij en onconventioneel op in de roerige jaren zestig. Haar broertje speelt slechts kort een rol, op zesjarige leeftijd ‘verdwijnt’ hij opeens. Moema is een theatrale, dominante vrouw, die, zo gauw de situatie zich ervoor leent, graag haar borsten en benen in de strijd gooit, bijvoorbeeld wanneer er weer eens iets geregeld moet worden voor de recalcitrante dochter. Typerend voor haar is haar uitspraak over het werk van haar man: ‘Dood ben je meer waard, veel meer!’ Geen wonder dat Titine al vroeg het huis ontvlucht en zelf probeert te overleven. Ze heeft verschillende baantjes, maar haar rol als gastvrouw voor ‘willig betalende mannen’ geeft haar de meeste vrijheid en brengt haar het dichtst bij haar ideaal van een eigen atelier.

    Het werkelijke verhaal begint als Welmoed, regisseur van een aantal succesvolle films, maar vooral al jaren veelbelovend, het leven van Titine binnenwandelt. Ze wil dat Titine het script schrijft voor haar film over de tsunami in Sri Lanka. Die film moet hun doorbraak worden, het liefst voordat ze veertig zijn. Er moet daarom binnen een jaar een producent met geld gevonden worden.
    Samen met beeldhouwer Manuel Antonio Rodrigues, alias Boi, de jaloerse, verslaafde, lusteloze ‘verloofde’ van Titine gaan ze regelmatig op pad en proberen ze hun project te realiseren. Titine moet zorgen voor een treatment, een ‘tonnenschudder’, oftewel een verkooppraatje op papier voor derden om geld te werven en producenten over de streep te trekken. Ondertussen werkt Boi aan zijn beelden voor zijn eerste expositie.
    Voor Titine was het ontlopen van haar ouders op een gegeven moment haar voornaamste levensdoel. ‘Een tijd lang kwam het me voor dat mijden een onwaarschijnlijk hoge kans op geluk bood.’  Maar helaas voor haar, blijkt zelfs hun ontmoetingsplaats, koffiehuis La Mano Maestra, niet veilig voor Moema.
    Eigenlijk heeft ze zich nooit kunnen onttrekken aan haar moeder: hoe vaak ze ook van adres wisselde, altijd wist Moema haar te vinden. Moema, vol met verwijten en gefrustreerd omdat de beroemde kunstenaar langzamerhand verandert in een zielige, dementerende oude man, laat zich niet zomaar uit het leven van haar dochter wegsturen; ze zoekt te pas en te onpas Titine en haar vrienden op.

    ‘Ieder jaar vernieuwen de menselijke moleculen zich. En hoewel die vernieuwing steeds weer tot een mens leidt, tot hetzelfde mens, is het toch een totaal nieuw mens. Waarom, vroeg ik me af, zou je een organisme ieder jaar vernieuwen tot hetzelfde? Waarom zit er geen verbetering in de nieuwe versie?’, verzucht Titine als Moema opeens weer in La Mano verschijnt.

    Terwijl Welmoed droomt over haar bioscoopfilm, Boi zich met veel zelfmedelijden en drank voorbereidt op zijn expositie, Moema een tentoonstelling als eerbetoon voor ‘De beroemde kunstenaar’ organiseert, gaat het met Titine niet zo goed: ze kotst en kotst, ze blijft maar alles uitkotsen. Dat is misschien ook niet zo gek, als we, verpakt in flashbacks, de achtergronden van Titines jeugd leren kennen. Leven met een heel beroemde vader is al niet gemakkelijk, maar belangrijker nog is de totaal verknipte verhouding met haar moeder, die vooral geïnteresseerd is in zichzelf, maar aan wie ze zich niet kan onttrekken.

    Wat het meeste opvalt in deze roman zijn de dialogen: eigenlijk luistert alleen Titine naar wat anderen zeggen. De rest luistert helemaal niet naar elkaar, men is alleen met zichzelf bezig. De personages zijn door Le Clercq niet heel genuanceerd, maar stereotiep, bijna karikaturaal neergezet. Dat is niet erg, want ze zijn wel heel herkenbaar en het levert opmerkelijke, soms bizarre, ontluisterende gesprekken en situaties op. Eigenlijk is Titine de meest normale, stabiele persoon in het geheel, ondanks de littekens die ze in haar jeugd heeft opgelopen. Dat het moeilijk is om helemaal los te komen van haar ouders, wordt aan het eind van het verhaal op een komische, maar ook ontroerende wijze duidelijk. Wel is beklemmend dat Titine over zichzelf zegt: ‘Het is maar goed dat ik niemand werd, want ze dulden niemand naast zich. Hun kinderen en het gezinsleven beschouwen zij als decor. En een decor moet niet zelf willen leven.’

    Het leven van de auteur, Justine le Clercq (1967), vertoont parallellen met dat van Titine. Ook Justine groeide op in een Haags kunstenaarsmilieu waaruit ze vluchtte. Le Clercq raakt aan lager en belandt uiteindelijk in een ontwenningskliniek. Daarna wordt ze actief in de verslavingszorg en tegenwoordig is ze docent Sociale Wetenschappen en projectmanager. Als schrijfster is ze actief voor Haags Straatnieuws en voor  het tijdschrift Blauwe Maandagen over het werk en leven van Arnon Grunberg. De roemlozen is haar debuutroman. Inmiddels heeft ze ook verhalen in literaire tijdschriften gepubliceerd.