• Oogst week 42 – 2019

    Nacht en dag

    Deze week in de oogst twaalf verhalen van de Britse schrijver Cynan Jones in vertaling van Jona Hoek, gedichten uit het nest geroofd in Het Liegend Konijn onder redactie van Jozef Deleu en een nog niet eerder vertaald werk van Virginia Woolf door Barbara de Lange.

    De laatste roman die Barbara de Lange van Virginia Woolf (1882-1941) vertaalde was De jaren, die Woolfs omvangrijkste roman werd genoemd. Naar blijkt kan het nog omvangrijker. Nacht en dag,  verschenen in 1919 is de tweede roman van Woolf, en nog omvangrijker dan De jaren. Hoewel Woolf werd gezien als modernist was de kritiek op Night and Day dat niet vernieuwend was maar volledig in de Engels romantraditie stond. Een roman waarmme Woolf in de voetsproren trad van  door haar bewonderde Engelse schrijfster, met name Jan Austen. De openingszin is dan ook een Engelse klassieker: ‘Het was een zondagmiddag in oktober, en net als veel andere jonge dames uit haar kringen was Katherina Hilbery bezig thee te schenken.’ Na die eerste zin wil je verder, duik je onder in ontmoetingen tijdens theevisites en diners en loop je mee op de vele omzwervingen door de straten van Londen.

    Nacht en dag
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het Liegend Konijn 2019/2

    Twee edities per jaar verschijnen er van Het Liegend Konijn, een compact boekwerk waarin vele dichters geregeld nieuw werk presenteren. In de oktober uitgave zijn honderdvijfennegentig nieuwe gedichten, uit het nest van negenendertig dichter geroofd, waaronder vier gedichten van Anneke Brassinga, Demetercyclus in tien afdelingen van  Anna Enquist, Heidi Koren met twee gedichten, Delphine Lecompte met drie gedichten, Maarten Buser met vijf gedichten, Paul Demets met Plattelandgedichten in acht delen en Willem van Zadelhoff, enkel om alfabetische volgorde, sluit af met een reeks gedenkgedichten getiteld: Zonder aanzien des persoons, waarin onder meer Menno Wigman, Wim Brands en Jan elemans herdacht worden. Met een ware slotrede: ‘envoi’ waarvan hier het eerste couplet: aan het graf geen eenzame dichter / laat zijn hei elders zoeken /naar levenden om te wekken / met verzen en veerkracht’.

     

    Het Liegend Konijn 2019/2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Pelckmans

    De wetten van water

    Natuurelementen spelen een rol in het werk van de uit Wales afkomstige schrijver Cynan Jones (1975). In de novelle Inham vecht een man tegen de zee en wordt een man door de bliksem getroffen, bij De lange droogte is het een boer die de droogte van het land moet ondergaan. In De wetten van water, hebben de inwoners van een stad te maken met waterschaarste. De trein die de stad van water moet voorzien loopt het risico gesaboteerd te worden en mensen gaan de straat op om te demonstreren tegen het feit dat ze hun huizen moeten verlaten voor de bouw van een IJsdok. Een gebeurtenis waarbij veel emoties vrijkomen en raakt aan de tijd waarin we nu leven: die van de klimaatcrisis.

     

    De wetten van water
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik
  • Lanterfanten

    Lanterfanten

    Het liefst lanterfanter ik mijn dagen door. Beetje bramen en appels plukken, taart bakken, boek lezen aan de keukentafel, jampotjes vullen, pakketje aannemen bij deur, koffie zetten, later een wijntje. Dagen die ik graag afwissel met gewoon een dag in bed, beetje schrijven, boek lezen (dat blijft) en dan komen er gedachten los. Over het nut der schijnbare nutteloosheid deze keer. In het aprilnummer van Het Liegend Konijn wijst Jozef Deleu, de bezorger van, ja, ik kan niet anders zeggen, het meest onvolprezen poëzietijdschrift, ons op het nut van de nutteloze kunsten. Bezigheden die economisch gezien niets opleveren en derhalve nutteloos zijn. Deleu schrijft dat in een tijd waarin alles wordt afgewogen, kunst in de marge van de maatschappij wordt bedreven. Dat dichters (goddank!) er in blijven geloven ‘dat in de orde van de levende wezens de mens de nutteloze dingen, zoals het schrijven van gedichten en het maken van kunst, moet blijven doen.’

    Wie naar kunst kijkt, ziet vaak een vervorming van de werkelijkheid, maar juist die vervorming maakt dat we -bij herhaaldelijk kijken- vastgeroeste beelden loslaten. Wie een gedicht leest, ziet een wereld zoals die nog nooit getoond werd. Waarna je de grote, serieuze realiteit (verlorenheid der dingen, tweespalt tussen culturen, leven en dood) met zachte hand kunt benaderen. Een kunstenaar kent geen vaste contracten of werktijden. Geconditioneerde kunst is een kunstje. Stel je voor dat de kunstenaar een vaste baan aanneemt, in de pas gaat lopen van het rendementsdenken. Waar halen wij, lezers dan onze inspiratie vandaan? Ik ben blij dat Deleu zijn dichters opport tot het schrijven van poëzie (geloof maar dat elke dichter, gearriveerd of beginnend, ervan droomt dat Deleu ook hun nest met dichterlijke schrijfsels aandoet, daar een keuze uitmaakt en opneemt in Het liegend konijn. Voor de eeuwigheid gebundeld, een tijdsbeeld van poëzie.

    Dan, wat mij steeds weer treft, ongelooflijk grof en vernietigend, maar zo schoon beschreven, is dit. De wereld opgetrokken uit poëzie:
    ‘Ik vertrek uit ruïnes, met bloedende voeten zoek ik
    een weg door het puin. Het is even wat stiller, stof
    daalt neer, de scherpschutters zijn aan het bidden,
    daarna eten ze een broodje en duwen grappen en
    grollen brakend een tiener op haar knieen – de boog
    kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’

    Wie bekommert zich om de dichter die weggestopt in een kamertje of bezemhok zijn strofen schrijft. Schrappen en herschrijven tot de dood erop volgt en het de wereld in kan (Pessoa). Wie betaalt de schrijver voor zijn dagelijkse brood, wie betaalt de moeder (ik denk aan Hagar Peeters nieuwe dichtbundel De schrijver is een alleenstaande moeder) die haar kind klaarstoomt voor de wereld? Dat zijn wij natuurlijk, lezers die het lanterfanten tot kunst verheffen en heilig geloven in een soort zelfvoorzienendheid van het leven. Poëzie, dat is opium voor de ziel. En het kost niet veel.

     

    Gedicht fragment van Hier en daar van Esther Jansma, opgenomen in: Het liegend konijn 2019/1.


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met korting en leest elke dag.

     

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Oogst week 14

    Mevrouw Osmond

    In 1881 kwam Portret van een dame, de bekendste roman van Henry James uit, dat o.a. verfilmd werd met Nicole Kidman en John Malkovic in de hoofdrollen.

    In Portret van een dame wil de mooie, jonge Isabel Archer na de dood van haar vader een onafhankelijk en vrij leven gaan leiden en niet eindigen in een huwelijk, maar dat gebeurt desondanks toch. Ze trouwt met de nare Gilbert Osmond en wordt niet gelukkig.

    Portret van een dame laat de lezer in het ongewisse hoe het afloopt met Isabel, maar de Ierse schrijver en Bookerprijswinnaar John Banville heeft de draad weer opgepakt in zijn roman Mevrouw Osmond. Isabel Archer, mevrouw Osmond dus, ontdekt dat haar man haar jarenlang heeft misleid en overweegt wat ze moet doen.

    Mevrouw Osmond is niet ‘het vervolg op’, maar borduurt voort. In een geheel eigen stijl, met weliswaar veel dezelfde maar op een andere manier uitgewerkte hoofdpersonen. Mevrouw Osmond gaat over verraad, bedrog en moraal.

     

     

    Mevrouw Osmond
    Auteur: John Banville
    Uitgeverij: Querido

    Veldheer Banner

    Veldheer Banner is het tiende boek van Marie Kessels (1954) die in 1991 debuteerde  met de roman BoaVeldheer Banner beschouwt Kessels zelf als haar levenswerk. Het gaat over universitair docent Saul Banner die de ziekte van Parkinson heeft. Fotografe Dana Stromberg, een vriendin van hem, kijkt terug op hun ontmoetingen in het appartement dat hij eens in een aanval van razende woede kocht om zijn gezin en zijn dorp te ontvluchten en wat ruimte voor zichzelf te hebben.

    […] In die ene minuut van onze omhelzing werd ik me er heel sterk van bewust wat een brute gezondheid, wat een kolossale robuustheid ik meebracht nadat ik in het appartementencomplex naar binnen was gestormd en zijn voordeur achter me had dichtgegooid, met twee grote leren tassen aan mijn schouder en grote bewegingen waarmee ik ruimte in bezit nam. De verkwistende bewegingen van hen die het zich kunnen veroorloven om niet methodisch en niet economisch om te springen met hun lichaam, hun tijd, hun energie. […]

    Veldheer Banner
    Auteur: Marie Kessels
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Roza

    In 1959 komen negen studenten om op de Djatlovpas in het Oeralgebergte. Hun doel was de top van de Otorten, ze richtten hun kamp op op de oostflank van de Cholattsjachl, een streek die ‘al eeuwenlang het domein van de Mansen, een nomadenvolk dat voornamelijk van hun rendieren leeft’ is. ‘De namen van veel bergtoppen in het noorden zijn afkomstig van de Mansen. Zo betekent het oude woord Otorten ‘ga daar niet naartoe’ in het Mansi. De Cholattsjachl zouden wij vertalen als de ‘berg der lijken’.’

    Als de tent van de studenten tijdens een zoektocht gevonden wordt ‘blijkt het doek aan één zijde met een scherp voorwerp te zijn opengesneden. Binnenin worden negen paar bergschoenen aangetroffen, keurig op een rij.

    De lijken liggen op verschillende plekken en hebben allen uiteenlopende verwondingen.

    Een officieel onderzoek oordeelt dat de studenten een ‘overheersende, onbekende kracht’ gestorven zijn. Het gerechtelijk onderzoek wordt in mei 1959 officieel beëindigd en de processtukken verdwijnen tot in de jaren 90 in een geheim archief .

    In de roman Roza blikt Roza Andreja Onilova terug op haar ontmoeting met de studenten, enkele dagen voor hun dood, en op haar merkwaardige vlucht uit de voormalige Sovjet-Unie. Is haar fantasie op hol geslagen of weet Roza daadwerkelijk wat er die winternacht in 1959 op de Djatlovpas is gebeurd?

     

    Roza
    Auteur: Olivier Willemsen
    Uitgeverij: De Harmonie

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018

    Het nieuwe nummer van Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie, is verschenen. Twee keer per jaar – in april en oktober – brengt het blad een gevarieerd beeld van onze actuele Nederlandstalige poëzie. Het bevat uitsluitend nieuwe, niet eerder gepubliceerde gedichten.

    Dichters uit Het Liegend Konijn 2018/1:

    Obe Alkema, Jana Arns, Tina van Baren, Gilles Boeuf, David Bogaers, Fleur Bourgonje, Charlotte van den Broeck, Anne Büdgen, Dorothee Cappelle, Hendrik Carrette, Paul Demers, Charles Ducal, Vicky Francken, Eva Gerlach, Maarten Goethals, Luuk Gruwez, Sara Haven, Lucas Hirsch, Bernke Klein Zandvoort, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Peter Mangel Schots, Luc C. Martens, Giuseppe Minervini, Fred Papenhoven, Bert van Raemdonck, Lars Ruben, Mustafa Stitou, Bernadette Stom, Willem Thies, Florence Tonk, Peter Verhelst, Peggy Verzett, Arno van Vlierberghe.

     

     

     

     

     

    Het Liegend Konijn (jg. 16 nr. 1) 2018
    Auteur: onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Uitgeverij Polis
  • In memoriam Menno Wigman 1966-2018

    Een leven in dienst van de poëzie

    Een groot Nederlands dichter is gestorven. Het werd donderdag 1 februari op elk heel uur door de ‘Radio Nieuwsdienst van het ANP’ omgeroepen. Men stond stil en was geschokt bij het verscheiden van een dichter die niet veel publiceerde maar wat er van hem werd uitgegeven, was van grote klasse. Er ontbreekt in de Nederlandse poëzie plots een schakel, een tegenwicht, een klankbord. Aan de vooravond van Wigmans overlijden werd bekend gemaakt dat zijn laatste bundel Slordig met geluk, genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

    Menno Wigman, klassiek dichter met een onnavolgbare manier van formuleren, overleed donderdagochtend op 51-jarige leeftijd in het VU ziekenhuis te Amsterdam. Hij werd in slaap gehouden, zo vertelde zijn vriend de dichter F. Starik op Radio 1. Sinds 2014 rommelde het met zijn gezondheid, waarvan zijn laatste bundel, Slordig met geluk een weerslag is.

    Het leven van Wigman stond in het teken van de poëzie, zozeer dat hij geen tijd leek te hebben zich om iets anders te bekommeren. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van klassieke dichters als Rilke en Baudelaire – in tegenstelling tot zijn generatiegenoten die nieuwe dichtvormen ontwikkelden. Zijn gedichten waren metrisch, bevatten een sterk ritme en veel rijm. De thematiek in zijn werk was altijd: jeugd, dood, liefde, aftakeling en verval.

    Wigman was een goed voordrachtkunstenaar. Hij stond verschillende malen bij De Nacht van de Poëzie en werd voor Het Tuinfeest in Deventer de laatste vijf jaar, jaarlijks uitgenodigd. Een eer die voorheen alleen Gerrit Komrij ten deel viel.

    Hij debuteerde in 1997 met ’s Zomers stinken alle steden. In ruim twintig jaar publiceerde hij zes bundels waarvoor hij twintig jaar lang ’s nachts schreef. Naast zijn eigen bundels, waaruit een bloemlezing verscheen onder de modern-klassieke titel De droefenis van copyrettes (2009), publiceerde Wigman vertalingen van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.
    Tweemaal werd zijn dichtkunst bekroond. Voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs, en in 2015 werd hem de A. Roland Holst-penning toegekend.

    Van 2012 tot 2014 was Wigman stadsdichter van Amsterdam en moest als ambassadeur overal opdraven. Zelf zei hij daarover, (in een interview met John Schoorl V.K. 2016) dat het een te zware periode was, hij belandde met een hartkwaal op de intensive care, waarover hij zou berichten in Slordig met geluk.

    In 2014 was er het besef dat hij iets met zijn leven – anders dan het ten dienste stellen van de poëzie – moest doen. In 2011 publiceerde Jozef Deleu van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Laatste taxi’ van Wigmans:

    Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode.
    Ik telde doden, steeds meer doden, en ik dacht
    aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht
    en rook. En deze eeuw? Muziek en inzicht, veel
    verheffing. Google, woede, oorlog, mist.

    Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.
    Letterlijk niks houdt onze weerzin in bedwang.
    In chatrooms straalt een teder licht. Er is het recht
    op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam,
    noem het ontdaan van een Betekenis – en dan.

    Ik heb een jeugd gehad. Het is de laatste nacht
    van weer een jaar, ik leefde stil en kwam tot niets
    en zit nu in een taxi, buiten hoor ik schreeuwen,
    mensen die vuurpijlen afsteken, elkaar
    beroemde kussen geven. Ik kijk. Ik zie. Zal leven.

     

    Menno Wigman publiceerde:
    s Zomers stinken alle steden Prometheus, Amsterdam, 1997
    Zwart als kaviaar, Prometheus, Amsterdam, 2001
    Dit is mijn dag, Prometheus, Amsterdam, 2004
    De droefenis van de copyrettes, (bloemlezing) Prometheus, Amsterdam, 2009
    Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam, 2012
    Slordig met geluk, Prometheus, Amsterdam, 2016.

    Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels en Frans.

    Nagekomen bericht:
    Zaterdag 17 maart ontving Menno Wigman postuum de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018 voor zijn dichtbundel Slordig met geluk, waarvoor hij tijdens zijn leven genomineerd was.

    De jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs bestond dit jaar uit Kunststof-presentator en journalist Petra Possel en Volkskrant-recensent Arjan Peters. Zij beschreven Slordig met geluk als de culminatie van Wigmans oeuvre, een oeuvre waarin hij altijd de ‘gure schoonheid’ heeft bezongen, ‘een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood’. In de bundel, zo stelde de jury, ‘is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon’. Zodoende noemen zij het Wigmans ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’.

    Het bijbehorende prijzengeld zal gebruikt worden voor een gedichtenbundel die hij maakte voor Stichting De Eenzame Uitvaart. Hij droeg deze gedichten voor tijdens de uitvaarten van mensen die zonder nabestaanden ten grave werden gedragen.

     

     

  • Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    Grasduinen in het poëzielandschap van Jozef Deleu

    In een half jaar tijd meer dan honderdtachtig gedichten vergaren voor publicatie in een nieuwe editie van Het Liegend Konijnga er maar aan staan. Jozef Deleu, hoofdredacteur van dit tweejaarlijkse poëzieboek doet dit al vijftien jaar lang, elk half jaar. Speuren naar – en proeven van pril afgescheiden dichtwerk waarbij telkens weer een soort afweging wordt gemaakt die – niet te achterhalen hoe – maar in alle gevallen wel raak geschoten is. Een keuze waarbij – zoals Deleu zegt in een fijn interview met Jeroen van Kan in poëzieblad Awater – hij zich niet laat binden door poëtica: ‘Als je vervuld bent van een eigen gelijk, van een eens en voorgoed vastgesteld poëtica, dan is er eigenlijk geen gesprek meer mogelijk.’

    Goede keuze
    De ramen moeten open bij Deleu en laat al lezende binnen wat er binnenkomt. Dat is ook precies wat je telkens weer ervaart bij een nieuwe editie van Liegend konijn; een keuze van gedichten waar geen dwang naar vormgeving, gedachtegoed of wat dan ook achter zit. Toch is er geen willekeur in het spel. In het interview in Awater – als tijdschrift een must voor poëzielezers – vertelt Deleu dat er nogal wat dichters zijn die hem niet persoonlijk liggen maar dat het belangrijk is om voorbij te gaan aan je eigen smaak; ligt een dichter je niet, dan wil dat niet zeggen dat hun gedichten niets voorstellen. En dat is merkbaar, de poëzie in Het Liegend Konijn is immer goed gekozen en poëzie waarbij de smaken uiteenlopend zijn.

    In een redactioneel voorwoord laat Deleu weten dat het poëzietijdschrift in deze tijd waarlijk ‘een daad van verzet is tegen de onverschilligheid en het gebrek aan visie van de politieke overheden (…). En ja, gezien de beeldende, betoverende en experimentele bijdragen in deze editie en alle voorgaande edities, mag de politiek zich schamen dat ze geen aandacht besteedt aan deze vorm van cultuur waarin –  volgens Deleu – dichters als archeologen beschouwd kunnen worden, ‘die zoeken naar de gelaagde en meerzinnige betekenis van de woorden’.

    De plaatsing van de gedichten gebeurt enkel op alfabetische naamvolgorde en wordt niet door thema of redactioneel oordeel beïnvloed. Ook het aantal gedichten per dichter verschilt nogal en lijkt enkel en alleen van de goedkeuring van Deleu afhankelijk  te zijn. Een staalkaart van poëzie waaraan de kunst van het heersende dichterschap kan worden afgelezen. Zoals Frank Keizer (1987) in zijn  – uit dertien afdelingen bestaande – gedicht; ‘Zorg en macht’: ‘er is niet zoiets als een samenleving / alleen buren, familie / en individuen / maar ik heb gevoelens / in die samenleving / en ik ben alleen

    Tijdsbeeld en verscheidenheid
    Liegend konijn
    geeft onderhand een tijdsbeeld weer van de Nederlandstalige poëzie van de laatste anderhalve decennia. Fijn is het dat naast frisse poëten ook bekende dichters als nieuw naar voren komen met hun werk. Zoals Willem Zadelhof met een serie kleine gedichten over de ‘hysterische liefde’ ‘ach met liefde heeft het niet eens zoveel te maken’. En die enkele dichter met één gedicht: K. Michel (1958): ‘Onder bankiers (in de City)’ (…) jaag de groei ademloos door roeien en ruiten en Piet Gerbrandy met zeven slagen in het donker. Daar tegenover staan er van Tijl Nuyts (1993) een reeks van tien (prachtige) gedichten in onder de titel: ‘Toerist’.

    Of Kira Wuck met drie gedichten waarvan ‘Bezwering’ de boel loszingt:  ‘Als de stewardes zegt dat we eerst onszelf moeten redden voordat we anderen / lacht een man, zijn ruwe huid barst open’
    Deze strofe brengt je direct in dat vliegtuig en hoor je de stewardess uitleggen hoe te overleven bij een ramp. Die man die lachend openbarst, hoe bevrijdend maar ook hoe schurend (door het woordje ‘ruwe’) dat werkt. De neiging herken je, op zo’n moment van eensluidende braafheid van burgers die in eenzelfde schuitje zitten. Verderop zegt de stewardess dan ook: ‘het gaat zelden mis (…) / maar als er wat gebeurt, komen we er zelden goed van af / dus vergeet wat ik allemaal gezegd heb’. Wat van zo’n heerlijke openheid is dat je direct inziet hoe we onszelf voor de gek houden met al die veiligheidsvoorschriften.

    Grasduinen
    Ach, en alleen al de titels te lezen in de inhoudsopgave doet de dichter in je door de knieën gaan: ‘Het trillen van veengras / Jij en ik / ze zeggen / Kattebel / Duizeling (Oostende)/ Wat jou minder vrolijk maakt / Ik dacht jij was / kan je de tijd wat zachter zetten / De ratten van de oude wereld 1.2.3. / Gebedenboek / Een krap schilderij / Zalmkanonnen oestermeisjes / Een vos lag vuil / De kunst van het prutsen / Merels ten spijt / Insomnia ‘

    Grasduinend door deze editie wordt hier en daar een strofe geproefd als waren het kleine snacks: ‘Je besluit ook de vorm van halve giraffe op te geven’ (Esther Jansma) en ‘De angst zit veilig op dubbelslot’ (Max Greyson). En met grotere trek  de gedichten van onder meer Elvis Peeters (1957) ‘Een man’ in vier genummerde coupletten: 1 Het is moeilijk goed te doen. Dat is / de wijsheid die hij bedoelt. / (…) / Kijk, hij is getrouwd, dan zie je alles met andere ogen. / Liefde maakt blind / Het huwelijk maakt scheel.

    Een editie om hardop uit voor te dragen om vrouw en vriend te behagen. En dan bekoort vooral Ik heb de tuinman ontmoet van Nafiss Nia (1968). Waarbij de ’tuinman’ uit ‘De tuinman en de dood’ van Van Eyck, komt. En van Laurinne Verweijen (1981) – die nog geen bundel heeft gepubliceerd en er met vijf gedichten in staat, onder meer deze: “Hoe we rondjes lopen, draaiend om elkaar’ die uit acht  afdelingen bestaat: 2 Het is met je vingers teruglopen langs het hek / van de dierentuin. Voor het eerst / in een andere stad, / toetreden tot een taal die je nooit / met elkaar gesproken hebt. – zou binnenkort wel eens een bundel van kunnen verschijnen.

     

     

  • Oogst week 13

    Ik was een hond

    Wie een dichtbundel publiceert onder de titel Ik was een hond, heeft het bedenken van intrigerende titels onder de knie. Ik was een hond is de vierde dichtbundel van dichter Thomas Möhlmann, die eerder al twee poëziebloemlezingen publiceerde. Möhlmann, redacteur van poëzie tijdschrift Awater, doceert aan ArtEZ Hogeschool voor de kunsten in Arnhem. Zondag 2 april aanstaande is hij te gast in VPRO Boeken (11:20, NPO1)

    Ik was een hond
    Auteur: Thomas Möhlmann
    Uitgeverij: Prometheus, Uitgeverij

    Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1

    Het is een goede week voor de poëzie, moge duidelijk zijn, met naast de nieuwe bundel van Thomas Möhlmann het verschijnen van het nieuwe nummer van Het liegend konijn. Sinds jaar en dag is het exclusieve poëzietijdschrift, dat tweejaarlijks verschijnt, de opstap voor vele (jonge) dichters naar een carrière in de poëzie. Het eerste nummer van dit kalenderjaar brengt weer een bonte mix van bekend en onbekend talent, met namen als Kira Wuck, K. Michel, Piet Gerbrandy en Elvis Peeters, maar ook Iduna Paalman, Lotte Dodion, Tina van Baren en vele anderen. Er valt genoeg te beleven in gedichten, dus!

    Het liegend konijn jaargang 15, nr. 1
    Auteur: Onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Uitgeverij Pelckmans

    Van licht en donker

    Een van de interessantere uitgeverijen om in de gaten te houden is die van Jurgen Maas. Zijn de Nederlandse letteren te wit? Zo niet bij Maas, die zich vooral lijkt te laten te leiden door eigen interesse en opgewekte nieuwsgierigheid. Van licht en donker is ook weer een uitgave waar deze lezer even de wenkbrauwen bij fronste (op een vrolijke manier, overigens). Want wat is het nu voor boek? De site meldt: ‘In 2016 was het honderd jaar geleden dat in de grote zaal van filmhuis Cinecitta in Tilburg voor het eerst een film werd vertoond, Salambò (1914) van Domenico Gaido. A.H.J. Dautzenberg en Diederik Stapel schreven in het jubileumjaar van het filmhuis wekelijks en om beurten een betoog over cinema. Hun projecties zijn een meanderende collage van impressies en interpretaties, stukjes filmgeschiedenis en autobiografische schetsen, die getuigen van een diepe liefde voor film.’
    Bij het kopje Genre, op de website, staat ‘Nee’. Is dat de bedoeling? Mijn nieuwsgierigheid wekt het.

    Van licht en donker
    Auteur: Anton Dautzenberg ; Diederik Stapel
    Uitgeverij: Uitgeverij Jurgen Maas
  • Oogst week 41

    Noodweer

    Twee debuten, (Casper Luckerhof en Luuk Imhann), de tweede roman van Marijke Schermer en de nieuwste editie van poëzie tijdschrift Het liegend konijn onder redactie van Jozef Deleu vormen een aantrekkelijke stapel en een goede aanleiding om bij de kachel te kruipen en deze literaire najaarsoogst er eens bij te pakken.

    Van de stapel als eerste Noodweer van Marijke Schermer (1975). Schermer debuteerde in 2013 met Mensen in de zon, wat een nogal donker maar ingenieus verteld verhaal is en zeer goed besproken werd. Jaap Goedegebuure noemde het zelfs het beste debuut van dat jaar. Noodweer is haar tweede roman waarin de hoofdfiguur, de veertig jarige statisticus Emilia, door een ogenschijnlijk onbeduidend incident wordt teruggeworpen op een verdrongen episode uit haar verleden. Ze heeft haar uiterste best gedaan houvast te vinden in een gemiddeld leven en gelukkig te zijn maar uiteindelijk lukt haar dat niet: onverwerkte dingen uit het verleden vragen haar aandacht.
    En zoals alle leed, komt het nooit alleen. Emilia woont met haar gezin buitendijks en door een noodweer stijgt het water rond het huis. Schermer schetst een scherp en meedogenloos portret van een vrouw die zich vastdraait in goede bedoelingen en de onwil zich door een trauma in de luren te laten leggen. Een aanrader dus voor bij die kachel.

    Noodweer
    Auteur: Marijke Schermer
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Een eenzame bruggenbouwer, Reizen door het India van P.A.S. van Limburg Brouwer

    Casper Luckerhof (1988) was boekverkoper, zat in het boekenpanel van DWDD en is redacteur bij Hollands Diep. Tijdens zijn studie indologie las hij de ideeënroman Akbar (1872) van de vergeten schrijver en indoloog P.A.S. van Limburg Brouwer (1829-1873) die een pleidooi voor een opener en toleranter wereldbeeld schreef. En een spannende liefdesgeschiedenis ineen. Voor Luckerhof was er een fascinatie geboren. Waarbij hij zich afvroeg waarom  juist India, dat Van Limburg Brouwer nooit zelf bezocht heeft, het literaire decor voor diens progressieve boodschap moest dienen.

    Met Akbar in zijn rugzak en liefdesverdriet in zijn hart reisde Casper af naar India, het land dat hem al vanaf zijn vroege jeugd bezighoudt. Daar begint een fascinerende speurtocht naar de opkomst van de indologie, de wereld van de negentiende-eeuwse vrijdenkers, en de eenzame strijd die Van Limburg Brouwer voerde, gespiegeld in zijn eigen eenzaamheid. Hij ontmoet wonderlijke medereizigers, maakt kennis met de toeristenindustrie, woont een tijd in huis bij een gepensioneerde hoogleraar literatuur – en eenmaal terug schrijft hij over het hedendaagse India dat hij heeft ervaren. Volgens Kester Freriks maakt de lezer dankzij dit boek ‘een adembenemende entree in India’.

    Een eenzame bruggenbouwer, Reizen door het India van P.A.S. van Limburg Brouwer
    Auteur: Casper Luckerhof
    Uitgeverij: Athenaeum

    Paradijs

    Luuk Imhann (1986) is schrijver en theatermaker. Hij bewerkte verhalen van Franz Kafka en het gehele toneeloeuvre van William Shakespeare en niet te vergeten, hij is een groot bewonderaar van Remco Campert. Zijn debuut Paradijs gaat over een expeditie in het oerwoud van een afgelegen berg in Azië door de jonge student, Boas, vier biologen en twee gidsen. Er wordt onder meer onderzoek gedaan naar de zich in het oerwoud schuilhoudende neusaap, de Narsalis larvatus. Als de gidsen hen noodgedwongen voor enkele dagen alleen laten, raken ze afgesloten van de buitenwereld. Worden de vijf expeditieleden langzaam waanzinnig of leeft de berg en probeert hij zich van hen te ontdoen?

    Volgens de uitgever is Paradijs is een hedendaags antwoord op William Goldings Lord of the Flies, en leest het als een prequel op Joseph Conrads Heart of Darkness. Klinkt voorwaar als een avonturenroman.

     

    Paradijs
    Auteur: Luuk Imhann
    Uitgeverij: Querido

    Het liegend konijn 2016/2

    Het Liegend Konijn, halfjaarlijks boekwerk voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie heeft sinds de eerste uitgave van dit jaar een nieuwe uitgever. Voorheen werd HLK uitgegeven door Van Halewyck die omwille van zijn voortbestaan onderdak heeft gezocht bij uitgeverij Pelckmans. Deze Pelckmans richtte kort daarvoor uitgeverij Polis op waar Deleu een goed heenkomen vond voor HLK. De uitgaven zijn niet meer zo kleurig maar even stevig en mooi uitgevoerd als voorheen, de geur tussen de bladzijden is er een van de verleiding.
    In de 2e editie van dit jaar 167 nieuwe gedichten die nog nergens anders geparkeerd werden en dus min of meer in HLK ‘debuteren’. Waaronder Froukje Arns, Yannick Dangre, Anna Enquist, Ingmar Heytze, Geert van Istendael, Roland Jooris, Gerry van der Linden, Sebastiene Postma, Marieke Rijneveld, John Schoorl, Peter Theunynk, Dorien De Vylder, Henk van der Waal. Hier alvast een voorproefje van Anton Korteweg:

    ‘k Heb altijd graag verstoppertje gespeeld.
    Bestond ik niet. Dat was toen al een feest.

    Alles dus nieuw werk, meer dan tweehonderd gedichten. Binnenkort meer hierover.

     

    Het liegend konijn 2016/2
    Auteur: Onder redactie van Jozef Deleu
    Uitgeverij: Polis
  • Chroniqueur van Nederlandstalige poëzie

    Chroniqueur van Nederlandstalige poëzie

    Ik wilde ik kon u iets geven
    tot troost diep in uw leven,
    maar ik heb woorden alleen,
    namen, en dingen geen.

    Uit: Verzamelde lyriek tot 1905
    Herman Gorter (1864-1927)

    Vorig jaar kwam de prachtige bloemlezing het Nieuwe Groot Verzenboek uit, onder redactie van Jozef Deleu (1937) vooral bekend als samensteller van het tweejaarlijks poëzie tijdschrift Het Liegend Konijn. Deleu is een groot kenner en volger van de Nederlandstalige poëzie. Van de wieg tot het graf zou je kunnen zeggen, gezien de indeling van het Groot verzenboek. Ongelooflijk ook hoe hij steeds weer opnieuw verrast met zijn keuze en samenstelling.

    Het begon allemaal met een 17 jarige jongeman die vanaf 1954 van elk gedicht dat hem beroerde de titel in een boekje noteerde. Een keuze uit dat poëzie logboek leidde in 1976 tot de eerste uitgave van wat toen nog , Groot gezinsverzenboek, 500 gedichten over leven, liefde en dood heette. In de daarop volgende jaren verscheen er met enige regelmaat een geheel herziene uitgave waar in de loop der jaren gedichten aan toegevoegd werden. En zo kan het dat deze zevende editie, Groot Verzenboek 600 gedichten over leven, liefde & dood tegelijk de achttiende, herziene en uitgebreide druk is.

    De bloemlezing kent zeven afdelingen met titels als:Verwachting en geboorte. Vader en moeder. Man en vrouw. Het samenleven. Het huwelijk. De vriendschap, en de laatste afdeling: Eenzaamheid. Ziekte. Dood. Het doet wat stichtelijk aan, zoiets als de Baedeker voor de vrouw uit de jaren zeventig: een naslagwerk voor de huisvrouw, moeder en echtgenote, maar dit is meer. Laat de thema’s los en freewheel er doorheen, ook dat is een manier om de dichters van onze tijd te leren kennen.

    Onuitputtelijke bron

    Dit verzenboek beslaat een tijdspanne van bijna veertig jaar (1976 – 2016) aan Nederlandstalige poëzie, geselecteerd op de thema’s waar poëzie bij uitstek geschikt voor is: het leven, de liefde en de dood. Het lijkt een wat plat gegeven maar wanneer er een bruiloft is, of een begrafenis dan worden de gemoederen ten diepste geraakt. Een handvol poëzie om uitdrukking te geven aan vreugde of verdriet is dan nooit weg. Daar is deze bloemlezing een uitkomst voor. Maar meer dan dat is het een prachtige verzameling van belangwekkende dichters die in het Zuiden met Guido Gezelle begint en in het Noorden met Herman Gorter.

    Alles wat daar tussen ligt is een struinen door een dichterslandschap waar we Vasalis ontmoeten, Hans Warren, Hanny Michaelis, Hugo Claus, Ester Naomi Perquin, Hester Knibbe, Ed Hoornik, Leopold, Leo Vroman, Esther Jansma, Paul Rodenko, Lucebert, Remco Campert, Maria Barnas, Maria van Dalen, Kira Wuck, Lies van Gasse, Ingmar Heijtze, Menno Wigman, Ida Vos, Rob Schouten, Mark van Tongele, Karel van Woestijne, Stefan Hertmans, Ilja Leonard Pfeiffer, Tsjead Bruinja, Sasja Jansen,Adriaan Morrien, Annie M.G. Schmidt, Slauerhoff, K. Schippers, Marjolein van Heemstra, Hagar Peters, Chrétien Breukers… Een onuitputtelijke bron van namen die genoemd mogen worden, als een gedicht op zich. Het blijft verrassen wie er allemaal in staan en voor een deel is het een heerlijk feest der herkenning.

    Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, (en alleen  voorgedragen in kleine kring) en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Er zijn nog nooit zoveel poëziefestivals geweest als in de laatste tien jaar. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer, poëtische bronnen aansprekend waaruit woorden vloeien voor levensmarkerende momenten. Zijn onvermoeibare inzet om poëzie die er toe doet wereldkundig te maken, is wederom zeer prijzenswaardig.

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Ingrid van der Graaf

    Wacht tot het voorjaar Bandini van John Fante is een van mijn favorieten. Eind jaren tachtig voor het eerst gelezen en werd vorig jaar opnieuw uitgegeven bij Meulenhoff. Fante (1909-1983), zoon van Italiaanse immigranten, beschrijft Dickensiaanse taferelen op zijn Amerikaans. Het leven van Arturo Bandini kent een stuntelend verloop in zijn pogen er iets van te maken.  Met dit boek voor de kachel en een goed glas wijn binnen hand bereik. Dan kom je de grijze winterdagen op gepaste wijze door en prijs je jezelf gelukkig.

     

     

    Kroniek van PerdepoortKroniek van Perdepoort (1975) van de Zuid-Afrikaanse schrijfster Anna Louw (1913-2003) is een bijzonder rauw boek over het leven van blanke boeren in Zuid Afrika, na de afschaffing van de apartheid in de vorige eeuw. Om de geschiedenis en vooral om zinnen als: ‘Hij was er zo een die nooit genoeg begreep om ergens betrokken bij te raken.’   Wie van het werk van Coetzee houdt, leze Kroniek van Perdepoort.

     

     

    indexMet tussenpozen heb ik vanaf 1989 verschillende jaren Een braaf meisje (1971) van  Philip Roth rond Kerst gelezen. Ook al zo’n verhaal waarin de hoofdpersoon, Lucy ten onder gaat aan haar eigen goede bedoelingen. Daar heb ik schijnbaar iets mee. Maar het is vooral de sfeer die Roth als geen ander weet te scheppen die me er toe doet besluiten het dit jaar weer eens te lezen. Goed voor een herdruk.

     

     

     

     indexDe nacht van Merijn de Boer als het meest vernieuwende Nederlandstalige boek van 2014? Dat durf ik wel te zeggen. Het boek speelt nog steeds door mijn hoofd om zijn absurdistische ontwikkelingen en wie deze schrijver wil volgen doet er goed aan deze roman te lezen of cadeau te doen.

     

     

     

    imagesEen flinke poëzie bloemlezing met niet eerder gepubliceerde gedichten behoort ook tot mijn lijstje van aanbeveling. Het liegend konijn is een tweejaarlijks verschijnend, mooi uitgegeven boekwerk onder de bezielende redactie van Jozef Deleu. Met werk van gearriveerde dichters én van debutanten. Verrassend, steeds weer.

     

     

  • Het Liegend Konijn – Alle malen zal ik wenen

    Het Liegend Konijn, waarvan elke editie tot nu toe, in wisselende kleur uitgave en standaard ontwerp verscheen, draagt voor het eerst in de twaalf jaar dat het onder het bezielende redacteurschap van Jozef Deleu verschijnt, een thema. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat op 28 juli 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Voor Deleu aanleiding om het themanummer ‘Oorlog’ samen te stellen met de titel, Alle malen zal ik wenen, een citaat uit Leo Vromans (1915-2014) meest geciteerde gedicht Vrede.

    Zal dit nummer dan uitsluitend ‘niet eerder gepubliceerd werk’, van dichters bevatten die ‘het’ nog hebben meegemaakt (of op zijn minst in naoorlogse jaren zijn geboren) en waarvan nu de nagebleven gedichten boven water zijn gekomen?  Want wat zouden hedendaagse dichters over dit thema te melden hebben? Oorlog is, voor wie op Nederlandstalig grondgebied leeft, een ‘ver van mijn bed show’. Vluchten, om het vege lijf te redden is er niet meer bij. We leven, zoals Arno Van Vlierberghe stelt (met Lieke Marsman jongste dichters in deze editie) het leven van nu, waarin ‘niet doodgaan’ als hoogste doel wordt gesteld. Maar ook deze editie bevat uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, gemaakt op verzoek van Deleu .

    Het was enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog dat de filosoof en kunstcriticus Theodor Adorno (1903-1969) stelde dat het barbaars was om na Auschwitz nog een gedicht te schrijven. Niet dat hij hiermee beweerde dat er nooit meer poëzie bedreven kon worden. Hij doelde vooral op het feit dat naoorlogse dichters geen lichtzinnige maar vooral geen onschuldige poëzie meer kunnen schrijven.

    Dat was ook wat er te voelen was in het pakket dat door de post bezorgt werd, de zwaarte van een onvergankelijk thema dat schuld en boete in zich draagt. Het paste niet door de brievenbus en de postbode overhandigde het, als was het een flinke homp (desem)brood. Honderdentwaalf dichters schreven samen 383 gedichten, geïnspireerd op de Groote oorlog.  De opdracht is met een  zeer groot inlevingsvermogen uitgevoerd en toont een grijs palet aan aangrijpend leed, berekenende overlevingskunst en een  ondergaan van het lot. Laten we maar gelijk met de deur in huis vallen met de drieluik Geen ding, van Eva Gerlach (1948). Waarin het leven tot op het bot is terug gebracht, ontdaan van emoties en de mens verworden tot een ‘ding’. Waarin het enige dierbare een wapen is, gekoesterd als een geliefde.

    ‘Geen ding / 1//Toen iedereen dood was begon ik voor mezelf / met mijn AK 47 mijn broertje van staal, //niemand komt me hier wassen en kammen en ik hoef voor niemand / meer hout te halen, alles komt van de soldaten // die van me houden omdat ik geluk breng en goed / kan mikken met de granaten // Daar voor ons ligt de stad waar niemand meer woont / en ik kijk van hoog, stel mijn broertjes oog af op de daken, // (…) // Mijn broer is zo groot als ik maar ik hou hem goed vast / op mijn schouder waar hij kan slapen (…)

    2 // Iemand vraagt om water, ik heb geen water./ Iemand heeft het koud ook al heeft ze het warm. / Ze lag naast me dood te gaan maar ze leeft nog, ik wilde/ maar dat ze dood was. (…) ze wil het gordijn dicht / maar er is geen gordijn. Ze doet haar ogen dicht voor / de zon die niet schijnt, ze telt alle vogels / die er niet zijn, ze doet hun geluid na, ik hoor het / ik hoor hun lippen trillen in de nacht.

    3 // In de kelder hield ik mijn zusje op schoot. Ze was / pas vier. Ik legde mijn handen over haar oren / zodat ze de harde klappen niet zou horen / (…) Toen we buiten kwamen en alles kapot was en overal armen en benen / huilde ze niet ze zei niets ze verstopte zich / (…) toen kwamen de mannen toen werd het / zo dat de dingen ons niet meer kenden. Geen ding. / (…)’

    Divers zijn de invalshoeken. Zelfmoordaanslagen als deel van een oorlog die nogal eenzijdig gestreden wordt. Bernard Wesseling (1978) dichtte daarover: ‘Dus dit is zijn optrekje, hier helemaal boven. Gezellig is anders. / En kijk, pamfletten boven zijn bed. Goed , bands, maar toch. (…) Wat stopt hij nou in zijn jas? En waarom gaat hij nu zitten? / Hand omhoog als je denkt aan een afscheidsbrief!’ En dan zijn er de games, waarbij men van het doden niet genoeg kan krijgen en Astrid Lampe inspireerde tot de volgend strofe: ‘(…) Nog wordt hier zwartnacht / de muur van papier / en speelt de gameverslaafde / mijnenvegertje’.

    En soms is de geschiedenis zichzelf al genoeg zoals voor Frans Budé, die schreef over het verwonde hoofd van Guillaume Apollinaire (1880-1918). De scherven uit het been van Ernes Hemingway, de afgehakte arm van Blaise Cendrars, de laatste seconden van Alain-Fournier en de dood van Wilfred Owen op 4 november in 1918.

    Saillant detail is dat de Groote oorlog, na honderd jaar nog steeds zijn sporen nalaat en slachtoffers maakt. Dit jaar werd in Ieper een depot met duizenden granaten ontdekt en op 19 maart ontplofte, bij de aanbouw van een fabriek, een granaat waarbij twee mensen om het leven kwamen. Dit bracht de dodelijk getroffen slachtoffers van na 1918 op driehonderdvijftig. Oorlog houdt zich schuil in alle kieren en uithoeken van deze aardkloot en na het lezen van vele van deze gedichten komt het besef, dat de hele mensheid doortrokken is van oorlogsleed. Of zoals Ellen Deckwitz dit veelbetekenend verwoordde in haar gedicht 1948, Siboga / ‘(…) de doden groeien met je mee. En we noemen / het pas afgesloten als we er niet meer bij kunnen.’ Prachtig! Een editie tegen het vergeten van dat, wat niet vergeten mag worden.
    Verder bijdragen van onder meer Mischa Andriessen, Benno Barnard, Chretien Breukers, Paul Demets, Anna Enquist, Lies van Gasse, Piet Gerbrandy, Annemieke Gerrist, Jo Govaerts, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Ingmar Heytze, Philip Hoorne, Sasja Jansen, Hilde Keteleer, Wiel Kuster, Liesbeth Lagemaat, Jan Lauwereyns, Myrte Leffring, Erik Lindner, Sylvie Marie, K. Michel, Martijn van Ouden, Ester Naomi Perquin, Hagar Peeters, Delphine Lecompte, Xavier Roelens, Victor Schiferli, F. Starik, Peter Theunynck, David Troch, Reinoud Verbeke, Leo Vroman, Henk van de Waal en Ad Zuiderent.


    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 12, nr. 1, april 2014
    Van Halewijck / Leuven
    Van Gennep /Amsterdam.
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-

     

  • Uit het nest geroofde gedichten

    Uit het nest geroofde gedichten

    Het liegend konijn is een tweejaarlijks tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige Poëzie, en is uniek in zijn soort. Samensteller en redacteur Jozef Deleu gaat er prat op vers (gelegde) geschreven gedichten van veelal gearriveerde dichters en een enkele debutant ‘uit het nest te roven’ om ter publicatie op te nemen in het poëzietijdschrift.

    Deleu, die als stropende vos de nesten van – uit bloed, zweet en tranen ontstane gedichten –  zwoegende poëten leegrooft. Dat heeft wel wat. En het levert steeds weer een verrassende oogst en vooral een grote diversiteit aan dichtkunst op. Waarbij het opmerkelijke is dat van de 175 geplaatste gedichten er niet één bij is die de zeggingskracht van een goed gedicht gepasseerd is. Ze zijn allen zeer lezenswaardig.
    Het liegend konijn biedt plaats aan zo’n dertig dichters per uitgave, die elk drie tot zes gedichten geschreven hebben. Daardoor heeft de bundel algauw een omvang van 250 pagina’s. Aldus een stevig boekwerk waarvan op de voorkant de namen van de dichters staan en steevast op de achterflap een tekst van Paul van Ostaijen: Diergaarde voor kinderen van nu (1926). Over het konijn dat op zoek gaat naar de lach maar die niet gevonden heeft. Want vlak voordat het de lach vond hield de kennis van het konijn op. En bleef het voor altijd in verwondering achter.
    Wellicht zoals de lezer zelf in verwondering achterblijft na het lezen van willekeurig welk gedicht uit Het liegend konijn, dat toch echt geen (literair) tijdschrift genoemd kan worden gezien de hierboven geschetste omvang.

    In nummer 1 van Het liegend konijn (2011) zijn 175 gedichten opgenomen van dertig dichters die in alfabetische volgorde geplaatst zijn. Waaronder Wesley Albstmeyr (nog geen bundel gepubliceerd), Maria Barnas, Tsead Bruinja, Bernard Dewulf, Gerrit Komrij, Delphine Lecompte, Gwy Mandelinck, Charlotte Mutsaers, Tonnus Oosterhof ( die onlangs de P.C. Hooftprijs 2012 won), Bart van Straeten (geen bundel gepubliceerd) en Miriam van Hee.

    Opmerkelijk uit het aprilnummer van 2011 zijn de gedichten van Luuk Gruwez die de titel Een minnaar voor elk lichaamsdeel, ontleende aan de hand van een citaat van Adriaan Morrien: ‘Ik maakte van elk lichaamsdeel een beminde.’ Erotische gedichten geschreven bij het schilderij Venus van Lucas Cranach. In opdracht van het Egigius Kwartet dat eind 2009 een concert verzorgde rond het vrouwelijk schoon. Hieronder een enkel fragment daarvan.

    Bij de haren
    ‘Het hoofd is mijn schunnigste lichaamsdeel. Het is de hemel
    en de hel in ieders lijf, het gekreun en het gereutel.
    Hoevelen kregen niet ooit logies onder mijn krullen?
    Kostschoolmeisjes, kelnerinnen, gore knullen.
    Nee, ander haar dan schaamhaar ken ik niet:
    het moet de bacchanalen in mijn hersenen verhullen.’

    Venus’ epiloog
    ‘Wanneer ik afscheid van u neem, beobacht dan vooral mijn
    achterste.
    Heb ik soms niet de mooiste billen sinds het quattrocento?
    Ik vraag mij af: hoe naakt bent u onder uw nette  kleren?
    U bent mij lief. Erbarm dich, al was het maar een keer.

    (…)

    Mijn mond, akkoord, werd groter met de eeuwen.
    Maar wil een uwer hem nog zoenen: Bitte. Gerne.
    Dan kies ik voor een oogopslag vol hunker naar de sterren.
    Ik heb, al ben ik grofgebekt, nooit afscheid kunnen nemen.’

    Favoriet is Delphine Lecompte die titels schrijft als waren het gedichten: Ik ben blij dat mijn moeder mijn geboorte heeft overleefd / Alles hort en niets is zoals het hoort / Een weifelende duik en de vertrouwde viezigheid  / Boter voor de ter dood veroordeelde en Dit is een kuststad met een zee die een krijttekening eist.
    Haar gedichten zijn prozaïsche miniatuurtje die een avontuur op zich zijn.

    Dan Willem Zadelhoff, een dichter die lijdt aan verloren eenzaamheid in zijn gedichten. Het laatste gedicht uit Tussen taal en teken een cyclus van tien gedichten:

    ‘nu is de cirkel rond traag tekent het potlood
    haar schouder langzaam ontstaat een herinnering
    op papier een beeld van lang geleden waarvoor
    geen woorden beschikbaar waren dat soort drogrederen

    ook is nu wat was niet langer meer excuus
    ik lees haar ik volg de lijnen van haar mond
    met mijn vingers teken ik figuren in de lucht
    ik kleed haar omgeving in zacht oranje licht

    ik trakteer mezelf op verleden ik beuk de waarheid
    op papier straks ga ik bloemen strooien op haar graf
    luisteren naar dat oorverdovend zwijgen
    dat stem gaf aan dat toch nog onverwacht verleden.’

    Dat ’toch nog onverwacht verleden’ maakt de cyclus rond. Koop Het liegend konijn om de hele cyclus en die overige 29 dichters te lezen. Het is geen moeite, het is het waard.

    Het oktober nummer van Het liegend konijn biedt ruimte aan niet eerder gepubliceerde gedichten van onder andere Mark Boog, Anne Broeksma, Emma Crebolder, Paul Demets, Stefan Hertmans, Rouke van de Hoek, Emy Koopman, Lieke Marsman, Cees Nooteboom, Hagar Peeters, Marjoleine de Vos en Menno Wigman. Waarvan ik u het laatste gedicht uit de bundel niet wil onthouden. De weg van alle boeken van Menno Wigman.

    De weg van alle boeken
    ‘Ik had vandaag een nieuwe pen gekocht
    en zeven keer schreef ik mijn naam.
    Toen moest ik huilen. God, wat huilde ik.
    Ik dacht: iets scheefs verkankert mijn gedicht.
    Ik zag mijn schrijfhand en ik wist.

    Wat ik gedaan heb, ja – en wat ik doe.
    Mijn schrijfhand is aan roken toe.
    De angst. De witte wimpers van de angst
    dat ik mijn hele leven heb verschreven.

    Ik wil de hemel en ik wil de straat,
    ik wil in zestigduizend hoofden ruisen
    en iedereen een tand uitslaan.

    voor ik de weg van alle boeken ga
    en roemloos bij De Slegte sta.’

    Schrijnender kan het niet en daarom des te mooier. Dat is wat dichters kunnen, de gevoelige meetlat van zelfmedelijden langs het leven leggen, dit met streepjes inkaderen en dan daarover heen gaan, over die kaders.
    Het is een rijkdom deze literaire poëziebundels een plaats in de boekenkast te geven. Wachters in de rij om ter hand te nemen wanneer de poëtische nood hoog is.