• Zomerboeken 2018 – Voor de thuisblijver met insulafilie

    Zomerboeken 2018 – Voor de thuisblijver met insulafilie

    De atlas van afgelegen eilanden

    Er zijn van die zomers dat ik niet op vakantie ga. Geen lijstje van boeken die betrekking hebben op mijn bestemming daarom, maar wel een over gebieden waar ik nooit zal komen: verre eilanden met een bijna mythische klank. Voor de thuisblijver met een onvervulbare insulafilie.

    Misschien is de aantrekkingskracht van verre eilanden op mij wel ontstaan door de TV-programma’s van Boudewijn Büch die er gek op was. Zijn beschrijvingen zijn in diverse bundels verschenen, maar ik vind ze vaak wat te encyclopedisch. Ze hebben de diepgang van een anekdotentrommel.

    In omvang nog beperkter dan bij Büch, maar levendiger, zijn de beschrijvingen die Judith Schalansky wijdt aan verre oorden in haar Atlas van afgelegen eilanden. Vijftig eilanden waar ik nooit ben geweest en ook nooit zal komen. Ze besteedt aan elk eiland één pagina tekst met daarnaast steeds fraaie, door haar zelf getekende kaarten. Zij streeft niet naar encyclopedische beknoptheid, maar geeft impressies die iets te raden overlaten. Op haar fantasiereis doet ze natuurlijk ook St. Helena en Tristan da Cunha aan.

     

    De atlas van afgelegen eilanden
    Auteur: Judith Schalansky
    Uitgeverij: A.W. Bruna Uitgevers (2014)

    De donkere kamer van Longwood

    Die eilanden zijn het onderwerp van twee andere boeken die ik kan aanbevelen. St. Helena is natuurlijk beroemd door de ballingschap van Napoleon naar het eiland en de op daar gevestigde Longwood. Daarover is veel beschikbaar, maar het beste staat me bij De donkere kamer van Longwood (1997) van Jean-Paul Kauffmann. Het is zo dicht op de huid van Napoleon geschreven dat je het gevoel hebt naast de auteur over het eiland te wandelen.

     

    De donkere kamer van Longwood
    Auteur: Jean-Paul Kauffmann
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Het waterhoentje van Tristan da Cunha

    Ook over Tristan da Cunha, dat met het eiland St. Helena en Ascenion deel uitmaakt van hetzelfde Britse overzeese gebied, is een aardige bibliotheek samen te stellen. De Nederlander Albert Beintema bezocht het eiland en verdiepte zich in de literatuur erover. Het resultaat werd een prachtig aanstekelijk boek Het waterhoentje van Tristan da Cunha (1997).

    Het waterhoentje van Tristan da Cunha
    Auteur: A. Beintema
    Uitgeverij: Atlas (2005)

    Het lied van de dodo

    En dan noem ik nog graag Het lied van de dodo (1996) van David Quammen, die het zelf ‘een eilandbiografie in een eeuw van extincties’ noemt. Hij doelt daarmee op de 17de eeuw toen verschillende diersoorten door ontdekkingsreizigers uitstierven. Hollandse zeevaarders hielpen zo op Mauritius de dappere dodo om zeep. Quammen schreef een ecologisch-wetenschappelijk boek, maar het is daarnaast ook een meeslepend verhaal over natuur, structuur en bevolking in die tijd dat de dodo op Mauritius zijn territorium had.

    Het lied van de dodo
    Auteur: David Quammen
    Uitgeverij: Atlas Contact, Uitgeverij
  • Aanpassen en overleven

    Aanpassen en overleven

    ’s Lands wijs, ’s lands eer. Misschien ook wel ’s lands smaak. Het is de vraag of deze roman in ons land wel net zo veel lof zal oogsten als in Duitsland. Nederlandse lezers hebben nu eenmaal een ander referentiekader dan de Duitse lezers, van wie een deel wellicht ook nog met heimwee terugdenkt aan de goede, oude tijd van voor de Wende. Verder zal de gemiddelde Nederlandse lezer nauwelijks een beeld hebben van het Duitsland achter de Muur, en van het weinige dat Schalansky daarover loslaat, wordt hij ook niet veel wijzer. Opmerkingen als ‘dat na de Wende het voormalige Oost-Duitsland ontvolkt raakte’ en ‘dat frontaal lesgeven uit de tijd is’ maken niet dat wij met dezelfde ogen dit boek lezen als de Duitse lezer.
    Aanvankelijk boeit het boek zeer, maar naarmate je verder leest, bekruipt steeds meer het gevoel dat het zo wel genoeg is.

    Mevrouw Inge Lohmark is al meer dan dertig jaar werkzaam als lerares biologie. Van heel nabij volgt de lezer haar passie voor wat de natuur de mens leert. Lerares Lohmark en haar visie op alles wat leeft, daar draait het wel zo’n beetje om. Daarbuiten gebeurt er niet veel in dit boek. Lohmarks manier van lesgeven is niet eens zo bijzonder: ze is niet te streng, ze is niet te soepel, ze houdt de leerlingen kort. Waar ze beveelt of opdrachten geeft, zijn een paar woorden voldoende; waar biologie gegeven wordt, zit zij op haar praatstoel. Een feest van herkenning voor iedereen die in het onderwijs werkzaam is? Nee, dat niet. Daarvoor heeft Schalansky van de lerares te zeer een karikatuur gemaakt: een gestoord en verstard wezen zonder menselijk gevoel.

    Al lang geleden heeft Lohmark haar gevoelens verdrongen en verbannen – de reden wordt niet duidelijk – tot in de verste uithoeken van haar ziel. Wanneer tijdens het afdwalen van haar gedachten een verdrongen gevoel naar boven dreigt te komen, blijft dat bij een soort ‘voorbij zweven’, het wordt niet ‘verder-gevoeld’, niet afgemaakt. Tot haar eigen verbazing bemerkt de lerares dat zij een leerlinge in gedachten ‘aardig’ noemt. Geeft haar zelfs spontaan een lift. En dat was het. Af en toe lijkt het alsof Inge Lohmark verdrietig is omdat zij haar enig kind, een dochter, die naar Amerika is geëmigreerd, nooit meer ziet, maar later blijkt dat zij niet alleen als moeder maar ook als docent haar dochter zó genadeloos in de kou heeft laten staan dat je als lezer geen keus gelaten wordt door Schalansky: het is onmogelijk medelijden te krijgen met deze onmens. De schrijfster heeft het verstardzijn van Lohmark tot in het extreme doorgevoerd – de lerares constateert dat een leerling gepest wordt, maar doet daar niets aan. In de natuur gaat het om aanpassen en overleven.

    De mooiste passages zijn die waarin Lohmark leerlingen en collega’s analyseert als ware het preparaten onder een microscoop. De betreffende leerling of collega wordt steevast neergesabeld door haar ironische commentaar: (over leraren die bij hun leerlingen in het gevlij proberen te komen, p. 13) ‘Met één bil op de leraarstafel. Nageaapte mode en uitdrukkingen. (…….) En helemaal voorop natuurlijk Karola Schwanneke met haar lievelingetjes: smiespelende grietjes, die ze in de pauze in een gesprek betrok, en knapen met de baard in de keel, voor wie ze met grote ogen en gestifte lippen de allergoedkoopste signaalprikkelshow opvoerde. Zeker al lang niet meer in de spiegel gekeken.’ Dergelijke observaties maken het boek een feest om te lezen. Maar zoals het met alle feesten gaat: je moet weten wanneer het tijd wordt om te vertrekken. En daar zit het probleem: de gedachten, de observaties, de negatieve kijk op alles en iedereen: er komt geen einde aan. Het is een aaneenschakeling van hak-op-de-takkerige gedachten van Lohmark, waarin mensen tot op het bot ontleed worden en dat meestal in zeer compacte taal. Als lezer moet je alert blijven; je mag je aandacht niet laten verslappen. Ondanks de heerlijke ironie uiterst vermoeiend! Voeg daarbij de traktaten van ‘biologische’ aard, die lezers die dit vak snel hebben laten vallen, weinig zullen aanspreken.

    Opvallend aan dit boek is de vormgeving die de indruk moet wekken van een ouderwets biologieboek, met bovenaan de pagina een soort ‘paragraafaanduiding’ en op talrijke plaatsen voorzien van zwart-wit illustraties (waarvan de lezer zich het nut kan afvragen, evenals de aardigheid).

    Dit boek heeft veel mooie passages, die dankzij de typerende karakterschetsen, de humor en de ironie, geschreven in een taal die zowel bondig is als sierlijk en rijk aan beelden, een genot zijn om te lezen. Jammer dat je, net als de leerling, de lessen van mevrouw Lohmark tot aan het einde van het cursusjaar moet uitzitten! Vertaalster Goverdien Hauth-Grubben verdient een tien met een griffel: zij heeft haar huiswerk goed gedaan!


    De lessen van mevrouw Lohmark

    Auteur: Judith Schalansky
    Vertaald door: Goverdien Hauth-Grubben
    Verschenen bij: Uitgeverij Signatuur
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: 16,95