• Elizabeth Finch blijft onbekend

    Elizabeth Finch blijft onbekend

    Julian Barnes is met zeventien boeken op zijn naam een van de grootste Britse schrijvers van deze eeuw. Voor The Sense of an Ending (Alsof het voorbij is in Nederlandse vertaling van Ronald Vlek) kreeg Barnes in 2011 de Man Booker Prize voor fictie. Zijn ideeëngoed en onderwerpen grenzen aan een intellectuele en erudiete bagage, die resulteren in literatuur met een grote L. Dat geldt ook voor zijn voorlaatste roman, De man in de rode mantel, een levendig verhaal over de baanbrekende chirurg Samuel Pozzi in het Parijs van de Belle Epoque. Barnes vergelijkt daarin de Britse met de Europese cultuur. 

    Barnes’ laatste roman Elizabeth Finch valt ook onder het kopje erudiet en intellectueel, filosofisch wellicht ook. Maar op de een of andere manier werkt het dit keer niet. Neil, de verteller van het verhaal, volgt een cursus ‘cultuur en beschaving’ bij professor Elizabeth Finch. Vanaf dag een is hij in de ban van de veel oudere vrouw, hij wordt zelfs verliefd op haar en ze sluiten (een platonische) vriendschap. De cursus is allang afgelopen, maar de volgende twintig jaar gaan ze regelmatig samen lunchen, altijd in hetzelfde Italiaanse restaurant, en zij betaalt. 

    Wijsheden en oneliners

    Elizabeth Finch leert haar volwassen studenten onafhankelijk te denken en wijst hen, volgens Neil, ‘elegant de weg naar het voor de hand liggende.’ Tussen neus en lippen door worden tal van wijsheden door haar aangereikt, zoals ‘acteren is het perfecte voorbeeld van kunstmatigheid die authenticiteit voortbrengt’. ‘Mislukking kan ons meer vertellen dan succes.’ ‘Beledigingen komen het vaakst voor wanneer een ruzie verloren gaat.’ ‘Anarchisme heeft een zekere intellectuele aantrekkingskracht, maar realistisch gezien zou het nooit werken.’

    De eerste veertig bladzijden geeft Neil een karakterschets van de vrouw, die ontegenzeggelijk intrigerend, mysterieus en geleerd is, maar we leren haar niet echt kennen. EF, zoals Neil haar noemt, blijft een personage dat oneliners ventileert, en de ene keer is ze empathischer dan de andere keer. Een van haar stokpaardjes gaat over begrippen waar mono voorstaat. ‘“Monotheïsme,” zei Elizabeth Finch. “Monogamie, monotonie, wat zo begint kan niet goed zijn.” Ze zweeg even. “Monogram – een teken van ijdelheid. Monocle idem. Monocultuur – een voorbode van de dood van het rurale Europa.”’ Monotheïsme zou het einde van onze cultuur hebben ingeluid, zo laat Barnes Finch vertellen.

    Neil’s essay

    Ondertussen geeft Neil ook een beeld van zichzelf. Bedoeld als zelfspottend staat hij bekend als de man van de mislukte projecten, heeft hij drie kinderen bij verschillende vrouwen, heeft hij iets vaags als acteur gedaan. En zoals het een echte Engelsman betaamt, doet hij zichzelf als minder voor dan hij is. 

    Tijdens de cursus wordt van de studenten verwacht dat ze een essay schrijven, maar Neil lijdt aan uitstelgedrag. Als EF jaren later overlijdt blijkt Neil haar boeken en notities te hebben geërfd en ontmoet hij Elizabeths broer. Pas in en na deze passages komt EF vreemd genoeg meer tot leven dan voorheen. Neil wordt opnieuw met haar geconfronteerd en gaat op zoek naar haar verborgen leven en overweegt zelfs haar biografie te schrijven. Niet gemakkelijk, want hij heeft weinig houvast aan haar papieren, behalve dat er aanwijzingen zijn voor een obsessie met Julianus de Afvallige, de enige Romeinse keizer die nooit een voet in Rome heeft gezet. 

    Neil besluit postuum het essay te schrijven over Julianus de Afvallige. Dit essay is integraal opgenomen in het boek en beslaat deel twee. Het is een taai, maar niet oninteressant stuk over deze laatste ‘heidense’ Romeinse keizer, die twintig maanden rond 363 heerste. Hij verloor zijn leven op het slagveld, uitroepend: ‘Gij hebt overwonnen, o bleke Galileeër.’ De bleke  Galileeër was Jezus van Nazareth, ‘waarmee Julianus de overwinning van het christendom over het heidendom erkende.’ Over Julianus is veel gepubliceerd, schrijft Barnes in Neils essay, en hij staat te boek als een empathisch staatsman, bekend om ‘vervolging door middel van zachtaardigheid’. Door de tijden heen heeft hij veel schrijvers en denkers beïnvloed die schreven over de opkomst van het christendom in Europa. Hij was Elizabeth Finch’s grote voorbeeld en daarom schreef Neil dit essay, omdat EF en keizer Julianus zelfs op elkaar zouden lijken.  

    Als lezer verlang je naar iets stouts

    In het derde en laatste deel zijn we terug bij Neil en zijn herinneringen aan EF, ze zou betrokken zijn geweest bij een schandaal, Neil praat met andere oud-studenten over haar, wat hem meer inzichten geeft over wie ze was. Als lezer verlang je naar iets stouts, een misstap van Finch of Neil, een stevige affaire, maar het blijft allemaal erg fatsoenlijk, behalve dat Elizabeth rookt als geen ander. En wie ze eigenlijk was, of niet was, mag je als lezer zelf uitvinden. 

    Barnes laat zijn personages discussiëren en stellingen poneren over cultuur en beschaving, heel legitiem binnen de cursus die EF geeft en hij reikt daarmee de lezer de nodige stof tot nadenken aan. Daarmee is Elizabeth Finch een ideeënroman, al zal de auteur voor dat etiket wellicht zijn neus optrekken. Zijn lezers boeien hem niet, wat jammer is omdat hij ze daardoor op afstand houdt. 

     

  • Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Julian Barnes weet in de inleiding van Visioen van de wereld meteen de nieuwsgierigheid van de nietsvermoedende lezer te prikkelen. Er zijn twee versies van Cheever, stelt hij. De eerste versie is die van de ideale schrijver, gelukkig getrouwd, monogaam, vader van drie kinderen. Dat is de versie die de hedendaagse lezer niet meteen op het puntje van zijn stoel brengt. Daarvoor is de tweede versie nodig: Cheever is de zoon van een dominante moeder, een alcoholische vader, eenzaam, getormenteerd, naast zijn echtgenote ook verlangend naar seks buiten het huwelijk, met vrouwen én mannen. Wie nu geïnteresseerd is geraakt in zijn leven, biedt Verscheurde stilte, het prachtige dagboek dat alweer bijna dertig jaar geleden verscheen in Privé-domein, de beste ingang.

    Onder de aandacht

    Eens in de zoveel tijd wordt het werk van John Cheever (1912–1982) in Nederland onder de aandacht gebracht. Zo verschenen eind jaren tachtig en begin jaren negentig ruime keuzes uit zijn verhalen en zijn dagboeken. Vervolgens kwamen tussen 2012 en 2015 vertalingen van zijn romans (Bullet Park, Bijna een paradijs en de twee delen over de familie Wapshot), maar bleef  de rest van zijn oeuvre buitenbeeld. Nu zijn met Visioen van de wereld en andere verhalen de korte verhalen weer aan de beurt. De samenstelling en de introductie komt, zoals gezegd, op conto van Julian Barnes, die daarmee de rol op zich neemt die Özcan Akyol in Nederland heeft, schrijvers met een bijzonder oeuvre weer onder de aandacht van het grote publiek brengen.

    Ogenschijnlijk geluk

    Om met het grootste bezwaar te beginnen: Visioen van de wereld had meer verhalen van John Cheever mogen bevatten dan de zestien die nu zijn geselecteerd. Op basis van zijn Collected Stories, ruim zestig verhalen in een pil van negenhonderd pagina’s, kun je niet anders concluderen dan dat de keuze ruimhartiger had gemogen.

    In Visioen van de wereld komen de twee door Barnes geïntroduceerde versies van Cheever samen: ogenschijnlijk worden gelukkige ‘middle class families’ geportretteerd. Jaren vijftig. De vrouw is thuis, de man aan het werk. Zoals het toen hoorde te zijn. Maar achter dit vernis schuilt wanhoop, eenzaamheid, buitenechtelijk verlangen. Er is welvaart, de koelkast is goed gevuld, maar wat is iedereen doodongelukkig, en bang dat de buren zien wat er zich werkelijk achter de voordeur afspeelt. De toon wordt meteen gezet in het absurdistische – en dolkomische – openingsverhaal De enorme radio, over een radio die gesprekken van buren uitzendt en bij de vrouw des huizes de angst opwekt dat de buren ook haar gesprekken zouden kunnen horen. De moeilijkheden tussen echtelieden staan ook centraal in De tijd om te scheiden, en in Vaarwel, broer wordt alles gedaan om de schone schijn binnen een gezin op te houden. Dat verhaal opent met ‘We zijn een gezin dat altijd een sterke zielsverwantschap heeft gekend.’ Borrelpraat die op feestjes en partijtjes gemakkelijk gedeeld wordt. Inmiddels weet je dat bij Cheever de ellende dan niet ver weg is.

    Sterke dialogen

    De toegankelijkheid van de verhalen is wisselend, zeker naarmate de bundel vordert. Voor het titelverhaal bijvoorbeeld wordt de aandacht van de lezer extra op de proef gesteld. Waar gaat het heen? Wat wil Cheever hier vertellen? Dan zijn het de dialogen die het verhaal redden. Als de ik-figuur zijn vrouw vraagt wat er met haar aan de hand is, past haar antwoord naadloos in hoe Cheever de wereld van de Amerikaanse middenklasse, zijn eigen wereld, ervaart. ‘“Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik een personage in een komische tv-serie ben,’ zei ze. ‘Ik bedoel, ik zie er leuk uit, ik ben goedgekleed, ik heb geestige, mooie kinderen, maar ik heb het vreselijke gevoel dat ik zwart-wit ben en dat ik door iedereen uitgezet kan worden. Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik úítgezet kan worden.’”

    Daarnaast is een verhaal als De trein van vijf uur achtenveertig (in het origineel The Five-Forty-Eight, die trein hoeft er in het Engels niet bij) een feest van leesplezier.

    ‘Toen Blake uit de lift stapte zag hij haar. Er stonden wat mensen in de hal die de liftdeuren in de gaten hielden, voornamelijk mannen die op meisjes wachtten. Daar stond ze bij. Op het moment dat hij haar zag kreeg haar gezicht een uitdrukking van zo intense walging en vastberadenheid dat hij besefte dat ze op hem had staan wachten.’

    De spanning is er meteen, ook door de suggestieve toevoeging in de tweede zin, over de mannen en de meisjes. Die legt niet alleen op knappe wijze de ethiek bloot van de wereld waarin de hoofdpersoon zijn dagelijks leven slijt, maar geeft ook een verborgen boodschap af voor het vervolg van het verhaal. Blake denkt de vrouw af te kunnen schudden, maar vindt haar terug in de trein naar huis. Cheever laat het slachtoffer op haar eigen wijze wraak nemen, fysiek en vernederend. Een geval MeToo, maar dan zestig jaar geleden.

    Vertaling

    Visioen van de wereld is vertaald door Else Hoog en Jan Fastenau. Fastenau vertaalde de verhalen die nog niet eerder in het Nederlands waren verschenen. Het zijn vloeiende vertalingen. Als je het origineel ernaast legt zie je dat zeker de dialogen doorgaans sprankeling behouden. Je ziet soms ook de worsteling terug. De landman is lastig met de inhoud van het verhaal te rijmen, tot je de Engelse titel ziet: The country husband. Het is het langste verhaal in de bundel, en raakt de kern van Cheevers obsessies. Een man, Francis Weed, komt thuis van een vliegtuigongeluk, maar niemand in het gezin heeft veel interesse in wat hem is overkomen. Is er überhaupt wel iemand in hem geïnteresseerd? Het is de opmaat om het geluk buiten de deur te gaan zoeken. Weeds verborgen verliefdheid pakt rampzalig uit voor de jongen die op hetzelfde meisje verliefd is. Aan het slot breekt Weed, in de jaren vijftig vindt catharsis niet meer plaats bij de pastoor of de dominee, maar bij de dokter en de psychiater. Hij krijgt het advies aan houtbewerking te gaan doen. Weed heet opeens Wood, maar dat blijkt een foutje in de vertaling. Helaas – want het lijkt erop dat de personages zich alleen aan hun eigen ongeluk kunnen ontworstelen als ze zich radicaal van alle banden durven los te maken, waarbij het aannemen van een andere naam aanzienlijk zou helpen. Natuurlijk lukt het hun nooit, zoals het Cheever zelf ook nooit is gelukt.

     

  • Oogst week 46 – 2019

    De man in de rode mantel

    De Amerikaanse portret- en landschapsschilder John Singer Sargent (1856-1925) maakte met zijn Portrait of Madame X (1883-1884) de tongen los: omdat het expliciet erotisch zou zijn, maar wellicht ook omdat het een weergave was van aristocratische stijl en decadentie die niet werden gewaardeerd in de Franse bourgeoisie-kringen van destijds (aldus Jonathan Jones in The Guardian). Vanwege alle ophef exposeerde Singer zijn Dr. Pozzi at Home, dat hij in 1881 al voltooide, in Londen onder de naam A Portrait. Singer zou met die anonimiteit de reputatie van de geportretteerde, de jonge chirurg en gynaecoloog Samuel-Jean Pozzi, hebben willen beschermen. Poserend in een flamboyant rood gewaad, zijn hand op zijn borst, wendt Dr. Pozzi zijn blik van de toeschouwer af. Het schilderij vormde de inspiratiebron voor de alom geprezen auteur Julian Barnes, die de lezer in zijn De man in de rode mantel langs ingrijpende gebeurtenissen gedurende de Belle Époque voert, maar vooral de mysterieuze figuur Pozzi in een nieuw licht plaatst en hem de biografie schenkt die hij naar Barnes’ idee verdient.

    De man in de rode mantel
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De dood van Jezus

    Nobelprijs- en tweevoudig Booker Prize-winnaar J.M. Coetzee sluit zijn saga over het leven van de jonge Davíd af met De dood van Jezus (vertaling Peter Bergsma), waarin hoofdpersoon Davíd zich geëngageerd toont en gaat, zonder dat zijn ouders Inès en Simón enige inspraak hebben op zijn keuze, in een weeshuis wonen. Als hij kort daarna onverklaarbaar en ernstig ziek wordt, vrezen zijn ouders voor zijn leven. Coetzee schuwt diepe thema’s en emoties niet in zijn nieuwe roman – iets wat hij volgens kenners van zijn werk per definitie niet doet. Zoals Griet Op de Beeck eens zei: ‘(Precies daarom) is hij me zo lief: hij loopt niet in een boogje om de grote emoties heen, maar staart ze vol in het gezicht.’

     

    De dood van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vormen van gekte

    In het gedicht ‘Een kinderspiegel’, uit Beemdgras (1968), reflecteert dichteres en toneelschrijver Judith Herzberg op het ouder worden – en alle ongemakken die de verteller in de toekomst liever uit de weg zou gaan:

    ‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
    ik neem geen spataders, geen onderkin,
    en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
    dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
    alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.’

    Nu, op haar vijfentachtigste, is Herzberg even jong van geest en actief als altijd. In Vormen van gekte, haar nieuwste bundel, zijn zowel oude als nieuwe gedichten opgenomen. Herzbergs werk werd onder meer bekroond met de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn Huygens-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.

    Vormen van gekte
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie
  • Op papier schreeuwen

    Op papier schreeuwen

    Nu mijn eigen schrijven overhoop ligt, lees ik veel autobiografische verhalen, memoires en non-fictieboeken over persoonlijke gebeurtenissen uit het leven van schrijvers. De scheidingen van respectievelijk Elke Geurts en Henk van Straten; de bijna-dood ervaringen van Maggie O’Farrell; de onzalige jeugd van Jeannette Winterson; de keelkanker van Willem Melchior of de migraine van Mariëtte Baarda; de rouw van Julian Barnes en C.S. Lewis: ik slik het allemaal. Ook Ariel Levy moet er weer aan geloven.
    Waar ik nieuwsgierig naar ben, natuurlijk, is de aanpak. Hoe maak je het extreem particuliere interessant voor lezers die niet bekend zijn met jouw specifieke pijn?

    Waarom zou iemand over de relatieproblemen van Ariel Levy willen lezen, over die keer dat Maggie O’Farrell bijna verdronk? Sommige verhalen zijn bijna te intiem: alsof je door een raam naar binnen gluurt en ontdekt dat daar iemand niet alleen bloot is, maar zichzelf ook nog eens bevredigt. Ja, sommige boeken lezen als het gadeslaan van andermans masturbatie. Andere schrijvers gebruiken kunstgrepen als overbrugging, bewaren afstand door citaten, stutten het persoonlijke met de universele ervaring. Voor iedere methode valt wat te zeggen. Als schrijver zoek ik antwoord op technische vragen, maar bovenal wil ik weten hoe deze of gene eruit is gekomen. Waaruit? Dat verschilt per boek. Waarschijnlijk zoek ik naar geruststelling – ah kijk, niemand ging eraan onderdoor. Waaraan? Ook dat verschilt per boek.

    Eerder kreeg ik de kans Levy te ontmoeten en deinsde ik terug. Liever leer ik de schrijvers die ik bewonder niet anders kennen dan door wat ze maken, door wat zij aan de wereld willen laten zien. Het is niet de schok van de herkenning die ik vrees, alsof hun menselijkheid afbreuk zou doen aan hun werk, het is – ik weet niet wat het is. Ja, in het geval van Levy weet ik het wel: taal. Ik spreek prima Engels maar tegen de tijd dat ik de knop heb gevonden denkt mijn omgeving al dat ik niet wijs ben. Ik ben alleen verlegen in andere talen. En dan nog, wat zou ik vragen of zeggen? Ik ook, Ariel, ik ook? Wat moet iemand met zo’n emotionele gijzeling van een onbekende?
    Dat is ook een keerzijde van het persoonlijke: de reacties. Dat mensen met je aan de haal gaan, zich aan je vastklampen met hun hele zelf, letterlijk en figuurlijk, tijdens signeersessies of interviews, in emails of wat dan ook, of je dat nu aankunt of niet. 

    En toch. Bovenstaande schrijvers moeten ieder risico, elk potentieel verwijt (navelstaarderij, gemakzucht, aandachtsgeilheid, larmoyant gedoe) hebben gekend. Het hield ze niet tegen, de nood was zo hoog dat fictie niet volstond. Dat snap ik – soms schreeuw je het hardst op papier. Literatuur maken van die schreeuw, dat is de uitdaging.
    Ook in mij zit een kreet, woordloos nog. Hoe en wanneer die op papier komt, weet ik niet, of ik hem wil delen evenmin. Dus doe ik wat ik altijd heb gedaan: lezen. Daarmee heel ik. Uiteindelijk vind ik een vorm voor mijn eigen geluid. 

     


    Marijn Sikken mijmert over lezen, verhalen en literatuur en schrijft daar columns over. Haar debuutroman, ‘Probeer om te keren’ (2017) verscheen bij Uitgeverij Cossee.

  • Oogst week 5

    Het enige verhaal

    Sinds zijn vrouw Pat Kavanagh in 2008 overleed, zijn verlies, rouw, het verstrijken van de tijd en herinneren grote thema’s in het werk van Julian Barnes, waarin liefde en relaties al een voorname rol speelden. In zijn nieuwe roman Het enige verhaal kijkt Paul terug op zijn relatie met Susan. Hij was negentien, zij achtenveertig, getrouwd en moeder van twee volwassen kinderen toen zij elkaar op de tennisbaan ontmoetten. De roman begint met de vraag wat de voorkeur verdient: ‘Zou u liever meer liefhebben en meer lijden, of minder liefhebben en minder lijden?’ Een hypothetische vraag, want de mogelijkheden van de mens om zijn leven richting te geven zijn relatief. Er is alleen dat ene verhaal. Of toch niet? Barnes laat zijn personage in de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud zijn verhaal doen.

    Het enige verhaal
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Spiegel spiegel schouder

    Minimalisme dat van binnenuit wordt aangevallen. Zo karakteriseert de Deense Dorthe Nors haar manier van schrijven. Wie haar kent van Minna zoekt oefenruimte / Karateslag weet ongeveer wat dat betekent: proza dat kort, maar niet te kort, door de bocht gaat en zinnen zonder opsmuk tot een verhaal geregen. Hoofdpersoon in Spiegel spiegel schouder is Sonja, de veertig gepasseerd, verhuisd naar de grote stad en nog maar net gedumpt door haar geliefde. Haar kringetje is klein. Ze neemt rijles, maar dat blijkt geen uitweg; rijles is net zo confronterend als het leven zelf.
    Hoe verfrissend de kennismaking met Dorthe Nors en haar verhouding tot taal ook mag zijn, vrijblijvend is haar werk niet. Ze doorziet kwetsbare karakters. Dus zal het lachen de lezer in Spiegel spiegel schouder ook wel weer vergaan.

    Spiegel spiegel schouder
    Auteur: Dorthe Nors
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    Bundels van het nieuwe millennium

    Van de duizend jaar die het nieuwe millennium duurt, zijn er pas zeventien voorbij. Toch verschijnt na Dichters van het nieuwe millennium (2016) nu ook Bundels van het nieuwe millennium. Jeroen Dera en Carl De Strycker selecteerden 26 bundels die in hun ogen getuigen van vernieuwing van de poëzie dan wel een scharnierpunt vormen in het oeuvre van een dichter. De oudste bundel verscheen in 2000, de meest recente in 2015. Bundels van het nieuwe millennium bevat compacte essays geschreven door Nederlandse en Vlaamse academische poëziespecialisten, die onder andere aandacht besteden aan totaal witte kamer (Gerrit Kouwenaar); Divan van Ghalib (Nachoem M. Wijnberg); Eiland berg gletsjer (Anne Vegter); Vlinderslag (Piet Gerbrandy)’; Wij totale vlam (Peter Verhelst) en Kalfsvlies (Marieke Rijneveld).

     

     

     

    Bundels van het nieuwe millennium
    Auteur: Jeroen Dera en Carl De Strycker (red.)
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt / Poëziecentrum

    Witheet nadert de ijsberg

    Andreas Oosthoek – ooit, maar sinds 2006 niet meer, hoofdredacteur van de PZC – schreef zijn hele leven gedichten, en toch is Witheet nadert de ijsberg zijn debuut. De ondertitel ‘verzamelde gedichten’ is volgens de dichter dan ook helemaal niet op zijn plaats (slechts 27 van de 199 gedichten werden al eerder gepubliceerd). Het betreft hier slechts een kleine selectie uit de tweeduizend gedichten die Oosthoek naar eigen zeggen sinds 1959 schreef. Gevraagd naar het onderwerp van zijn poëzie, antwoordde de dichter die zichzelf als ‘eenzame ontdekkingsreiziger’ ziet: ‘Wind en water moet je hebben. Veel gaat over relaties, die niet helemaal verwerkt zijn.’

    Witheet nadert de ijsberg
    Auteur: Andreas Oosthoek
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Snijpunt Isfahan

    In 2016 won Maite Karssenberg de VPRO Bagagedrager, een aanmoedigingsprijs voor jonge reisschrijvers. Zij wilde met haar vader naar Isfahan om daar te zoeken naar iemand die het door haar vader Goossen gemaakte ontwerp voor een islamitisch mozaïek in steen kon uitvoeren. Snijpunt Isfahan is het verslag van die reis, waarin veel meer op het spel staat dan alleen dat mozaïek. Maite Karssenberg is zich bewust van de veranderingen die er in de loop der jaren optreden in hun vader(ß)-dochter(α)relatie. Ook staat zij stil bij culturele verschillen tussen de islamitische cultuur waaruit de mozaïeken stammen en de westerse die zich, in de persoon van haar vader, de patronen heeft toegeëigend.

    Snijpunt Isfahan
    Auteur: Maite Karssenberg
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Tijdreizen

    Tijdreizen

    Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd. Soms blijven ze gewoon zichzelf, soms krijgen ze extra gewicht door de omstandigheden waarin ze gelezen worden.

    Deze bewering las ik in een essay van Julian Barnes – dat oorspronkelijk verscheen in The London Review of Books – in De Groene van 1 juni jongstleden. Barnes legt op een vinnige manier een verband tussen de Brexit en xenofobie. Het essay leverde me een curieus voorbeeld op van de waarheid van deze constatering. In de inleiding schrijft Barnes dat hij twintig jaar geleden Chez Krull, één van de romans durs van Simenon, cadeau kreeg en waarin hij nooit verder kwam dan het eerste hoofdstuk. Hij had er niks mee. Tot hij onlangs het boek oppakte en er wel door werd gegrepen. Het gaat over ‘de rusteloze dynamiek tussen autochtoon en immigrant, vooral als er iets misgaat (…) als de immigrant niet hard werkt, is hij een bietser; als hij wel hard werkt, is hij alleen maar uit op geld en gierig’. Het bracht hem bij de Brexit.

    Ik moest denken aan hoe iets dergelijks me overkwam met een boek van Julian Barnes zelf, Een geschiedenis van de wereld in 10½ hoofdstuk. Dat boek las ik na verschijning van de Nederlandse vertaling in 1991. Ik vond het (anders dan de ervaring van Barnes met Simenon) meteen geweldig. Maar vorig jaar bleek dat ik het niet ten volle begrepen had. Kleinkunstenaar Jan Beuving vertelde dat toen hij zijn theaterprogramma Raaklijn voorbereidde, hij zich bij de opbouw ervan had laten inspireren door de manier waarop Barnes verschillende hoofdstukken in die roman verknoopt. Raaklijn werd overigens vorige week genomineerd voor de Neerlands Hoopprijs en oogstte lof om zijn schitterende liedteksten. Het verhaal van Beuving trof mij persoonlijk door zijn omgang met PVV-aanhangers en linkse intellectuelen die deel uitmaken van zijn dagelijks leven.

    Daardoor ging ik Barnes herlezen en besefte opeens dat ik het als een verzameling op zichzelf staande verhalen en essays had gezien. Niet als een roman. Terwijl dat wel met koeienletters op het omslag staat.
    Maar er gebeurde nog iets. Enkele hoofdstukken in de roman gaan over de ondergang van het fregat De Medusa in 1816. De overlevingsstrijd van de opvarenden vormt het beroemde doek Het vlot van de Medusa van Théodore Géricault dat in Het Louvre hangt. Daarover schreef Barnes in zijn essaybundel In ogenschouw. Van Een geschiedenis bleek me nog veel bij te staan, maar omdat ik dat boek las in een tijd dat ik met vluchtelingen werkte, kon ik die hoofdstukken niet los zien van de ervaringen van de bootvluchtelingen die ik de laatste jaren heb gehoord. Inderdaad: ‘Boeken reizen op een vreemde manier door de tijd’.

    Ondertussen heeft Barnes door zijn stuk in De Groene mijn belangstelling gewekt voor Chez Krull van Simenon. Ik ging ervan uit dat alles van deze auteur in het Nederlands is vertaald. Maar dat blijkt niet te gelden voor Chez Krull uit 1939. Of heb ik het mis? Wie me aan een Nederlandse editie kan helpen zal ik diep dankbaar zijn.

     

     

  • Schaakmat

    Schaakmat

    Het kan wel eens gebeuren dat de communicatie stagneert. Of dat een gesprek zo vastloopt dat, ware het een schaakpartij geweest, het eindigt in een patstelling. Wat wil zeggen dat je pionnen, lopers, paarden, en andere stukken in beweging brengt in de overtuiging je punt te maken, maar dat uiteindelijk niemand wint. En daar zit je dan. Wás het een schaakspel geweest dan zou je zeggen: ‘Kom, laten we nog een spelletje spelen’. Maar het was geen schaakpartij. Het was een conversatie tussen man en vrouw. Op de bank met een wijntje,  kind noch kraai in de buurt. Tijd voor een goed gesprek, dacht de vrouw. Maar voor ze het wist ging het over de twee lampen boven de tafel.

    Van waar ze zaten, hadden ze goed zicht op de lampen. De vrouw zei: ‘die linkse lamp hangt scheef en ik krijg hem niet recht.’ De man die voor de lampen eigenhandig een gat in het plafond had geboord waaraan hij enig ontzag ontleedde omdat het iets was dat de vrouw (goddank) niet kon, zei, als schoof hij een pion één stap voorwaarts: ‘Oh’. Waarop de vrouw haar paard in stelling bracht en erop los galoppeerde door te zeggen dat het een rommelig zooitje was. Dat hij de lamp gewoon aan het snoer had moeten ophangen zodat het loodrecht naar beneden hing. Nu had hij naast het snoer een staaldraad aan de lamp bevestigd en daar de lamp mee aan het plafond gehangen. De staaldraad was loodrecht maar het snoer lubberde er zo’n beetje langsheen. Diagonaal bewoog de loper over het veld en de man zei: ‘Ik vind het mooi zo’. Toen sleepte de vrouw een toren naar voren, recht en hompig: ‘Maar dat kun je niet mooi vinden. Het is lelijk.’ Een pion rustig een stap vooruitplaatsend, zei de man: ‘Vind ik niet.’

    De vrouw fixeerde haar blik op een boek dat voor hen op tafel lag. Op de cover  van In ogenschouw, Essays over kunst, van Julian Barnes zaten eveneens een man en een vrouw op een bank. Verwikkeld in een amoureuze omstrengeling. ‘Kunst is een sensatie’ zegt Barnes. De man op de bank naast de vrouw die in een doodlopende conversatie was verwikkeld, droeg een versleten werkmansjasje, handen als om tubes verf mee uit te knijpen, penselen en spatels te hanteren.

    De vrouw draaide de wijn rond in haar glas, verstevigde haar greep in een aandrang het door de ruimte te laten suizen. Uit de radio klonk De Matheuspassion van Bach, het Judasgezang: Stehet auf, lasset uns gehen; siehe, er ist da, der mich verrät. Op het moment dat Judas, Jezus zou kussen, zou een licht klingelen van brekend glas weerklinken. De vrouw zag hoe de rode wijn langs de muur droop. Toen nam ze een slok en zei: ‘Dit weekend is het Pasen.’

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting, leest elke dag.

     

  • Tractatie over literatuur

    Tractatie over literatuur

    Julian Barnes is niet alleen romanschrijver (bekend van onder andere The Sense of an Ending, Arthur & George en Flaubert’s Parrot), maar publiceert in tijdschriften en kranten ook regelmatig essayistisch werk. Dit jaar verscheen de vertaling van zijn bundel met essays over literatuur: Through the Window (Uit het raam).

    Wat biedt deze bundel? Krijg je meer zicht op de ideeën van Julian Barnes over wat goede literatuur is, zijn poëtica? Ren je naar de boekhandel om nieuwe ontdekkingen meteen aan te schaffen? Of zijn de stukken op zichzelf weer nieuwe literatuur?

    In de inleiding herinnert Julian Barnes ons er nog even aan hoe bijzonder fictie is: ‘Fictie verklaart en verrijkt, meer dan enige vorm van schrijven, het leven.’ En sterker nog, in het opgenomen pamflet ‘Een leven met boeken’ schrijft hij: ‘Als je een goed boek leest, ontsnap je niet aan het leven, je stort je er juist dieper in.’

    Het is een bont gezelschap van boeken en auteurs die Barnes bespreekt. Opvallend is de aandacht die hij schenkt aan onbekende schrijvers, zoals de Engelse dichter Arthur Hugh Clough en de Franse aforismenschrijver Chamfort (1741-1794). Maar de grote namen krijgen ook een plek: van George Orwell en Rudyard Kipling tot hedendaagse auteurs als Houellebecq en de (toen net overleden) John Updike. En het zijn niet alleen mannen: Penelope Fitzgerald, Lorrie Moore en Joan Didion komen onder anderen eveneens aan bod. De enige overeenkomt tussen de auteurs is dat het uitsluitend Britse, Amerikaanse en Franse schrijvers betreft.

    De aandacht voor Franse literatuur zal de kenners van het werk van de francofiele Barnes niet verbazen. Zijn fascinatie en bewondering voor Flaubert zie je terug in de vele verwijzingen. Maar Julian Barnes maakt je ook nieuwsgierig naar een aantal bijna obscure Franse werken. Want niet iedereen is op de hoogte van bijvoorbeeld het bestaan van Nouvelles en trois lignes van Félix Fénéon. Deze ‘onzichtbaar beroemde’ kunstcriticus, kunsthandelaar, uitgever, vertaler en journalist werkte in 1906 voor een krant en was verantwoordelijk voor de faits divers (gemengde berichten) ook wel bekend onder de naam ‘chiens écrasés’ (overreden honden). Julian Barnes laat met veel voorbeelden zien wat deze nieuwsberichten van drie regels tot literatuur maakt: ‘Hij wist hoe je een scherpe zin moest opstellen, hoe je die drie regels kon laten ademen, een stukje essentiële informatie uitstellen, een eigenzinnig bijvoeglijk naamwoord toevoegen, het noodzakelijke werkwoord tot het laatst bewaren.

    Met precisie ingaan op de ambacht van het schrijven: dat maakt een aantal essays interessant. Een voorbeeld daarvan is het stuk over een bijzondere vorm van schrijven, namelijk het vertalen. Barnes analyseert grondig zes verschillende vertalingen van twee zinnen uit Madame Bovary, waaronder de recente vertaling van de Amerikaanse schrijfster Lydia Davis. Barnes biedt de lezer de kans om in de huid van de vertaler te kruipen en alle dilemma’s te ondervinden die daarmee gepaard gaan. Een vertaling is ‘een [..] manier om onvermijdelijk tekort te schieten.’

    In het essay over Houellebecq gaat Barnes ook in op een aantal romantechnische aspecten om tot de conclusie te komen dat ‘het gevoel [opdringt] dat Houellebecq een intelligent man is, maar een veel minder intelligent romancier.’

    Wees niet bang voor droge, technische verhandelingen. Julian Barnes verlevendigt zijn stukken met literaire roddels (‘waar niet altijd op moet worden neergekeken’, zoals hij zelf zegt). En veel artikelen gaan vooral in op biografische wetenswaardigheden van de betreffende auteurs. Zo lezen we over de autotochten van Kipling door Frankrijk. Kipling deed dat niet alleen als toerist, maar ook als inspecteur van horecagelegenheden voor de Automobile Association. Nadat zijn zoon in de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk is gesneuveld, is hij actief als lid van de Oorlogsgravencommissie en inspecteert hij de militaire begraafplaatsen. Barnes citeert uit zijn autodagboeken en laat de schrijnende kant van de droge notities zien: ‘Dury. Geen grafstenen. Stenen sinds een jaar opgestapeld.’

    In ieder essay trakteert Barnes je op treffende beschrijvingen. Liefhebbers van de schrijver Ford Madox Ford, die volgens hem altijd in de minderheid zullen zijn maar zich niet uit het veld laten slaan, vergelijkt hij bijvoorbeeld met leden ‘van een van die vrijwilligersgroepen die het Britse kanalenstelsel helpen restaureren. [..] Je bent er vrij zeker van dat ze iets goeds doen, maar als je er zelf niet in springt om ook aan het graven te gaan en onder de modder komen te zitten, snap je waarschijnlijk niet wat je eraan hebt dit werk te doen.’ Ondertussen probeert het Barnes het aantal ‘fordianen’ uit te breiden met een enthousiasmerend pleidooi voor het lezen van de roman The Good Soldier.

    Het laatste essay over rouw (naar aanleiding van de boeken van Joan Didion en Joyce Carol Oates) lees je met een brok in je keel. Barnes voert op een oprechte wijze een bijna onmogelijke taak uit, namelijk het bespreken en beoordelen van twee autobiografische romans over rouw. Hij vermeldt niet dat hij nog niet lang geleden zelf zijn vrouw heeft verloren.

    Julian Barnes vergelijkt romans met steden. Er zijn steden die helder ontworpen zijn, zoals de kleurige metrokaarten. En er zijn steden zonder zo’n routekaart, waar je zelf de weg moet vinden en kan dwalen. In deze essays zijn beide benaderingen verenigd. Barnes maakt je deelgenoot van zijn dwalingen door de literatuur en neemt de tijd om te ‘pauzeren’ en te ‘lummelen’, maar door zijn heldere en precieze schrijfstijl raak je nooit de weg kwijt.