• Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Julien Ignacio wint met ‘funky’ Goudjakhals de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025

    Op donderdag 20 februari werd in SPUI2 te Amsterdam voor de negende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Een tweejaarlijkse literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), een van de grootmeesters van het genre. Het bedrag voor de prijs wordt geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht, uniek voor een literaire prijs. Dit jaar werd een bedrag van € 6049,45 bij elkaar gebracht. Het bedrag was hoger dan voorgaande jaren, wat een zeker verheugen over de populariteit van het korte verhaal teweeg bracht.

    De jury was overweldigd door het grote aantal kwalitatief sterke verhalenbundels dat zij onder ogen kreeg. ‘Zozeer dat we bijna wel twee shortlisten hadden kunnen samenstellen van bundels die de prijs die we te vergeven hebben in principe verdienen’.

    Over het winnende boek, Goudjakhals zegt de jury: ‘Een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld. Een boek dat moeiteloos andere perspectieven, andere plekken, andere tijden oproept, en daarmee tegelijk diep snijdt in de onze, in de ziel van het Nederland zoals we dat vandaag meemaken. Een vernieuwend boek bovendien, dat de grenzen van het genre opzoekt.’

    De jury noemt het boek ‘een overval’. ‘Wie de eerste pagina’s in Julien Ignacio’s tweede boek Goudjakhals leest, verbaast zich over de ongewone verteller – een algoritme, een programmaatje, een GPS-signaal? – die vertelt over een vernederde, strijdbare vluchteling in een kamp, een open detentiecentrum op een voormalige militaire basis. Dat alleen al is een indringend, urgent verhaal.’

    En: ‘Julien Ignacio bedient zich in het funky Goudjakhals van vele registers, allemaal even overtuigend, en ontvouwt in afzonderlijke verhalen een Groot Idee over ontworteling, vrijheid, uitbuiting en verzet dat niet alleen op talloze wijzen actueel is, maar zindert van de levenslust en creativiteit.’ Het gehele juryrapport is te vinden op jmabiesheuvelprijs.nl.

    De organisatie van de prijs is in handen van Arjen Fortuin, Vera van Geldern, Sven Schlijper-Karssenberg, Pieter van Scherpenberg en Edith Vroon. De feestelijke prijsuitreiking werd georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Die maakte ook vier podcasts met verhalen van de genomineerde auteurs: slaacast/luister-biesheuvelprijs-2025.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen. Zij toonden zich bij de uitreiking zeer tevreden over het niveau van de veertig inzendingen:

    Eerdere winnaars waren onder anderen Rob van Essen, Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen en Hedda Martens.

     

     

    Lees ook: Recensie Goudjakhals
    En ook nog: Interview Julien Ignacio

  • Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    De shortlist van de tweejaarlijkse J.M.A. Biesheuvelprijs (de prijs voor de beste verhalenbundel) is bekend. Uit veertig inzendingen werd een shortlist samengesteld van vier titels:

    Steff Geelen met De splitsingen, bij uitgeverij Wintertuin
    Julien Ignacio met Goudjakhals, bij uitgeverij Van Oorschot
    Sanneke van Hassel met Milde klachten, bij De Bezige Bij
    Jente Posthuma met Heks! Heks! Heks!, bij uitgeverij Pluim

    De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens de feestelijke uitreiking op 20 februari tijdens de Week van het Korte Verhaal. 

    De jury, die bestaat uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen laat weten dat ze overweldigd zijn door het ‘grote aantal kwalitatief sterke inzendingen’. En constateren dat het goed gaat met de verhalenbundel. Twee afvallers willen ze expliciet noemen. De heerlijke bundel Aloha van Machteld Siegmann om haar stilistische originaliteit en brille, en het aangrijpende Het net, de duif en de dood van Chaja Polak om haar geserreerde meesterschap.’ Het volledige juryrapport wordt gepubliceerd op de dag van de prijsuitreiking op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs.

    Het prijzengeld wordt volledig gewonnen uit een crowdfunding actie, deze loopt nog tot en met 17 februari.
    Doneren kan hier: https://www.voordekunst.nl/projecten/18239-jma-biesheuvelprijs-2025-1

     

     

  • Beste boeken 2024

    Beste boeken 2024

    Literair Nederland vroeg zijn recensenten en redacteuren twee titels te noemen van boeken die zij dit jaar hebben gelezen en die de meeste indruk op hen maakte. Boeken die werden herlezen, inspireerden, troostrijk waren, of gewoonweg zo goed dat je ze nooit meer vergeet. Meer dan dertig titels kwamen boven uit de meer dan driehonderd boeken die er op Literair Nederland gerecenseerd of getipt werden. Sommige titels werden door meerderen genoemd als beste boek. We kunnen wel zeggen dat het een goed boekenjaar was en de keuze niet eenvoudig.

     

     

     



    Van de boeken die in 2024 een bijzondere indruk op me maakten is er een van vorig jaar dat me een nieuwe leeservaring bezorgde en een inmiddels bekroond boek is. Dat laatste is
    Het kleedje voor Hitler. Een imponerende familiegeschiedenis die me trof door het vermogen van auteur Bas von Benda-Beckman wel kritische vragen te stellen, maar nergens te veroordelen of op te hemelen. Mag je trots voelen op je voorouders of schaamte, verantwoordelijk zelfs?

     

     

    Ik herlas De kleine prins (1943) van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) na het zien van de schitterende documentaire Het wonder van Le Petit Prince, over versies in uitstervende talen. ‘Native speakers’ van vier daarvan vertellen over de betekenis van het boek in hun leven. Ik herlas het (in de vertaling van Erik van Muiswinkel) met nieuwe ogen en zag de actualiteit, vooral om hoe het prinsje zijn roos beschermt tegen de woekerende baobab en onze zorgen om de opkomst van rechts extremisme. (Adri Altink)

     

     



    Verkeerd begrepen
    is de Nederlandse vertaling uit 1871 door Johanna van Swinderen van de meesterlijke
    tranentrekker Misunderstood (1869) van Florence Montgomery (1843-1923). Daarover schreef Vladimir Nabokov in Speak Memory dat het lot van de 7-jarige Humphrey hem een vakkundiger brok in de keel bezorgde dan wat dan ook van Dickens. Ook Lewis Carroll was een groot bewonderaar. In 2000 verscheen een Nederlandse bewerking van dit boek. Jammer. Er moet gewoon snel een serieuze nieuwe vertaling van dit prachtboek komen!

     

     

    Ander woord voor moeder (2024) is het ijzersterke poëziedebuut van Auke Leistra, vertaler van Paul Theroux, John Updike, David Sedaris e.v.a.. Een zeer persoonlijke bundel die in 42 gedichten een claustrofobisch universum van verdriet oproept. Ontsnappen lukt niet, maar door de stilistische brille en de humor toch wel af en toe bijna. Gedichten als ‘Bij nader inzien’, ‘Treintje’, ‘Zelfportret met schep’, ‘Pleister op de wonde’ en ‘Moederlijke zorg’ zijn voorbestemd evergreens te worden. (Hans Heesen)

     

     



    ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.’ Dit is de aanvang van het evangelie van Johannes. Zo heet ook het hoofdpersonage in
    Ochtend en avond, novelle van de Noorse Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Johannes gaat dood, maar komt onder de handen van de schrijver prachtig tot leven. Vertaald door Marianne Molenaar. 

     

     

     

     

    Het is zo’n titel die tot in het ruggenmerg raakt: Jaag je ploeg over de botten van de doden (2021). Weer een Nobelprijswinnaar: de Poolse Olga Tokarczuk. Jarenlang heeft het boek naar me gefluisterd, totdat ik het niet langer kon negeren. Nu weet ik waarom het door mij gelezen wilde worden. Zelden ben ik zo diep geïnspireerd door een schrijver. Vertaald door Charlotte Pothuizen. (Jan Kloeze)

     

     



    Vertel me alles
    is het vijfde boek van Elizabeth Strout over de schrijver Lucy Barton. Lucy is erin geslaagd haar armoedige afkomst achter zich te laten en toch draagt ze die altijd bij zich. Fictie is verzonnen, maar die van Strout voelt waar. Ze heeft een geweldig gevoel voor sfeer en intermenselijke verhoudingen.
    Vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen.

     

     

     

     

    In Koud genoeg voor sneeuw (2022) van Jessica Au reist een dochter met haar moeder naar Tokyo. Ze lopen, eten in restaurant, bekijken kunst in musea en praten over onderwerpen die er ogenschijnlijk niets of juist alles toedoen. Dat dochter en moeder van elkaar houden is voelbaar, al blijft er veel onuitgesproken. Kunnen ze elkaar werkelijk bereiken? Vertaald door Marion Hardoar. (Juno Blaauw)

     

     


    Frank Nellen weet in De onzichtbaren in een zorgvuldige stijl de sfeer op te roepen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Hij treft het karakter van de twee totaal verschillende hoofdpersonen – de ik-figuur (Dani) en zijn vriend Pavel -, buitengewoon raak. Er zitten sombere en naargeestige scènes in het boek, die tegelijk op een komische manier worden verteld. Daardoor blijven ze je des te meer bij. En de surrealistische verhalen, allemaal samen vormen ze een mozaïekroman. Groots verteld.

     

     

     

    Marjoleine de Vos schrijft in Zo hevig in leven over kanker die haar trof. Bijna een half jaar lang, van oktober 2022 tot en met maart een jaar later. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Associatief lopen herinneringen aan momenten die ze met haar overleden man, Tom van Deel beleefde, en het hier en nu in elkaar over. Haar toon is zachtmoedig en zoekend, raak en nuchter, intiem en intens. Troostrijk ook. (Els van Swol)

     

     


     

    Alkibiades (1923) van Ilja Leonard Pfeijffer heeft iets van een omgevallen boekenkast en lijkt geschreven door een auteur die van het weggeblazen dak van het Parthenon wil schreeuwen wat hij allemaal weet van het oude Griekenland. Maar het is ook een geweldige onderdompeling in wat ooit was en de bodem legde voor onze Westerse samenleving. Het was het eerste boek dat ik in januari uitlas dat meteen de lat voor 2024 torenhoog legde.

     

     

     

    Op vakantie in Sardinië ontdekte ik een vergeten schrijfster en Nobelprijswinnares Grazia Deledda (1871- 1936), geboren en gevormd in de ruige gebergten rondom Nouro. Terwijl ik vlak bij haar geboorteplaats verbleef las ik drie boeken van haar hand. Ze maakten allen een diepe indruk en verdiepten mijn verblijf. Vooral Elias Portolu (1901) greep me, over een verdoemde liefde en over de kerk als toevluchtsoord, waar de ziel misschien wel, of misschien geen, rust zal vinden. (Martin Lok)

     


    Het xoanon van Jan van Aken is een breed uitwaaierende roman over het Constantinopel van na WOI, met onvoorziene plotwendingen, dubbel-ingewikkelde intriges en een bijzonder sfeervolle inkleuring van de historische achtergrond. Geschiedenisboek, spionagethriller en avonturenroman in één.

     

     

     

     

    In De onzichtbaren van Frank Nellen wordt een zeer geloofwaardige, hoewel groteske weergave van de aftakeling van het Sovjetrijk beschreven, aan de hand van personages bij wie allemaal wel een stukje loszit. Spannend, vermakelijk, schokkend en overtuigend. (René Leverink)

     

     

     


    Vijf dagen trok ik op met Rut en Gorm uit Mijn iemand van de Noorse schrijverer Herbjørg Wassmo. Vroeger waren Rut en Gorm vage vrienden, maar ze verloren elkaar steeds weer uit het oog. Tot, gepokt en gemazeld door het leven, ze elkaar opnieuw ontmoeten en dit keer echt voor elkaar kiezen. Ze zijn elkaars iemand. Een verhaal over liefde en onafhankelijkheid, zielsverwantschap, egocentrisme en kunstenaarschap. Vertaald door Paula Stevens.

     

     

     

    Het kleedje voor Hitler van Bas von Benda-Beckmannis de gedegen onderzochte en zeer toegankelijk geschreven familiegeschiedenis van Bas von Benda-Beckmann. Aan de hand van ongelooflijk veel brieven en dagboeken beschrijft de historicus zijn Duitse familie, de generatie van zijn grootouders in de vorige eeuw. Zijn tante Luise was getrouwd met de vertrouweling van Hitler, Alfred Jodl. Hoe loyaal waren zijn oudtantes en oudooms aan het Nazi-regiem, keken ze weg of wisten ze het echt niet?  (Marjet Maks)

     

     


    In Woestijnpassages (2023) van Emmelien Kramer kiest de Catalaanse dichter Àngel Or voor blindheid om de wereld anders te zien. Na zijn arrestatie door de Guardia Civil en zijn daaropvolgende verdwijning probeert de journalist Rodrigo Torres het mysterie rond Ors’ leven te ontrafelen. Kramer verweeft thema’s als vrijheid, identiteit en tijd met historische Spaanse trauma’s. Haar elegante, zintuiglijke stijl en filosofische aanpak maken deze roman tot een unieke leeservaring die uitnodigt tot herlezing en reflectie.

     

     

     

    In zijn debuutroman De maat van alle dingen verweeft Johannes Westendorp een ingenieus netwerk van personages en verhaallijnen rond een aanslag in winkelcentrum Hoog Catharijne. Via rapteksten, nieuwsberichten, innerlijke monologen en sociale media onderzoekt hij thema’s als verlies, miscommunicatie en maatschappelijke spanningen. Westendorp breekt met literaire conventies en daagt de lezer uit om zelf verbanden te leggen. Deze gedurfde en strak geconstrueerde roman biedt een unieke, complexe leeservaring die blijft verrassen. (Anna Husson)

     

     


     

    Verhalen van Toergenjev (1818-1883) verscheen dit jaar in een nieuwe vertaling bij van Van Oorschot, 1024 pagina’s dundruk. Het bevat Notities van een jager en de novelle Eerste Liefde. Verhalen die 400 bladzijden beslaan met vlotte  dialogen en mooie natuurbeschrijvingen. ‘Een van de voornaamste voordelen van het jagen, beste lezer, is dat je dwingt voortdurend van de ene naar de andere plek te reizen, wat voor een man met weinig te doen bijzonder aangenaam is.’  Je maakt kennis met mensen uit het oude Rusland, adel, boeren, dienstmeisjes en bakkersdochters. Sjoukje Slofstra tekende voor de vertaling.

     

     

    Moeder na vader (2023) is het derde boek van Gerbrand Bakker in de reeks Privé-domein. Bakker beschrijft met veel oog voor detail een jaar uit het leven van zijn moeder nadat zijn vader is overleden. Ontroerend boek met liefdevolle observaties over dagelijkse dingen. De 87-jarige moeder is hulpbehoevend, Bakker belt haar vaak en gaat geregeld bij haar langs. ‘Toen we naar de auto liepen, zei ik tegen M. dat ik dit altijd het ergste moment vond. Gewoon weggaan, zo aan het einde van de middag; juist omdat we geweest waren, ineens extra leeg en stil.’ (Evert Woutersen)

     


     

    A rather haunted life (2017) door Ruth Franklin is de biografie van Shirley Jackson (1916-1965). Jackson schreef verhalen vol psychologische spanning in de traditie van the American Gothic, zoals ‘The haunting of Hill House’.  Franklin laat zien hoe groot haar betekenis was in het naoorlogse Amerika toen het niet gebruikelijk was dat een vrouw een literaire carriere had naast haar gezin. Maar naarmate haar carrière vorderde, werd haar huwelijk zwakker en nam haar angst toe. Deze biografie vertelt waarom Jackson thuishoort in de hoogste regionen van de Amerikaanse literatuur. 

     

     

    Mary Gauthier is een Amerikaanse singer-songwriter, te vondeling gelegd, geadopteerd, weggelopen, verslaafd aan alcohol en drugs en gered door folkmuziek. Saved by a song (2021) bestaat uit memoires, gedachten over kunst, hoe haar liederen tot stand kwamen en haar streven om met muziek mensen te inspireren en samen te brengen. Eenvoudig en oprecht vertelt ze hoe muziek en woorden voor haar heling en verlossing brachten en haar leerden dat empathie met alle wezens de enige manier is om te verbinden. (Hettie Marzak)

     


    Frank Nellen maakt in De onzichtbaren via de hoofdpersonen Dani en Pavel invoelbaar hoe het is (geweest) op te groeien in het oude Oostblok. Indoctrinatie, naïef maar niet minder oprecht strijden voor de socialistische heilstaat, leugens en bedrog, ontgoocheling en een trieste en troosteloze werkelijkheid die alleen te verdragen is door heel veel wodka te drinken tekenen hun wereld. Prachtig geschreven en aangrijpend interessant.

     

     

     

    Bep Rietveld heeft haar hele leven tegen de klippen op geschilderd en getekend. Tineke Hendriks schreef met Waar kleur is, is leven een roman over haar veelbewogen leven als dochter van de beroemde vader Gerrit, in haar strijd te mogen (leren) schilderen, over haar lessen bij Charley Toorop, haar overleven in een Jappenkamp in toenmalig Nederlands-Indië en over haar werk. Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. (Joke Aartsen)

     

     


     

    Mijn begin-van-de-vakantie-beloning is een dikke pannenkoek met kaas en stroop. Een zalige combinatie van vet, zoet en zout. Fout! Precies die drie ingrediënten. Teun van de Keuken schrijft in De mens is een plofkip over de verleidende, verslavende en ziekmakende voedingsindustrie. Waarom zijn er wel reclames voor ongezonde producten, maar amper voor gezonde? Hoe ambachtelijk is die ‘echte Italiaanse’ tomatensaus eigenlijk? En eten we onszelf bewust obees of treft de fabrikant ook nog blaam? Inzichtelijk en confronterend leesvoer.

     

     

     

    Een brug naar Terabithia (2007) van Katherine Paterson. Waar ligt Terabithia? Het is het geheime koninkrijk van Jess en Leslie die een ongebruikelijke vriendschap sluiten. Een zachtaardige jongen en een vrijgevochten ‘jongensmeisje’, gesitueerd op het Amerikaanse platteland van de jaren ’70. Herlezen is waardevol: lees je nieuwe dingen? Word je nog meegenomen in het verhaal, staat de taal nog overeind? Raakt de tragische gebeurtenis je nog steeds? Ja! Oorspronkelijk uit 1977, bekroond en verfilmd, maar verlies jezelf liever lezend in deze tijdloze vertelling. (Saskia M. Toussaint)

     


     

    Ik was verrast door de intrige waarin aantrekkingskracht en schuldgevoel in Raam, sleutel (2021) van Robbert Welagen om voorrang strijden. Schrijfster Karlijn raakt in de ban van haar gevoelens voor een vrouw die zij onverwacht ontmoet. Kort tevoren heeft ze haar vriend bij een ongeluk verloren. Welagen weet heel knap de gevoelens van rouw gelijk op te laten gaan met de verliefdheid voor de nieuwe vriendin. Dat spanningsveld zorgt ervoor dat je wil doorlezen. 

     

     

     

    Michail Sjisjkin is een Russische schrijver die in Zwitserland woont. Hij kent Rusland van binnenuit. In Mijn Rusland geeft hij een goede inkijk in het ontstaan van het dictatoriale politieke systeem door de eeuwen heen. De wijze waarop de bevolking in de greep wordt gehouden, is van alle tijden.  Het zal heel moeilijk zijn om deze eeuwenlange onderdrukking om te buigen naar een meer democratische richting. Dat biedt geen uitzicht op een betere toekomst in Rusland na Poetin. Vertaald door Jan Sietsma. (Johan Reijmerink)

     

     


     

    De leugenaar (1950) van Martin Hansen is een scherp psychologisch portret dat tegelijkertijd doortrokken is van een Scandinavische treurigheid van de landelijke en afgelegen omgeving waar het speelt. Met weinig woorden wordt enorm veel sfeer en karakter neergezet in een klein drama over verhoudingen op scherp en de last van het verleden, en over vogel spotten. Vertaald uit het Deens in 1984 door Gerard Cruys.
    Een doodgewoon leven (2017) van Karel Capek begint in alle opzichten als een doorsnee verhaal over een stationschef en zijn kabbelende leventje en ontvouwt zich tot een ware kakofonie van stemmen. Het innerlijk orkest van de hoofdpersoon komt al twistend met elkaar met volle kracht naar voren als hij terugkijkt op zijn leven en zijn motieven. Welke afslag was de ware en wat betekende zijn leven nu echt? Vertaald door Irma Pieper. (Ben Koops)

     

    In Drie zakken dameskleding, twee cakes Kyiv en een sniper beschrijft Jaap Scholten – die direct na het begin van de oorlog in Oekraïne het initiatief nam er hulpgoederen naar toe te brengen – wat hem bewoog en hoe het er was. Hij schakelde daarvoor o.a. zijn rugbymaten in, waaronder ook Tommy Wieringa. Een deel van de opbrengst van beide boeken wordt gebruikt om meer hulp te kunnen bieden.

     

     

     

     

    Tommy Wieringa beschrijft in Konvooi van binnenuit de ellende in Oekraïne, maar ook het optimisme en de heldenmoed van veel mensen. Het is niet altijd even prettig om te lezen wat de Russen daar allemaal uithalen; het bevestigt wat velen al vrezen. Beide boeken zijn ook te lezen als aanklacht tegen het wegkijken van veel westerse overheden en meer nog tegen de verdomming van met name radicaal rechtse partijen en/of regeringen. (Martenjan Poortinga)

     

     


     

    Het Internaat (2022) van Serhi Zjadan is een meeslepende Oekraïense roman die jaren voor de Russische inval is geschreven en tijdens de oorlog in de Donbas. In drie dagen maakt leraar Pasja een levensgevaarlijke tocht om zijn neefje uit een internaat in een onbenoemde stad op te halen. Hij reist door dorpen in een apocalyptisch landschap met militairen  legervoortuigen, bombardementen en ontheemden. Met zijn neefje op de onvoorstelbaar helse terugweg denkt Pasja: ‘Geen mens zou zoveel angst en nijd in z’ geheugen moeten meetorsen.’ Vertaald door Tobias Wals en Roman Nesterenco.

     

     

     

    In Vinvis der Vergetelheid (2022) van Tanja Maljartsjoek vertelt de vrouwelijke Oekraïense hoofdpersoon over teringleider en kluizenaar Vjatsjeslav Lypynski (1882-1931). Hij was historicus, conservatief politiek activist en Oekraïens gezant in Wenen. De vinvis staat voor de tijd die de hoofdpersoon met haar ‘gedachten, ervaringen en herinneringen’ opslokt. De hoofdstukken spelen begin deze eeuw, waarin de ik op drie blauwogige relaties terugkijkt, en begin vorige eeuw waarin zij het leven van Lypynski in verhalende vorm beschrijft – met veel politieke ontwikkelingen in Oekraïne. Op het eind schuiven de twee verhaallijnen in elkaar en de ‘blauwe vinvis sloot zijn bek en zwom verder.’ Vertaald door Marina Snoek en Tobias Wals.  (Ronald Bos)

     



    De tweelingen trilogie bevat Het dikke schrift (1986), Het bewijs (1988) en De derde leugen (1991) van Agota Kristóf (Hongarije 1935 – 2011), dit jaar opnieuw uitgeven door DasMag.
     Tijdens WO2 in Hongarije worden de tienjarige tweelingbroers Lucas en Klaus bij hun grootmoeder ondergebracht. In een schrift schrijven ze heel precies en objectief wat ze beleven: ‘Wij moeten opschrijven wat er is, wat wij zien, wat wij horen, wat wij doen’. Alles zonder emoties. De karakters van Kristóf bezigen een logica die onbeschoft lijkt, maar (precies) is wat het is. Verrassende en intrigerende trilogie. Vertaald door Henne van der Kooy.  

     

     

     

    De openingszin van Café Dorian (2023) van Gilles van der Loo zet je direct op scherp. ‘Het is ochtend in de stad die ik je geef. Je trekt de voordeur dicht en kijkt naar de plaat met de verlichte bellen, het bordje met de naam die ik je gaf omdat ik over je wil schrijven.’ Die je is Guillaume, eigenaar van café Dorian. Een verhaal over mensen die elkaar niet kunnen bereiken. Twee tijdlijnen die af en toe op een wonderlijke manier in elkaar overlopen. Een verhaal van troost over mensen die elkaar niet kunnen bereiken, zo goed geschreven dat het je verleidt er opnieuw in te duiken. (Ingrid van der Graaf)





    Goudjakhals
     van Julien Ignacio is v
    erschillend in stijl en opzet. Zes verhalen die ogenschijnlijk los van elkaar staan, maar die met elkaar verbonden zijn door de thematiek. Het gaat over mensen die buiten hun eigen land, tegen de klippen op, een bestaan moeten opbouwen. Goudjakhals is een verpletterend goed boek. Een boek dat ertoe doet. Het maakt van de onbekende, ongeliefde vreemde een mens met een verhaal, een gezicht en een stem. Waarom ligt dit boek niet in grote stapels in de boekhandels?

     

     

    In Onderburen van Juli Zeh verhuist hoofdpersoon Dora in coronatijd van de stad Berlijn naar het platteland. Is ze op zoek naar afstand tot haar activistische vriend of juist naar meer rust en ruimte om zich heen? Niet alleen haar omgeving begrijpt haar vertrek en vooral haar bestemming niet, ze vraagt zichzelf ook af wat ze moet in die AfD-omgeving. Onderburen is geestig, goed geschreven en bevat rake dialogen. Vertaald door Annemarie Vlaming. (Carolien Lohmeijer)

     

     



    Je zou denken dat het niet kan, maar 
    Carolina Trujillo beschrijft in De instructies met hilariteit en humor hoe dierenactivisten hun soms vergaande acties voorbereiden en uitvoeren. Ook laat ze gedetailleerd weten hoe het er in slachthuizen en met het transport van de ter dood veroordeelde dieren aan toegaat. Niet altijd fijn om te lezen, wel goed voor mensen die het nog niet weten, al lezen die dit boek misschien niet. Ik-personage Mol vertelt met terugblikken het verhaal van de uit de hand gelopen brandstichting in een slachthuis. Trujillo weet voor alle personages sympathie op te wekken, al is het alleen al omdat deze de consequenties van hun actie – gevangenisstraf – zonder morren accepteren.

     

     

    Het Xoanon is een heerlijk avonturenverhaal van Jan van Aken tegen een nauwgezet weergegeven historische achtergrond en speelt in 1920 in Constantinopel. Het Ottomaanse rijk is verslagen, grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië bezetten de stad en Russische vluchtelingen zijn overal. Tegelijkertijd beginnen in de betere wijken de vrolijke jaren twintig en doemt in het oosten een nieuwe oorlog op. Verteller en vrijbuiter Beaujon raakt betrokken bij de jacht op een xoanon, een antiek houten beeldje dat in dit geval het palladium zou zijn dat Pallas Athene voorstelt. In een uitmuntende couleur locale vol geheimzinnigheid bevolken kleurrijke figuren de woelige straten van de stad waar de politieke situatie voelbaar is. (Anky Mulders)

     



    En dit vonden de recensenten van Literair Nederland de beste boeken (gelezen) in 2023.

  • Amarte Literatuurprijs voor Goudjakhals van Julien Ignacio

    Amarte Literatuurprijs voor Goudjakhals van Julien Ignacio

    Literair Nederland feliciteert schrijver Julien Ignacio van harte met het winnen van de eerste Amarte Literatuurprijs. Dinsdagavond werd bekend gemaakt dat Goudjakhals het meest uitdagende boek was voor collega schrijvers en essayisten. Volgens de jury is het een boek dat ‘de bakens verzet’. Een jury van enkel schrijvers en essayisten, onder andere Abdelkader Benali en Mariëtte Haveman, was unaniem in haar oordeel dat de prijs naar Goudjakhals ging.

    De Amarte Literatuurprijs is in het leven geroepen om schrijvers en essayisten de kans te geven een boek van een collega in de schijnwerpers te zetten. De onderscheiding wil niet het ‘beste’ boek bekronen, maar een boek dat conventionele grenzen overschrijdt, inspiratie opwekt en zowel lezers als collega-schrijvers uitdaagt. En dat doet Ignacio met Goudjakhals.

    De prijs bestaat uit een geldprijs van €15.000 en een essayistische beschouwing die gepubliceerd wordt in het zomernummer van de Nederlandse Boekengids.

    Andere genomineerden voor de prijs waren onder meer Loesje, de biografie door Fleur van der Bij, Kamp Erika door Hester den Boer, Het liefdesinterbellum door Ine Boermans, Een tafel bij het raam door Mirthe van Doornik, De omwenteling of de eeuw van de vrouw door Suzanna Jansen, Soms wil ik een kind door Jantine Jongebloed en Ik ken een berg die op me wacht door Sholeh Rezazadeh.

     

    Lees hier het interview van Literair Nederland met Julien Ignacio over het nu bekroonde boek, Goudjakhaks.

     

  • Schrijven is iets in de wereld zetten

    Schrijven is iets in de wereld zetten

     



    Met een beurs van het Letterenfonds werkte Julien Ignacio aan een sci fi-roman, toen zich ineens een heel ander boek aandiende. Een boek dat werd aangezwengeld door woede, maar met empathie werd geschreven.


    Julien Ignacio (1969) studeerde Literatuurwetenschappen. Hij publiceerde theaterteksten – waaronder Hotel Atlantis, waarvoor hij in 2008 de El Hizjra Literatuurprijs ontving – en was redacteur van literair tijdschrift Tirade. Zijn romandebuut Kus (2018) werd genomineerd voor De Bronzen Uil, en samen met Raoul de Jong en Michiel van Kempen maakte hij de bloemlezing Caraïbische literatuur, Dat wij samen zongen (2022).

    Vorig jaar verscheen zijn roman in zes verhalen, Goudjakhals bij Van Oorschot. Een indrukwekkende en persoonlijke roman waaruit vele stemmen klinken, alsof je – zoals de schrijver zelf zegt – aan de knop van een radio draait en steeds weer een andere stem, een ander geluid te horen krijgt. Voor dit interview spraken we elkaar in de tweede week van december in Grand Café 1e klas, Amsterdam Centraal.

    Met bewondering voor de verschillende stijlvormen waarin de migrantenverhalen in Goudjakhals verteld worden – de ongedocumenteerde migrant; de vluchteling in asielhechtenis; de zwarte jonge vrouw uit de zeventiende eeuw; de dissocierende migrant; een brief aan Gerard Reve; de grootmoeder op Aruba –  komen tijdens het lezen de woorden ontheemding en ontmenselijking naar boven. ‘Het heeft heel erg met identiteit te maken’, zegt Ignacio. ‘Als vluchteling je identiteit is, kan het gevoel ontstaan dat je een onmenselijk bestaan leidt.’


    Is dat wat je wilde laten zien, het onmenselijke bestaan? 

    ‘Ik wilde juist hun persoonlijke, menselijke kant laten zien. In het verhaal ‘Radio Gaga’, bij Ma Mercedes die een rumshop runt, wilde ik laten zien dat zij, ondanks dat haar leven in dienst staat van anderen en ondanks haar oudere leeftijd, ook een vrije en sensuele kant heeft.’

    Aan het werk van de Portugese kunstenares Paula Rego ontleende Ignacio het beeld dat hij van Ma Mercedes beschrijft bij het graf van haar man. Zich onbespied wanend zit ze wijdbeens op een klapstoeltje, schort haar rok op en laat de passaatwind de rimpels op haar dijen strelen. Wie de schilderijen van Rego kent, ziet het beeld voor zich.


    Het verhaal over Ma Mercedes is het meest autobiografische. Maar ook ‘Nader tot jou’, de brief aan Reve is een sterk autobiografisch document.

    ‘Ma Mercedes gaat over mijn oma. Een aantal jaren terug heb ik een half jaar bij haar op Aruba gewoond. Ik wilde haar beter leren kennen. Mijn vader is als oudste van zestien kinderen naar Nederland gekomen met een studiebeurs van de Arubaanse regering. Hij ontmoette hier mijn moeder en is gebleven. Zijn moeder heeft hem eigenlijk nooit vergeven dat hij 7000 km verderop een gezin stichtte. Dat is mijn persoonlijke familieverhaal, dat zit er ook wel in. Ik weet dat mijn vader, elke keer als hij met zijn moeder belde, voelde dat zij hem daarom veroordeelde. Ze vroeg altijd: “Wanneer kom je terug?”’


    Bij de publicatie van
    Goudjakhals liet Ignacio in een bericht op Facebook weten dat hij drie jaar aan het boek had gewerkt. Dat hij eerst aan een ander boek werkte. Toen kwam de dood van de Afro-Amerikaanse George Floyd in Minneapolis, omgekomen door politiegeweld, in het nieuws. Alsof er een nieuw bewustzijn ontstond, over zijn eigen achtergrond, het slavernijverleden.
    ‘Ik had een plan voor een sci fi- ingediend bij het Letterenfonds en dat was goedgekeurd. Daar was ik mee aan het schrijven toen Floyd werd vermoord. Toen kwam er voor mij opeens een heleboel bij elkaar.’

    Juist toen was hij ook Nader tot U van Reve aan het herlezen. De uitspraak van Reve dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zijn dan blanken, schoot hem opeens in het verkeerde keelgat.
    ‘Wat er met Floyd gebeurde raakte mij zo diep, dat wat ik in die brief aan Reve schreef, (waarin het briefschrijvende personage zich met glasscherven verwondt), ook echt gebeurd is.’
    Hij benadrukt dat veel van wat Reve geschreven heeft, ironisch bedoeld is, dat hij als een soort ‘relnicht’ kon losgaan.
    ‘Daar kon ik me altijd wel wat bij voorstellen, maar op dat moment dacht ik: “Wacht eens even. Dit kan niet.” Ik wilde hem daarop aanspreken, maar hoe. Toen ben ik die brief gaan schrijven waarin ik mijn woede een plek heb gegeven.’ 

    Als docent Nederlands als Tweede Taal werkt Ignacio bijna twintig jaar met expats, vluchtelingen en ongedocumenteerde mensen. Dat begon ooit met een berichtje in de krant dat er in Osdorp vluchtelingen zonder papieren werden opgevangen. Zijn reactie daarop was een grote pan soep te maken en daarmee naar Osdorp te gaan.
    ‘Het houdt me al langer bezig hoe het is om buiten de marges van deze maatschappij te leven. Dat je niet meer bestaat voor instanties.’

    In het openingsverhaal ‘GPS’, zoekt een AI (artificial intelligence) contact met een Iraanse vluchteling op een Grieks eiland. In die vluchteling wordt al gauw de Koerdische schrijver Behrouz Boochani herkend. Op een mobieltje schreef hij over de wantoestanden op het eiland Manu, en stuurde dat de wereld in.
    ‘Nog voor zijn boek (Alleen de bergen zijn mijn vrienden Iv/dG) verscheen, volgde ik hem op social media waar hij berichten plaatste over zijn verblijf op het eiland.’
    Zijn verhaal inspireerde om een satelliet-AI als personage te gebruiken. Een stuk techniek met menselijke trekken. Het oordeelt over wat het ziet, zoals de aangespoelde peuter in korte blauwe broek en rood truitje, op een strand in Europa. Ook dit beeld zal de lezer herkennen. De satelliet kan dit beeld niet verwerken, zijn binaire codering raakte erdoor ontregeld. 


    Het zijn indringende verhalen, soms is het hartverscheurend te lezen wat deze personages, ontleend aan de werkelijkheid, meemaken. Hoe was dit voor jou tijdens het schrijven?

    ‘Als ik schrijf neem ik afstand, het is belangrijk om mijn emoties er niet in te leggen. Ik ga graag naar de Meesterpianistenserie in het Concertgebouw. Er zijn pianisten die bij vervoerende stukken hun emoties laten zien door wild achter hun instrument te bewegen. Ik houd van pianisten zoals Krystian Zimerman die uiterlijk rustig blijven, maar de emoties in hun spel stoppen. Het is natuurlijk verschrikkelijk wat deze mensen meemaken. Ik heb daar wel last van, maar niet als ik schrijf.’ 


    Je oordeelt niet in je verhalen, niet over Reve, niet over de bewakers op het asieleiland die een vluchteling onbarmhartig straffen.

    ‘Ik vind niet dat Gerard Reve om zijn teksten afgebrand zou moeten worden. Of dat de bewakers in dat kamp als klootzakken moeten worden neergezet. Ieder heeft zijn rol.’


    In een van de verhalen gijzelt een Palestijnse taxichauffeur een telg uit een machtige politieke familie. Hij vergrendelt de portieren, rijdt met hem rond en vertelt over de situatie van de Palestijnen. Het gaat hem om een handtekening waarmee zijn jongere broer in Nederland zou kunnen studeren.

    ‘Die taxichauffeur staat met zijn rug tegen de muur. Dat maakt deze man gevaarlijk, maar hij is ook heel liefdevol, hij doet het voor een ander. Dat vond ik wel belangrijk om te laten zien, dat gelaagde karakter.’


    Je beoefent verschillende stijlvormen, je hebt er ook een podcast in verwerkt. Waar kwam dat idee vandaan?

    ‘Een paar jaar geleden reed ik met vrienden naar Frankrijk waar zij een B&B hebben. De reis duurde zeven uur en al die tijd luisterden we naar de podcast, ‘S-town’, zes afleveringen lang hebben we doodstil naar die podcast geluisterd. Ongelofelijk goed verteld, echt een literaire podcast, en ik dacht, dit ga ik doen. Een verhaal in podcastvorm.’

    Het verhaal ‘Het silvere koord’ speelt in de zeventiende eeuw en gaat over een jonge, zwarte prostituee, Zwarte Sjaan. Een geweldig mooi karakter, kind van een Hollandse kapitein en een tot slaafgemaakte vrouw. Wanneer Peter de Grote Amsterdam bezoekt, worden er ter vertier twee mensen uit de rosse buurt verhangen. Zwarte Sjaan is een van hen. Vanaf het moment dat ze aan de galg op het galgenveld aan de overkant van het IJ hangt, vertelt ze over haar leven, in plat Amsterdams.

    Heeft Zwarte Sjaan echt bestaan?

    ‘Ha,ha’, lacht Ignacio, ‘Dat is helemaal mijn meissie. Dat Peter de Grote in die tijd in Amsterdam was en dat van die galgenvelden klopt allemaal, maar het verhaal van deze zwarte vrouw in Amsterdam heb ik verzonnen. Met de geschiedenis van Zwarte Sjaan wilde ik laten zien dat Amsterdam altijd al een migrantenstad was. De stad is groot geworden door migranten, ook uit Europa. Ik was me er wel van bewust, dat als ik het in plat Amsterdams schrijf, er het risico bestond dat het moeilijker te lezen zou zijn. Maar dat durfde ik wel aan. En als ik ergens humor in heb gestopt is het wel in dit verhaal.’


    Hoe kwam je bij het beeld van de goudjakhals?

    ‘Goudjakhals is de geuzennaam voor migranten die niet meer kunnen leven op de plek waar ze vandaan komen. Op internet kwam ik een bericht tegen dat goudjakhalzen verdreven van hun leefgebied, op zoek zijn gegaan naar nieuw leefgebied. Daardoor komen ze nu ook in Nederland voor. Net zoals de mens op zoek gaat naar een plek waar hij kan leven. Dat beeld van die goudjakhals was belangrijk om te gebruiken.’


    Dit boek ontstond door de moord op George Floyd. Waarom is hij niet in het boek terechtgekomen?

     ‘Als het erin was gekomen, dan misschien in die brief aan Reve. Maar ik vond het op dat moment zoiets groots, dat paste niet in dit boek. Misschien dat het ooit nog eens in een ander boek zou kunnen. Het was toch Reve die zei: “De realiteit is geen excuus?” En daar ben ik het mee eens.’

    Met het laatste verhaal, over Ma Mercedes, een prachtige vrouw die bewondering oproept, kantelt er iets waardoor het hele boek iets caleidoscopisch krijgt. Alsof we alle hoeken van het migrantenleven hebben gezien. Opvallend is dat ze altijd een klein transistorradiootje bij zich heeft, haar lijntje met de wereld.

    ‘Ja, dat is mooi. Dat je door aan de knop van een radio te draaien steeds weer een andere stem hoort, dat beeld had ik wel bij het schrijven. Dit boek is woord voor woord, verhaal voor verhaal ontstaan. De volgorde van de verhalen kwam pas later, we hebben er veel mee geschoven. Mijn redacteur, Menno Hartman, geeft les aan studenten Nederlands aan de UVA, onderdeel redactie. Hij heeft ze erbij betrokken door dit boek als een soort casus te gebruiken. Twintig studenten hebben tips gegeven voor de volgorde van de verhalen, uiteindelijk is het dit geworden.’ 


    Wat heeft dit boek je gebracht?

    ‘Ik ben politiek bewuster geworden dan ik al was voor ik aan dit boek begon. Deze tijd vraagt om politiek bewustzijn.’

     

     

    Foto: Hanh Nguyen


     

     

     

     

     

     

     

     

    Goudjakhals, Songs of freedom / Julien Ignacio / 288 blz. / Van Oorschot

     

     

  • Beste boeken van 2023

    Beste boeken van 2023

    Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.

     

     

     

     

    Verder kijken – Esther Kinsky

    Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.

     

     

    His Natural Life – Marcus Clarke

    Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)

     

     

     


    Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden

    Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.

     

     

     

    Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer

    Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)

     

     

     


    De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren

    Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.

     

     

    Het boek van de kinderen – A.S. Byatt

    Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)

     

     


    Nirwana – Tommy Wieringa

    Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.

     

     

    Het hart van de ever – Baltasar Porcel

    Het hart van de ever is de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)

     

     


    Ruitjesblues – Jan Beuving

    Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)

     

     

     


    Luister – Sacha Bronwasser
    De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.

     

     

    Een schitterend wit – Jon Fosse
    Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)

     

     


    Das Spinnennetz – Joseph Roth
    Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.

     

     

    De wintersoldaat – Daniël Mason

    In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)

     

     


    Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje

    Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

     

     

    De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf
    Ademloos las ik dit jaar
    Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)

     

     


    Scherven – Bret Easton
    Dit jaar las ik
    Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie. 

     

     

    In het huis van de dichter – Jan Brokken
    Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)

     

     


    Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.  

     

     



    De laatste witte man
    – Mohsin Hamid
    Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)

     

     


    Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom
    Als poëzierecensent wil ik allereerst deze
     verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden. 

     

     

     

    Balts – Luuk Gruwez
    In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)

     


    ArkadiaSipko Melissen
    Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,
     Arkadia is prachtig geschreven!

     

     


    Drengr
    – Aron Dijkstra
    Een echte Viking is
    drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)

     


    Jij zegt het – Connie Palmen
    Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’

     


    Goudjakhals
    – Julien Ignacio

    Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)

     

     


    Marente de Moor – De schoft 

    Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen. 

     

    Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt 

    Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)

     

     


    Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose

    Een prachtig indrukwekkende debuutroman van de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.

     

     


    Rugzwemmen – Marc ter Horst

    Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)

     

     


    Een kleine weldaad – Raymond Carver

    Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.

     

    De minnaar – Marguerite Duras

    Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)

     

     

     

  • Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Het meest indrukwekkende verhaal in Goudjakhals van Julien Ignacio is ‘De host’. Het hangt sterk samen met het kortere verhaal ‘Chatilat Road’, dat eraan vooraf gaat. Daarin is taxichauffeur Samir met een belangrijke passagier op weg naar zijn vroegere familiehuis in een buitenwijk van Beiroet. De klant, een Libanees die twintig jaar is weggeweest uit Libanon, wordt door Samir verbaal bewerkt om een handtekening voor de papieren van zijn jongere broer, Tarek – die in Nederland wil studeren – te bemachtigen.
    Deze Tarek is het hoofdonderwerp van ‘De host’. Hij is op een studievisum naar Nederland gekomen, studeerde aan de Rietveld Academie, werd bekend als graffitikunstenaar (op zijn muurtekeningen plaatste hij onder zijn tag een jakhalskop, waar de titel Goudjakhals van dit boek naar verwijst) en heeft door verschillende trauma’s een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) ontwikkeld. Dat houdt in dat hij in zijn hoofd vier andere personaliteiten (alters) heeft ontwikkeld die mede zijn gedrag bepalen. Hij is de host voor die vier anderen, die allen hun ontstaan hebben te danken aan dramatische gebeurtenissen in Tareks leven.

    Onuitgepakte koffer

    Ignacio heeft zich razendknap verdiept in het ziektebeeld van een DIS-lijder. Daardoor weet hij op een beklemmende manier over te brengen wat zich in het hoofd van Tarek afspeelt. Maar ook de opzet van dit verhaal is sterk. De geschiedenis van Tarek krijgt bij Ignacio vorm in brieven van hem, een podcast die iemand over hem maakt, in passages waarin de stemmen van de vier alters aan bod komen (geïnspireerd door de poëzie van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish), in verslagen van de behandelsessies van Tareks klinisch psycholoog en in persoonlijke herinneringen van zijn ex-vriendin en zijn advocaat. Trefzekere zinnen als: ‘Laat de vluchteling lang genoeg in je lijf wonen en je verandert in een dubbele ontkenning: een vreemdeling in een vreemd land’ en over de migrant met ‘een onuitgepakte koffer in iedere hoek van zijn hartkamer’.

    Julien Ignacio (1969) werd in Boxtel geboren maar is van Arubaanse afkomst. In 2018 verscheen van hem zijn debuutroman Kus over een vader die plotseling wordt geconfronteerd met de coma waarin zijn zoontje raakt. Daarnaast schreef Ignacio toneelteksten en verhalen.
    Goudjakhals bestaat uit zes verhalen. Ze gaan op meerdere manieren een verband met elkaar aan. De belangrijkste rode draad is dat ze allemaal gaan over mensen die naar de marge van de maatschappij zijn gedrongen of zelfs totaal zover over de rand zijn geduwd dat ze in zekere zin niet meer bestaan.

    AI

    In het eerste verhaal, ‘GPS’, voert verteller AI (artificial intelligence) gesprekken met Jiwan, een Koerdische vluchteling die vastzit in kamp Moria op Lesbos. AI volgt Jiwan als het ware in the cloud. Hij heeft kennis van al zijn sms’jes, posts en pdf-bestanden op zijn telefoon en laat ons zo vanuit cyberspace toe tot de gedachten van de vluchteling. Jiwan komt alleen indirect aan het woord als AI zich tot hem richt. We merken daardoor pas dat hem iets overkomen moet zijn als zijn telefoon geen gps-signalen meer geeft. Met de keuze voor deze verteller kiest Ignacio een krachtige vorm om de eenzaamheid van Jiwan te laten zien als van iemand die niet lijkt te bestaan. Hoe ziet zo iemand eruit, vraagt AI, die Jiwan vervolgens verwijst naar (de echt bestaande site) thispersondoesnotexist.com. Daarop staan portretten van niet-bestaande mensen. ‘GPS’ is gebaseerd op de werkelijke geschiedenis van de Koerdische dichter Behrouz Boochani die zijn boek No Friend But the Mountains (uitgegeven in 2018) in detentie schreef via WhatsApp en Messenger op een naar binnen gesmokkelde smartphone.

    ‘Wette en gebode’

    Ignacio beheerst vele registers. Een heel andere stijl en toon gebruikt hij in het tweede verhaal ‘Het silvere koord’, een begrip dat in het boek Prediker voorkomt en in spirituele zin betekent dat de ziel pas overgaat als het fysieke leven definitief breekt met het lichaam. In dit verhaal wordt het leven van prostituee Zwarte Sjaan door haarzelf verteld, deels nadat ze in 1679 op de Dam geëxecuteerd is voor de ogen van tsaar Peter die getrakteerd wilde worden op een executie, en deels vanaf de plek op Volewijck, waar haar dode lichaam te kijk is gehangen. In het smeuïge taaltje van het Amsterdamse hoerendom uit eind zeventiende eeuw krijgen we een meeslepend beeld van haar, met als ontroerendste gedeelte haar liefde voor een zeeman van wie ze in verwachting raakt. Ignacio heeft zich voor die tekst – vooral voor de taal – grondig gedocumenteerd, onder andere bij Bredero: ‘Maar dat lere se je niet op school, wat het leve is. De burgerij, het grachtevolk en de kerk, se hebbe er een wereld van wette en gebode en kaarsrechte hoeke van gemaakt, van rije pale in het water en mure om de stad. Binnen die grense word je voortgeduwd’.

    Betico Croes

    Zelfs in ‘Nader tot jou’ – een sterk autobiografisch gekleurd verhaal waarin de gekleurde verteller zich richt tot Gerard Reve gaat het over die uitsluiting. De verteller bewondert de volksschrijver ondanks diens bewering dat ‘zwarten erfelijk minder begaafd zijn dan blanken’.
    Daarnaast gaan de verhalen een verbinding aan in opvallende dwarsverwijzingen. Zo is Ma Mercedes in ‘Radio Gaga’op Aruba hulphuishoudster in het gezin van de rijke Libanese familie Mansur (een naam die ook al in zijn eerst boek Kus opdook en nu weer in verschillende verhalen in Goudjakhals). Deze had in Beiroet een familiehuis dat sterk doet denken aan dat uit ‘Chatilat Road’ en ‘De host’. En ook Mercedes is naar de rand van de maatschappij geduwd. Ze heeft nauwelijks geld, wordt geridiculiseerd door vrouwen uit de buurt en gaat bijna ten onder aan de hunkering naar haar zoon die in Nederland is gaan wonen. Ze mist haar overleden man die bevriend was met Betico Croes, maar ook dat is een wereld waaruit ze verbannen is. Als ze haar hoop stelt op Croes om haar zoon uit Nederland terug te halen, laat hij haar vallen.

    Wie in de schoenen wil staan van vluchtelingen of anderszins geïsoleerde mensen moet Goudjakhals lezen. Ignacio drukt je onontkoombaar met je neus op hun levens.

     

     

  • Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.

    In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.

    De ontwikkeling van Surinaamse verhalen

    In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands. 

    In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.

    De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot  de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.

    Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek.  Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.

    Authenticiteit behouden

    De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in  Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien.  Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.

    Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.

    Een goede schrijver worden

    Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig  om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen. 

    In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte  om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.

    Meer produceren

    Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.

    ‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’

    Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.

    Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.

     

    Bronnen:

    • Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
    • Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
    • Jerry Dewnarain, neerlandicus
    • Hilde Neus, neerlandicus

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

     

     

     

  • Liefde is een vorm van vallen

    Liefde is een vorm van vallen

    Ruim halverwege Kus, de debuutroman van de Nederlandse literatuurwetenschapper Julien Ignacio (1969), begint de schrijver Feysel Mansur in zijn studio aantekeningen te maken voor een novelle, waarin een vader voor één dag terugkeert uit het dodenrijk in de gedaante van een mot. ‘De ogen op zijn vleugels zijn de vensters die uitzicht geven op de wereld van zijn zoon, een schrijver die kampt met een writer’s block.’ De boodschap van de mot: ‘Zoek niet langer de leegte die ik heb achtergelaten, maar de leegte die verteld moet worden’. Maar de zoon slaat de mot van zich af.
    Feysel maakt zijn ‘vlindernovelle’ nooit af.
    Het ongeschreven verhaal is symbolisch voor het fascinerende gevecht van Feysel om in het reine te komen met het beeld dat hij van zijn eigen vader heeft en zijn onvermogen om voor zijn eigen zoon Nanne de vader te zijn die hij zo graag wil zijn.

    IC
    Kus begint als Nanne, die 9 jaar is, van de trap is gevallen en in coma in het ziekenhuis ligt. Feysel (wiens naam overigens maar één keer in de roman wordt genoemd) heeft twee jaar eerder zijn vrouw Luna en Nanne in de steek gelaten. Hij heeft zich in die jaren niet laten zien, maar maakte wel elke donderdag met een telelens vanuit de struiken nabij hun huis foto’s van Nanne, terwijl die aan tafel binnen zit te wachten op de thuiskomst zijn moeder. Omdat hij zijn zoon op de dag van de val niet ziet dringt Feysel het huis binnen en vangt daar uit een telefoongesprek op dat Nanne op de Intensive Care is opgenomen.
    Luna is verbaasd hem daar aan het bed van hun zoon terug te zien: ‘Je moeder zal nooit begrijpen dat ik een waardeloze vader ben omdat ik teveel van je houd’. Ze maken een praktische afspraak die moet voorkomen dat ze elkaar voor de voeten lopen. Zij zal overdag bij Nanne zijn, hij ’s nachts.

    De lezer heeft dan de sleutelbegrippen van deze indrukwekkende roman in handen: de vlinder, de val (of verder in het verhaal: ravijn, afgrond) en de leegte. In de nachten waarin hij bij Nanne zit vertelt Feysel hem de herinneringen die bij hem op komen aan zijn eigen vader, zijn eigen angsten en zijn huwelijk met Nanne’s moeder.

    Angst
    Het levert beschrijvingen van dramatische scènes op over zijn eigen vader, een veteraan die meerdere missies naar Libanon heeft meegemaakt. Feysel was bang voor diens willekeur: ‘Als je een vader hebt die je slaat omdat je wegkijkt wanneer hij tegen je spreekt, of gewoon omdat het dinsdag is, dan weet je waar de grenzen liggen’. En even verder lezen we: ‘Wanneer je een vader hebt die het als zijn morele plicht ziet te leven als was hij dood, uit solidariteit met zijn omgekomen kameraden uit het infanteriebataljon, dan weet je dat liefde niet iets is wat je krijgt maar wat je moet verdienen’. Bij zo iemand ga je niet eens lekker op schoot zitten. Hij drilde zijn zoon het liefst volgens de Hagakure (een handboek voor de samurai-opleiding) met het motto: ‘Breek zonder aarzeling door je angst heen (…) Zoek de rand van de afgrond en laat je vallen.’
    Toch weet Feysel diep in zijn hart dat zijn vader, in wiens levenseinde Feysel per ongeluk een groot aandeel had, de behoefte had aan liefdevol contact met zijn zoon. Hij is echter onmachtig dat beeld toe te laten. Ook door die angst weet hij niet heen te breken. Vandaar dat hij in de novelle de mot van zich af slaat. Maar dat beeld definitief in een verhaal vatten lukt hem evenmin.

    Vlinder
    Hoe staat iemand die zo is gevormd tegenover zijn eigen zoon? ‘Aan één ding moet je nooit twijfelen: uit liefde ben je geboren’, zegt hij tegen de comateuze Nanne. Maar ook de liefde is een angstaanjagende diepte: ‘In je blikveld doemt een hooggebergte op. Je staat aan de rand van een ravijn. Je kijkt de afgrond in. Al je cellen komen in opstand. Je hebt de vrijheid niet te springen. Maar haar ogen duwen je de diepte in. Je sterft een beetje.’ Feysel wordt verliefd op Luna, die al snel zijn kind draagt, Nanne, die geboren zal worden als ‘een vlinder’. Het zijn de dagen waarin het concept van de novelle ontstaat.
    Na de geboorte is er opnieuw de angst bij Feysel. Zoals op een avond dat hij alleen is met de pasgeboren Nanne en zich realiseert dat het al zo lang stil is. Als hij bij de wieg gaat kijken blijkt het kind bijna te stikken in de klamboe die het naar beneden heeft getrokken; hij ziet naargeestige scenario’s van verwaarlozing voor zich. En er is de val van Nanne uit een klimtoren waarvan het beeld voor Feysel samenvalt met dat van de beroemde foto van de oranje man die langs de ijzingwekkend hoge gevel van één van de Twin Towers naar beneden stortte op 9/11: ‘Permanent bevroren in een beeld viel je, terwijl ik machteloos toekeek onder aan de toren’.

    Filter
    Die machteloosheid doet Feysel besluiten zich van de ene dag op de andere terug te trekken uit het jonge gezin. Wat hij overhoudt zijn de vroege foto’s, die hij wekelijks aanvult vanuit de struiken bij Nanne’s huis. Twee jaar lang. Ze moeten hem helpen het spoor terug te volgen in de tijd tot aan het moment van zijn geboorte, als ‘de pijl van de tijd’ (een verwijzing naar de roman van Martin Amis waarin de verteller zijn leven beschrijft in een omgekeerde chronologie). Bovendien vormen de foto’s ‘een manier om je alsnog in bezit te nemen’ zonder de ondraaglijke verantwoordelijkheid: ‘De lens plaatste een filter tussen jou en mij. Neutraliseerde je. Ik hoefde niet in te grijpen. Geen deel te nemen aan de situatie. Niets te veranderen.’
    Maar daar aan het bed van Nanne blijkt dat niet genoeg. Hij strekt zijn armen naar hem uit: ‘Als liefde een vorm van vallen is, ben jij de regen, ik de bodem waarop je landt.’ Alleen op de kamer met hem sluit hij de deur. Dan komt een kus ‘in de intimiteit van onze duisternis’.

    Kus is een sterk debuut dat zo hecht gecomponeerd is dat je sommige alinea’s moet herlezen om de zeggingskracht te laten doordringen. Een vol boek bovendien over parallelle levens, de tragische schoonheid van wat tegelijk bang maakt en de angst voor overgave. Een boek dat rijk is aan subtiele literaire verwijzingen. Een ervan tot slot: het motto van deze roman (uit Thomas de duistere van de Franse romancier en filosoof Maurice Blanchot): ‘Het idee van vergaan zette de pop ertoe aan vlinder te worden’.