• De ambitie herkennen van wat een Grote Nederlandse Roman zou willen

    Martijn Knol werkte zes jaar aan zijn nieuwe roman De lange adem. Na de novelle Elders uit 2014  is dit zijn vierde roman. ‘In stilte’ werkte hij eraan, zoals de auteursbio op de binnenflap vermeldt. Wie hem op internet zoekt, komt behalve zijn eigen website en blog niet veel tegen. Wat er over Martijn Knol te vinden is, gaat waarschijnlijk over een naamgenoot, wat nog wel eens voor verwarring zorgt. 

    ‘Er is een andere Martijn Knol die aan wielrennen doet. Een tijdje geleden kwam iemand naar me toe en vroeg of ik tips voor hem had. “Ja,” zei ik, “gewoon doortrappen.”’ Zijn plek buiten het centrum van de aandacht bevalt hem wel.

    ‘Ik ben gecharmeerd van schrijvers van wie je helemaal niets weet, zoals Salinger of Elena Ferrante. Het enige wat je kunt doen is hun boeken lezen. Dat vind ik wel mooi. Deze tijd vraagt misschien ook wel om een beetje persoonlijke terughoudendheid en het boek het boek te laten zijn.’

    Zoeken naar betekenis

    Maar wie hem zoekt voor een boekpresentatie of literair programma, weet hem wel te vinden, vertelt Knol. Het is dan ook niet zo dat hij niet graag over zijn boeken praat. De enige hapering tijdens het interview komt door een slechte Skypeverbinding aan het begin. Zodra het euvel verholpen is, gaat het gesprek moeiteloos verder. De rijkdom van zijn roman biedt genoeg stof om over te praten. In De lange adem volgen we Robbert, een beveiliger in een warenhuis. In talloze hoofdstukken, scènes en fragmenten komen we meer te weten over hem, zijn collega’s, geliefden en zijn grote kinderwens. Knol schetst hem als een rauwdouwer, iemand die er niet voor terugdeinst om als het nodig is een tik uit te delen, maar tilt hem moeiteloos uit boven het archetypische door ook zijn binnenwereld met zijn kinderwens te beschrijven.

    De andere hoofdfiguur is Roman, een vlotte reclameman die ambities in de politiek krijgt en de Partij voor de Toekomst. Net als Robbert wordt Roman omringd door vele bijfiguren onder wie zijn vrouw en collega’s op zijn reclamebureau die ruim aandacht krijgen. Het maakt van De lange adem een volle en meerstemmige roman waarin figuren uit verschillende lagen van de bevolking elkaars levens kruisen. ‘Als het waar is dat mensen zich tegenwoordig steeds vaker opsluiten in hun eigen gelijk, wat gebeurt er dan als je ze in een roman tot contact dwingt?,’ vroeg Martijn Knol zich af bij het schrijven.

    De lange adem gaat over hoe we betekenis geven aan ons leven. Voor Roman is dat gein, reclamecampagnes maken en rijk worden. Later zoekt hij het in de politiek. Robbert zoekt betekenis in goed burgerschap een gezin, zijn werk en vaderlandsliefde. Als je al die personages volgt, dan krijg je begrip voor al die standpunten. Ik heb willen laten zien dat het ene streven niet meer waard is dan het andere.’

    Luchtgaten naar de buitenwereld

    De meerstemmigheid van De lange adem zit hem niet alleen in de hoofd- en bijfiguren van de twee verhaallijnen. Knol heeft ook stukjes ingelast met moppen en commentaar van fictieve lezers. Ze verwoorden reacties op het gelezene en gaan gesprekken met elkaar aan over bijvoorbeeld de noodzaak van een bepaalde scène in het boek of de mogelijke bedoeling van de schrijver.

    ‘Met deze stemmen kon ik de roman verrijken met andere standpunten en ook twijfel en kritiek toelaten. Op deze manier wilde ik de roman al tijdens het lezen als het ware openwerken naar de samenleving. Soms is het heel leuk om een helemaal gesloten alternatieve wereld te creëren in een roman. Maar in De lange adem zijn de samenleving en democratie belangrijke thema’s en daarom wilde ik luchtgaten maken naar de buitenwereld.’

    Op geheel toevallige wijze kwam de buitenwereld in de roman terecht. Afgelopen voorjaar richtte Henk Krol, nadat hij 50PLUS had verlaten, de Partij voor de Toekomst op, dezelfde naam die Knol had bedacht voor de politieke partij van zijn personage Roman.

    ‘De essentie van politiek campagne voeren is kiezers beloften doen. Die liggen natuurlijk in de toekomst, dus ik dacht: een politicus verkoopt toekomst. Ik vond het zelf wel grappig, die naam. Het is zo over the top.’

    Roman ontpopt zich in De lange adem tot een politicus van populistische snit, wat tot geweldige passages leidt waarin hij zijn ideeën uiteenzet.

    ‘Dat populisme en opportunisme en het gebruiken van de politiek voor je eigen belangen wilde ik graag in mijn roman verwerken, maar tijdens het schrijven kwam het toch wel wat genuanceerder te liggen. Roman heeft weliswaar nare en rare trekken, maar het begon me op te vallen dat hij de politiek onderzocht om te proberen echt iets te betekenen. Er zit een soort ambivalentie in, want wij herkennen de populistische stromingen, maar tegelijkertijd zit er voor hem op psychologisch niveau een soort authentiek verlangen in om de leegte die hij voelt met betekenis te vullen.’

    Grote Nederlandse Roman

    Op de achterflap wordt De lange adem een ‘hilarische, wilde, dwarse, ernstige Grote Nederlandse Roman’ genoemd. Waar het de vorm van deze roman betreft, vormde het essay The Great Dutch Novel van Daniël Rovers een van de beginpunten voor Martijn Knol. Het essay stelt de vraag of er naar analogie van de Great American Novel iets vergelijkbaars in Nederland mogelijk is. Je zou dan een roman moeten schrijven waarin meerdere sociale groepen een plek krijgen en waarin je nadenkt over de samenleving vanaf een afstand en van dichtbij via je empathie. 

    De lange adem is een Grote Nederlandse Roman omdat ik de ambitie herken van wat een Grote Roman zou willen doen, namelijk het maken van een verhaal waarin meerdere perspectieven en stemmen samenkomen. En door de veelheid aan stemmen wordt zoiets al gauw een wat volumineuzer boek.’

    De Great American Novel ontstond in de negentiende eeuw, en misschien kunnen we vanaf dat moment ook zulke romans in Nederland vinden. 

    ‘Misschien zijn Multatuli’s Ideeën wel het begin van de traditie. In dat boek zitten zo veel verschillende stemmen. Voor een Grote Nederlandse Roman is een politiek bewustzijn nodig. Sinds de millenniumwisseling is de emancipatie pas echt een inhaalslag aan het maken. En dan bedoel ik vrouwenemancipatie, homo-emancipatie, emancipatie van mensen van kleur. Eindelijk beginnen al die perspectieven hun ruimte te krijgen dus het is heel logisch dat de roman daar ook wat mee gaat doen. Ik denk dat er een hele mooie canon van dit soort romans gaat komen.’

    Ruimte bieden

    Een andere inspiratiebron voor deze roman is het werk van Jeroen Mettes geweest. 

    ‘Bij hem zie je ook zo mooi dat hij door zijn inhoud anders te structureren probeert om iets anders te zeggen. Een andere vorm levert een andere inhoud op. Door het fragmentarische van bijvoorbeeld zijn lange prozagedicht N30, dat tegelijk wel degelijk een ordening kent, zie je dat het voor hem gewerkt heeft om iets anders te vertellen. Je ziet dat ook bij andere schrijvers zoals Tonnus Oosterhoff, of Ali Smith in haar laatste vier romans waarin ze de Brexit volgt. Dat kun je geen klassiek gestructureerde romans noemen en zo slaagt zij erin de werkelijkheid naar binnen te halen. Zij schept ruimte voor meerdere perspectieven en dat heb ik ook geprobeerd in mijn roman te doen. Als je je zoals veel klassieke romans doen, op één personage richt krijg je een soort partijdigheid. In De lange adem heb ik daarom ruimte gegeven aan heel veel personages.’

    Het geven van ruimte is ook op een andere manier belangrijk voor het schrijverschap van Martijn Knol. Begin dit jaar sprak hij Jannie Regnerus die hij kent uit de tijd dat ze ook bij uitgeverij Wereldbibliotheek publiceerde. Ze vroeg hem hoe het met zijn boek ging. Hij vertelde dat het na enige vertraging nu zou verschijnen. Logisch dat het goed kwam, vond ze, want hij had de beste redacteur van de wereld. 

    ‘Dat is mijn uitgever, Koen van Gulik. Ik ging daarover nadenken en ik begrijp waarom ze het zegt. Wat heel goed aan hem is, is dat hij me het gevoel geeft dat ik precies het boek moet maken dat ik wil. Hij geeft me als schrijver alle ruimte. Dat is wat ik zelf probeer als schrijver, ruimte geven aan de lezer, door andere perspectieven aan te bieden of alternatieve gebeurtenissen. De ruimte die ik aan de lezer wil bieden begint met de ruimte die ik krijg als schrijver.’

    Nu De lange adem in de winkel ligt, is Knol blij dat het schrijven klaar is. 

    ‘In de weken na verschijnen heb ik het boek wel twee of drie keer per dag opgepakt om me ervan te verzekeren dat het er is. Ik ben ook heel gelukkig met het boek als object: hoe het in de hand ligt en openvalt, en het mooie omslag van Christoph Noordzij. Dat effect duurde bij deze roman opvallend lang.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    De lange adem / Martijn Knol / 480 pagina’s / Wereldbibliotheek (2020)

     

    Foto: ©Francesca Lucarotti

     

  • Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    ‘Zo ziet mijn leven er op dit moment uit,’ zegt Sander Kollaard (1961) ineens. We zitten op een terras in Amsterdam. De schrijver woont in Zweden en is voor tien dagen overgekomen voor de promotie van zijn roman Uit het leven van een hond die eind juni werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Er is zojuist een enorme hoosbui losgebarsten, maar boven onze tafel hangt een grote parasol. ‘Overal vallen buien en gebeuren vreselijke dingen, maar ik zit lekker droog.’ 

    Sinds enkele jaren leeft Sander Kollaard alleen van het schrijven. Dat brengt onzekerheid over inkomsten met zich mee, ook omdat zijn vrouw op projectbasis werkt. Tot vier jaar geleden werkte hij ook nog als redacteur voor een medische uitgeverij, uit financiële noodzaak. Maar toen ging die zaak failliet, vertelt Sander Kollaard. ‘Op dat moment zat ik al met de vraag of ik er niet mee moest stoppen om me volledig op het schrijven te richten. Gelukkig werd de keuze toen voor mij genomen. Het was een enorme bevrijding en daardoor kon ik veel meer gaan schrijven. Dankzij de Librisprijs kunnen we het leven dat we nu leiden langer volhouden.’ 


    Veel te vieren

    Zijn bekroonde roman Uit het leven van een hond beschrijft een zaterdag uit het leven van de 56-jarige Henk van Doorn. Een doodgewone zaterdag, behalve dat Henks hond ziek is. ‘John Updike werd eens gevraagd waarom hij schreef. Hij antwoordde toen: “To give the mundane its beautiful due”, dat je zou kunnen vertalen met “het alledaagse tooien met de schoonheid die haar toekomt”. Dat heeft mij altijd erg aangesproken. Waar literatuur erg goed in is, is mensen opnieuw te laten kijken naar wat ze al kennen. Maar dan met een frisse blik. Dan zie je veel meer en worden ook de banale dingen op slag interessanter.’

    Geconfronteerd met de ziekte van zijn hond ervaart Henk zijn emoties wat sterker dan normaal. Hij kent de nare en verdrietige kanten van het leven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn oudere broer verloren, een dementerende vriendin en hij is gescheiden. Ondanks het besef dat hij zijn hond over niet al te lange tijd zal verliezen, weet hij de wending te maken naar de gelukkige kanten van het leven. ‘Er valt in het leven veel te vieren. Je moet het alleen wel willen zien en dat begint Henk op deze dag te ontdekken.’

    Als je Uit het leven van een hond vergelijkt met de andere boeken van Sander Kollaard, dan lijkt het nog een meest op zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. ‘Het is een soort vervolg qua toon, klank en lichtheid. In het eerste boek is er ook het besef van sterfelijkheid, een memento mori, dat als een onweerswolk boven alles hangt. Het geeft de hoofdpersoon in die verhalenbundel een gevoel van zinloosheid. Maar Henk uit mijn laatste boek maakt de draai dat we aan die sterfelijkheid ook alles te danken hebben wat goed en bijzonder is.’ 


    Buitenspelen

    ‘Elk boek heeft zijn eigen regels. Een onderdeel van het schrijven is het ontdekken van die regels. Het is alsof je een spel krijgt toegeworpen zonder gebruiksaanwijzing,’ vertelt Kollaard over zijn schrijfproces. Elk boek is dan ook totaal anders dan het vorige. Zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is wat vertellen betreft het minst conventioneel: ‘Op dat boek ben ik het meest trots. Ik heb met die verhalen de vorm enorm weten op te rekken voor mezelf. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden van vertellen. En daar is Uit het leven van een hond ook een gevolg van.’ 

    Bij het schrijven van Uit het leven van een hond volgde Sander Kollaard wat hemzelf bezighield. Dat het een boek over onder meer levenslust is geworden bijvoorbeeld, is omdat de schrijver die zelf ook in zijn eigen leven meer dan voorheen ervaart. Dat het boek het gevoel van levenslust doorgeeft aan de lezer komt, denkt  Kollaard, door de lol waarmee hij het geschreven heeft. ‘Dat werkt aanstekelijk.’

    ‘Een andere schrijver heeft me wel eens voorgehouden dat het een slecht teken is als je om je eigen grapjes moet lachen. Maar ik denk: als ik er niet om lach, dan lacht er helemaal niemand om. Ik heb veel plezier gehad in het schrijven. Allerlei zinnen en beelden leken als vanzelf te komen. Dat geldt ook voor het vertelperspectief. Het scheelt niet veel of de schrijver komt zelf tevoorschijn in het verhaal. Toen ik dat eenmaal doorhad, zag ik ook de mogelijkheden van wat je daar allemaal mee kunt doen. Daarop heb ik me toen uitgeleefd.’

    Het liefst schrijft Sander Kollaard zonder al te veel plannen en zonder schema. In de handeling van het schrijven gebeuren volgens hem namelijk de interessante dingen. Verhalen lenen zich beter voor die manier van schrijven, want ze zijn op alle niveaus overzichtelijker dan romans. Romans schrijven is daarom meer een gerichte, ambachtelijke inspanning. ‘Het is niet dat ik daar geen lol in heb, maar ik schrijf liever korte verhalen. Dat voelt als buitenspelen, terwijl een roman schrijven meer is als huiswerk maken.’ 


    Fascinatie voor verhalen

    Terugkerend thema in het werk van Sander Kollaard is het vertellen van verhalen. In Uit het leven van een hond noemt Henk verhalen onze meest basale vorm van begrip. In zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is het vertellen van verhalen een expliciet thema en ook in de eerdere roman Stadium IV en Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde is Kollaards fascinatie voor verhalen aanwezig. 

    ‘We kunnen ons alleen maar verhouden tot onszelf en de ander in de vorm van verhalen. Al onze kennis en al ons begrip neemt de vorm aan van een verhaal. Voor mij als schrijver is dat fascinerend, omdat ik me bemoei met dat web van verhalen dat er in de wereld is. Los daarvan is het een vruchtbaar perspectief op wat er in de wereld gebeurt, de verhalenstrijd die je overal ziet, zoals in de discussies over identiteit. Of dat nou is met populistisch rechts, de Nederlandse cultuur of Black Lives Matter: iedereen doet zijn of haar best anderen te overtuigen van het eigen verhaal. 

    Wat essentieel is om te begrijpen aan de hele discussie over identiteit, is dat het verhalen zijn die we onszelf en anderen vertellen. Je hebt het niet over een noodlot of onwrikbare waarheid. Het wordt natuurlijk pijnlijk als jouw verhaal door anderen wordt verteld, zoals zwarte Amerikanen is overkomen: hun verhaal is te lang en te vaak verteld door witte Amerikanen en doordrenkt van racistische vooroordelen. Maar aan die verhalen kun je ook een nieuw verhaal toevoegen. Dat doen ze nu met veel overtuiging. Ik vind het iets bevrijdends hebben om op die manier naar de wereld te kijken, omdat het je weghoudt bij absolute waarheden. Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen.’


    Extra leven

    Een nieuw verhaal beginnen, het is een metafoor die mooi past bij het leven van Sander Kollaard. Hij debuteerde tamelijk laat, pas toen hij vijftig was. In zijn jongere jaren schreef hij wel eens iets, maar hij had nooit de concrete ambitie om schrijver te worden. Pas toen hij naar Zweden verhuisde begon hij het schrijven serieuzer aan te pakken. 

    ‘Ik kreeg een relatie met mijn Zweedse vrouw, Susanna, die ik in Nederland leerde kennen, juist toen zij op het punt stond weer naar Zweden te gaan. Toen ben ik met haar meegegaan. Omdat zij al twee kinderen had, kreeg ik ook een rol als vader. En niet lang daarna kregen we samen ook nog een kind. Het was een opwindende, maar ook een zware periode waarin voor mij vrijwel alles veranderde. Om mijzelf niet te verliezen in die nieuwe rollen, ben ik bewust uren voor mijzelf gaan nemen, en daarin ben ik begonnen met schrijven. En dat leidde al vrij snel tot publicaties in De Gids en in Tirade.’

    Met zijn schrijverscarrière ging het meteen goed. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs, Stadium IV werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, en nu volgt de Libris Literatuur Prijs. Sinds het verschijnen van Uit het leven van een hond heeft hij alweer een nieuw verhaal geschreven en inmiddels is hij ook weer bezig met een nieuwe roman. Achter de schrijftafel is hij zijn personage Henk allang weer kwijt. ‘Maar ik ben heel blij dat Henk door deze Librisprijs een extra leven heeft gekregen en nog een tijdje mee mag.’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Susanna Erlandsson

     

     

  • Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer

     

  • Een dwaling

    Een dwaling

    Marianne Vaatstra, Anne Faber, namen die in het collectieve geheugen zitten. Slachtoffers van gruwelijke misdaden, we kennen de geruchtmakende rechtszaken. In haar nieuwe roman Dorsmans dood stelt Miek Smilde een vergelijkbare, maar verzonnen zaak centraal. Het perspectief dat ze kiest is opvallend. Het is namelijk niet dat van de dader, zoals veel vaker voorkomt in de literatuur maar dat van de rechter die in hoger beroep een uitspraak moet doen. Wanneer jaren later blijkt dat hij een fout heeft gemaakt, brengt het hem aan het twijfelen. Niet alleen aan zijn vonnis, maar ook aan wie hij dacht te zijn.

    De rechter om wie het draait in Dorsmans dood is Pieter Coorn, opgegroeid in een Rotterdams arbeidersgezin. Zijn twee oudste broers werden fietsenmaker, net als hun vader. Zijn derde broer Hessel, met wie Pieter de beste band had, verdween plotseling om elders een ander leven op te bouwen. Als enige in de familie is Pieter gaan studeren. Rechten in Groningen, zo ver mogelijk weg bij zijn familie. De afstand tussen Pieter en de rest van zijn familie is altijd gebleven.

    Die afstand blijkt pijnlijk op een van de zondagmiddagen dat de drie broers en hun echtgenoten samen­komen. Onder de gesprekken die ze voeren voelt Pieter het sluimerende verwijt van zijn broers dat hij is gaan studeren. Dat hij daardoor tot een andere sociale klasse behoort. Pieter heeft natuurlijk ook zijn best gedaan om zich te ontworstelen aan zijn milieu en familie. Toch weet hij er nooit helemaal aan te ontkomen. Zijn afkomst heeft hem blijvend gevormd.

    Geschiedenis van het strafrecht

    Pieters verwijdering tot zijn familie en carrière gaan hand in hand. Met de beschrijving van Pieters loopbaan komt ook een aantal decennia rechtsgeschiedenis langs. Denk aan de toegenomen media-aandacht voor het strafrecht of het wegbezuinigen van de reclassering. De ontwikkeling in de afgelopen decennia in het strafrecht is meer dan alleen achtergrond bij het verhaal over de rechterlijke dwaling. Her en der klinkt er een kritische mening door in de beschrijving. Bijvoorbeeld hoe onrealistisch het is om te verwachten dat het strafrecht alles kan oplossen wat misgaat in de samenleving.

    De verhandelingen over de ontwikkelingen in de rechtsspraak leiden niet tot het meest enerverende proza. Dat heeft niet zozeer te maken met de inhoud – de juridische wereld kan interessant genoeg zijn – maar met de uiterst moeizame formuleringen die Smilde gebruikt. Niet zelden stuit je op zinnen als deze:

    ‘Met de komst van de Raad voor de rechtspraak als overkoepelend orgaan om de organisatie van de rechtspleging te stroomlijnen, was de aanpak van zaken bedrijfsmatig geprofessiona­liseerd en ging de tijd in vanaf het moment dat het OM het dossier over de schutting gooide.’

    En het wemelt in Dorsmans dood van dit soort zinnen. Elders klinkt het:

    ‘De aanhoudende en zich verdiepende economische malaise die na de bankencrisis van 2008 had ingezet, dwong de overheid tot harde financiële maatregelen en het opsporingsapparaat was al overbelast door de aanhoudende strijd tegen de georgani­seerde misdaad en de golf van liquidaties die daarmee gepaard ging.’

    Teveel toelichting voor de lezer

    Geen zinnen om de aandacht van de lezer mee vast te houden. Voor een deel is het misschien eigen aan het juridisch jargon, dat bekend staat om zijn lelijke en houterige formuleringen. En omdat je het verhaal leest via de beleving van een rechter zou het haast heel toepasselijk lijken. Toch gaat het mis in Dorsmans dood, omdat Smilde’s verteller en haar personage veel te ver uit elkaar staan. Zie bijvoorbeeld onderstaande zin:

    ‘Hij was net gedetacheerd op het ministerie van Justitie om als fraude-expert de parlementaire enquêtecommissie bijzondere opsporingsmethoden onder leiding van het Partij van de Arbeid-Kamerlid Maarten van Traa bij te staan en kon zich daarnaast geen langdurige mantelzorg veroorloven.’

    Het is een krukkige zin die uiterst moeizaam loopt door alle uitleg om de lezer precies te laten weten waar en over wie het gaat. En daar zit precies het probleem. Was dit beschreven vanuit het bewustzijn van Pieter dan zou veel van de uitleg niet nodig zijn. Pieter was er zelf bij en wéét onder wiens leiding die commissie stond. En van welke partij hij was overigens ook. Er is geen enkele reden waarom hij zichzelf daaraan zou herinneren. Zonder alle toelichting voor de lezer zou de zin waarschijnlijk een stuk soepeler lopen.

    In gewetensnood

    Dorsmans dood is niet alleen een roman over de ontwikkelingen in het strafrecht en het verhaal van een man die aan zijn afkomst probeert te ontkomen. Het wil ook een verhaal zijn over een rechter in gewetensnood, nadat hij erachter komt dat hij een verdachte ten onrechte heeft veroordeeld. De vraag dringt zich aan hem op of hij en zijn twee collega’s anders hadden kunnen oordelen op basis van het beschikbare bewijs. En welke gebeurtenissen en keuzes, zowel privé als in werk, waren van invloed op de beslissing om een onschuldig man te veroordelen?

    Het zijn vragen die Pieter in een crisis brengen. Maar omdat de lezer zo op afstand wordt gehouden, wil deze persoonlijke crisis nergens echt raken. Het is jammer dat de stijl zo’n afbreuk doet aan het verhaal dat Smilde wil vertellen. Als het goed is versterkt vorm de inhoud, in dit geval echter staat het de inhoud hopeloos in de weg.

     

  • Tussen overtuiging en onverschilligheid

    Tussen overtuiging en onverschilligheid

    Tussen ‘weten’ en ‘vergeten’ zit ‘ontweten’. Dat is niet hetzelfde als kennis kwijtraken – dat is ‘vergeten’. Het is je bewustzijn er niet meer door laten beïnvloeden. In de gelijk­namige roman van Menno van der Veen moet David (‘Daav’) zijn verleden ontweten. Hij tobt met verschillende vragen rond schuld. In het algemeen: wie is er schuldig aan misstanden in de wereld? En misschien ook wel op persoonlijk vlak: in hoeverre is hij schuldig aan de val van een politicus en de afgang van een bekend historicus ? Met hulp van vriendin Vigée en zijn geliefde Margot zoekt Daav een levenshouding tussen overtuiging en onverschilligheid.

    Het verleden dat Daav moet leren ontweten heeft betrekking op zijn vorige twee werkgevers. Hij was de assistent en speechschrijver van Jonne Vergeer, een populis­tisch politicus van het soort dat we de afgelopen twintig jaar in diverse gedaantes hebben leren kennen. Aanvankelijk was Daav enthousiast over diens Ondernemers­partij en bijbehorende ideeën en gevatte speeches:

    ‘”Ik vind mensenrechten een uitstekend businessmodel,” antwoordde Jonne. “Bedrijven die zich aan mensenrechten committeren, doen het op lange termijn bijna allemaal beter dan bedrijven die dat niet doen. Ik wilde dat ik die mensen­rechten verzonnen had, dan zou ik nu stinkend rijk zijn.”’

    Later raken ze gebrouilleerd over Jonnes visie wie er schuldig is aan het drama in Srebrenica.

    Schuld
    Ook in zijn volgende baan botst Daav met zijn baas. Hij is de assistent van de bekende historicus Hans Dijkstra. Dijkstra is bij het grote publiek bekend van televisie­optredens waarin hij fungeert als het geweten van Nederland. Tijdens het onderzoek dat Daav voor Dijkstra doet, stuit hij op een compromitterende brief geschreven door een Nederlandse soldaat tijdens de militaire acties in Indonesië. Daavs wil tot waarheids­vinding maakt een conflict met Dijkstra onvermijdelijk.

    Zo lijkt Daav het morele gelijk aan zijn zijde te hebben, maar Menno van der Veen maakt van zijn hoofdpersoon geen onberispelijke held. Waren Daavs motieven helemaal zuiver en principieel, of speelde zijn gekrenkte ego ook mee? Was rancune niet ook een van zijn motieven? In een aantal scènes, tegelijk grappig én zo pijnlijk dat ze een plaatsvervangende schaamte oproepen, toont Van der Veen Daavs eigen hypocrisie.

    Zijpaden
    De passages waarin Daav vertelt over Jonne Vergeer en Hans Dijkstra blijken zijn opgeschreven herinneringen. Hij laat ze zijn vriendin Margot lezen, niet zelden op uiterst onpraktische momenten, zoals in de rookruimte van een hippe club. Zij vindt echter dat hij zijn verleden moet ontweten, zoals ze dat zelf ook gedaan heeft. Ze leeft in het hier en nu en wil zich niet laten bepalen door haar verleden, noch zich vastleggen voor de toekomst.

    Met zijn vaste overtuigingen houdt Daav zichzelf en anderen te veel op hun plaats, vindt Margot. Als alternatief moet hij zoeken naar ‘de juiste voorwaartse krachten’ die ‘de zijpaden’ niet afsluiten. Wat dat betekent? Het is het bevragen van je eigen (voor)oordelen. De vrijheid voor jezelf creëren om in je leven iets anders te kunnen dan alleen rechtdoor, in lijn met alle verwachtingen.

    Consequenties
    De vele afwisselingen tussen de gebeurtenissen in het heden en in het verleden maken het niet heel eenvoudig om de chronologie te reconstrueren. Maar daar gaat Ontwetenook minder om; belangrijker is het idee dat uit het verhaal naar voren komt en de vragen die de roman oproept. Wie het ene moment al te gemakkelijk meeknikt wanneer Daav het onrecht aankaart, moet zich een volgend moment afvragen of hemzelf niet ook blaam treft.

    ‘”Je kunt niet wegkijken van olie,” zeg ik. “Kijk eens om je heen, dit landschap, de auto’s, de boten, de fabriekspijpen, de woningen, ondenkbaar zonder industrialisatie, ondenkbaar zonder olie. Je kunt daar niet van wegkijken. Misschien zijn we allemaal wel schuldig aan de dood van Ken Saro-Wiwa. Hij streed voor zijn olieloze volk, en wij besteden liever onze tijd aan het sparen voor leuke cadeaus in de Shell-winkel, dan aan de strijd van de Ogoni.”’

    Ontweten is een intrigerende roman die je liever laat nadenken dan zekerheden biedt, liever vragen opwerpt dan antwoorden geeft. Daav mag dan op momenten met zijn vinger wijzen, de roman als geheel is niet moraliserend. Ontweten nodigt uit tot het bevragen van je eigen overtuigingen en het nadenken over de consequenties van je handelen. Geen overbodige luxe in deze tijd waarop de gevolgen van onverschilligheid op vele terreinen pijnlijk voelbaar worden.

     

     

  • Schuldig kinderspel

    Schuldig kinderspel

    Welke keuze heb je als kind? Kun je je ouders ook níet vertrouwen? In Het beroep van mijn vader blikt de Franse schrijver en journalist Sorj Chalandon via zijn alter ego Émile terug op zijn jeugd. Het was een jeugd die gedomineerd werd door zijn paranoïde en agressieve vader, André Choulans. Aanvankelijk lijken diens anekdotes over zijn carrière als zanger of voetballer nog gewoon sterke verhalen. Ernstiger wordt het als hij zegt ook spion te zijn geweest en adviseur van president Charles de Gaulle. Wanneer André zich verraden voelt door De Gaulle maakt hij op een ochtend van zijn twaalfjarige zoon ook een geheim agent: ‘Sta op, rebel!’

    Het is eind april 1961, de krant France-Soir kopt ‘Militaire coup in Algiers’. Op het journaal veroordeelt De Gaulle deze putsch van de dissidente generaals. In 1958 hadden de pied-noirs, de Franse Algerijnen, De Gaulle aan zijn verkiezings­overwin­ning geholpen. Ze hoopten dat hij de onafhankelijkheid van Algerije zou tegenhouden. André voelt zich verraden en sympathiseert met de terreurbeweging OAS, de Organisation de l’Armée Secrète.

    Als eerste opdracht van zijn vader moet Émile de naam van generaal Salan op muren schrijven om zo hun steun uit te drukken aan de oprichter van de OAS. Via zijn vader krijgt Émile ook opdrachten van de Amerikaanse agent Ted, die zijn verrichtingen voor de organisatie nauwgezet volgt. Meer opdrachten volgen die steeds minder onschuldig zijn, zoals het bezorgen van dreigbrieven. Helemaal opgenomen door zijn rol, betrekt Émile een klasgenootje erbij. Zonder medeweten van zijn vader begint Émile hem opdrachten te geven.

    Terreur
    In het grootste deel van Het beroep van mijn vader schrijft Chalandon vanuit het perspectief van het kind. Hij overtuigt hiermee en dat geeft de roman zijn dramatiek. Als lezer heb je al snel door dat André aan waanvoorstellingen lijdt en zijn gezin terroriseert. Door de opdrachten die hij zijn zoon geeft gaat het op school met Émile steeds slechter, waarvoor hij hem afranselt. Ook zijn vrouw krijgt het te verduren wanneer ze bij uitzondering een keer naar een concert gaat. Ook dat ziet André als verraad.

    Het is pijnlijk te beseffen dat de roman gebaseerd is op Chalandons eigen jeugd. Een jeugd met een moeder die niet bij machte is haar zoon te beschermen tegen het geweld van haar man – en zichzelf ook niet. En tegelijk zie je Émile zoeken naar de liefde en erkenning van zijn vader. En hoe ver hij ook wil gaan voor zijn vader, klappen zijn het enige dat hij krijgt.

    ‘Ik huilde. Niet van de pijn, maar om de onrechtvaardigheid. Mijn kaakbeen deed zeer, mijn tanden. Ik zwoer het. Ik had nooit iets over hem of over Ted of over wat dan ook verteld. Ik had De Gaulle in mijn eentje willen vermoorden. Ik had hem willen verrassen. Hem een plezier willen doen. Zodat hij trots op me zou zijn.’

    Het enige dat Émile houvast geeft in zijn jeugd is zijn tekentalent. Later, eenmaal volwassen, wordt hij restaurator. Wanneer zijn eigen zoon naar school gaat en het beroep van zijn vader moet invullen, probeert hij te begrijpen wat een restaurator is: ‘schilder op zieke schilderijen’. Het maakt een schrijnend contrast met Émiles eigen jeugd. Maar de laatste hoofdstukken maken duidelijk dat André hem er niet onder heeft gekregen. Wat bijzonder is gezien de thuissituatie in zijn jeugd: ‘In ons gezin was er geen huidcontact. De lippen van de een raakten maar zelden de wang van de ander. We meden zelfs elkaars blik.’