• Oogst week 7 — 2026

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis

    In Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis bespreekt Alicja Gescinska tien toonaangevende vrouwen in tien biografische portretten. Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt, Martha Gellhorn, Simone Weil, Jeanne Hersch, Etty Hillesum, Barbara Skarga en Judith Shklar. Vrouwen die streden tegen onderdrukking, tegen de ontmenselijking en vernietigingsdrang van de twintigste eeuw. Veel van hen werden vervolgd voor hun daden van verzet: ze stierven in kampen of leefden in ballingschap.

    Alicja Gescinska (1981) is een Pools-Belgische filosoof en schrijver. Ze werd geboren in Warschau en vluchtte op zevenjarige leeftijd naar België. Daar groeide ze, na een kort verblijf in een asielcentrum in Brussel, op in het Oost-Vlaamse dorp Lede. Gescinska studeerde Moreelwetenschappen en promoveerde in 2012 tot Doctor in de Wijsbegeerte aan de Universiteit Gent. Sindsdien werkt ze als onderzoeker, docent en schrijver. Ze schrijft zowel fictie als non-fictie en in 2017 won ze de Debuutprijs voor haar roman Een soort van liefde. Vrouwen in duistere tijden is haar meest recente boek. 

    Vrouwen in duistere tijden — Tien denkers van blijvende betekenis
    Auteur: Alicja Gescinska
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Moet dwalen

    Isi Witlamm snakt naar romantische liefde, naar eeuwige zelfs. Een allesbepalend en misschien wat gevaarlijk verlangen. Want wat kun je redelijkerwijs van het leven verwachten? In Moet dwalen laat Charlotte Mutsaers hem, de titel zegt het al, dan ook hopeloos verdwalen. Met zijn visie van eeuwige liefde als baken blijft Isi geloven dat hij de weg weer zal vinden. Wellicht tevergeefs.

    Charlotte Mutsaers (1942) is beeldend kunstenaar en schrijver. Ze studeerde Nederlands, werkte als docent en volgde de avondopleiding tekenen en schilderen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs (sinds 1968 Gerrit Rietveld Academie). Sinds de jaren tachtig verschenen er veel romans, verhalen, poëzie en essaybundels van haar hand. Haar werk werd genomineerd voor alle grote literaire prijzen, waarvan ze onder andere de Constantijn Huygensprijs en de P.C. Hooftprijs ontving.

    Moet dwalen
    Auteur: Charlotte Mutsaers

    Uitgeverij: Prometheus

    Meester van de trommels


    In Meester van de trommels laat José Eduardo Agualusa zijn personage Leila Pinto het liefdesverhaal van haar grootouders vertellen. Dit verhaal, over Jan en Lucrécia, is verweven met de geschiedenis van het Koninkrijk Bailundo en het hedendaagse Angola. Agualusa doet hiermee een alternatieve werkelijkheid uit de doeken: antikoloniaal en bedoeld om te laten zien hoe veelvormig de geschiedenis van een land kan zijn.

    José Eduardo Agualusa (1960) is een Angolese schrijver en columnist van Portugees-Braziliaanse afkomst. Hij studeerde landbouwkunde en bosbouw in Lissabon en woont momenteel op Ilha de Moçambique, waar hij werkt als schrijver en journalist. Zijn eerste boek, een roman, verscheen in 1989. Sindsdien publiceerde hij een groot aantal romans, korte verhalen en novelles. Agualusa won meerdere prijzen waaronder, in 2017, de International Dublin Literary Award. Zijn boeken werden vertaald in vijfentwintig talen.

    Meester van de trommels

    Auteur: José Eduardo Agualusa
    Uitgeverij: Koppernik
  • Wat moeten wij van Edmund vinden?

    Wat moeten wij van Edmund vinden?

    In Het Italiaanse meisje laat Iris Murdoch haar hoofdpersoon Edmund, een zoon die zijn familie is ontvlucht, terugkeren naar zijn ouderlijk huis voor de begrafenis van zijn moeder. Edmund is grafeur en zijn broer, Otto, steenhouwer. Deze laatste woont nog altijd thuis, met zijn vrouw en tienerdochter. En dan zijn er nog de broer en zus in het tuinhuisje, David en Elsa Levkin, Russische joden die hun land zijn ontvlucht, en de eerder gestorven vader wiens aanwezigheid nooit helemaal verloren is gegaan. Vijf levende personages, twee dode en… het Italiaanse meisje, de zoveelste in een rij van meisjes: dienstbode, kindermeisje en meer! 

    Een titel die werk verricht

    Misschien het meest fascinerend aan Het Italiaanse meisje is de titel. Het meisje, Maggie, allang geen meisje meer, wordt pas op pagina 22 terloops geïntroduceerd en dan ook nog als de laatste van vele meisjes. Daarna duurt het twintig pagina’s voor ze opnieuw wordt genoemd en ook hier staat niets echt opzienbarends, een patroon dat zich nog meermaals herhaalt. En toch, die titel! Er moet iets met Maggie zijn, maar wat? De spanning die zo ontstaat weet Murdoch vakkundig uit te buiten. Het geeft het verhaal, een familieroman vol psychologische verwikkelingen, een extra dimensie, een dreiging bijna zelfs. Wat houdt Murdoch achter? Wat staat de personages en de lezer te wachten? 

    Zelfverachting

    Het Italiaanse meisje is een boek dat zich leent voor leesclubs. Dit betekent niet dat je iets mist als je het zelf leest, maar met anderen is het wellicht net iets leuker. Want, wat gebeurt er nu eigenlijk tussen het Italiaanse meisje en de hoofdpersoon en hoe verhoudt zich dat tot vroeger? Misschien nog discussiewaardiger is de vraag wat voor iemand Murdoch met haar Edmund heeft willen neerzetten. Is hij bedoeld als een sympathieke invoelende man of toch eerder als een ietwat pedant, omhoog gevallen type dat denkt dat hij een positieve bijdrage kan leveren aan ieders leven maar dat helemaal niet doet?

    Kan het erger?

    Murdochs roman bestaat uit drie delen en volgt daarmee een traditionele drie-akten structuur van een tragedie: expositie, confrontatie, conclusie. Paradoxaal genoeg boeit juist het eerste deel het meest. Murdoch blinkt uit in psychologisch vernuftige beschrijvingen van personages en hun interactie, van een zoon die het lichaam van zijn dode moeder bekijkt.

    ‘Ik keek naar wat daar voor me lag met een afgrijzen dat geen liefde of medelijden of droefheid was, maar meer een soort angst. Natuurlijk was ik nooit wérkelijk aan Lydia ontsnapt. Lydia zat in me, in de diepste diepten van mijn wezen, er was geen afgrond en geen duisternis waar zij niet was. Zij was mijn zelfverachting.’

    De stilte en diepgang die Murdoch inbrengt worden in zekere zin verstoord door de stroomversnelling waarin het verhaal in het tweede deel terecht komt. Was ze bang dat de lezer zich zou vervelen? Het is alsof ze zich elke zoveel bladzijden afvraagt wat ze kan doen om de crises waarin haar personages zich bevinden verder te vergroten. Ook hierdoor doet het boek denken aan een tragedie. Bij momenten heeft het het schreeuwerige dat soms op het toneel te zien is, waarbij gebeurtenissen en emoties alleen maar ‘waar’ kunnen zijn als ze enorm worden uitvergroot. Gelukkig hervindt Murdoch in het derde deel haar meer subtiele en doordachte schrijven. 

    Beitelen en graveren

    Twee broers, een grafeur en een steenhouwer, en ook Murdoch beitelt. Of grafeert. Woord voor woord, waardoor er een verhaal ontstaat dat zo trefzeker klinkt dat je als lezer nergens de behoefte voelt de tekst stilletjes aan te passen. De beschrijving van het Italiaanse meisje laat lang op zich wachten. Pas op pagina 123 komt Murdoch eraan toe.

    ‘Haar bleke, benige gezicht had een nogal ontmoedigde, lege uitdrukking en haar grote, donkere, strenge ogen waren een beetje bedauwd door de ui. Een sterk geprononceerde arabesk bij het neusgat vond zijn weerklank in de boog van de lange, dunne mond. Het was een fel en intelligent, maar onbeschermd gezicht. Haar overvloedige haar, streng naar achteren getrokken, kwam uit in een lange, rondgedraaide knot, zwart als onyx, glanzend als lak.’

    Murdoch publiceerde Het Italiaanse meisje in 1964, maar vandaag, 61 jaar later voelt niets in het boek gedateerd. Ongezonde familiedynamieken en de gruwelijke manier waarop een mengeling van liefde en slechte gewoontes de familieleden daarin gevangen houden zijn van alle tijden. Juist dat weet Murdoch over te brengen in deze scherp geschreven roman.

     

     

  • Oogst week 2 – 2026

    Moed, deemoed

    Een drijvend terras in the Donau, twee vriendinnen die met elkaar in gesprek zijn. Een van de twee, Marija wil de verschillen tussen haar ouders, beiden van Servische afkomst, uit de doeken doen om zo de nauwe Nederlandse blik op Serviërs in Nederland te verruimen. Schrijven, wil ze, over de wereld van haar jeugd. Haar vader stamde af van vechters die voor de Turken vluchtten. Naar het Dinaragebergte in Montenegro en verder, verder, richting Bosnië en Kroatië. Haar moeder stamt af van boeren die overleefden door te verdragen, zich vasthoudend aan tradities van nederigheid en dienstbaarheid. Wat als die beide werelden onder je huid zijn gaan zitten?

    Gordana Grbavci (1965-2024) groeide op in het voormalige Joegoslavïe en vluchtte tijdens de Balkanoorlog samen met haar gezin naar Nederland. Moed, deemoed schreef ze in het Nederlands, haar nieuwe taal. Helaas overleed ze, net na het schrijven van haar boek, bij een ongeluk tijdens haar vakantie. Ze werd 59 jaar.

    Moed, deemoed
    Auteur: Gordana Grbavdi
    Uitgeverij: De kleine Uil

    De kolonie

    In de zomer van 1979 reist meneer Lloyd, een Engelse schilder, naar een eilandje voor de westkust van Ierland. Zonder het te merken wordt hij gevolgd door Jean-Pierre Masson, een Fransman die al jaren op het eiland komt en de taal van de bewoners bestudeert. Deze Fransman is fel gekant tegen eilandbezoekers. Hij wil het isolement van de bewoners en daarmee hun taal beschermen. De bewoners zelf hebben echter zo hun eigen ideeën over wat zij belangrijk vinden en wat zij van het leven verlangen. Het verhaal speelt tegen de achtergrond van The Troubles, het Noord-Ierse conflict, en de aanslagen van de IRA die daar onderdeel van waren.

    Audrey Magee is een Ierse romanschrijver en journalist. Ze studeerde Duits en Frans aan het University College Dublin en journalistiek aan de Dublin City University. Ze werkte twaalf jaar lang als journalist en schreef voor, onder andere, The Times, The Irish Times, The Observer en The Guardian. Haar eerste roman, The Undertaking, stond op meerdere shortlists en werd genomineerd voor meerdere prijzen. Haar tweede roman, De kolonie, stond op de longlist van de Booker Prize en op de shortlist van de Orwell Prize.

    De kolonie
    Auteur: Audrey Magee
    Uitgeverij: Oevers

    Ontaard

    Het is 1925 en na tien jaar lang hard werken beseft Roelof dat het hem in het Drentse veen niet zal lukken zijn droom waar te maken: een eigen stukje land. Daarom schraapt hij zijn laatste geld bij elkaar, neemt hij afscheid van iedereen die hij kent, inclusief zijn verloofde en stapt in Rotterdam op de boot naar Canada.

    In 2025, precies honderd jaar later, heeft Roelofs achterkleindochter in heel haar leven nog nooit iets avontuurlijks gedaan. Dat verandert als ze de brieven van haar overgrootmoeder vindt. Wat is er met Roelof gebeurd? Waarom is hij spoorloos verdwenen in Canada? Ze pakt wat spullen bij elkaar, neemt afscheid van familie en vrienden en maakt de reis die Roelof ooit heeft gemaakt. Honderd jaar later, op zoek naar het verhaal van haar voorvader.

    Marion Bruinenberg (1989) is schrijver, journalist, zelfstandig redacteur en vertaler. Ze studeerde Rechtsgeleerdheid, Nederlandse Taal en Cultuur en Journalistiek en ging naar de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze heeft als redacteur bij de Volkskrant gewerkt en als stagiair, bureauredacteur en acquirerend redacteur bij verschillende uitgeverijen. Haar debuut, Nieuweling, kwam uit in 2022. Ontaard is haar tweede roman.

    Ontaard
    Auteur: Marion Bruinenberg
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 47 — 2025

    Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid


    Op 25 november 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Dit maakt 2025 een bigi yari, vijftig jaar srefidensi. Veel families hebben moeten kiezen: blijven we in Suriname of gaan we naar Nederland? Wat betekende deze historische gebeurtenis voor hen en hoe werkt deze vandaag nog door? In Bigi Yari — Tien Surinaams-Nederlandse schrijvers reflecteren op vijftig jaar Surinaamse onafhankelijkheid, samengesteld door Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg, vertellen schrijvers met Surinaamse wortels hun verhaal. Met bijdragen van Iwan Brave, Nina Jurna, Tessa Leuwsha, Cynthia McCleod, Bodil de la Parra, Chris Polanen, Shantie Singh, Jeffrey Spalburg, Prof. Soortkill & Etchica Voorn.

    Bodil de La Parra (1963) is acteur en toneelschrijver. Na de Akademie voor Kleinkunst en een jaar Toneelschool speelt ze onder andere bij Stichting Theater Het Amsterdamse Bos, ’t Muztheater, het Theater van het Oosten, Theater Artemis, het Noord Nederlands Toneel en Toneelgroep Amsterdam. Ze schreef meerdere toneelteksten en een roman, Het verbrande huis. Een Surinaamse familiegeschiedenis.

    Jeffrey Spalburg (1971) is cabaretier, acteur, stand-upcomedian, tekstschrijver, columnist, schrijver en regisseur. Hij deed de theateropleiding aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en begon zijn carrière in de hiphop. Sindsdien speelde hij onder andere in theatervoorstellingen en televisieseries, schreef hij voor theater- en televisieshows en werkte hij als regisseur aan verschillende (muziek)theaterprogramma’s.

    Auteur: Bodil de La Parra en Jeffrey Spalburg
    Uitgeverij: Atlas Contact


    Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop

    Wie het nieuws kijkt wordt dagelijks overspoeld met ellende. Voor veel mensen is dit genoeg reden zich ervoor af te sluiten. Caro Van Thuyne deed juist het tegenovergestelde. Ze keek al het wereldnieuws alsof het haarzelf overkwam in een poging te onderzoeken wat er gebeurt als je pijn echt dichtbij laat komen. In  Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop neemt ze de lezer mee in die pijn. Wat zou er gebeuren als iedereen naar het nieuws kijkt zoals Van Thuyne deed? Zou het de wereld rechtvaardiger maken?

    Caro Van Thuyne (1970) is een Belgische schrijver die in 2018 debuteerde met de verhalenbundel Wij, het schuim. Met haar roman, Lijn van wee en wens won ze een Bronzen Uil. Sindsdien verschenen er nog twee boeken van haar. Het natuurlogboek Hier begint de natuur en het moederboek Bloedzang. De opbrengst van Hoeveel duizend uren — Tegen de wanhoop gaat naar Child Smile, een organisatie die zich inzet voor kinderen in Gaza.

    Auteur: 
Caro Van Thuyne
    Uitgeverij: Koppernik


    Egelskop


    In Egelskop laat Teddy Tops een naamloze verteller de geschiedenissen van diens beide grootmoeders herschrijven. De ene oma, Levi, een joodse Amsterdamse, zoekt na de hele oorlog ondergedoken te zijn geweest naar een dansschool. Ze wil eindelijk weer in het volle licht kunnen staan. De andere, Jo, wordt als dertiende kind geboren in een plaggenhut in Drenthe. Het gezin verhuist naar Eindhoven, waar ze werken in de Philips-fabriek. Ook zij stapt daarmee van een ondergronds bestaan in het licht.

    Teddy Tops (1989) is presentator, interviewer, schrijver en programmamaker. Ze interviewt gasten voor programma’s als het Marathoninterview, Nooit Meer Slapen en Een Uur Cultuur. Ook organiseert ze festivals, culturele avonden en clubnachten. Voor het platform Mensen Zeggen Dingen leidt ze spoken word. Naar eigen zeggen heeft ze talloze studies geprobeerd, omdat ze maar niet kon kiezen. Aan de Academie voor Journalistiek en de Schrijversvakschool hield ze het het langst vol.

    Auteur: Teddy Tops

    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

  • Oogst week 42 – 2025

    Tussen heden en morgen

    In Tussen heden en morgen van Jenny Erpenbeck lijkt dezelfde joodse vrouw steeds opnieuw te sterven. Stierf ze als baby, aan het begin van de twintigste eeuw, in het stadje Brody? Of in Wenen, vlak na de Eerste Wereldoorlog? Erpenbeck vertelt het verhaal van deze vrouw steeds opnieuw en steeds met een ander dodelijk einde om de lezer zo mee te nemen in de geschiedenis van de hele twintigste eeuw.

    Jenny Erpenbeck (1967) is een Duitse schrijver en opera regisseur. Ze is geboren in Oost-Berlijn en studeerde theater van 1988 tot 1990 theater aan de Humboldt Universiteit van Berlijn. Vanaf 1990 studeerde ze voor Muziektheater regisseur aan het Hanns Eisler Muziek Conservatorium, een studie die ze in 1994 afrondde. Erpenbeck schreef romans, novelles, korte verhalen, essays en toneelstukken en won meerdere prijzen, waaronder in 2024 de Internationale Booker Prijs voor haar roman Kairos.

    Tussen heden en morgen
    Auteur: Jenny Erpenbeck
    Uitgeverij: De Geus

    Heldingen

    Heldinnen van Kate Zambreno komt voort uit hun blog genaamd Frances Farmer is My Sister en de anti-patriarchale onlinegemeenschap die zich daaromheen vormde. Zambreno onderzocht modernistische schrijfsters als Vivienne Eliot, Jane Bowles, Jean Rhys en Zelda Fitzgerald op een radicaal nieuwe manier. Deze vrouwen waren meer dan alleen muzen voor mannelijke schrijvers, maar hun eigen werk en de bijdragen aan het werk van hun echtgenoten werden verdoezeld en vergeten. Een deel van hen werd opgesloten in psychiatrische instellingen. Heldinnen is een literair manifest dat aan de kaak stelt hoe de vrouwelijke ervaring als minderwaardig wordt weggezet en de woede daarover in banen leidt om ons zo alsnog te bevrijden van het patriarchale keurslijf.

    Kate Zambreno (1977) is een Amerikaanse schrijver van romans, essays en kritieken en professor aan de Colombia Universiteit en het Sarah Lawrence College, waar hen schrijven onderwijst. Zambreno studeerde journalistiek aan de Northwestern Universiteit en performance theory aan de Universiteit van Chigaco. Hen publiceerde meerdere boeken, waarvan Heldinnen de meest recente is.

    Heldingen
    Auteur: Kate Zambreno
    Uitgeverij: Koppernik

    Het gezoem van bijna alles

    Een bankje begroeid met mimosa. In Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber is het bijna alsof Cato er al negen jaar zit, bevroren sinds haar jongetjes door een koelkast werden verpletterd. De zuidwestenwind blaast tranen in haar glazen oog. Waarom komt ze nu toch in beweging? Heeft het te maken met de plotselinge dood van haar buurvrouw of met de wijn die ze heel de dag drinkt? Misschien komt het door het gezoem van alles bij elkaar. Ze schrijft een paar zinnen waardoor alles weer in beweging komt.

    Coco Schrijber (1961) is een Nederlandse schrijver en filmregisseur van documentaires. Ze studeerde aan de Rietveldacademie. Met haar documentaire over verveling, Bloody Mondays & Strawberry Pies, won ze meerdere prijzen waaronder in 2008 het Gouden Kalf. Ook was deze film de Nederlandse inzending voor de Oscars. Schrijber werd drie keer genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs klein en schreef drie boeken. In 2016 interviewde Literair Nederland haar over haar boek De luchtvegers.

    Het gezoem van bijna alles
    Auteur: Coco Schrijber
    Uitgeverij: Querido
  • Oogst week 37 – 2025

    Scènes uit een giftige relatie

    Vanaf de zijlijn is het makkelijk praten: giftige relatie? Stap eruit! Maar wat als je er middenin zit en dat niet lukt? In Scènes uit een giftige relatie van Diana Tjin, valt Hermine, zeventien jaar oud, als een blok voor Berend, student en vijf jaar ouder dan zij. Ze denkt dat ze in haar relatie met hem de akelige dingen uit haar jeugd zal kunnen vergeten, maar van haar droombeeld van hun leven samen — samen studeren, carrière maken, kinderen krijgen — blijft weinig over zodra ze samenwonen. Berend kleineert haar en Hermine wordt in een traditionele vrouwenrol gedrukt. Wat volgt is een gevecht met zichzelf.

    Diana Tjin (1961) is schrijver en werkt als Erfgoed catalografe bij de Universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Ze werd geboren in Amsterdam, is van Chinees-Surinaams-Joodse afkomst en studeerde Klassieke Talen aan de UvA. Eerder verschenen er meerdere romans van haar hand, waaronder Het geheim van mevrouw Grünwald en Noem me Calimero; of Carmen zo je wilt. Voor haar nieuwste roman, Scènes uit een giftige relatie, gebruikte ze haar eigen relatie uit de jaren ’80 als voorbeeld.

    Scènes uit een giftige relatie
    Auteur: Diana Tjin
    Uitgeverij: In de Knipscheer


    Geld verdienen

    Handelen met voorkennis. Ellie en Freya, die elkaar nog van de middelbare school kennen, hebben geld nodig en de beurs biedt uitkomst. Dat is het begin van Hanna Bervoets’ Geld verdienen. Een aandeel waarvan Ellie weet dat het waarschijnlijk snel meer waard wordt is te verleidelijk om aan je voorbij te laten gaan. Alleen, waarom wordt iedereen die het bezit getroffen door geheimzinnige en akelige kwalen? De vriendschap tussen Ellie en Freya komt onder druk te staan en Ellie moet een keuze maken, een onmogelijke keuze. 

    Hanna Bervoets (1984) is schrijver, essayist en scenarist. Ze studeerde Media & Cultuur, gevolgd door een master Journalistiek & Research en debuteerde in 2009 met de roman Of hoe waarom. Sindsdien publiceerde Bervoets romans, scenario’s, toneelstukken, korte verhalen en essays. Bervoets’ werk is meermaals genomineerd, voor de Gouden Boekenuil, de AKO Literatuurprijs en de Libris Literatuurprijs. Ook won ze in 2017 de BNG Bank Literatuurprijs voor haar roman Ivanov, en ontving ze de Frans Kellendonk-prijs voor haar gehele oeuvre.

    Geld verdienen
    Auteur: Hanna Bervoets
    Uitgeverij: De Pluim

    De brievenbezorgster van Puglia

    Het is 1934 als Anna met haar gezin naar Lizzanello verhuist, het geboortedorp in Zuid-Italië van haar man Carlo. Zelf is ze Noord-Italiaanse en een opvallende verschijning in het traditionele dorp, met de broeken die ze draagt, daar voorbehouden aan mannen, haar interesse in lezen en haar nieuwsgierigheid. Hoewel Carlo het afkeurt gaat ze aan het werk als de eerste vrouwelijke postbode van het dorp, gesteund door haar zwager, Antonio, die haar niet alleen begrijpt maar ook liefheeft. Niet zonder strijd bezorgt ze twintig jaar lang de post. Dat houdt meer in dan brieven bezorgen: ze kent alle geheimen van het dorp. 

    Francesca Giannone (1982) is geboren in Lecce, Italië. De brievenbezorgster van Puglia is haar debuutroman, waarin ze historische gebeurtenissen, de Tweede Wereldoorlog, het opkomende feminisme en het vrouwenkiesrecht, verweeft met een persoonlijk verhaal. Giannone won er de Italiaanse boekhandelsprijs mee. Het boek was twee jaar lang de bestverkochte roman van Italië en werd aan 24 landen verkocht, waaronder Nederland.

    De brievenbezorgster van Puglia
    Auteur: Francesca Giannone
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek
  • Voorbij het officiële beeld

    Voorbij het officiële beeld

    Wie was Boni? Naar het antwoord op die vraag gaat Tessa Leuwsha op zoek in haar boek met dezelfde naam. In 1986 – toen Leuwsha een tiener was – drukt een vriend haar Anton de Koms Wij slaven van Suriname in handen. Het omslag stelt haar teleur, maar zodra ze het boek openslaat en een paar zinnen leest, is ze verkocht: ‘Onze ouders hadden ons stilzwijgend geleerd om onderwerpen als slavernij en kolonialisme in te slikken, bang voor een boemerangeffect: het opwekken van irritatie en mogelijk haat.’
    Leuwsha doet er twee weken over Wij slaven van Suriname te lezen: het is een eerste druk, uit 1934, het taalgebruik is gedateerd. Toch maakt het grote indruk op haar, vooral de beschrijving over Boni, de leider van de Marrons (een geuzennaam voor nazaten van gevluchte tot slaaf gemaakten) die zich dertig jaar lang verzette tegen de koloniale overheersing door Nederland. De kiem voor Boni was dus al vroeg gelegd! 

    Rebel en heilige

    Dat we in Nederland zo weinig over Boni weten is geen toeval, maar een voortzetting van ons koloniale verleden. Die voortzetting gaat niet alleen over de economische, sociale en emotionele gevolgen van onderdrukking, uitbuiting en slavernij, maar ook over geschiedschrijving, over wat Nederlanders erover weten en wat kinderen leren op school. Nederlandse kennis over Boni is afkomstig uit ‘officiële’ bronnen, zoals Leuwsha ze noemt, en gebaseerd op het beeld dat koloniale machthebbers van hem hadden: een rebel, een opstandeling. In Suriname echter, is er een tweede beeld van Boni, gebaseerd op overleveringen, voorouderlijke ervaringen, mythen en legenden: Boni als heilige, met bijzondere gaven. Leuwsha: ‘Tussen een weergave van Boni als rebel en heilige, tussen archief en vertelling, gaapt een groot gat. Ik wilde meer over zijn leven weten dan wat er in koloniale bronnen over hem bewaard is gebleven en waaruit dat eenzijdige beeld is ontstaan.’ 

    Ambitie en gelaagdheid

    Rebel of heilige, hoe breng je twee zulke verschillende beelden samen? Leuwsha gaat daarin niet alleen voortvarend te werk, ze weet het ook op zo’n manier te doen dat het resultaat geloofwaardig is. Haar keuze om zowel verslag te doen van Boni’s leven, – en niet te vergeten: dat van zijn moeder, die zichzelf uit slavernij heeft bevrijd, – als van haar eigen zoektocht naar zijn geschiedenis brengt gelaagdheid in het verhaal. Leuwsha maakt daarmee invoelbaar hoe belangrijk het is stil te staan bij de Nederlandse koloniale geschiedenis en vooral ook bij wie bepaalt welk beeld daarvan het ‘juiste’ is. Dit alles krijgt ze voor elkaar zonder dat ze het tot in den treure hoeft uit te leggen. De zoektocht met alles wat daarbij hoort spreekt voor zich. Misschien nog wel het meest aangrijpend daarbij zijn de stukken over Leuwsha’s broer Ewald, met wie het niet goed gaat. Boni’s leven is het gespreksonderwerp waarin ze elkaar het makkelijkst vinden.

    Wie was Boni? Leuwsha’s boek geeft antwoord op veel meer dan die ene vraag. Het gaat niet alleen over Boni’s leven maar ook over dat van zijn dappere en doortastende moeder, over de levens van tot slaaf gemaakten en over mensen die zichzelf bevrijden. Ze levert daarmee veel meer dan ze zich zegt te hebben voorgenomen: Boni vult niet alleen het gat tussen het beeld van hem als rebel of heilige, maar ook een gat in de koloniale geschiedenis.

     

     

  • Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.


    Waar
    is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?

    ‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’

    ‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’


    Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?

    ‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’


    Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?

    ‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’

    ‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’


    Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?

    ‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’ 

    ‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’


    Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?

    ‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’


    Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?

    ‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’


    Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?

    ‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’


    Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?

    ‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’ 


    Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?

    ‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’


    Waar
    is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?

    ‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’ 


    Het boek is er!

    ‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’


    Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?

    ‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’


    Dat was natuurlijk de buurvrouw.

    ‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’


    Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.

    ‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’


    Een goede laatste zin.

    ‘Bam!’

     

     


     

     

     

     

     

    Foto van de auteur: Eline Spek

     

  • Stoeptegels en de mossen daartussen

    Stoeptegels en de mossen daartussen

    Een kelder, tochtig, vochtig, de geur van grond. Veronika, de hoofdpersoon van Emy Koopmans De vrouw in de kelder heeft zich er teruggetrokken. Stiekem ook nog. Tegen familie, vrienden en bekenden heeft ze gezegd dat ze bergen gaat beklimmen in de Schotse Hooglanden. Met een vriendin (‘Nee, je kent haar niet’). ‘Isolatie verandert van verstikkend in bevrijdend als je zelf degene bent die de deur dichttrekt, maar krijgt dat maar eens uitgelegd,’ vertrouwt ze de spraaksoftware toe. Haar rechterhand en -arm, die ze nodig heeft om dat te doen waar ze goed in is — tekenen — hebben het laten afweten: tintelingen, pijn, verkramping.

    Terwijl de software Veronika beter leert kennen, haar woordkeuze, de constructie van haar zinnen, en steeds minder fouten maakt, wordt langzaam duidelijk wat ze in die kelder doet. In ogenschijnlijk associatieve maar uiterst gecontroleerde kringetjes vertelt ze over haar haar misgelopen relaties, ze van alle kanten bekijkend. Het gaat niet alleen om de relatie met haar nogal intimiderende vader en haar (voormalige) vriend, maar ook om die met haar lichaam, dat ziek werd, en haar kunst, het tekenen dat haar lichaam niet langer kan opbrengen. En dat alles aldoor in de kelder, waar ze door de piepkleine raampjes de stoeptegels zou kunnen zien, en de mossen daartussen, als ze de gordijnen niet angstvallig gesloten hield.

    Terugblikken om vooruit te kunnen

    De eerste zestig bladzijden vertelt Veronika in de tegenwoordige tijd, op een toon alsof de lezer zelf de spraaksoftware is. Wat volgt, voelt als één lange terugblik ondanks de korte onderbrekingen waarin we ons realiseren dat Veronika nog altijd in haar kelder zit. Dat is meteen waar het wringt: vrijwel alle gebeurtenissen zitten in de terugblik, een verhaal van kindertijd tot nu. Niet alleen blijft lang onduidelijk waarom Veronika in de kelder is afgedaald, eenmaal daar beneden gebeurt er zo weinig dat je je kunt afvragen of er voor haar genoeg aanleiding is om aan het einde van het boek weer bovengronds te komen. Dat neemt niet weg dat de terugblik zelf vol prachtige maar ook schurende beschrijvingen zit, zoals die van de schaamte van een kind voor haar vader.

    ‘Ik had een vader voor wie ik me, tot mijn eigen schaamte, schaamde. Ik schaamde me, als iemand anders het zag, hoe nors en lomp hij kon zijn. Ik schaamde me, als hij mij in de aanwezigheid van een vriendinnetje trutje noemde. Als hij mij hard in mijn bovenarm kneep, bij wijze van liefkozing. En al helemaal als hij een van mijn vriendinnetjes hard in hún bovenarm kneep.’

    Het laatste, vijfde deel, van het boek bestaat uit tien pagina’s. Het is zomer, Veronika werkt met Renée, de ene helft van het vrouwelijke stel dat in het huis boven de kelder woont, in de tuin. Ze plukken blaadjes van de bosaardbei en de kleine veldkers om er pesto van te maken. Tien ‘groene’ bladzijden na de vochtige duisternis van de kelder. Een hoopvol, bijna traditioneel, einde dat misschien wat verontrust. De vraag rijst welk verhaal Koopman ons eigenlijk heeft verteld. Veronika’s leven is een aaneenschakeling van gebeurtenissen die haar zijn overkomen en mensen die haar, op zijn zachtst gezegd, niet altijd met even veel mededogen behandelden, wat ze simpelweg ondergaat. Dat eenzame opsluiting daar een reactie op is valt nog te verteren. Als transformatieve handeling overtuigt het helaas niet. 

     

  • Wie is er bang voor de waarheid

    Wie is er bang voor de waarheid

    ‘Hoe weet je dat ik niet lieg?’ Wytske Versteeg heeft een verontrustende eerste zin gekozen voor haar essaybundel, Waar — Over de kunst van het (niet) weten. Het boek bevat vijf essays met titels als ‘Het onschuldige oog: waarom mijn waarheid niet de jouwe is’ en ‘Waarheidssprekers, illusionisten: als onwaarheden de wereld overwoekeren’. Dat deze niet door ‘zomaar iemand’ zijn geschreven blijkt al op de tweede bladzijde, waar Versteeg vermeldt dat ze eerder haar proefschrift heeft geschreven over ‘de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven’. Niet dat ze zelf zou beweren dat dat een reden is om haar op haar woord te geloven.

    In het eerste essay zet Versteeg op knappe wijze de toon. Met scherp gekozen resultaten van wetenschappelijk onderzoek zet ze veel gehoorde aannames, zoals het idee dat wetenschap voor veel mensen tegenwoordig ook maar een mening is en waarheid er niet meer toe doet, op losse schroeven. De coronapandemie, bijvoorbeeld, heeft voor de meeste mensen juist geleid tot een stijging van het vertrouwen in de wetenschap, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken als je kijkt naar coronagerelateerde complottheorieën. Sceptici kunnen deze uitspraak uitpluizen, de onderzoeken waar die op is gebaseerd staan keurig vermeld in de noten. Waar is geen boek van vlotte of simpele antwoorden. Versteeg spoort je aan om kritisch te lezen en kritisch te denken.

    Zelftwijfel en draaglijkheid

    Versteegs essays zijn het spannends op de momenten waarop ze bestaande ideeën weerlegt. Ze leiden dan ook eerder tot (zelf)twijfel dan tot vaste overtuigingen. Dat zijzelf zich kwetsbaar opstelt maakt het makkelijker om die twijfel aan te gaan. Het zoeken naar waarheid, de nooit aflatende urgentie ervan, Versteeg kan erover meepraten. In de eerste pagina’s van het eerste essay zegt ze: ‘Mijn eigen obsessie met waarheid begon lang voor mijn proefschrift, is persoonlijker en ingewikkelder. Mijn werkelijkheid is nooit erg constant geweest, mijn waarneming wankelt voortdurend.’ Waar Versteeg precies op doelt, is niet duidelijk. Helemaal aan het einde van het essay lijkt ze erop terug te komen met een alinea over trauma. Hoe dat met waarheid te maken heeft? ‘Een gebeurtenis die als traumatisch of verwondend ervaren wordt, is dat vaak juist omdat de werkelijkheid die je doorgaans ervaart als normaal en vanzelfsprekend, plotseling ruw wordt doorbroken.’ Is dat waar? Een interessante gedachte is het zeker.

    Hoe je een tekst uit het persoonlijke trekt laat Versteeg onder andere zien in haar essay over waarnemen en de onzekerheid die daarbij komt kijken. Ze doet dit door aandacht te besteden aan de gevolgen van selectieve waarneming op het niveau van instituties. Haar beschrijving van haar ervaringen aan de universiteit is pijnlijk herkenbaar voor iedereen die zich in een gemarginaliseerde positie bevindt: ‘Mijn eigen stem klonk veel zachter dan die van de gepensioneerde Shell-man voor wie deze studie een nieuwe hobby was en het duurde niet lang voor ik, opgebrand, moest stoppen.’ Ook met haar pleidooi voor het belang van minderheidsperspectieven weet ze te raken: ‘Zodra het perspectief vanuit kwetsbaardere posities verloren gaat, raken aspecten van de werkelijkheid buiten beeld, worden hele werelden plotseling onvoorstelbaar.’ Het gaat hier niet alleen om het effect op individuen die achtergesteld worden, maar ook om de destructieve uitwerking op een samenleving als geheel.   

    Ongrijpbaar

    Essays hebben iets ongrijpbaars. De inhoud ervan wordt bepaald door de gedachtengang van de schrijver en vaak is die niet rechttoe rechtaan. Tegenstrijdigheden, beweringen met mitsen en maren, omtrekkende bewegingen en onverwachte conclusies: het kan allemaal. Hoe weten we dat Versteeg niet liegt? Het is een vraag waar ze in een aantal van de essays op terugkomt, steeds in een net iets andere vorm. Het antwoord laat zich raden. Waarschijnlijk beseft Versteeg zelf ook dat essays geen simpele kost zijn. Aan het begin van ieder essay, net onder de titel, staat in schuingedrukte letters een opsomming van wat er in de tekst eronder aan bod zal komen. Houvast voor de zoekende lezer. Versteeg slaagt erin van het begin tot het eind te boeien, al zijn de wat meer filosofische stukken trager en minder risicovol van aard. Gelukkig volgt er telkens weer een stuk waarin Versteeg haar lezers met scherpe onderzoeksresultaten uitdaagt bestaande zekerheden los te laten. Waar is een boek voor wie niet bang is af en toe even zijn evenwicht te verliezen.

     

     

  • Geestgeworden vrouwenhaat

    Geestgeworden vrouwenhaat

    Wie, of misschien zelfs wat, is er aan het woord in Susan Taubes’ Treurzang voor Julia? Een ‘grijze, onbeduidende geest’ noemt de verteller zichzelf, ergens halverwege het boek. Alleen kun je tegen die tijd, na bladzijdes vol tegenstrijdigheden, al lang niet meer op zijn woorden vertrouwen. Weet de verteller zelf wel wie of wat hij (of zij?) is? Een ‘zwarte prins’? Een ‘jaloerse echtgenoot’? De verteller verbaast zich over Julia’s lichaam — ‘Waar was het banier van haar geslacht?’ —  en toch, een paar bladzijden later stelt hij (of zij?) zich zichzelf voor als een ‘ontzagwekkende matriarch, een bijenkoningin’. Zeker is dat er iemand in Julia leeft. Een tweede bewustzijn, naast het bewustzijn dat Julia wordt genoemd. Waarom dat tweede bewustzijn daar is, kan het ons niet vertellen. 

    Julia is een levenslustig kind, nieuwsgierig en impulsief, een dartelend jong meisje. Ja, ze loopt in zeven sloten tegelijk, maar eenmaal doorweekt, met moddervlekken in haar jurk en haar vol kroos, maakt ze er het beste van. Helaas is dit niet hoe de verteller haar beschrijft. Zodra hij haar leert kennen, in haar gaat wonen, bezit van haar neemt, beseft hij dat hij haar niet mag. ‘Ze paste helemaal niet bij me, deze ongedurige, sproetige, duimzuigende, bedplassende Julia. Ze was me te mollig en te snollig; als peuter al dwaalde ze rond door de bediendenvertrekken op zoek naar vrijers van de dienstmeid. En zo wulps als ze begon te kronkelen in het bijzijn van iedere man! Ik schaamde me voor Julia.’ 

    Gevangen veroveraar

    Julia verandert van een jong kind in een tiener. De vraag wie of wat de verteller is wordt steeds prangender. Het zit hem in de niet-verholen vrouwenhaat, de manier waarop Julia’s ontwakende seksualiteit veroordeeld en verafschuwd wordt, een vrouwenhaat die benauwt en schokt. Fantaseert Julia over verkrachting of is het de verteller die de puurheid waar hij zo aan hecht bezoedeld wil zien worden? Als Julia, vijftien jaar oud, op een feest een officier van de in de dertig ontmoet die haar meeneemt naar een herberg laat de verteller hem zijn gang gaan. Geen pogingen om Julia te behoeden voor wat er komt, ook niet als ze geen woord meer kan uitbrengen ‘uit angst om in tranen uit te barsten’. Ze moet de gevolgen van haar, nog kinderlijke, seksuele spel zelf dragen, terwijl de lezer met afschuw toekijkt. ‘Opeens was haar positie van veroveraarster in gevangene veranderd’.

    Ja, wie is toch die verteller? Pas als Julia trouwt, met Peter Brody, de man die haar ‘de goede Julia’ maakt, treedt hij een aantal jaar terug. In eerste instantie lijkt het zelfs even of hij ophoudt te bestaan. Hier rijst de vraag of de verteller, de geest, voor meer staat dan alleen voor zichzelf. Is hij de geestgeworden vrouwenhaat die in een patriarchale samenleving in iedereen, ook in vrouwen, huist? Dat zou verklaren waarom de verteller zich koest houdt tijdens de jaren dat Julia doet waarvoor ze in zijn ogen gemaakt is: baren, zogen, beschikbaar zijn voor haar man.

    Pas als het Julia niet meer lukt deze rol te vervullen — haar arts legt haar een wachttijd van enkele jaren op voor ze opnieuw zwanger mag worden terwijl ze nog geen zoon heeft gebaard — roert de verteller zich opnieuw. Julia voelt zich verbitterd en verdrietig, ze drinkt stiekem gin in de schuur. De verteller jaagt haar voort, van de ene naar de andere huishoudelijke taak. ‘Er viel duidelijk maar één koers te varen wilden we een schipbreuk voorkomen: ze moest een nieuwe schoonheid verkrijgen door te berusten, te gedogen, te verdragen; ze moest zich opgewassen tonen tegen de ernst van haar positie. Dit was de ware toetssteen van Julia’s vrouwelijkheid.’ Deze Julia, in een nieuw gareel gedwongen, is voor de verteller nauwelijks meer herkenbaar. Ze lijkt verdwenen, stelt hij vertwijfeld vast, het meisje, de jonge vrouw, de jonge moeder. Wie is het die een affaire aangaat met Paul Holle, wie baart er een zoontje?

    Dodelijke kritiek

    Gaat het bij een roman om de bedoeling van de schrijver of om wat de lezer erin ziet? Veel mensen hebben er behoefte aan een schrijver over zijn werk te horen vertellen, waarom anders al die interviews en boekpresentaties? Hoewel Treurzang voor Julia pas na Taubes’ dood is gepubliceerd staan we toch niet met lege handen. We kunnen haar zelfs uit het werk horen voorlezen, in deze opname van 25 januari 1966. Taubes werd in 1928 geboren als kind van Hongaarse ouders in een Joods gezin. In 1939 emigreerde ze met haar vader naar de Verenigde Staten, waar ze aan het Bryn Mawr College studeerde en een doctoraat behaalde aan Harvard. Ze publiceerde één roman, in 1969, Scheiden. Die roman gaat, volgens Deborah Levy in The Guardian (27 februari 2021), over veel meer dan het uiteenvallen van een huwelijk. ‘Misschien vooral over misogynie en hoe deze een slimme vrouw kan ontmoedigen en verdoven.’

    Het is diezelfde vrouwenhaat die Taubes ertoe leidt zichzelf te doden. Vier dagen nadat literair criticus Hugh Kenner haar werk in The New York Times afdoet als het werk van een ‘lady novelist’ en ‘a quick-change artist with the clothes of other writers’ verdrinkt Taubes zichzelf aan de kust bij Long Island in East Hampton. De herwaardering van haar werk die erop volgt, waar de publicatie van Treurzang voor Julia onderdeel van is, heeft ze dus niet mee mogen maken. Hoe schrijnend dat Atlantic Magazine haar roman Scheiden in 2024 zelfs opnam in zijn lijst van ‘The Great American Novels’ en het een herontdekt meesterwerk noemde.

    Precies zo schrijnend is Treurzang voor Julia. De verteller praat meer dan tweehonderd bladzijden lang over niets anders dan zijn ‘protegé’ en toch is het onmogelijk een beeld van haar te krijgen. Julia blijft onzichtbaar achter sluiers van vrouwenhaat. De vraag is niet alleen wie de verteller is, maar ook wie Julia is als we haar niet noodgedwongen door zijn ogen zouden bezien. Het maakt van het lezen een pijnlijke ervaring, een die het vrouwbeeld van de samenleving blootlegt. Hoeveel mensen lukt het zich daar werkelijk aan te onttrekken? Het boek voelt, vijfenvijftig jaar na dato, actueel, alsof er aan vrouwenhaat in al die decennia niets is veranderd. Geen opwekkende leeservaring maar misschien wel een geruststellende. Wie last heeft van vrouwenhaat verbeeldt zich dat niet. 

     

     

  • Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Tezer Özlü heeft hoge verwachtingen van haar lezers. De kille nachten van de jeugd is bepaald geen simpele, chronologische vertelling. Op de eerste paar bladzijden is het al opletten geblazen, want zodra je je aandacht even hebt laten verslappen, vraag je je af waar en wanneer een scène speelt. Je komt niets te weten dat de verteller zich niet op dat precieze moment herinnert. De lezer is aan haar grillen overgeleverd, van hot naar her. En, als je net denkt dat je de draad weer hebt opgepakt, maakt Özlü opnieuw een sprong in tijd en plaats, alsof ze wil zeggen: het doet er niet toe of je het begrijpt of niet, als je maar weet dat ik je heb opgesloten in het hoofd van mijn verteller, waar geen enkele ervaring ooit echt tot het verleden behoort.

    In dat hoofd gebeuren verontrustende dingen: ‘De gedachte aan de dood achtervolgt me. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat speel ik met de gedachte een eind aan mijn leven te maken. Niet dat er een bepaalde reden voor is. Je kunt leven of niet, het maakt niet uit.’ Wat erbuiten gebeurt is nog verontrustender. De onrust in de samenleving, de staatsrepressie, de staatsgrepen en, meer persoonlijk, de opnames in psychiatrische klinieken waar de behandeling met elektroshocks meer weg heeft van marteling dan van een manier om beter te worden en de machteloosheid van patiënten benadrukt wordt door seksueel misbruik en geweld. Wie op zoek is naar de feiten, naar gebeurtenissen die elkaar logisch opvolgen komt bedrogen uit. Door het hele boek heen weeft Özlü de herinneringen van de verteller associatief door elkaar: haar reizen naar Berlijn en Parijs, haar seksuele ervaringen met mannen, de geestesziekte die weer de kop opsteekt.

    Onderdrukking van gewone burgers

    Özlü’s naamloze verteller groeit de eerste paar jaren op in een klein provincieplaatsje en daarna in Istanbul. Het huwelijk van haar ouders is slecht. Haar vader probeert thuis een militaire discipline te handhaven, er is geen warmte tussen hem en zijn vrouw. Ze heeft een goede relatie met haar zus, ze slapen in elkaars armen. Tussen haar en haar broer is er weinig liefde. Ze moet zijn modderige schoenen poetsen en mag zijn boeken niet aanraken zonder het eerst te vragen. Na haar zelfmoordpoging — ze slikt een grote hoeveelheid pillen en komt voor het eerst in een psychiatrische inrichting terecht — vraagt hij waarom ze het heeft gedaan. ‘Die boeken van Aziz Nesin,’ zegt ze, ‘over de burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij.’ Nesin (1915 – 1995) was een schrijver die zich uitsprak tegen de onderdrukking van gewone burgers, tegen de bureaucratie en tegen economische ongelijkheid. ‘Mijn ideeën en mijn daden hebben maar één doel,’ zegt de verteller een stuk verderop in het boek, ‘en dat is het slechten van de benauwende grenzen die de vrijheden van de kleine burgerij inperken.’

    Opgroeien in woede

    De kille nachten van de jeugd werd in 1980 voor het eerst in Turkije gepubliceerd, zes jaar voor Özlü’s vroegtijdige dood. Ze stierf op drieënveertigjarige leeftijd aan borstkanker. De nieuwe vertaling (de eerste verscheen in 1985 onder de titel Kille nachten) is gemaakt door Hanneke van der Heijden, die ook het nawoord heeft geschreven.

    Het boek gaat over de periode van 1960 tot 1980, over de politieke en economische situatie in Turkije toen en vooral over hoe die doorwerkte in het dagelijkse leven van meisjes en vrouwen. Drie staatsgrepen, de onderdrukking van vreedzaam protest, het geweld op straat en op universiteiten, Özlü benoemt grote gebeurtenissen zijdelings. Het gaat haar om repressie in de persoonlijke sfeer, de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit, de stringente normen die gelden voor het gedrag van meisjes en vrouwen. Dat is de wereld waarin Özlü en haar tijdgenoten opgroeien, een wereld die haar razend maakt.

    ‘We groeien op in woede. Woede over de wijk, de straat waar we wonen, over de kamers, de spullen, de bedden met de versleten en doorgezakte kapokmatrassen, waar we het ’s winters nauwelijks warm in kunnen krijgen’. Alleen op straat is er leven. ‘Wat mooi is, wat echt is, zijn de mensen van de stad, de drukte, de buitenwereld.’ Juist die buitenwereld is niet bedoeld voor vrouwen, de verlangens van de hoofdpersoon, naar liefde, naar seks, naar vrijheid botsen met de repressieve sociale mores. Özlü zegt misschien niet letterlijk dat dat is wat haar verteller ziek maakt, maar het spreekt uit iedere zin.

    De pijn en het leed van het land

    De kille nachten van de jeugd bestaat uit vier hoofdstukken en als je na het lezen van de eerste drie snakt naar verlossing uit het hoofd en het leven van de verteller, ben je niet de enige. De verteller zelf hunkert naar haar vroege jeugd, of eigenlijk: naar de natuur die ze zich van vroeger herinnert en de verbondenheid met haar zusje. Het vierde hoofdstuk is kort, twaalf bladzijden, en de titel geeft hoop, ‘Terug naar de Middellandse zee’. Daar vindt de verteller niet alleen zichzelf maar ook de verbinding met anderen, aan zee wacht ze op ‘de zon van duizenden jaren’, een constante schoonheid in een wereld die continu en gewelddadig omwentelt. Toch is ook hier geen echte ontsnapping mogelijk. ‘Allemaal voelen ze [mijn vrienden] de pijn en het leed van het land en spannen ze zich in, in de hoop dat het bestel verandert.’ Een aantal van die vrienden sterft kort na elkaar, veertigers nog maar, een lot dat ook de schrijver zelf treft.

    Özlü’s boek is een verontrustende en desoriënterende roman. De opeenvolging van herinneringen benauwt, zeker als het gaat om de opnames in psychiatrische instellingen. Dat is meteen ook de kracht van het boek, de onverbiddelijke manier waarop Özlü haar lezers meesleurt in het innerlijke leven van haar verteller, de eerlijkheid waarmee ze er verslag van doet. Dat Özlü zo jong gestorven is, is daarmee niet alleen een persoonlijk drama maar ook een gemis voor de literatuur. Gelukkig verschijnt er in 2025 nog een vertaling van een werk van haar hand, getiteld Reis naar het einde van het leven.