• Verbindend evenement van woorden en mensen

    Verbindend evenement van woorden en mensen

     


    De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.

    Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
    Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.

    In de ban van poëzie

    Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
    Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.

     

    Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka

     

    Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.

    Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende –  geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.

    Voorbij de Nacht

    Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:

    ‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
    dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
    de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
    waarop we na lang nadenken schreven: nee!’

     

    Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie

     

    Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.

     

     

    Foto’s: Reinder Storm


    De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.

     

  • Het wegdenken van woorden

    Het wegdenken van woorden

    Het is niet voor het eerst dat Judith Herzberg zich in haar nieuwe bundel Bijna 90 Hopla’s bedient van de korte dichtvorm. Bijna tien jaar geleden introduceerde zij deze dichtvorm in Nederland. Ze publiceerde zulke poëtische snippers in bundels als Dagrest (1984) en Het vrolijkt (2008). In 2014 verscheen 111 Hopla’s en in 2021 100% Hopla’s. Nu is Herzberg een dichter die doordacht en sober met haar woorden omgaat. Herzberg is in staat om met weinig woorden gelaagdheid aan te brengen en de ambiguïteit werkzaam te laten zijn in haar verzen. Het vervreemdende effect daarvan maakt het wezen van haar poëzie uit. Een dergelijke omgang met taal zorgt voor een veranderde blik op de werkelijkheid, al is het maar tijdelijk. Daarin gaat iets van het mysterie van de poëzie schuil.

    Of deze snippers zijn blijven liggen na voltooiing van eerdere bundels of van die in wording zijn, doet eigenlijk niet zo ter zake. Herzberg acht ze levensvatbaar en geschikt voor publicatie. Deze hopla’s doen denken aan de vertaalde Spaanse copla’s van Hendrik de Vries. Een vrije versvorm van vier versregels en acht lettergrepen. Verder raken ze in hun beperkte omvang en woordgebruik aan de slanke, soms eenregelige Japanse gedichten van Bashõ. Of aan het Perzische ghazele dat uit zes verzen van twee regels bestaat. Hélène Swarth vertaalde dat soort verzen begin twintigste eeuw. En niet te vergeten de Japanse haiku die met zijn lyrische beknoptheid als drieregelige vers bestaande uit zeventien lettergrepen. De korte verzen van de schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974) munten uit in beeldrijkdom. Zijn begeleidende Japanse kalligrafieën staan op zichzelf naast de korte gedichten. In deze verzen is alles en iedereen met elkaar verweven. De korte gedichten van Herzberg staan in een traditie en in al haar eigenzinnigheid heeft ze er een eigen naam aangegeven.

    Hopla, het leven in en uit

    Bijna 90 hopla’s zijn twee, drie- of vierregelige verzen, meestal slechts één strofe van verschillende regellengte, al dan niet voorzien van een titel. Dat alles vervat in een klein formaat boekvorm met stevige omslag. Een boekje voor in de tas om waar dan ook ter hand te kunnen nemen en je even te laten inspireren: ‘hopla’, het leven van alledag in en uit. Er is geen vast pandoer in vorm en inhoud van deze verzen. Soms ligt het geestige accent in de laatste versregel:

    ‘vrolijk kwetteren
    de vogels maar het
    allerkwetterendste jij’

    Zo personifieert de dichter de ‘volwassen / ‘golven die ze in het meer nog laat nalebberen ‘in riet en gras / aan kiezelkant’. De alliteratie in het laatste woord onderstreept nog eens de zachte botsing met de oeverrand. Het is een verrassende opening in ‘Wegdenken’ om je voor te stellen de mensen uit je bewustzijn weg te denken en je af te vragen wat de bevindingen van de schoenen van die mensen zijn over wat voor mensen het zijn. Dan weer speelt ze met de letterlijke en figuurlijke betekenis van een woord als ‘tippen’ in ‘Protocol’. Ergens niet aan kunnen tippen heeft protocollair niets van doen met het drinken van het een of andere soort sap op een receptie. 

    Diverse invalshoeken

    De onderwerpen die in deze hopla’s worden aangesneden zijn heel divers. In alle gevallen is de dichter erop uit het vertrouwen in eigen waarneming te ondermijnen, iemand op het verkeerde been te zetten. Soms komt het niet verder dan een woordgrapje, zoals in: ‘Gehoord’

    Hoe
    Bedoelu
    Zonnen
    Schadu’

    Geestig is het sympathieke bedrog van de ‘Hospita 1 en 2’. Het lekkere hapje is wat van haar eigen maaltijd over is en tegelijk snakt de hospita naar de komst van haar kostganger om hem of haar opnieuw te kunnen verwennen. Wat verhevener klinken de woorden in: ‘In plaats van kamers’

    Je krijgt nog: “Het gebouw des Heren / heeft vele localen”. Een verwijzing naar Johannes 14: 2: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen’, aldus Jezus. Waarbij het woord ‘localen’ allerlei associaties oproept.  Het de onbezorgdheid en gastvrijheid mist die de Bijbelse tekst oproept. Bovendien associeert het woord met de ‘Zang der vocalen’ (1931-32) van de Litouwse beeldhouwer Jacques Lipchitz. Waarbij de harp een eenheid vormt met het lichaam van de speler. Dan krijgt het woord meer het ontvangende dat past bij de oorspronkelijke Bijbeltekst. Geestig zijn de hopla’s ook, zoals: ‘Intimiderend’

    oude vrienden
    met hun nieuwe
    halfbakken liefdes
    effe wenne
    In een tijd van partnerwisselingen een voorstelbare situatie. Herzberg zoekt dikwijls het gedoe van alledag op in haar verzen. In de ‘Vondst’ laat ze treffend zien hoezeer de telefoon een onmisbaar onderdeel van onze samenleving is geworden:

    Los barst
    wat bij telefoon
    lach
    zaterdag
    Vooral dat ‘lach’ toont een subtiele pirouette in de taal van ‘lach’ naar ‘lag’, en tegelijk de momentopname van een afspraak door de telefoon die door lachen wordt begeleid.

    Beeld- en slagkracht van taal

    Niet altijd lukt het Herzberg om de beeld- en slagkracht van de taal te mobiliseren zoals in ‘Slotsom’: het is bedroevend / dat het niet meer hoeft’, of: ‘Hoe zo’: Ze haalde / eruit / wat erin zat. Maatschappelijke betrokkenheid spreekt uit het vers ‘Goodall’, verwijzend naar het werk van de Britse antropologe Jane Goodall (1934) en haar zorg om de apen. Dit vers is een rechttoe rechtaan oproep: ‘

    en waarom dringt
    nog steeds niet door
    dat wij onszelf
    de das om doen

    In ‘Druk’ blijkt dat gepensioneerden het ‘niet eerder zo druk gehad’ hebben, en de plicht dus blijft bestaan. Weer verrassend is het luisteren in, ‘Hoe hij luistert’: De toonhoogte / van zijn ogen, van elk oog, / zo anders dan / die van een dove. Enig besef van zinloosheid is Herzberg niet vreemd. Zo stelt ze zich in ‘Slede’ voor wat de zin van een rit is: hierheen of daarheen / als in de rit zelf geen / waarheen zit. Of je eigen lichaam bevragen in ‘Intern’: je hart. je darmen / slaan alarm / herken je dat. Nee dus, vertolkt de ontgoocheling vriend te zien overlijden terwijl die gedacht, de ik te helpen wegglijden in de dood. Zo stuit zij voortdurend tegen de absurditeit van ons doen en laten aan.

    Al met al is deze bundel een meer of minder persoonlijk en maatschappelijk betrokken reeks hopla’s geworden, die hier en daar verrassen in het op het verkeerde been plaatsen van de lezer. Terwijl de dichter zoveel mogelijk woorden heeft weggewerkt, wordt de lezer gedwongen de woorden te wegen in hun letterlijke en figuurlijke betekenis, hun klankspel, hun maatschappelijke insteek, hun doorbreking van het gangbare doen en laten en hun vertrouwde waarneming. Een lichvoetige bundel, geestig en zo nu en dan verrassend van toon. Hierbij dan nog een laatste:

    verre van
    bij lange na

    Hopla!



     

  • Zoektocht naar herinneringen

    Zoektocht naar herinneringen

    Judith Herzberg wordt dit jaar 90 jaar. Voor haar werd het tijd om aandacht aan Jo te besteden met dit gelijknamig, prachtig uitgegeven boekje. Jo Bakx was het kindermeisje dat kort voor Herzbergs geboorte bij de familie in huis kwam. Voor Judith een zegen, haar oudere broer en zus hadden Jo al minder nodig.

    ‘De allergrootste liefde van mijn hele leven, dat weet ik nu zo langzamerhand wel zeker, was de liefde voor Jo,’ schrijft Judith Herzberg op 25 mei 2020, de dag dat ze begint met haar zoektocht naar herinneringen aan haar kinderjaren in een voor Joden steeds grimmiger wordend Amsterdam. Aanleiding voor dit portret is ook de envelop met ‘fliedertjes’ die Jo bewaard had en later aan Herzberg heeft gegeven. Fliedertjes van kindertekeningen, rekensommetjes en schrijfsels die ieder kind op de lagere school maakt. Herzberg geneert zich er bijna voor, maar ze is ook diep ontroerd. ‘Zou zo’n fliedertje met 2+2=4 een waardevolle voorbode blijken te zijn als zich een Einstein in de dop ontpopt? Je weet maar nooit wat ‘er al in zat,’ aan geniale schilder, componist of uitvinder, toch? Zo dacht Jo niet.’ Maar in Herzbergs geval is het zeker waardevol gebleken. Samen met enkele foto’s, zijn de tekeningetjes afgedrukt in de bundel en gebruikt op de omslag, wat van Jo een teer kleinood en een hebbeboekje maakt.

    Gevaarlijk

    Tijdens het graven naar haar slordige herinneringen, realiseert Herzberg zich dat Jo haar leven vele malen heeft gered, maar ook dat ze nog sterk in haar vertegenwoordigd is, in haar handelingen en gedachten. Jo had inmiddels een nieuwe betrekking, maar bezocht het gezin Herzberg wekelijks in Barneveld waar de familie in De Biezen opgesloten zat. Misschien was dat wel op dinsdag, denkt Herzberg nu, vandaar de titel van het opgenomen gedicht Dinsdag. Na 1943 werden de ouders Abel en Thea naar Westerbork getransporteerd. Jo zorgde ervoor dat Judith vervolgens kon onderduiken op verschillende adressen. Zij dacht aan alles maar het moet hoe dan ook heel gevaarlijk voor haar zijn geweest. Zoals te lezen in Dinsdag, waarin Herzberg letterlijk Jo’s woorden gebruikt. ‘(…) en als er gevraagd werd of dat reizen per trein niet gevaarlijk was, dan weet ik nog wat ik in ‘Dinsdag’ opgeschreven heb. Haar woorden waren: “Gevaarlijk? Welnee, zei je, bombardementen / trotserend / ik zit net zo lief in de laatste coupé / als ze schieten, schieten ze toch op de / locomotief “ Zoiets zou ik, achteraf, nooit verzonnen hebben.’

    Judith Herzberg schrijft haar ‘memoires’, al voelt ze schroom bij dat woord, het moet immers over Jo gaan, maar er komen ontegenzeggelijk ook herinneringen aan andere mensen boven die een belangrijke rol hebben gespeeld, of aan onderduikadressen en benarde situaties. Wiardi Beckman bijvoorbeeld, bij wie Jo ook diende en waar Judith mocht logeren en mevrouw tante Dientje noemde. Of Mien Ruys, ‘de onvolprezen tuinarchitect en gastvrije, vrijgevige reuzin’ bij wie Judiths ouders na de oorlog na hun terugkeer uit Bergen-Belsen in haar appartement aan de Amstel mochten wonen. Mien leende haar garderobe uit aan Thea, die hetzelfde postuur had en geen draad meer aan haar lijf.

    Gemist gesprek

    Nu, zoveel jaren later, vraagt Herzberg zich af wat ze eigenlijk over Jo wist, en waarom had ze niet meer aan haar gevraagd. Er was standsverschil, Jo kwam uit Brabant en zei pieterselie, in plaats van peterselie wat Judiths moeder zei. Er zijn meer voorbeelden van het standsverschil, ook van Jo’s familie in Brabant waar Judith mee naartoe mocht. Maar in Judiths ogen was Jo een heilige.

    De ‘fliedertjes’ houden Herzberg bezig, al kan ze er niet goed naar kijken omdat ze haar zo ontroeren. Ze eindigt haar ‘memoires’ op ‘1 maart 2023 “Ach bewaard, voor geval dat. Zo omvangrijk was het nou ook weer niet. Het was nou ook weer niet zo dat het veel plaats innam in de kast. En wegdoen dat was wel weer het andere uiterste geweest, niet dan.” Zo stel ik me een uitleg voor, die ik nooit van haar gekregen heb, en waar ik ook nooit om gevraagd heb. Het soort gesprek dat ik gemist heb. Nu mis.’

    De laatste jaren mocht Herzberg niet meer op bezoek komen. Ze dacht dat Jo een huidaandoening had en haar om die reden niet meer wilde zien. Dat stemt haar verdrietig en ze neemt het zich ook kwalijk dat ze er niet meer werk van heeft gemaakt.

    Jo is een lieflijke en openhartige herinnering aan het kindermeisje dat ook huishoudelijke taken deed in een Joods gezin in oorlogstijd. Judith Herzberg springt associatief door de tijd, waarmee Jo haast leest als een prozagedicht.

     

     

  • ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’

    Afgelopen weekend vond de 40ste Nacht van de Poëzie plaats in TivoliVredenburg te Utrecht. Zaterdagavond stipt acht uur werd de avond afgetrapt en ruim zeven uur later, in de vroege zondagochtend half vier, wensten de vertrouwde presentatoren Piet Piryns en Esther Naomi Perquin de bezoekers na alle poëzie en spektakel een wel thuis en een goede nacht. Tussen die twee tijdstippen in trok een parade langs van dichters en dichteressen uit Nederland en Vlaanderen. Onder hen nieuwkomers als Mahat Arab en Joke Van Caesbroeck, evenals oudgedienden Jean Pierre Rawie en Judith Herzberg. Waarbij die laatste de kwaliteit van de nacht muntte met haar zinsnede, ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’.

    Voor de bezoekers van dit uitverkochte huis was er zoals altijd meer te zien en te doen dan een mens aan kan. Om te beginnen alle dichters en entr’acts natuurlijk. Omdat tradities er blijkbaar toch zijn om te worden gebroken was de eersteling van deze 40ste editie NIET degene met wie vorig jaar de 39ste Nacht van de Poëzie werd afgesloten. Het spits werd afgebeten door Bart Chabot. Bij zijn introductie werd nog wel even verwezen naar zijn leven als BN’er en naar zijn gezin met wie hij het Boekenweekgeschenk 2024 schrijft. Maar Chabot zelf hield het bij de poëzie, die hij nog altijd overtuigend de zaal in kan slingeren.


    Enthousiaste performances

    Hoogtepunt was wel het optreden van Gerda Lenten-Havertong, die op indringende wijze poëzie voorlas in het Sranantongo van Michaël Slory en Robin Ravales (‘Dobru’) en in het Nederlands voorlas. Toewijding en enthousiasme spatten van Havertongs performance af  – en ze had zich mooier gekleed dan welke andere deelnemer ook. Het publiek sloot Gerda hartstochtelijk in het hart. Ook Elmar Kuipers gedichten waren er trouwens in twee talen: hij las ze in het Fries, en achter hem op een groot scherm waren Nederlandse vertalingen te lezen. Het leverde een poëzie-ervaring op die gelaagd en geslaagd was.

    ‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen’, aldus Remco Campert. Buddingh’ is al jaren dood, Campert inmiddels ook. Of het waar is of niet – gelachen werd er zeker, en sommige publiekslievelingen speelden daar ook duidelijk op in. Hans Dorrestijn noemt zich welbewust cabaretier, en Joost Oomen liet zien en horen dat een welhaast bezeten-gejaagd en geestig optreden heel goed met poëtische zeggingskracht kan worden uitgevoerd.


    Dansen en dichten

    De entr’acts waren alle van een muzikale opzwependheid, ter afwisseling met intrinsieke sereniteit die poëzie toch nog altijd nog aankleeft. Zangeres Naaz wist in het Koerdisch een dramatische urgentie over te brengen op haar publiek van hetgeen zij zong. Merkwaardig was het optreden van Hollywoodster Michael C. Hall en zijn band. De enigszins dreunend-dreigend monotone muziek kon kennelijk niet alle bezoekers bekoren. Toen het later werd en stilaan meer en meer bezoekers huiswaarts keerden en alleen de diehards overbleven, werden de beats van de optredens feller en veranderde de grote zaal van Vredenburg in een goed gebruikte dansvloer: bij de flitsende show van de band Kuzko rond half drie ’s nachts bleef vrijwel niemand stil zitten of -staan. Als vervolgens weer een dichter aantrad was de aandacht optimaal ververst.

    Dichterskwartet

    In de wandelgangen waren verschillende activiteiten. Er was poëzie te koop in antiquarische uitgaven en nieuwe publicaties. Er waren gedichten te beluisteren via een poëzietelefoon en wie wilde kon de live opname van een podcast bijwonen. Wat een buitenkans bleek, want wanneer ben je nou getuige van een gesprek over poëzie tussen Ingmar Heytze, Jean Pierre Rawie en John Jansen van Galen? En omdat de Nacht inmiddels al veertig jaar bestaat en daar veel beeldmateriaal van beschikbaar is, werd er tussen alle bedrijven door genoten worden van foto’s, video’s en geluidsfragmenten van dichters die lang geleden optraden.

    Bovendien werd er ter gelegenheid van de 40ste nacht een dichterskwartet uitgegeven door ILFU die de ‘Nacht’ organiseert. Om thuis nog eens mee te spelen. Dus ja, het was zeker een goede nacht. Volgend jaar weer!

     

     

     

     

    Foto’s: Reinder Storm

     

  • Verontwaardigde grande dame

    Verontwaardigde grande dame

    Achtentachtig jaar en de pen nog steeds in de aanslag, dat is Judith Herzberg ten voeten uit. Met de bundel Sneller langzaam bewijst ze eens te meer dat inspiratie en gedrevenheid niet hoeven te lijden onder de ouderdom. Zestig jaren zijn er inmiddels verstreken tussen haar debuut Zeepost (1963) en deze nieuwe bundel, een tijdperk boordevol poëzie, maar ook proza, theater- en filmteksten.

    In die zestig jaar is Herzbergs stijl verfijnder en puntiger geworden, terwijl de haast nonchalante bescheidenheid nog steeds aanwezig is. In een recent interview met de Volkskrant (januari 2023) betoogt ze: ‘Niks van wat ik schrijf is echt waar. Je kunt het niet terugbrengen tot de werkelijkheid. Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’

    Engagement

    Toeval of niet, het engagement piept overal tussen de regels door. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Gêne’

    ‘Vind dit nog steeds veel te vrijblijvend
    rijm, sta me nog even bij help
    de gêne van de hoge woorden
    te vermijden help te helpen
    doen begrijpen.

    Onvrijheid dreigt concreet.
    Mijn overhaaste hartslag
    blijft mij, dus ons, laksheid
    verwijten. Mij, die in de tijd
    herkent wat was, toen
    aan den lijve.’

    De terughoudendheid in de eerste strofe, met het subtiele binnenrijm van de ij-klank (vrijblijvend, rijm, vermijden, begrijpen) slaat in de tweede strofe om in een haast verontwaardigde toon. Het is de ‘concreet dreigende onvrijheid’ die de dichter doet herkennen ‘wat was, toen aan den lijve’. De verwijzing is duidelijk: in de Tweede Wereldoorlog als kind ontsnapt aan het transport naar de vernietigingskampen zat Judith Herzberg vervolgens jarenlang in de onderduik. Ervaringen die hebben geleid tot dichtwerk dat vaak doordrongen is van zaken als vrijheid, rechtvaardigheid en menselijkheid. Iedere vorm van onrecht wordt veroordeeld, aangepakt in goedlopende verzen waarin de betekenis altijd herkenbaar is. Ook als het gaat over iets bescheidens als de gehakte damesschoen weet Herzberg haar afwijzing genuanceerd over het voetlicht te brengen:

    ‘Dames!

    We geven toe
    aan dwang en leer
    de voet, gehoorzaam
    aan de schoen
    laat zich
    in vreemde
    vormen dwingen
    maar toch niet
    álles
    met zich doen.’

    In de ritmische opbouw met korte zinnen toont Herzberg haar poëtisch vernuft. Het zijn de terloopse, alledaagse onderwerpen die ze een podium geeft en op doortastende wijze in een vorm giet. Er zit een soort vanzelfsprekendheid in deze werkwijze, alsof ze iets aanhaalt wat allang gemeengoed is, maar juist door de vorm weer opnieuw onder de aandacht wordt gebracht. En dat op volstrekt originele wijze. De lezer herkent de beschreven situatie maar wordt telkens weer verrast door de invalshoek die de dichter gebruikt. Hier wordt poëzie tot middel gemaakt: een manier om de wereld om ons heen uit te leggen en de schoonheid van de gewoonheid te benadrukken door een unieke taalbeheersing.

    Dronken

    Een avondje met overmatig drankgebruik staat aan de basis van het gedicht ‘Ladderzat’:

    ‘Dat wat ik voor een oogwenk houd
    waarin mij, nu het nét nog gisteravond is
    iets over vorig jaar vanuit de vreemde kast
    wordt toevertrouwd blijkt
    nu het alweer bijna
    morgenochtend wordt
    het kijken van twee ogengrote
    hars tranende kwasten
    in het verse hout.’

    Wakker worden in een vreemde kamer en de wereld in een ander daglicht zien, dat is voor de dichter een nieuwe ervaring die een eerdere herinnering corrigeert. Net als in de meeste gedichten is hier te zien hoe Herzberg, met een minimum aan interpunctie, het enjambement beheerst. De trefzekere regelafbreking zorgt voor een stuwende werking die het gedicht, regel voor regel, naar het verrassende einde duwt. Een einde dat herkenbaar is in vrijwel alle gedichten van Herzberg, het is een uitkomst die de lezer op het goede of juist op het verkeerde been zet.

    Het al eerder genoemde engagement is een opvallend kenmerk in deze sterke bundel. Een betrokkenheid die zich het meest uit in verontwaardiging over misvattingen die volgens Herzberg rechtgezet dienen te worden. Of het nu gaat om bedreigde dieren, een ingelijst schilderij, een weerbarstige dekbedhoes, de dichter lijkt een missie te hebben om grote en kleine zaken aan de kaak te stellen en er haar visie op los te laten.

    Ook de liefde ontkomt niet aan Herzbergs verontwaardiging. Het alom gevierde liefdesgedicht ‘The more loving one’ van W.H. Auden is een volgend doelwit dat aangepakt moet worden. Dat gebeurt in het prachtige ‘Ging hij daar prat op’:

    ‘”If equal affection cannot be
    let the more loving one be me.”
    Ging hij daar prat op of hoe zat dat
    eerlijk en edel leek het me
    niet eens zo lang geleden
    nu denk ik: waarmee laadt hij
    de ander op, degene die
    zo’n grote voorraad
    nog niet heeft opgeslagen
    en dat krijgt opgeplakt:
    “less loving one” moet heten
    alsof het meetbaar was.’

    Zo wordt een hartstochtelijke liefdesverklaring die aanvankelijk ‘eerlijk en edel’ leek, omgezet in een aanklacht tegen de meetbaarheid ervan. En tegelijkertijd een bedekte aanval op het haantjesgedrag van de dichter. Als Judith Herzberg die scherpte, in combinatie met haar verfijnde taalbeheersing, overeind weet te houden, valt er hopelijk nog jarenlang van deze dichter te genieten.

     

     

  • Vederlichte verzen

    Vederlichte verzen

    Zijn jongensdroom om te kunnen vliegen heeft de in 2019 overleden Belgische kunstenaar Panamarenko nooit losgelaten. Heel zijn carrière lang bouwde hij machines met vleugels om die droom te verbeelden. Hij was niet de enige met zo’n droom. Verre van. Al eeuwenlang blijft de mens de vogels bewonderen om hun vliegkunsten. Ook dichters lijken begeesterd te zijn door de gevleugelden van het dierenrijk. Van vogels krijg je nooit genoeg is de waarachtige titel van een bloemlezing Nederlandstalige vogelpoëzie, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Uit die honderdvijftig gedichten kan de lezer trachten achterhalen waarom de titel zo correct aanvoelt en waarom niet alleen dichters, maar mensen uit allerlei geledingen, gefascineerd blijven door vogels en soortgenoten.  

    Vogelvrij en verscheiden

    Ook in deze anthologie vormt de verwondering het startschot om enkele verzen aan vogels te wijden. Een enkele observatie kan volstaan om een hele beeldenwereld en wirwar aan verlangens te ontsluiten. Soms is de wens om bijvoorbeeld een reiger te zijn ook vrij letterlijk te nemen, zoals in een naamloos gedicht van Ed Franck: ‘Eénbenig / spiegel ik me / in een zomerse plas / aan een blauwe reiger / wat weinig / veren voor een vogel / de armen te hoekig / voor sierlijke vleugels // Maar stilstaan / op één been / kan ik al.’ Maar de variatie in aanpak is enorm. Gaande van de puntige abstractie van Judith Herzberg ( ‘bijna nooit zie je een vogel in de lucht / zich bedenken / zwenken terug) tot de absurde humor van Jan Hanlo’s gedicht mus (‘Tsjielp, tsjielp, tsjtielp…’).

    Niet enkel het taalregister maar ook de kwaliteit van de gedichten vertoont in deze bundel sterke schommelingen. Om te kunnen schommelen heb je uitmuntende uitschieters nodig en die zijn zeker aanwezig en bevatten een intense zeggingskracht. Die poëtische intensiteit ontstaat als de dichter zijn lezer vanuit een ordinaire waarneming weet mee te voeren naar een anders onbereikbare gedachte of onbekend gevoel. Zo oppert de dichteres Hanny Michaelis door het observeren van twee duiven die als ‘populaire vredessymbolen’ ‘menswaardig’ met elkaar zitten te vechten de volgende gedachte: ‘leerzaam tafereeltje voor wie / net als ik geneigd is / meer van dieren te houden / dan van de meeste mensen.’  En een opvliegende duif wekt bij Roland Jooris afstand op: ‘Eensklaps en wit / laat zij slechts / verte / in mij na.’ 

    Alledaagse verzen

    Soms blijft zo’n verdieping of bevraging van het vanzelfsprekende jammerlijk achterwege. De beelden verzanden in het alledaagse en ook de taal blijft braaf. In ‘tsjilp’ van Jaap Robben bevatten de verzen een aantal sentimentele strofes die niet verrassend genoeg geformuleerd zijn om echt te ontroeren: ‘voordat ik haar daar leg / hou ik haar stijve lijfje / dicht tegen me aan//.’ Dat is best een aardige en lieve strofe, maar meer ook niet. Wanneer eenvoudige taal de scherpte mankeert om een herkenbare situatie te ontstijgen, dan blijft het gedicht vastplakken aan het banale en wordt daarmee vleugellam. Dat is zeker het geval als je het vergelijkt met de spitsheid in ‘Eén zwaluw’ van Toon Tellegen: ‘Jij, / jij was een zwaluw, / De eerste zwaluw, // en je maakte zeven zomers / zonder één winter ertussenin. //’

    Natuurlijk pretendeert zo’n thematische bloemlezing niet per se baanbrekende poëzie te bevatten en hangt veel af van wat de samenstellers beogen. In hun bondige maar goed toegelichte voorwoord beamen Jan de Bas en Arie Bijl hun hoop dat ‘deze bloemlezing u als lezer inspireert om van vogels en poëzie te genieten’. De verzen van Robben of het reigerverlangen in het gedicht van Ed Franck kunnen dankzij hun laagdrempeligheid inderdaad grote groepen mensen charmeren. En de kwaliteit is allesbehalve slecht. Maar eerder in het voorwoord verklaren de samenstellers dat ‘dichters proberen om in taal door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten en het gedrag van de vogel kan de lezer in zijn eigen gedragsspiegel laten kijken.’ Dat doel wordt door de meerderheid van de gedichten in deze bundel dan weer amper behaald.

    De beelden die wel op het netvlies blijven kleven kunnen echter een prima kennismaking inluiden met een voor de lezer onbekende poëet. Enkele van de interessantste gedichten uit de bundel zijn dan ook al redelijk exemplarisch voor de stijl en taal van een auteur: de minimale abstractie van Roland Jooris of de absurditeit van Hanlo en net zoals in zijn romans behandelt Ted van Lieshout in ‘dag mus’ schuldgevoelens en daderschap: ‘Wij vonden een gewonde mus / en legden hem in een doos. / Anders was hij doodgegaan. // […] Het leven van zoiets kleins is te teer / voor mensenhanden. Hij wijst ons / met zijn pootjes als daders aan.’

    ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’

    Al vanaf de bovenstaande en oudst bekende Nederlandse zin doorkruisen vogels allerhande de poëzie van de lage landen. Nog steeds hebben alle vogels nesten en nog steeds krijgen we nooit genoeg van deze dieren. Ook niet na het doorbladeren van deze bloemlezing. Pauwen, meeuwen, roerdompen, merels, meerkoeten, hoenen… Zo divers als het vogelrijk zich laat gelden, zo veelzijdig is de hedendaagse poëzie. Wie deze anthologie als vogelgids of een verzameling baanbrekende gedichten beschouwt, zal na een tijdje gefrustreerd raken. Misschien is deze lectuur als het vogelspotten zelf. Bladzijde na bladzijde zie je niets op de bladspiegel neerstrijken. Heb geduld en blijf geconcentreerd verder speuren en lezen. Want opeens komt er een magnifiek exemplaar aanvliegen, een uitmuntend gedicht. Volg zijn vlucht en ga op zoek naar meer van deze auteur. Treed in de vleugelslag van Panamarenko en vlieg de vogel of verzen achterna. Deze gevleugelde woorden zullen je meevoeren naar de hoogste boom, naar zijn nest en naar het kloppende hart van de poëzie. 

     

     

  • Geen internet

    Geen internet

    Afgelopen weekend stond er een interview met Judith Herzberg in de Volkskrant. Het ging over muizen, schoenen, taart, woorden die goedkoop zijn, zoals ‘vreemd’. Herzberg is op haar achtentachtigste nog steeds een dichter die zoekt, schrijft, aarzelt, niet weet of het wat is. Of er nog dingen zijn, gezien haar leeftijd, die ze per se wil doen, werd er gevraagd. ‘Die zijn er de hele tijd’, zei Herzberg. En of er ook nog persoonlijke dingen spelen die opgeruimd moeten, ‘met mensen enzovoorts’. Dat vindt Herzberg van geen enkele relevantie voor het gesprek. ‘We moeten wel onderscheid maken tussen privé en werk in een interview, Dat moet. Dat wil ik altijd graag.’ En, ‘Het persoonlijke gaat vreemden geen barst aan.’ Ik bewonder haar pertinentheid. 

    Eind vorig jaar verscheen de bundel Sneller langzaam – reden voor dit interview – maar ze wil het er niet over hebben. ‘Ik ga toch niet met jou mijn eigen bundel bespreken? Ik heb het al geschreven.’, zegt ze tegen de interviewer. Direct gevolgd door: ‘Zullen we de bordjes wegzetten? Of wil je nog meer taart eten? Het is heel machtig. Denk dat de muizen er gek op zouden zijn.’ Wat zomaar een gedicht zou kunnen zijn. Herzberg heeft geen internet, moet ze ook niet aan denken zegt ze, ‘anders ging ik me de hele dag ergeren aan allerlei onzin.’
    Dan die muizen. Eerst was er een, toen waren er twee. Herzberg voorzag dat het er in korte tijd meer zouden zijn. Ze werden brutaler, een muis klom in de gordijnen, de ander kon haar zo aanstaren, midden in de kamer, zich afvragend, wat doet die vrouw hier?

    Een vriendin van mij kijkt altijd eerst naar iemands haarsnit en dan naar de schoenen. Het gaat vanzelf, het is een eigenschap. Herzberg kijkt naar schoenen. ‘Ik heb jouw schoenen ook al bekeken,’ zegt ze tegen de interviewer, ’toen je niet keek.’ Wat ze ervan vond. ‘Heel goeie schoenen.’
    Door Herzberg heb ik gedichten paraat die ik zo kan declameren:

    ‘Vraag
    Hoe is dat zo geworden
    Van altijd komen slapen
    Tot nooit meer willen zien?’ 

    Vorig jaar verscheen een uitgebreide versie van de overzichtsbundel Doen en laten uit 1994. Mooie uitgave, stevige kaft. Daarin staat het gedicht, ‘Het hart’. Over een donorhart dat het niet redt in een ander lichaam. Herzberg verplaatst zich in het hart, dat bij de begrafenis niemand aan dat hart denkt waar niks mee aan de hand was voor het in een ander lichaam werd geplaatst.
    ‘(…) niemand riep: Ho dat gaat zomaar niet, hier wordt een hart begraven in een borst die het verstoten heeft’. Haar gedichten ontstaan uit waarnemingen, overblijfselen van ervaringen van anderen, van haarzelf. Ze zegt daarover, ‘Het is allemaal gestolen. Het is toeval, het is toevallig waar je tegenaan loopt.’ Om van dat toevallige net dat juiste weer te geven waardoor het een typisch Herzberg gedicht wordt, dat is de kunst. Ik las het interview,(een van de mooiste dat ik in tijden las), meerdere keren. Er ontstond het sterke verlangen in navolging van Herzberg zonder internet te leven. Laat ik beginnen met te verdwijnen van Instagram en Linked-in. Judith Herzberg, mijn ‘influencer’.

     

     

    Interview door John Schoorl


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft op het snijvlak van literatuur en het gewone leven.

     

     

  • Probeersels

    Probeersels

    Er is behoefte aan orde. Het moment om een plank vrij te maken voor dichtbundels die gestapeld tegen de muur staan. Ze een voor een ter hand nemen. Begin met Achmatova, eindig met Wislawa Szymborska. Daartussen Bindervoet, Brands, Michaelis, Perk,en Schouten naast Schaffer. ‘t Hart (Kees), voorafgegaan door Van Geel, daarna Hertmans, Van Hest, Heytze op weg naar Hussem, Jansma, Jonker, Van der Linden, Lagemaat, Perk, Pessoa, Perquin en meer. Ik sta met Herzberg in mijn handen, haar eenvoud in haar gedichten is hoe ze als mens is. De drieluik Leedvermaak, Rijgdraad en Simon wordt weer op toneel gebracht. In een interview in de Volkskrant werd haar gevraagd of dit drieluik een belangrijk stuk in haar oeuvre is. Ze zei, ‘Welnee. Om te beginnen héb ik geen oeuvre. Dat vind ik een veel te groot woord. Ik beschouw niets van mijn werk als “belangrijk”. Als ik het zelf belangrijk zou gaan vinden dan zou ik helemaal verstijven. Het zijn allemaal probeersels.’ Creaties als een ruimte waaruit ontsnappen mogelijk is.

    Ik denk aan Wim Brands die zes jaar geleden op 4 april uit het leven stapte. In Alles komt goed, delen tweeëntwintig auteurs herinneringen aan hem. Herzberg schrijft over de keer dat ze samen met hem op Het Tuinfeest in Deventer was. Ze had hem nooit ontmoet, kende hem enkel van zijn boekenprogramma, waar ze zogezegd verslaafd aan was. ‘Wim beschikte over een enorme voorraad oproepbare weetwaardigheid. Daardoor voelde wie door hem gevierd werd, geïnterviewd bedoel ik, voelde zo iemand zich zowel heel precies en aandachtig als eenling erkend, als ook ingebed in een veel groter geheel.’ De verspreking ‘gevierd’ in deze, is geweldig. Herzberg herinnert zich ook hoe ontzet ze was toen hij tijdens zijn optreden regels uit het gedicht over de dood van zijn vader voorlas. ‘Het leek of hij ze het publiek in smeet. Voor mij waren ze nieuw en ik neem aan dat ze dat ook waren voor veel mensen die om me heen zaten en stonden’. De volgende ochtend treffen ze elkaar bij het ontbijt in de hoteltuin. Ze wil wel iets zeggen over zijn gedichten, maar weet niet wat. Ik was er niet bij maar ik denk dat het regels uit dit gedicht waren die hij voorlas:

    (…)
    Hij verhing zich.

    Brak hij toen zijn nek?
    ik vraag het me opeens af
    nu ik dit schrijf

    maar ik durf het niet te vragen
    En aan wie?

    Brands gaf Herzberg een bundel met een opdracht, die ze eerst niet kon ontcijferen. ‘Nu het me toch gelukt is te lezen wat hij had geschreven werd ik met terugwerkende kracht ontroerd.’ Dit stond er: ‘Dag Judith, ik doe je deze bundel graag cadeau omdat ik door het lezen van o.a. jouw poëzie ooit dacht: dat moet ik ook eens proberen, gedichten maken. Liefs, Wim.
    Herzberg ziet dat er eerst, ‘door het lezen van jouw poëzie’ stond. Dat er later, heel klein ‘o.a’ tussen was geschreven. ‘Onder andere,’ schrijft ze, ‘Dat maakt het redelijker, betrekkelijker, grappiger en groter.’ Ik denk aan Wim Brands die dichtregels het publiek in smeet, als wilde hij er vanaf. Hoe definitief dingen zijn als je het onherroepelijke doet.   

     

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee / Wim Brands/ Nw A’dam 2014


    Inge Meijer is een pseudoniem, koopt zich een fiets, leest boeken tot de laatste bladzijde.

  • Dat ene gedicht

    Dat ene gedicht

    Ik las in de krant over het leven van Marie Stoppelman (1914-1994) kinderarts, later chef de clinique kindergeneeskunde in het Amsterdamse Binnengasthuis. Als jonge vrouw werd ze samen met haar broer, nadat ze verraden waren, in mei 1944 naar Auschwitz vervoerd. Hij kwam in werkkamp Auschwitz l terecht, bezweek daar. Zij ging naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau, waar haar bij aankomst op het hart werd gedrukt te zeggen dat ze arts is. Ze komt te werken in de ziekenboeg van het vrouwenkamp onder leiding SS-arts Josef Mengele. Haar taak is de vrouwen op te vangen die, ‘gruwelijke proeven hebben ondergaan: sterilisaties, hoge doses röntgenstraling, injecties met petroleum’. Medische experimenten die de uiterste grens van menselijke verdraagzaamheid overschrijden. Ze is er getuige van hoe zieke vrouwen die niet meer kunnen lopen, van de ene naar een andere barak worden verplaatst.

    Ze ziet hoe Mengele de zieke vrouwen in de laadbak van een vrachtwagen gooit, hoe hij bij aankomst bij de andere barak begint te schelden, omdat de meeste vrouwen nog leven; ‘het aantal doden valt hem tegen.’ Haar leven was een ‘Russische roulette’, je wist nooit wanneer je iets fout deed en Mengele je liet afvoeren. Overleven is een vreselijke zaak. In januari 1945 wordt ze bevrijd. Er staat: ‘Wat daarna kwam zou Auschwitz-overlevende Primo Levi beschrijven als een beproeving, “vrij maar niet verlost”.’ De Italiaanse schrijver, van februari 1944 tot januari 1945 gevangene in werkkamp Auschwitz lll, schreef verschillende boeken over Auschwitz en de tijd daarna. In De verdronkenen en de geredden schrijft hij, ‘het Lager [was] een wreed laboratorium, waar je situaties en gedragingen kon observeren die noch eerder, noch later, noch elders ooit hebben bestaan.’ 

    Na de oorlog sprak Marie Stoppelman met niemand over wat ze had doorgemaakt. Wel legde ze verschillende getuigenverklaringen af, ook tegen de voortvluchtige Mengele. Na haar pensioen werd ze overvallen door haar herinneringen aan het kamp. Tegen een oud-collega zei ze, ‘het is zo vreselijk, alles komt weer naar boven.’ Ze was nooit getrouwd bekende ze eens, ‘omdat ze kinderen niet wilde belasten met haar trauma.’
    Na lezing van deze indringende geschiedenis was er stilte. De hele dag en de dag erna, als ik aan haar dacht, had ik geen woorden. Ik had de verhalen gehoord, de boeken gelezen. Had mezelf wel eens betrapt op de verwerpelijke gedachte er genoeg van te weten, dat we verder moesten. Hoe arrogant, zulke gedachten. Het verleden bepaalt nog steeds het heden. Steeds opnieuw moeten de verhalen van overlevenden van de Holocaust gehoord worden.

    Primo Levi heeft het in De verdronkenen over het clichébeeld dat de ‘zegening heeft gekregen van de literatuur en poëzie’, dat daarmee de zaken mooier worden voorgesteld dan ze zijn. Toch ging ik naarstig op zoek naar een woord, een regel. Bladerde door de prachtige bundel met troost biedende gedichten, vond niets dat toereikend was aan wat ik voelde. Was er dan niet voor alle soorten van verscheiden passende poëzie? Of wacht, daar, dit gedicht van Judith Herzberg:

    ‘Bedroefd bedroefd
     en zo bedroefd
     dat droefenis in woede
     oversloeg. Toch waren
     droefenis en woede
     niet genoeg
     nog altijd niet genoeg’

     

    (Uit: Dood gewoon gaan hemelen, uitg. Plint)

    Volkskrant-redacteur Ellen de Visser reconstrueerde het levensverhaal van kinderarts Marie Stoppelman.


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft met de ramen open.

  • Van achteren naar voren leven

    Van achteren naar voren leven

    Soms lees je een zin waarbij je het idee krijgt, dat daarin misschien wel een heel boek, een heel oeuvre besloten ligt. Of, liever: dat je vanuit die ene zin opeens alles meent te begrijpen. Voor de een zal dat een andere zin zijn dan voor de ander die het kwartje doet vallen met betrekking tot een bepaald boek, oeuvre of – in dit geval – drie toneelstukken: Leedvermaak (1982), Rijgdraad (1995) en Simon (2001), de zogenaamde Leedvermaak trilogie van de winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren Judith Herzberg.

    Wat zij ten diepste wil zeggen

    In Leedvermaak, dat in 1972 speelt, is het de zwerver Daniel die op driekwart van het stuk zo’n zin uitspreekt: ‘Omdat ik van achteren naar voren leef’. Een zin die doet denken aan het beroemde adagium uit een van de dagboekfragmenten van de Deense filosoof Søren Kierkegaard: ‘Het leven kan slechts achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd’. Dat wil volgens kenners zeggen, dat het bestaan nooit helemaal kan worden begrepen.
    Er is echter nóg zo’n soort omschrijving, die Kierkegaard boven de onlangs verschenen Christelijke toespraken zette: ‘Gedachten die van achteren treffen – ter opbouwing’. Dat zou dan weer slaan op het als nieuw horen van een oude tekst.
    In beide citaten zit iets van wat Herzberg vermoedelijk bedoelt, want wat zij ten diepste wil zeggen is, dat iemand die de Tweede Wereldoorlog in de kampen of in de onderduik, of welke crisis dan ook heeft meegemaakt, niet anders kán dan doorleven met die ervaring in het achterhoofd. 

    Elke scene gaat over de oorlog

    Laten we wel wezen, in elk van de drie toneelstukken speelt de oorlog mee, al gaat het an sich niet over de oorlog. In elke scène, elk lied of duet, want er zit muziek bij, gaat het over de oorlog. Soms schrijnend, zoals in Leedvermaak in de scènes over een tram of trein (‘En we gaan nog niet naar huis / nog lange niet nog lange niet’), soms als een klap in je gezicht à la Kierkegaard: ‘Wij wensen u een goede reis’. Het laatste geeft de onnadenkendheid weer die Hannah Arendt de ‘banaliteit van het kwaad’ noemde. 

    In dit eerste toneelstuk worden de hoofdrolspelers tijdens een bruiloftsfeest voorgesteld: Lea, een violiste en haar man Nico, een arts. De ouders van Lea: Simon, een geslaagd zakenman en Ada, een hoedenontwerpster, Zwart, een hoopvol zakenman en vader van Nico, zijn vrouw Duifje, die in een stomerij werkt en Riet, de oorlogsmoeder van Lea die werkzaam is als fabrieksdirecteur. 

    Herinneren in de toekomst

    Het tweede toneelstuk Rijgdraad gaat over herinneren en datgene wat je overkomt. Zwart zegt: ‘Werd ik maar seniel (…). Dan ben je toch van alles af!’ Het is dezelfde die zegt dat de oorlog doodnormaal is ‘voor wie het meemaakt. Doodnormaal!’ Het is een andere toon dan in Leedvermaak, er is een zekere dubbelzinnigheid voor in de plaats gekomen. Neem Pien, een naoorlogse vrouw en van origine niet-joods, die haar zeven kinderen in een bolderkar zet. Zij beginnen te huilen en te schreeuwen. ‘Stuk voor stuk’, zegt ze, ‘het gevoel dat ze niet genoeg plaats hebben’. Lea zou het ‘associaties’ noemen. Dat zei ze tenminste toen iemand viel over het woord ‘weghalen’ van een baby: ‘Het woord alleen al!’
    De humor is in dit stuk minder beladen. Zoals diezelfde Lea, die als ze een zoontje zou krijgen, hem Isaac wil noemen, maar dat wil Dory óók al. Tot Lea’s vader uitlegt dat dit komt omdat Dory’s vader Isaac heet, waarop Lea zegt: ‘Ik wou het alleen maar vanwege Isaac Stern’, naar de beroemde violist.           

    Ada zegt als vervolg op de hiervoor genoemde zin van Daniel in Leedvermaak: ‘Mijn herinneringen slaan op de toekomst. Ik herinner me alles wat nog gaat gebeuren’, zoals het feit dat ze ‘gewoon [is] gestorven doordat [ze] een versleten hartklep had’. Hoewel Lea haar toch als een oorlogsslachtoffer wil bestempelen en haar het zwijgen over de oorlog verwijt. 

    ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’

    Het surreële neemt in het laatste stuk van de trilogie, Simon, toe. Ada hangt aan een kledingrek met wintermantels, een boekenkast is dan kast dan weer een foto van een kast, Simon laat alles uit zijn handen vallen, wat op het toneel eerst een slapstick en daarna beklemmend moet overkomen; eten als dieren van de grond. ‘I didn’t mention de oorlog, did I?’ zegt Hans, een ex-leraar en zakenman even verderop. Maar toch. Je voelt het, je ziet de beelden op je netvlies. 

    Ook als de trilogie ten gevolge van de corona-crisis niet zou kunnen worden opgevoerd. Want dat was de bedoeling: voor het eerst, in zijn geheel in een marathonvoorstelling door Het Nationale Theater en Asko|Schönberg in de regie van Eric de Vroedt, waarbij Simon überhaupt voor het eerst op de planken zou worden gebracht.
    Wanneer het gespeeld wordt, zal duidelijk worden dat het niet primair over de oorlog gaat, maar over een ‘gewone’ familie die moeizame relaties onderhoudt tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Dat zou nu, anno 2020, weer twintig jaar later, net zo goed de corona-crisis kunnen zijn die alles op scherp zet. In huis, waar de hele familie aanwezig is, inclusief huilende en schreeuwende kinderen, inclusief het soms wegkijken en niet-begrijpen van de ernst van de zaak. Zo actueel is deze trilogie, die relaties tegen de achtergrond van een crisis schijnbaar terloops en op luchtige toon ten tonele voert. Ook als zij niet kan worden opgevoerd, rest deze fraaie, complete uitgave. 

     

  • Oogst week 7 – 2020

    Weersverwachting

    Deze week een scherpzinnige roman van de Amerikaanse Jenny Offwell, een trilogie in toneelteksten van Judith Herzberg en de eerste roman van de Zambiaans/Amerikaanse Namwali Serpell.

    De Amerikaanse schrijver Jenny Offwill (1968) wordt na haar laatste roman Verbroken beloften – over een vrouw die kunstenaar wil worden maar zichzelf verliest in het (ook bij Rachel Cusk een leidend thema) moederschap – op een lijn geplaatst met de Britse Anne Enright en Rachel Cusk. Dat Offwell een scherp observator is en dit in prachtige zinnen beschrijft, blijkt ook uit haar derde roman Weersverwachting. Een roman over een jonge vrouw, met een bijbaantje in de bibliotheek van de universiteit waar ze eigenlijk wilde promoveren. Maar haar zorgen om haar broer, een exverslaafde en voor het eerst vader geworden, leidden haar af van dat doel. Ze voelt zich verantwoordelijk voor hem, wat ten koste gaat van haar eigen leven en dat van man en kind. Als ze door haar voormalige promotor, een klimaatwetenschapper en populaire podcasthost, gevraagd wordt te helpen bij het verwerken van een groeiende stroom aan brieven en mails, begint ze vragen te beantwoorden van klimaat- en religieuze doemdenkers. Het verdiepen in deze rampenpsychologie maakt dat ze steeds minder goed in staat is een overlevingsstrategie voor zichzelf te bepalen, om te kunnen ontsnappen aan een leven dat ze niet gewild heeft.

    Weersverwachting
    Auteur: Jenny Offill
    Uitgeverij: De Geus

    Leedvermaak trilogie

    Vorig jaar ontving Judith Herzberg de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren. Herzberg is vooral bekend als dichter, minder bekend is dat ze ook een van onze belangrijkste toneelschrijvers is. In 1982 schreef ze het stuk Leedvermaak dat als een mijlpaal wordt gezien in de toneelgeschiedenis en in 1989 verfilmd door Frans Weisz. Een weergave van hoe de oorlog doorwerkte in de levens van latere generaties. Dertien jaar later schreef Herzberg Rijgdraad (1995), en nog weer zes jaar later Simon (2001). Hoofdrol spelen Nico en Lea, haar ouders Ada en Simon, Dory (de ex van Nico), Lea’s onderduikmoeder Riet, Nico’s vader en stiefmoeder Zwart en Duifje, kinderen en kleinkinderen.
    Als geen ander weet Herzberg  In schijnbaar terloopse en zo eigen aan Herzberg, luchtige dialogen vorm te geven aan het ongemakkelijke leven van onderduik- en kampoverlevers na de oorlog. De toneelteksten kenmerken zich door een zwijgend wegkijken, een niet kunnen (of willen) begrijpen van de ander.
    De trilogie is een klassieker en al lange tijd uitverkocht. Dat er een nieuwe editie van Leedvermaak Trilogie verschijnt, heeft te maken met de opvoering van alle drie de toneelstukken in een marathonvoorstelling dit voorjaar door Het Nationaal Toneel, een bijzonderheid, want niet eerder werd de trilogie in zijn geheel uitgevoerd. De nieuwe editie van deze klassieker is het begin van een integrale uitgave van het hele toneeloeuvre van Judith Herzberg. Iets om naar uit te kijken.

    Leedvermaak trilogie
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: De Harmonie,

    De rook die dondert

    Professor Engels en schrijver Namwali Serpell (1980, Zambia) woont sinds haar negende in de Verenigde Staten. Haar korte verhalen werden gepubliceerd in literaire tijdschriften, verschillende daarvan werden bekroond, zoals in 2015 met de ‘Caine Prize for African Writing’. Haar roman De rook die dondert (The Old Drift) verscheen onlangs in vertaling van Linda Broeder bij AtlasContact.
    Een ingenieuze roman over het lot van drie vrouwen die om verschillende redenen in Zambia wonen. Agnes, de blinde dochter van een Britse parlementariër wordt verliefd op een ingenieur. Ze gaat er met hem vandoor naar zijn thuisland Zambia, dat op het punt staat onafhankelijk te worden. Sibilla groeit als buitenechtelijk kind op in een gehucht in Italië, ze is van top tot teen bedekt met haar. Ze vlucht met haar geliefde naar Zambia om een nieuw leven op te bouwen. Wiskundige Matha, is in Zambia geboren, en wordt overvallen door een eindeloze tranenvloed nadat ze ongewenst zwanger bleek en gedwongen werd een veelbelovende carrière op te geven. De levens van de kinderen en kleinkinderen van deze vrouwen raken in de daarop volgende decennia onvermijdelijk verbonden met het lot van een hele natie.

    De rook die dondert
    Auteur: Namwali Serpell
    Uitgeverij: Atlas Contact
  • Oogst week 46 – 2019

    De man in de rode mantel

    De Amerikaanse portret- en landschapsschilder John Singer Sargent (1856-1925) maakte met zijn Portrait of Madame X (1883-1884) de tongen los: omdat het expliciet erotisch zou zijn, maar wellicht ook omdat het een weergave was van aristocratische stijl en decadentie die niet werden gewaardeerd in de Franse bourgeoisie-kringen van destijds (aldus Jonathan Jones in The Guardian). Vanwege alle ophef exposeerde Singer zijn Dr. Pozzi at Home, dat hij in 1881 al voltooide, in Londen onder de naam A Portrait. Singer zou met die anonimiteit de reputatie van de geportretteerde, de jonge chirurg en gynaecoloog Samuel-Jean Pozzi, hebben willen beschermen. Poserend in een flamboyant rood gewaad, zijn hand op zijn borst, wendt Dr. Pozzi zijn blik van de toeschouwer af. Het schilderij vormde de inspiratiebron voor de alom geprezen auteur Julian Barnes, die de lezer in zijn De man in de rode mantel langs ingrijpende gebeurtenissen gedurende de Belle Époque voert, maar vooral de mysterieuze figuur Pozzi in een nieuw licht plaatst en hem de biografie schenkt die hij naar Barnes’ idee verdient.

    De man in de rode mantel
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Atlas Contact

    De dood van Jezus

    Nobelprijs- en tweevoudig Booker Prize-winnaar J.M. Coetzee sluit zijn saga over het leven van de jonge Davíd af met De dood van Jezus (vertaling Peter Bergsma), waarin hoofdpersoon Davíd zich geëngageerd toont en gaat, zonder dat zijn ouders Inès en Simón enige inspraak hebben op zijn keuze, in een weeshuis wonen. Als hij kort daarna onverklaarbaar en ernstig ziek wordt, vrezen zijn ouders voor zijn leven. Coetzee schuwt diepe thema’s en emoties niet in zijn nieuwe roman – iets wat hij volgens kenners van zijn werk per definitie niet doet. Zoals Griet Op de Beeck eens zei: ‘(Precies daarom) is hij me zo lief: hij loopt niet in een boogje om de grote emoties heen, maar staart ze vol in het gezicht.’

     

    De dood van Jezus
    Auteur: J.M. Coetzee
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Vormen van gekte

    In het gedicht ‘Een kinderspiegel’, uit Beemdgras (1968), reflecteert dichteres en toneelschrijver Judith Herzberg op het ouder worden – en alle ongemakken die de verteller in de toekomst liever uit de weg zou gaan:

    ‘Als ik oud word neem ik blonde krullen
    ik neem geen spataders, geen onderkin,
    en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
    dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
    alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.’

    Nu, op haar vijfentachtigste, is Herzberg even jong van geest en actief als altijd. In Vormen van gekte, haar nieuwste bundel, zijn zowel oude als nieuwe gedichten opgenomen. Herzbergs werk werd onder meer bekroond met de P.C. Hooft-prijs, de Constantijn Huygens-prijs en de Prijs der Nederlandse Letteren.

    Vormen van gekte
    Auteur: Judith Herzberg
    Uitgeverij: Uitgeverij De Harmonie