• Een wasmachine

    Een wasmachine

    Niets zo kneedbaar als de werkelijkheid. Op de eerste zondag van november pakte ik mijn fiets en ging naar Zutphen. Om elf uur ’s ochtends kwam filmmaakster Saskia van Schaik in het Luxor Theater vertellen hoe de filmportretten die ze van Judith Herzberg en Ingrid Jonker had gemaakt, tot stand waren gekomen. Over Herzberg vertelt Van Schaik dat hun beider families met elkaar bevriend waren, dat Judith als jonge vrouw op haar paste. Later paste Van Schaik op de kinderen van Herzberg. Ze verwachtte dat het bij het maken van het filmportret zou helpen, dat ze elkaar kenden.

    Ze had geen rekening gehouden met Herzbergs angst voor clichés en haar sterke gevoel voor waarheidsvinding. Sfeerbeelden, als van een bos bloemen op tafel, mochten niet. Ze wilde niet dat de kijker dacht: ‘Oja, bloemen, typisch iets voor een dichter’. Grote moeite had de dichteres ook met de beelden die de cameraman van een schaal vers geplukte tomaten maakte die ze op tafel had gezet. Een beeld van rood en rond in een schaal. Herzberg zei dat ze de tomaten daar had neergezet omdat er in de koelkast geen plek was. Dat ze nooit tomaten op een schaal legde, altijd in de koelkast. Die nu dus vol was. Dan wordt dat gefilmd, een beeld van een toeval. Dat wilde ze niet in haar filmportret hebben. Beeld van een vrouw die een schaal met tomaten op tafel heeft staan. Zo’n vrouw was ze niet.

    Voor het filmportret van Ingrid Jonker werd contact gezocht met Jonkers dochter, Simone. Ondanks jarenlang drugsgebruik en een zeer slecht gebit, nog steeds een mooie vrouw, vertelde Van Schaik. Toen het budget rond was en er gedraaid kon worden vroeg de dochter om een vergoeding voor haar medewerking. Ze wilde een wasmachine kopen. Van Schaik stuurde haar het geld. Toen ze gingen filmen in Zuid-Afrika en haar bezochten, was er geen wasmachine te bekennen. Wel had ze zich een en nieuw gebit laten aanmeten. Tijdens het spreken waren er lichte smakgeluidjes te horen, van speeksel dat zijn weg nog niet helemaal vond in een mond vol tanden. Het klonk als een kleine tik bij het afspelen van een lp. Dat gebit bracht de geschiedenis van Ingrid Jonker en haar dochter, die acht was toen haar moeder een einde aan haar leven maakte, op zeer menselijk niveau.

    Dan was daar nog het gedicht van Jonker dat ze schreef na de opstand vanwege de pasjeswetten in Sharpville in 1960, waarbij een kind in de armen van zijn moeder door het hoofd geschoten werd. Ze was geschokt door de brute moord en schreef, ‘Die kind’ (wat doodgeskiet is deur soldate by Nyanga). Er leefde nog een zus, die nooit geweten had dat er een gedicht was geschreven, dat Mandela dat gedicht tijdens zijn inauguratie in 1994 had voorgedragen. Dat het over haar broertje ging. Met de cameraploeg kwamen ze haar dat vertellen. Lazen het gedicht aan haar voor en filmden de stille verbazing op haar gelaat. Het was of de geschiedenis een loopje met haar nam.

     

    Het filmportret van Judith Herzberg werd in 2010 uitgezonden, het filmportret van Ingrid Jonker in 2001, beiden bij de VPRO.


    Inge Meijer is een pseudoniem, als zodanig leest ze alle dagen en schrijft over ontdekkingen in de marges van de literatuur.

     

  • Judith Herzberg tijdens de Nacht van de Poëzie 2014

    Judith Herzberg draagt onder andere de gedichten: Een boomgedicht, Protestmanifest en Te willen hebben voor.

  • Innemende dichters en meeslepende entr’acts

    De Nacht van de Poëzie, een evenement dat altijd op zichzelf stond, maakt dit jaar voor het eerst onderdeel uit van het International Literature Festival Utrecht (ILFU) en was een feestelijke afsluiter van het veertiendaagse festival. Gepresenteerd door het dichterlijke duo Ester Naomi Perquin en Piet Piryns, waarvan de laatste zijn 30ste Nacht presenteerde wat en passant gevierd werd.

    Waar blijft de tijd

    De Nacht wordt traditiegetrouw geopend door een ‘jonge’ dichter die het voorgaande jaar de Nacht heeft afgesloten. Deze 36e Nacht beet Vicky Francken het spits af met: ‘Liefde is een zwaar beroep, [naar Rogi Wieg] maar ook het dichterschap, want ze sterven te vroeg.’ Waarop ze de dit jaar overleden Menno Wigman – die haar dichterschap voor een deel bepaalde – toedicht: ‘Ik lees je / en ik hoor je / en ik weet dat / je nog leeft.’

    Tussen de optredens door worden op drie schermen opnames vertoond van Nachten van weleer. In zwart/wit beelden komen voorbij: Een jonge Campert met een even jonge Van Kooten, Hugo Claus met Hans van Mierlo, een piepjonge Ingmar Heytze, Vaandrager, Johnny van Doorn, Fritzi Harmsen van Beek, Gerrit Kouwenaar, H.C. ten Berge, Ischa Meijer, Adriaan Morriën, Annie M.G. Schmidt, en je denkt, waar blijft de tijd?

    Er zijn dichters die het niet alleen van lezers maar ook van luisteraars moeten hebben, zoals Delphine Lecompte. In de wandelgangen klinkt dat haar gedichten bij voordracht ‘waanzinnig beter’ overkomen. Zichtbaar gespannen brengt ze haar voordracht tot een daverend einde. Deze Belgische dichteres die strofen leest als: ‘bevangen door smog en weemoed’; ‘Een man verleidt mij met een woordspeling’; en bij wie iemand ‘klinkt als een gewonde reiger’, heeft een grote charme.

    Presentatie

    Arno Van Vlierberghe komt op in zwart hemd waaruit schouders en armen wit afsteken. Met sterke zinnen als – ‘de kunst van het risicoloos denken’; ‘doel dit gedicht is om alle anderen te onttronen’; ‘mooie holle woorden waar iedereen van houdt’ – schudt hij het moreel besef van het publiek flink op. Voor even lijkt hij verbonden met Rogi Wieg, waarvan deze Nacht een beeld voorbij kwam waarin Rogi met ontbloot bovenlijf achter de vleugel zit en zegt: ‘Je moet toch wat doen om op te vallen’.

    Gerenommeerde dichters

    Anton Korteweg refereert aan ‘de moeder de vrouw’ kwestie in de literatuur. Hij leest een gedicht waarin moeder de vrouw het onderwerp is en sluit geserreerd af met: ‘En dat had dan bijna niet gemogen’.

     

    Een van de hoogtepunten is het optreden van Judith Herzberg die ook tijdens een van de eerste Nachten acte de présence gaf. Toen was er veel gelachen, vertelt Piet Piryns, om haar grappige gedichten. Ook nu speelt haar onbevangen voordracht vrolijkheid in de hand. Al is niet alles om te lachen benadrukt ze bij het gedicht waarvoor ze zich heeft ingeleefd in een vrouw die meerdere baby’s ombracht en op zolder verborg. ‘Je moet je in alles kunnen inleven’, vond de dichteres. Herzbergs poëzie is eenvoudig, en steeds met een draai die bevrijdend werkt en de lach oproept. Hilarisch is het gedicht dat ze een ‘gestolen tekst’ noemt, van iemand die al zoekende door haar spullen in een koffer ging en mompelde: ‘ik zal toch niet…, heb ik nu,… waar zou dan,… nee hè…, deze niet,… heb ik nou, nee…, nou ja, zal ik dan… (…).

    Laat je gaan

    Deze 36e Nacht drijft op de woorden ‘Ik spreidde mijn armen en dreef door de nacht’ van de dit jaar overleden en zeer gemiste dichter F. Starik. Thomas Möhlmann herdenkt Starik met een variatie op het gedicht ‘Gras’ dat Starik tijdens De Nacht van 2016 in grasgroen kostuum voordroeg.

     

    En dan wervelt daar opeens Willeke Alberti, (een van de entr’acts) gekleed in een wijdvallende rode jurk over het toneel. De 74-jarige vedette van het Nederlandstalige lied neemt met haar enthousiasme en nuchterheid (Spiegelbeeld: ‘Ha’, lacht ze, ‘je denkt toch niet…?’) het publiek voor zich in. Armen worden gespreid en het grote meedrijven is begonnen. Later zal de geweldige singer/songwriter, Tallest Man On Earth zijn bewondering uitspreken over deze Nacht en over ‘The Lady in the Red Dress: ‘We don’t have that in Sweden’.

    Aandachtig publiek

    Willem Jan Otten was 20 jaar geleden voor het laatst op De Nacht en zegt: ‘Poëzie kan afwachten’. Met zijn – ‘in u luisteren uitgebroed’ en ‘de rand van vloeiend glas’ – en zijn ‘Gerichte gedichten’ roept Otten een stilte op die magisch is. Zo maakte ook eerder op de avond dichteres Kreek Daey Ouwens met haar zachte stem en heldere taal de zaal opmerkzaam en luisterend.

     

    De Friese dichter Tsead Bruinja maakte indruk met zijn cyclus voor de priester Titus Brandsma (1881). In het Fries draagt hij  zeven minuten voor. Het publiek wordt geraakt door de klank van het Fries en de passie waarmee Bruinja spreekt. De dichter uit Rinsumageest, door Ester Naomi Perquin aangekondigd als: ‘Zo’n dichter, dat je ook wel uit Rinsumageest had willen komen’.

    De laatste zal de eerste zijn

    Een Nacht als een diner waarvan de gerechten hemels zijn, de wijn niet te versmaden en met een nagerecht dat het geheel in perfectie afmaakt. Na het swingende optreden van de ‘Amsterdam Klezmer Band’ wordt de laatste dichter aangekondigd.
    Debutante Gerda Blees geeft het publiek op de valreep het gedicht ‘Aanwijzingen’ mee: ‘ga niet zomaar / met je hoofd op tafel liggen, mors geen rode wijn / blijf zitten hou je vast en laat de dwaallichten/ de dwaallichten en maak je zinnen af.’
    Een ding is zeker, deze dichteres zal bij de volgende ‘Nacht van de Poëzie’ de spits afbijten.

     

    Er is ook een Nachtpoëziebundel verschenen met gedichten van alle optredende dichters. Bezoekers ontvangen de Nachtbundel gratis, voor de liefhebber is deze nog te bestellen voor € 7,50 via Het Literatuurhuis.

     

     

    Foto’s: Patrick Post

  • Ook als je denkt

    De zomer belooft dit jaar alle observaties uit het ‘Liedje’ van Judith Herzberg waar te maken. Om te beginnen: ‘Het duurt altijd langer dan je denkt, / ook als je denkt / het zal wel langer duren dan ik denk / dan duurt het toch nog langer / dan je denkt.’
    In het midden van de zomer duurde alles langer dan ik dacht. De hitte duurde langer, de slapeloosheid, de jeuk van de wespensteek die ik op zo’n hete avond opgeholpen had – een steek die, dat moet gezegd, wel veel minder pijn deed dan ik had gedacht –, mijn zoektocht naar een huis waar ik zo lang zou mogen blijven als ik wilde, mijn verlangen naar drukte en afspraken, het gapende gat tussen mij en september. Het kind dat elk moment geboren kon worden, kon voor eeuwig elk moment geboren blijven worden. Het was alsof ik middenin een boek zat dat op zich best fijn was om te lezen, maar ik wilde niet meer lezen, ik wilde de ontknoping weten. En ik wilde weg uit de stad.

    Alles was ook, zoals Herzberg al voorspelt, duurder dan ik dacht, en kostte meer moeite. Ik moest meer geld betalen voor slaapkamers, meer e-mails schrijven, meer informatie tot me nemen, meer bus- en treinreizen maken en meer bezoekjes afleggen, ondertussen steeds maar vrolijk en vriendelijk naar de mensen lachend.

    En net nu ik de eindeloosheid van de zomer heb geaccepteerd, begint de tijd vaart te maken. Een ontknoping komt in zicht, de laatste bladzijde van het boek dat dus toch best wel fijn was om te lezen. Ik zit lachend op een terras en iemand die ik ken fietst voorbij en knipoogt naar me. Ik moet de rittenkaart van het kickboksen nog opmaken. Ik ben nog niet naar het Stedelijk Museum geweest. Ik heb opeens allemaal goede ideeën voor mijn boek en ik heb geen tijd ze op te schrijven. Ik zou nog met de ene persoon koffie gaan drinken en met de andere persoon een dag in een bibliotheek gaan werken, maar welke dag? Ik ben in al die lange tijd pas één keer naar de bioscoop geweest. Er ligt nog een hele stapel boeken die ik zou gaan lezen. Ik heb een mooie fotocamera die ik wilde gaan begrijpen. We moeten nog met zijn allen in de tuin eten. Ik wil nog een mooi cadeau maken voor het kind dat nu toch écht wel élk moment geboren kan worden. Ik moet mijn website nog updaten, ik zou nog een artikel afmaken en ik moet dat ene hoofdstuk van mijn vaders proefschrift nog uitlezen.

    En ik heb nog maar drie weken.

    Dus ja, uiteindelijk duurt ook deze zomer, ondanks de waarschuwing van Judith Herzberg, toch veel korter dan ik dacht, want ‘ook als je denkt, / het zal wel korter duren dan ik denk / dan duurt het toch / nog korter dan je denkt.’

     

    foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed


    Gastcolumnist Gerda Blees schrijft tot september tweewekelijks een column voor Literair Nederland. Ze debuteerde in 2017 met de verhalenbundel, Aan doodgaan dachten we niet. In april debuteerde ze met de dichtbundel, Dwaallichten.

  • Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Particuliere roerselen van Chris J. van Geel en Judith Herzberg

    Van Chris J. van Geel (1917-1974) is genoegzaam bekend dat hij fijnzinnige korte gedichten schreef. Neem deze verrassende uiting: ‘Een schuur van opgezette vogels, / hoe hou ik het zwijgen vol.
    Het tekstje komt uit de prachtuitgave Verzamelde gedichten van Van Oorschot die twee drukken beleefde en het belang onderstreept van Van Geels werk. Na zijn dood kreeg de maker van onder meer Spinroc en andere verzen en Uit de hoge boom geschreven met zo’n monument en met secundaire literatuur veel meer belangstelling dan tijdens zijn leven.

    De brieven voorzien in een behoefte
    Op deze bredere publieke interesse mikt evengoed de door Marsha Keja samengestelde en geannoteerde correspondentie van Van Geel aan de zeventien jaar jongere Judith Herzberg en vice versa. De dichteres Judith Herzberg (1934) is de dochter van de Joodse schrijver Abel Herzberg en misschien iets minder vermaard onder poëzieliefhebbers dan Chris J. Van Geel (1917-1974) dat na zijn dood geworden is. Een brievenbundel van Van Geel en Herzberg voorziet in een behoefte, ook voor hen die beide figuren slechts van naam kennen of zelfs in het geheel niet. En zeker ook hun thans vergeten medespelers in het literaire bedrijf verdienen het in de schijnwerpers te worden gebracht zoals Huyck van Leeuwen, Aad Nuis, Jan Emmens en, niet in de laatste plaats, de uitgever Geert van Oorschot.

    Geen dagelijks leven
    Brieven 1962-1974, de titel waaronder uitgever Bas Lubberhuizen de correspondentie openbaar maakte, bestaat uit zeer persoonlijke, maar vaak al te particuliere bevindingen. Het dagelijks leven van Van Geel en Herzberg en de wordingsgeschiedenis van hun poëzie zijn de pijlers waarop de brieven rusten. Doorlopend boeien doen ze niet vanwege het al te particuliere en een zekere langdradigheid in Van Geels brieven. In het beschreven dagelijks leven ontbreekt om zo te zeggen de macht van een Jeroen Brouwers of een Gerard Reve, persoonlijkheden die van het piepkleinste voorval een wereldgebeurtenis weten te maken.

    Een passage als de volgende in een brief van 24 augustus 1968, over Van Geels uitgever Van Oorschot, behoort tot de dun gezaaide pareltjes in Brieven 1962-1974: ‘Geert was ook hier en hield een nacht gestichtspraat. Waarom besteedt die man zijn vele geld niet aan een zielszorger? Hij is in levende tegenspraak met zichzelf, boordevol dankhaat en het tegendeel van een plezier en bovendien geen plezier te doèn. Als het zelf maar praat (en hoe!) de kind-vader.’

    Eindeloos schaven aan een gedicht
    Wat Van Geel aan Herzberg schrijft toont ten voeten uit de dichter die als geen ander in onze literatuur pas na een proces van eindeloos schaven zijn werk publicabel achtte (en desondanks een flink oeuvre heeft nagelaten). Op de talrijke passages in Brieven 1962-1974 over dat stoeien en over Van Geels afhankelijkheid van poëziekenners die tijdens zijn leven zijn werk becommentarieerden, wordt in de inleiding op het boek nauwelijks iets vermeld. Zij waren voor de onzekere Van Geel de spreekwoordelijk geworden ‘tuttelaars’ die hem enig houvast gaven.
    Zo’n feit mag de lezer die de brieven van deze dichter gaat lezen, niet onthouden worden. Het zou in de inleiding op het boek een opstapje geweest kunnen zijn naar een degelijke omschrijving van zijn poëtica waar het, naast de dagelijkse beslommeringen in de brieven, om draait. Ook wat Herzberg met haar gedichten beoogde laat Keja buiten beschouwing evenals de opvattingen van de medespelers en daarmee van het literaire klimaat in de jaren zestig en zeventig.

    Verbrokkeld beeld
    Op dit punt is niet méér aangestipt dan dat Van Geel en Herzberg evenals ‘hun gemeenschappelijke vrienden […] op de een af andere manier aan uitgeverij Van Oorschot verbonden waren.’ Waarop een opsomming volgt van – voor de gemiddelde lezer – onbekende namen van bentgenoten van de briefschrijvers zonder verdere introductie. Niets naders is er te lezen over het vernieuwende tijdschrift Barbarber waar Van Geel aan verbonden was.
    Mondjesmaat volgen nadere gegevens in de annotaties bij de brieven. De ‘blanco’ lezer moet aan het werk om uit de verbrokkeling een beeld te distilleren van het literaire landschap van vervlogen jaren. Was de intro aangedikt met de verderop in het boek geëtaleerde feiten dan was deze niet zo schraal uitgevallen en zou de lezer onnodige zelfwerkzaamheid zijn bespaard.

    Tragiek en medeleven
    In de inleiding komt wel noodzakelijkerwijs de brand ter sprake die kort voor Van Geels vroege dood zijn huis in as legde en een deel van zijn paperassen vernietigde of aantastte. Zo ook de brieven van Herzberg waarvan er enkele in deels geschroeide vorm in Brieven 1962-1974 zijn afgebeeld. De foto’s concretiseren als het ware de tragiek van Van Geels leven dat aan het einde behalve door het kwijtraken van zijn huis vergald werd door het sterven van zijn enige zoon.

    Daarover schrijft Herzberg op 19 augustus 1973: ‘Eigenlijk had ik naar de crematie willen komen, maar eigenlijk ook niet, blijkbaar. Ik wou alleen even laten weten dat ik aldoor aan je denk, dat het me het afschuwelijkst lijkt wat een mens kan overkomen, niet alleen dit nu, maar het hooploos aan te zien komen.’

     

  • Oogst week 6

    Menselijke voorwaarden

    Een  geschiedenis verteld in 1440 bladzijden van de Japanse schrijver Junpei Gomikawa, een lang gedicht van Jacob Groot en een aan poëzie gerelateerd brievenboek van Judith Herzberg en Chr, J. van Geel kwamen deze week onder onze aandacht.

    Menselijke voorwaarden is een oorlogsverhaal dat voor het eerst in zestig jaar na verschijning in vertaling wordt uitgegeven. Het gaat over een deel van de Tweede Wereldoorlog waar in Nederland weinig bekendheid over is: de strijd tussen Japan en de Sovjet-Unie in Mantsjoerije.
    Kaji is een pacifist en laat zich afwijzend uit over de Tweede wereldoorlog, wat wordt aangezien  als een gebrek aan vaderlandsliefde. Om zich vrij te stellen van dienstplicht accepteert hij een baan als personeelschef bij de Laohulingmijnen. De mijnbouwonderneming blijkt corrupt en de Chinese dwangarbeiders worden uitgebuit en mishandeld. “Wanneer hij ondanks eerdere toezegging toch in het leger terechtkomt en ook daar voor de zwakkeren opkomt maakt hij juist promotie vanwege durf en moed. Hij probeert desondanks vast te houden aan zijn morele overtuiging, maar de omstandigheden maken dat hij steeds minder mens wordt en zich gaandeweg ontwikkelt tot een brute killer.”

     

    Menselijke voorwaarden
    Auteur: Jumpei Gomikawa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Brieven 1962-1974

    Judith Herzberg en Chris van Geel waardeerden elkaars gedichten en raakten bevriend met elkaar. Ze schreven in hun brieven over poëzie en konden elkaar ook de waarheid vertellen over hun werk. In hun brieven kwam ook een deel van hun werk tot stand. Een groot deel van de brieven van Judith Herzberg zijn verloren gegaan door een brand die het huis van Van Geel in de as legde. Toch ontstaat er tijdens het lezen een beeld van een correspondentie omdat Van Geel refereert aan haar schrijven. Zoals in de brief van 12 juli 1967:

    “Lieve judith en huyck (man van Judith ivdg),
    wat schrijf je toch een leuke brieven. Je bent een vogel, maar wat voor een zou ik niet kunnen zeggen, je voegt er een vogel aan toe. Een groot soort en niet schrikachtig.”

    En dan gaat het verder over uitgeef aangelegenheden, ontmoetingen met andere dichter en de twijfels over een strofe.

    Brieven 1962-1974
    Auteur: Judith Herzberg ; Chris van Geel
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Verlies me niet

    Jacob Groot is dichter, romancier en essayist. In 2012 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor poëzie. Verlies me niet is een lang gedicht in tweeënvijftig  taferelen over verlaten. Over wat is verlies nu precies en of we iemand echt kwijt kunnen raken. Heb je dan verloren als je iemand  kwijtraakt? Kan een afscheid je verrijken? De poëzie van Groot geeft alle mogelijke antwoorden. Het is geen troostpoëzie, ‘maar haar samenhang verbindt en haar schoonheid verlicht’.

     

     

    Verlies me niet
    Auteur: Jacob Groot
    Uitgeverij: De Harmonie ( jan. 2018)
  • Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

    Observaties en prozaschetsen van een groot dichteres

    Nog steeds is poëzieminnend Nederland verontwaardigd over het ontbreken van Judith Herzberg in de onlangs verschenen bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer. Hij heeft ‘bij Herzberg niets kunnen vinden wat ik goed genoeg vond’ aldus de bloemlezer, die daarmee achteloos voorbijgaat aan een groots dichtersoeuvre van ruim vijftig jaar. Een oeuvre dat nog is verrijkt met toneelstukken, scenario’s voor film en televisie én de onlangs verschenen bundel Er was er eens en er was er eens niet.

    Proza in notities
    Een bijzondere verschijning, een Herzberg-boekje dat geen dichtbundel is, maar een verzameling prozanotities. Noem het observaties, schetsen of zeer korte verhalen, in de uitvoering ervan is onmiskenbaar de hand van de dichteres te vinden. De zorgvuldige woordplaatsing, de precieze regelval en interpunctie en de telkens terugkerende bevreemding of verwondering brengen de meest uiteenlopende situaties aan de oppervlakte. Met slechts een handvol woorden maakt Herzberg zichtbaar wat voor het blote oog niet gemakkelijk is te onderscheiden. In het stukje Maart 2011 lijkt ze met een beginselverklaring te komen:

    Siegfried Lenz (nu 85) leest zijn vrouw de laatste
    versie voor van wat hij heeft geschreven en vraagt
    dan niet ‘hoe vind je het?’ of ‘heb je het begrepen?’
    maar of ze ziet wat hij heeft voorgelezen.

    Je hoeft er niets van te vinden, zelfs niet te begrijpen, als je het maar voor je ziet. Dat is de essentie van deze kleine verhaaltjes die samen een kleurrijk geheel vormen. Het zijn bewaarde teksten van lang geleden en notities van verleden week – niet in te passen in poëtische vormen en toch te waardevol om weg te gooien. Haar uitgever wilde er eindelijk eens ‘wat mee doen’.

    Teruggekomen
    Herzberg maakte als jong meisje de oorlog mee, haar ouders werden gedeporteerd naar concentratiekamp Bergen-Belsen en wisten daar te overleven. Ze herinnert zich, in de dialoog Teruggekomen, dat er geen sprake was van ‘overleven’. Er werd gezegd: ‘Hij is teruggekomen.’

    Of: ‘Hij is er.’ ‘O, is Fredie er?’ ‘En zijn moeder? En zijn broer? Zijn die er?’
    ‘Nee die zijn er niet.’ ‘Jammer.’

    Een vluchtig gesprekje vol verwachting, vermengd met de gelatenheid van de overlevers. Die minuscule gevoelswereld wordt geheel uitgebeend overgebracht. Er is geen omgeving, de personages staan los in een onbepaalde toestand, er zijn alleen de gesproken woorden die alles weten te omvatten. De indringende betekenis is er niet minder om.

    Als Herzberg met een groep schrijvers naar het poolgebied reist is er alle gelegenheid voor een observerende mijmering – samengepakt in een vliegtuig, wachtend op vertrek. Er valt veel af te vragen:

    Er zit een dikke bromvlieg in de cabine. Hinderlijk.
    Niemand slaat er naar. Zouden schrijvers minder
    wreed zijn? Zou deze vlieg nu in alle dagboeken een
    notitie worden? Zou iedereen zich af gaan vragen
    wat die vlieg op de pool moet? Of we hem misschien
    in het vliegtuig moeten proberen te houden? De
    eenzaamheid die hem daar te wachten staat! Wij
    kunnen tenminste na vier dagen weer terug.

    Eenvoudige gewaarwordingen
    In hetzelfde vliegtuig zit een man, ook een schrijver, met een houten been. Opnieuw veel stof tot vragen. Waarom heeft die man niet een moderne prothese, die kan buigen bij de knie en vrijwel onzichtbaar is? ‘Zou er een soort ‘eerlijkheid’ mee worden uitgedrukt? (…) Of is het een heel erg binnenstebuiten gekeerde vorm van ijdelheid?’ De man krijgt een zitplaats met extra beenruimte toegewezen, er is een stoel voor verwijderd. Nog meer vragen: ‘Eén heel mens kan er dus minder mee vanwege dat ene been’. Om af te sluiten met een laatste verwondering: ‘Eén schrijfster (ik ken de namen nog niet) loopt op hoge naaldhakken. Ook een soort houten benen dus. Hoe moet dat in de diepe sneeuw’.

    Het zijn simpele gewaarwordingen die door Herzberg worden omgezet in een nieuw spectrum van bedenksels. Gedreven door nieuwsgierigheid, de wil om de menselijke aard te doorgronden en verbanden te leggen tussen oorzaak en gevolg. De helderheid die deze uitgesponnen gedachtenstroom voortbrengt, zorgt voor een voorzichtige filosofische openbaring waarbij scherpzinnigheid en ironie de vaste ingrediënten zijn.

    De mooiste stukjes zijn die waar ook de warme koestering van persoonlijke emotie uit naar boven komt. Zomaar tussendoor, een paar regels over de liefde. De aanleiding is het overlijden van journalist en hoofdredacteur Joop van Tijn (1938-1997). In een In memoriam schrijft Herzberg over het treuren om de overledene: zijn we bedroefd voor onszelf, omdat wij de dode zullen missen of zijn we bedroefd voor de dode, omdat hij niet meer in ons midden kan zijn. En wat is de waarde van dat verdriet, zowel het ene als het andere? In een fraaie afsluiting brengt de schrijfster klaarheid:

    En toen dacht ik dat dit niet uit elkaar kunnen houden van
    wie wat over wie voelt, en andersom, deze verstrengeling,
    deze wederzijdse onontwarbaarheid, dat dat precies is waar houden-van uit bestaat.

     

     

  • Een dichter op straat

    Een dichter op straat

    In mij schuilt een lafaard. Het was dinsdagavond en donker. Het was niet echt laat maar ook niet vroeg meer. Een tijdstip waarop er niet zoveel gebeurt op straat. Een soort interbellum in de tijd. In de straatjes die de Nieuwezijds Kolk met de Keizersgracht verbinden liet een man twee honden uit. Een vrouw met een krat vol oude broden voorop  de fiets slingerde langs me heen. Bij het oversteken van de Herengracht liep er opeens een rijzige gestalte voor me uit. Een vrouw in het wit. Een witte lange jas, een witte broek en op witte schoenen die zich met moeite leken te verplaatsen, alsof er lood in zat. De lange panden van haar jas wapperden achter haar aan terwijl ze licht gebogen, als torste ze de zwaarte van de wereld op haar rug, voortbewoog. Een zwartleren rugzakje zat als een groot insect op haar rug gekleefd. De dunne draagbanden staken als voelsprieten vanaf het midden tot over haar schouders naar voren en onder haar armen door weer terug. Ik kwam van de Rode Hoed waar een groot dichter zijn dundrukmoment had gehad en dacht te begrijpen dat deze vrouw, ook bij de Rode hoed vandaan kwam. Ik ben nogal gauw geneigd te denken dat ik weet waar iemand heen gaat of vandaan komt. Ik ben een groot fantast in het diepst van mijn ziel.

    De vrouw was fan van de grootste dichter van het land. Zonder bedenkingen had ze de zwaarte van een herfstavond getrotseerd. Nu was ze op weg naar huis, zich afvragend wat haar bezield had. Ik dacht, ik blijf wel achter haar. Als ze de weg niet meer weet zal ik vragen: ‘Moet u ook naar het station?’  En als iemand haar lastig viel, wat niet eens zo’n vreemde optie was, dan zou ik haar te hulp komen. Ik had een grote schoudertas over mijn schouder hangen. De dingen die erin zaten, (een boekje met harde kaft en puntige hoeken, een gevulde waterfles, een flinke sleutelbos) maakten de tas zwaar genoeg om iemand bewusteloos te kunnen slaan. Wanneer dit dan gedaan was, zou ik de vrouw bij de arm nemen en haar de eerste de beste tram induwen. Alle tramwegen gaan tenslotte naar het centraal station.

    Ik ging sneller lopen. Toen ik ter hoogte van haar kwam, zag ik opeens dat het Judith Herzberg was. En ik wilde zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Mag ik u zeggen hoeveel ik van uw gedichten houd?’ Maar passeerde haar woordeloos. Aan de Nieuwezijds Kolk stonden we even naast elkaar.  En weer wilde ik zeggen: ‘Dag mevrouw Herzberg. Ik heb uw werk zo lief.’  Maar ik stak over en zij bleef staan. Haar tram arriveerde eerder dan de mijne. Ik voelde me laf om de herinnering die ik haar ontzegd had. Dat ze nooit zou kunnen zeggen: ‘Geen enkele recensie heeft mij zo gelukkig gemaakt als die keer dat een volslagen vreemde mij op straat aansprak en zei dat ze mijn werk zo lief had.’

     

     

  • Voorbije liefde en ongeschonden verwondering

    Voorbije liefde en ongeschonden verwondering

    Recensie door Albert Verweij

    Judith Herzberg, van wie haar tachtigste verjaardag in november passeert, is als dichteres al ruim een halve eeuw actief. Haar werk behoeft  nauwelijks introductie, want het grote publiek  raakte al snel in de ban van haar. Niet veel later werd ze overladen met de grootste literaire prijzen die in ons taalgebied te vergeven zijn.

    Het begon ermee dat zij de ‘dochter was van Abel Herzberg’, van lieverlee werd hij ‘de vader van Judith Herzberg’. Met Vasalis en Kopland kon ze wedijveren om wie het vaakst over de toonbank ging. Maar in een tijdsgewricht waarin de Winkler Prins volledig overschaduwd wordt door Wikipedia, beslaan de digitale lemma’s van dit drietal bij elkaar nog niet de helft van de hoeveelheid tekst die voor de linksback van Ajax is ingeruimd. Die weinige woorden zullen haar echter een rotzorg zijn. Aan een half woord heeft niet enkel een goede verstaander genoeg, een scherp waarnemer als Herzberg kan ook met luttel toe. Eentje die begrijpt dat schrappen scherpt. Speelsheid en nuchterheid strijden bij haar om voorrang. Haar gedichten claimen geen onvergankelijke wijsheden, maar stoelen op alledaagse inzichten. Haar habitat is het schijnbaar gewone, dat wat met ons optrekt en  onscheidbaar lijkt van wat ons onopgemerkt achterlaat. Maar daarmee is buiten de bijzondere opmerkingsgave van Judith Herzberg gerekend. Haar ontgaat het immers niet dat ‘sperzieboontjes’ iets weg hebben van ‘dolfijnensnuitjes’. Zij heeft de schijnbewegingen van het alledaagse in de smiezen.

    Het frisse, het spontane bloeit onder haar goedgekozen en vakkundig geschikte woorden eerder op dan dat het wordt verstikt. Haar oeuvre lang heeft Herzberg naast meerstrofige, ook veel korte gedichten geschreven. Versjes van de korte baan. Met die korte stukjes staat haar nieuwste bundel vol. Een derde van de bundel is nieuw, de rest werd geoogst uit eerder werk, tezamen gebracht tot het pretentieloze aantal 111 om onder de nieuwe soortnaam Hopla’s voort te leven. Opdat ze niet zouden ondergaan in een te grote bladspiegel zijn deze ultra kleine gedichtjes – de kortste telt zes woorden – in passend klein oblong formaat uitgegeven. Het zijn mozaïekjes van melodieuze spreektaal, soms rijmend, maar meestal niet. Een enkele heeft zelfs iets heerlijk ongerijmds:
    Man
    Niet: met wie is zij ontrouw
    maar aan wie. Dus heb ik een vrouw.
    Mijn huis is niet mooi,
    maar het is wel lelijk.

    Een greep uit de zaken die worden aangeroerd: het wrange van  over het ons omringende, de melancholie van afscheid nemen, het ongemak van op leeftijd komen en het achterblijven van de dingen in ons verlangen naar logica als in het gedicht:
    Hé?
    We hebben ze van zij
    we hebben we van wij
    we hebben je en jij
    we hebben me en mij.

    Waar is de he van hij?

    Herzberg heet toegankelijk te zijn, wat in haar geval niet betekent dat iedere hopla hapklaar verklaarbaar is:
    Al gezegd
    Droom ik zeg het hoeft niet meer

    moeder dood het hoeft niet meer
    zij zegt dat heb je al gezegd dat
    heb je al gezegd dat heb je al gezegd.

    Bij iemand die raak en kritisch observeert, is het geen wonder dat hier en daar een wond wordt opengekrabd:
    Leeftocht
    Het krantenflard
    dat bijna in de oudpapierbak
    was beland betreft het plastic
    dat in één zeeschildpadden-
    maag was opgehoopt.

    Tekenend voor haar is dat de maatschappijkritiek niet zuur wordt opgediend, maar in een treffend beeld gegoten. Al schrijnt de wond er niet minder om. Niet iedere hopla is even memorabel als bijvoorbeeld die waarmee de bundel besluit:
    People
    People die
    and leave me

    Sommige ontstijgen nauwelijks het niveau van de scheurkalender:
    Vraag
    Hoe is dat zo gekomen
    van altijd komen slapen
    tot nooit meer willen zien.

    Maar de bundel is rijk genoeg gevuld om even snel te stuiten op een hopla die vrolijk stemt:
    Radio, 14 juli 2013
    Een koe viel van een heuvel
    op zijn dak.
    Zo kwam hij aan zijn eind.
    ‘Zijn vrouw die naast hem
    lag kwam met de schrik vrij.

     

     

  • Oogst week 25

    Door Ingrid van der Graaf

    Deze week kwamen er twee dichtbundels binnen. De in 2003 gedebuteerde dichter Joep Kuiper (1981) trotseerde de vergetelheid en komt na meer dan tien jaar met Varen vandaan, zijn tweede bundel. Zijn debuut Monarchieën werd indertijd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Gedichten uit zijn debuut zijn opgenomen in verschillende bloemlezingen, (o.a. in Gerrit Komrij’s De 21ste eeuw in 185 gedichten). Met Varen vandaan, laat Kuiper zien dat het lange wachten niet vergeefs was, aldus de uitgever. De titel suggereert wegtrekken, vertrekken, op reis zijn. En dat is ook zo. Een bundel vol vreemde landen, verre oorden en surrealistische contreien. Gedichten vol verlangen naar andere stemmen, andere ontmoetingen. Varen vandaan, uitgegeven bij Karaat, blz.:104, prijs: € 16,95.

    9200000022857626Judith Herzberg bezigt graag een vorm van poëzie die de Hopla genoemd wordt. Een soort van zkv’s onder de gedichten zou je kunnen zeggen. Het zijn ultrakorte gedichtjes van vier à vijf regels, al dan niet rijmend, waarin alles wordt gezegd zoals alleen Judith Herzberg het kan zeggen. Zelf vind ik deze grandioos: ‘Hij deed zijn best maar in acht jaar / niet veel geluk gehad met haar. / Thuis van zijn werk was zij óf weg óf boos / haar dood verbeterde hun huwelijk eindeloos.’
    In 111 Hopla’s zijn de beste – gepubliceerde en ongepubliceerde – nu verzameld. Het is een prachtige gebonden uitgave, uitgegeven bij De Harmonie, blz.: 112, prijs € 17,50.

    513dd017e27c75.71715602Sneeuwwitje voor achttienplus. Wat moet je je daar bij voorstellen. Een hervertelling van een klassiek sprookje naar deze tijd waarbij Sneeuwwitje van Danold Barthelme is gesitueerd in de grote stad. Daar woont Sneeuwwitje samen met de zeven jonge mannen Bill, Kevin, Edward, Hubert, Henry, Clem en Dan. Ze slijten hun dagen met het maken van babyvoeding, het wassen van gebouwen en het bedrijven van de liefde. Terwijl Sneeuwwitje wacht op haar prins, een kunstenaar van wie niemand het hoog op heeft. Dan is er stiefmoeder Jane en haar minnaar Hugo, die een oogje op Sneeuwwitje lijkt te hebben. En ondertussen praat iedereen langs elkaar heen. De uitgever prijst het boek aan als zijnde ‘een heerlijk vunzige hervertelling’. Je vraagt je af wat er ‘heerlijk’ is aan ‘vunzig’. De nieuwe vertaling is van dichter en componist Micha Hamel en Janneke van der Meulen. Sneeuwwitje werd uitgegeven bij LJ Veen Klassiek, blz.: 160, prijs: € 10,00.

  • De dood schittert als het leven

    De dood schittert als het leven

    In een van de eerste decennia van de vorige eeuw verscheen bij uitgeverij De Wereldbibliotheek een Nederlandse vertaling van Leaves of Grass. Het was een wonderlijke – niet verantwoorde – keuze uit dit werk door Maurits Wagenvoort. Het duurde lang voordat in Nederland een nieuwe vertaling van dit boek verscheen. In juni was het zover.

    Walt Whitman publiceerde zijn eerste uitgave van Leaves of Grass in 1855. En bleef zijn leven lang hetzelfde boek opnieuw uitgeven, vermeerderd en verbeterd. Zo begint het:

    I Celebrate myself,
    And what I assume you shall assume,
    For every atom belonging to me as good belongs to you.

    I loafe and invite my soul,
    I lean and loaf at my ease… observing a spear of summer grass.

    En het loopt uit in een poging het heelal, de hele kenbare wereld in poëzie te vatten. Het mondt uit in een enorme opsomming van al het zijnde, een bejubeling van elke atoom die de dichter als zijn bezit ervaart en wil delen. Dit is poëzie van het grote gebaar. Het is eigenlijk wonderlijk dat in de jaren ’80 niet een goede vertaling van dit werk is verschenen. De dichters die zich Maximalen noemden en Nederland wilden bevrijden van poëzie waarin de betekenisvolle stilte van een dubbele witregel voor het hoogst haalbare stond – hebben zij Whitman als held op het schild getakeld?
    Het heeft iets geweldig naïefs dit gedicht, deze verbale waterval. Er was een periode dat een schrijver kennelijk nog kon proberen zijn Divina Commedia te scheppen, zijn Paradise Lost. Het Al omvattend kunstwerk is na zekere datum geproblematiseerd. Wanneer was dat? Na Mei van Gorter? Is er een ideologisch probleem?
    Whitman staat in New York en voelt de wereld door zich stromen, hij heeft het allemaal gezien, hij heeft Borges’ Aleph in de hand gehad, de lezer heeft hem in de hand. Of wat alledaagser: de ervaring van de Unox-worst reclame: de lezer krijgt in een enorm tempo een shot beelden toegediend.

    De verslaving van het noemen

    Heel de nacht dwaal ik door mijn droombeeld,
    Lichtvoetig stappend, snel en geruisloos stap ik en stop,
    Met ogen wijdopen buig ik over de gesloten ogen van de slapers;
    Verdwaald en verward, in mezelf verloren, niet op mijn plaats, ten prooi aan tegenstrijdige gevoelens,
    Ik houd stil en staar en buig voorover en stop.

    Dit droombeeld is een verslavend droombeeld. Het is niet makkelijk na te voelen waarom het werk door contemporaine critici vuig gevonden werd, naar de schok zoek je dus tevergeefs, maar Leaves of Grass verslaaft in zijn poging volledig te zijn, de maniakale opsomming die Whitman geeft, alles recht willen doen door het maar te noemen, de cadans van de oudtestamentische opsommingen, Abraham gewon Isaac om het allemaal maar niet te vergeten. Het grote hart voor al wat leeft. Het is deze ‘verzamelaarspoëzie’ deze drang aan het woord te blijven met het schuim op de lippen die een vertaler als Pfeiffer moet hebben aangetrokken, Dat wat een lezer aanspreekt in dit werk trekt hem ook door In de naam van de hond heen. Ook Arjen Duinker’s fascinatie – een van de 20 andere vertalers laat zich dan makkelijk raden. En die van Astrid Lampe. Maar Kopland? En Anne Vegter?

    Jacob Groot en Kees ’t Hart haalden 21 dichers bijeen voor dit project. ‘Zo is de Nederlandstalige primeur van deze pionier niet alleen een bevestiging van Whitman’s stemmentheater, ze versterkt het temperament van zijn verteller, de meervoudige acteur pur sang. Daarbij is het ook nog eens een volstrekt unieke bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie geworden.’

    Met deze claim zijn de samenstellers in elk geval zelf dicht bij de Pionier gebleven: ze willen teveel. Ze hadden er met een veel geruster hart aan kunnen toevoegen dat hiermee waarschijnlijk de eerste tweetalige uitgave in Nederland verschijnt waarin bijna op elke spread beide talen worden gelezen.
    Het idee is namelijk alleen productief in de zin dat het heel leuke voorleessessies oplevert, onlangs op Poetry. Verder moet het geweldig zijn als je Whitman al heel goed kent. Dan lees je vooral Nederlandse dichters.
    Onbekend met dit werk blijf je echter met een voor de vertaalwetenschap vast heel boeiend fenomeen zitten. Je bent zeer gefascineerd geraakt door een gedicht, en opeens is het weg, de aria waarnaar je op de radio luisterde is weggedraaid voor een smartlap. Niet omdat Whitman het zo wilde, maar omdat daar toevallig de samenstellers de schaar hadden gezet.

    Zo beland je opeens bij een dichter die

    Who need be afraid of the merge?
    Undrape… you are not guilty to me, nor stale nor discarded,
    I see through the broadcloth and gingham wether or no,
    And am around, tenacious, acquisitive, tireles… and can never be shaken away.

    vertaalt met:

    Wie durft zich niet over te geven?
    Toe, toon jezelf… het ligt echt niet allemaal aan jou, je make-up liep niet uit, je bent geen afdankertje,
    En door je katoentjes kijk ik toch wel heen,
    Hou er rekening mee dat ik hardnekkig ben, hebberig, onvermoeibaar… en dat je met me zit opgescheept.

    Dan begin ik al te denken dat het misschien 20 vertalers hadden moeten zijn. Dan maar wat minder bloemlezing uit het taalarsenaal van de moderne Nederlandse poëzie.
    Een mooi bijeffect is wel dat je na lezing denkt: nu wil ik een versie helemaal vertaald door Toon Tellegen, en een helemaal vertaald door Astrid Lampe, en ook maar een hele Pfeiffer, toch een van de weinige die een vertaling aflevert die zowel recht doet aan Whitman alsook zeer onmiskenbaar Pfeiffer is.

    Genoeg gezeurd. Dit is een heel mooi boek. Dit moet onmiddelijk aangekocht worden, vooral om Whitman. Alle eer aan het samenstellend duo, omdat het onbegrijpelijk hoog tijd werd dat de Nederlandse poëzie verrijkt werd met Whitman.
    Dat is natuurlijk de ware gedachte achter deze opzet: er zijn alvast 21 dichters geïnfecteerd.

     

    De vertalers zijn:
    Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Tsead Bruinja, Geert Buelens, Maria van Daalen, Arjen Duinker, Jacob Groot, Kees ’t Hart, Judith Herzberg, Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Jan Kuijper, Astrid Lampe, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Toon Tellegen, Anne Vegter, Hans Verhagen, Peter Verhelst, Simon Vinkenoog, Elly de Waard en Menno Wigman