• Driewerf rosé!

    Driewerf rosé!

    Welk menselijk orgaan komt het vaakst voor in Nederlandse muziek- en filmtitels? Wie denkt aan het mierzoete Hart van mijn gevoel, Mannenharten, Hartenstraat en Vechtershart, weet dat slechts één antwoord klopt. Ook in boektitels komt het terug, bijvoorbeeld in Een hart van steen van Renate Dorrestein en De zwarte met het witte hart van Arthur Japin. Onlangs verscheen Flessenhart van Robert Schuit, alias Joubert Pignon. In deze korteverhalenroman probeert een naamloze ik-persoon de rosé eeuwig te laten staan, de liefde te vinden en zijn vader bij te staan in zijn stervensproces. Gerda Blees merkte ooit op met Schuit te willen trouwen, puur vanwege zijn goede verhalen. Steelt de schrijver met dit boek ook de harten van andere lezers?

    In Flessenhart blijkt Schuit de Herman Brusselmans van het korte verhaal. Hij zuipt zich een ongeluk, verprutst liefdesrelaties en maakt zijn eigen schrijverschap belachelijk door één bewuste stijlfout, het pleonasme, consequent toe te passen. Daarmee verklaart hij zijn schrijverschap bijna als overbodig. Tegelijk vormt zijn zelfkritiek helaas een slap excuus om iedereen de maat te nemen. Uiteraard lopen daarbij feit en fictie continu door elkaar heen. Hoe grappig, subtiel en welbespraakt hij de satire zo nu en dan ook opdist, het cliché van de meelijwekkende navelstaarder verrast onvoldoende. Het sterkst blijven zijn bondige, simpele grappen en oprechte hartenkreten. Tegen zijn nog ongeboren kind zegt hij: ‘Mijn zoon, mijn zoon, mijn zoon, vergeef me alles en neem pas wraak als ik niet meer weet wat ik allemaal deed, ik vergeef jou nu al alles.’

    Writer’s slok

    De titel van het eerste hoofdstuk luidt Klok klok. Dan weet iedereen hoe laat het is, behalve de hoofdpersoon, die half in een delirium verkeert. Rick Honings noemt Herman Brusselmans in zijn biografie de ‘Majoor van het Menselijk Leed’. Daarbij vergeleken is Robert Schuit eerder de ‘Soldaat van het Sombere Leven’. Met zijn drankzucht en depressieve aanleg is hij niet bepaald aantrekkelijk huwelijksmateriaal: ‘Ga ik liggen, dan lig ik meteen twee weken.’ Uit het hoofdstuk De vrouw die blijkt dat vierentwintig vrouwen hem reeds verlieten: ‘De vrouw die walgde van mijn lichaam. De vrouw die net zo lang tegen me zweeg totdat ik ging. De vrouw in wier gezicht ik een gymtas smeet.’ Met één dame, die hij naar schrijver Klaas Knooihuizen noemt, lijkt het eindelijk te lukken, ondanks zijn zelfhaat: ‘Ik begon te huilen, midden op straat, uit schaamte dat ik besta en ruimte inneem.’

    Samen bezoeken ze een Brussels museum, waarover Schuit droogjes en pleonastisch opmerkt: ‘We zien kunst van kunstenaars die kunst maken die over kunst gaat.’ Later zegt hij: ‘Een schrijver die over schrijven schrijft, het is ondenkbaar.’ Toch barst Flessenhart van dit soort metafictie. In Ach ja overziet hij de ijdelheid van zijn leven: ‘Er was liefde, er waren nederlagen, ik maakte wat dingen, maar deed vooral meestal niets.’ Omdat er in het boek amper iets interessants gebeurt, dreigt de bundel zelf overbodig te worden. Wie echter kijkt naar de talloze pleonasmen, ontdekt dat Schuit juist de overtolligheid viert: ‘eeuwigdurende lemniscaat’, ‘Als je poëzie leest in de trein komt niemand naast je zitten. Ik zit in de trein, lees een poëziebundel en niemand zit naast me’, ‘Naast me ligt een natte theedoek. Zelf ben ik ook nat. Met de theedoek kan ik me niet afdrogen. De theedoek is nat.’

    Ironiet zo origineel

    Er is iets opvallends aan de hand met schrijvers die zichzelf verachten. Wie continu slachtoffer is van smaad, mag blijkbaar onbeperkt uitdelen. Schuit doet dit veelal met ironische plaagstootjes. Met name succesvollere collega’s Anton Dautzenberg en Anne-Fleur van der Heiden moeten het ontgelden. Sowieso bestaat het hele literaire circuit volgens hem uit ijdeltuiten, zoals bij een poëzieavond: ‘Een dichter die nog vaker het woord ‘ik’ gebruikt dan ik zorgde ervoor dat hij op iedere foto te zien is.’ Ook over een vrouw die niet kan lachen om een racistische mop – zo flauw – heeft hij een mening. Wanneer Schuit dronken in Enkhuizen belandt, omdat hij pas bij de allerlaatste halte van de nachttrein uit zijn roes ontwaakt, treft hij een zwerver aan bij een speeltoestel: ‘Omdat ik niet racistisch wil overkomen zal ik zijn huidskleur niet vermelden.’ Uiteraard is dat allemaal “satirisch”. Toch?

    Het spel tussen feit en verzinsel in Flessenhart verwordt tot een uren durend potje Monopoly, waar eigenlijk maar één iemand plezier aan beleeft: Robert Schuit zelf. Om dit pijnlijke gegeven te omzeilen, ridiculiseert hij het trucje maar weer in een geforceerde dialoog met vriend Harold: ‘Maak je je het jezelf niet te lastig, Joubert, door fictie en werkelijkheid zo door elkaar te laten lopen? Ik: Robert. Ik: Ik heb mezelf wel een beetje in een hoek geschilderd. Ook nu weer, door dit gesprek in dialoogvorm weer te geven. Nu niet bepaald mijn sterkste punt. Harold: En het is allemaal wel erg zelfverwijzend geworden. Geen idee of je verhalen nog wel voor iemand anders dan jezelf leuk zijn. Of denk je daar nooit over na?’ Vermoedelijk heeft Schuit hier juist te veel over nagedacht. Waar hij dit vermoeiende spel loslaat, houden de eenvoud, warmte en humor Flessenhart leesbaar.

    Bottleneck

    Gelukkig bevat Flessenhart genoeg korte verhalen die de eenheid van één grap of één mooi gevoel eerbiedigen. Op het moment dat Schuit verneemt vader te worden, draait hij compleet door. Deze onheilspellende zinsherhaling, die doet denken aan The Shining (‘All work and no play makes Jack a dull boy’), vult een halve pagina: ‘Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren’. Ik google niet op ‘babygevechten organiseren!’’

    Wanneer Robert een familiefoto erft van zijn recent overleden grootouders, zegt hij: ‘Nog even en dan zijn alle mensen op de foto dood en weet niemand dat we ooit bestonden. De foto zal op een rommelmarkt worden gekocht door iemand die op zoek is naar een ironisch cadeau, waarna we op een verjaardag zullen worden uitgelachen om onze kleding.’ Sterven was nog nooit zo luchtig… Ook het besef dat Schuit spoedig zijn vader zal verliezen aan kanker, wordt even simpel als schitterend beschreven: ‘En ik zal altijd van mijn vader houden, en hij van mij, en we hebben dit tegen elkaar gezegd. (…) Als een zoon tegen zijn vader ‘Ik houd van je’ kan zeggen en een vader tegen zijn zoon ‘Ik houd van je’ heeft kunnen zeggen, dan is dat perfect. Perfect.’

    Robert Schuit overtuigt het meest als hij zijn motto van Kasey Anderson in praktijk brengt: ‘…you might as well just say it.’ Zegt hij gewoon wat hij op zijn lever heeft, dan is het boek perfect. De grote ambities van Flessenhart rondom metafictie en satire vormen echter een moeilijk te negeren bottleneck.

     

     

  • Schrijversjas

    Schrijversjas

    Er wordt een schrijver vermist op facebook. Al heb je duizenden vrienden, het zijn vaak dezelfden die langs komen, soms met in hun kielzog een nieuw gezicht, door algoritmes bepaald. Het gebeurt ook dat iemand uit het zicht verdwijnt. Tot voor enkele weken kwamen de berichten van schrijver Joubert Pignon geregeld voorbij. Hij berichtte veel over dingen die er misgaan in zijn leven, dat hij behoefte heeft aan wijn of rosé. Een half jaar terug ontving hij een brief van zijn uitgever, of hij een deel van het overschot van zijn in 2017 verschenen verhalenbundel Mooie lieve schat wilde overnemen. De titel werd zogenaamd afgeroomd. Zo gaat dat met boeken. De uitgever had er zesenvijftig verkocht, zelf nam hij zevenenvijftig boeken af. Via facebook verkocht hij in een paar dagen tijd alle zevenenvijftig boeken.

    Ik ben in het bezit van exemplaar 19/57, met ballpoint op de eerste bladzijde genummerd, daaronder: ‘Voor inge / Van jouBert’, precies zo staat het er. De titel, Mooie lieve schat lijkt misplaatst voor wat erin staat. Impressies van dagelijkse dingen, onwerkelijk vaak, maar zo is het leven. Soms onsmakelijke verhaaltjes over poep en pies, er wordt veel gedronken, drie flessen wijn op een avond is een begrip. Ik begrijp nu opeens niet meer, nu ik dit opschrijf, waarom ik ze zo graag lees. Het is iets met hoe hij de woorden rangschikt, wat hij erin stopt aan dagelijks leed. Wat hij schrijft gaat erin als koek, zelfs als ze over menselijke uitwerpselen en stinkende kattenbakken gaan. Een talentvol schrijver. Al wist zijn uitgever na jaren nog steeds niet wie hij was: schrijver Joubert Pignon, verhaaltjes schrijver, genomineerd voor de Biesheuvelprijs 2019.

    Toen viel ergens het besluit de schrijversnaam los te koppelen van de werkelijke naam, alsof je een jas uittrekt. Ik weet niet wanneer dit gebeurd is. Als ik nu googel op Joubert Pignon, komt de naam Robert Schuit naar boven. Achteraf gezien waren er voortekenen. Achteraf is alles eenvoudig. In maart postte hij op zijn tijdlijn dat hij iets gaat drinken met een uitgever die zijn schrijfstijl fileert. Het roer moet om. Drie jaar zal de uitgever hem bewerken tot ‘ik daarna misschien eindelijk eens iets goeds schrijf.’
    Enkele maanden daarvoor beschrijft hij een kerstborrel bij zijn uitgeverij. Iemand heeft zijn jas geleend, om buiten te roken. Dan wil hij naar huis. ‘Ik wil haar niet storen en loop de uitgeverij uit, de metro in, onder de grond, ooit kom ik, als het goed is, weer boven, op zoek naar een nieuwe jas.’ Het lijkt een verzinsel, een gekkigheidje. Ondertussen zoek ik nog dagelijks onversaagd door naar een spoor van Joubert Pignon.

     

    Mooie lieve schat / Joubert Pignon / Atlas Contact (2017)


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze reist met het OV, leest dagelijks en schrijft over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De eenheid van verhaal

    De avond had een feestelijk karakter, want er werd een prijs – de J.M.A. Biesheuvelprijs – toegekend en uitgereikt. Dé prijs voor de beste verhalenbundel van het jaar. Een prijs die indirect bijdraagt aan de acceptatie van het korte verhaal als volwaardig literair genre.
    Er werd die avond ook een vrij fundamentele vraag gesteld. Een vraag waar je een hele avond aan zou kunnen wijden. En toch kreeg die vraag niet de aandacht die hij verdiende. Moderator Daan Windhorst stelde hem. Lodewijk Wiener, Ad van den Kieboom en Sander Blom – die aantraden als pleitbezorgers voor de genomineerde bundels van Joubert Pignon, Annelies Verbeke en Vonne van der Meer – probeerden hem te beantwoorden.

    ‘Is een bundel een relevante eenheid?’ Dat was de vraag. Een vraag die een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Wie hem beantwoordt, kan nadruk leggen op de relevantie van een zekere thematische verwantschap tussen verhalen die samen een bundel vormen. Die kant ging het die avond vooral op. ‘Het begint bij wat een schrijver wil. Bij Annelies is het uitgangspunt een thema. Op basis van dat thema – in Halleluja is het thema “begin en einde” – kiest of schrijft zij de verhalen die gebundeld worden.’ Dat was de kern van het antwoord van Ad van den Kieboom, als redacteur verantwoordelijk voor het werk van Annelies Verbeke.
    In het verlengde van dat antwoord kwam ter sprake dat het voor het onder de aandacht brengen van een bundel heel handig is dat verhalen iets met elkaar te maken hebben. Een opmerking die nogal wat impliceert en daarom verontwaardiging had moeten oproepen, maar die avond geen enkele ophef veroorzaakte. Blijkbaar waren de aanwezigen reëel genoeg om zich niet tegen deze door de commercie ingegeven realiteit te verzetten.

    Beide antwoorden suggereren dat de kleinste eenheid van verhaal niet het korte verhaal maar de verhalenbundel is. Als dat echt zo is en als een bundel geen verzameling losse verhalen mag zijn (ook dat werd gezegd), dan – merkte Sander Blom, als redacteur betrokken bij de totstandkoming van het werk van Vonne van der Meer, op: ‘ontneem je de schrijver de mogelijkheid om af en toe een kort verhaal te schrijven.’
    Dat is natuurlijk niet waar. Het staat iedere schrijver vrij om af en toe een kort verhaal te schrijven. De vraag is alleen waarom hij dat zou doen als dat ene verhaal niet de aandacht krijgt die het verdient.

    In het kader van de emancipatie van het genre is het mooi dat er een prijs bestaat voor de beste verhalenbundel, maar iemand die incidenteel een (heel) goed verhaal schrijft, schiet daar (helemaal) niets mee op. Zo kun je de vraag van Daan Windhorst ook interpreteren. Als een kleine kanttekening bij een gewaardeerd initiatief.
    Wat het genre naast de J.M.A. Biesheuvelprijs nu alleen nog nodig heeft, is een aanmoedigingsprijs. Een prijs die ook iemand die nog nooit een kort verhaal geschreven heeft weet te verleiden (zoals de Turing Gedichtenwedstrijd mensen aanzet tot het schrijven van een/één gedicht). Een prijs die recht doet aan de eenheid van verhaal: het verhaal.

     



    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

  • J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 voor Annelies Verbeke

    Voor de vierde maal werd woensdagavond 21 februari in het Amsterdamse Lloyd Hotel & Culturele Ambassade de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Annelies Verbeke werd met haar verhalenbundel Halleluja (De Geus, 2017) de gelukkige winnaar.  Volgens de jury is: ‘Halleluja is een doorwrochte bundel vol prachtige zinnen, sterke vondsten, geloofwaardige eigenaardigheden en personages om in je hart te sluiten – en soms ver van je vandaan te houden.’

    De Biesheuvelprijs is de eerste literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. Aan de prijs was dit jaar een bedrag van € 7.336 verbonden. Dit bedrag is geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht – wat uniek voor een literaire prijs is.

    De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2018 bestaat uit Babs Gons (schrijver, performer, theatermaker, docent), Marieke de Groot (boekverkoper), Theo Hakkert (journalist, recensent) en Sanneke van Hassel (schrijver).

    Overige genomineerden waren: Vonne van der Meer met Brood, zout, wijn (Atlas Contact 2017) en Joubert Pignon met Mooie lieve schat (Atlas Contact 2017)

     

     

  • Klasseflitsen

    Klasseflitsen

    Wie heeft eigenlijk ooit bedacht dat de roman het hoogste literaire genre is? Waarom moet het hele prijzencircus daarrond draaien en worden poëzie, essays en verhalen stiefmoederlijk behandeld? Aan Joubert Pignon, die met zijn ultrakorte verhalen van soms maar enkele regels of hooguit een paar bladzijden zeker een uitzonderingspositie bekleedt in de Nederlandstalige literatuur, zal het alleszins niet liggen. Er zit wel enige samenhang in zijn jongste worp Mooie lieve schat, waarin tientallen stukjes zijn opgenomen, al schieten die onstuimig alle richtingen uit: absurde verhalen en (schijnbaar) autobiografische dagboeknotities wisselen elkaar af. De rode draad is de aandoenlijke hulpeloosheid van de ik-figuur die zijn worsteling met het bestaan onverbloemd laat zien.

    Op zijn best is Pignon als hij zijn fantasie de vrije loop laat. Een hilarisch verhaal als Toekomstvoorspellende dieren, over een koala die tot de diepe teleurstelling van de directeur van de dierentuin in tegenstelling tot Paul de octopus (kent u hem nog?) niet in staat blijkt te zijn om uitslagen van sportwedstrijden te voorspellen, tilt het niveau van dit boek naar boven. Verder is Pignon in zijn element als hij de schrijvende ik-figuur in zijn hemd kan zetten. Dit levert pijnlijk grappige scènes op die je als lezer leest zoals je kijkt naar de Britse komiek Ricky Gervais, bekend van The Office: twijfelend of je lachend over de grond moet rollen of door de vloer moet zakken van plaatsvervangende schaamte (tip: laat uw laptop niet repareren door uw schoonvader als de harde schijf vol porno staat). Er circuleert een filmpje waarin Pignon zegt dat zijn lichaam voor 60% uit water en 30% uit schaamte bestaat. Misschien gelooft hij dat die 30% nog wat omlaag kan door zijn schaamte met zijn lezerspubliek te delen?

    Minder geslaagd zijn de verhalen waarin Pignon een wat ernstigere toon aanneemt en bijvoorbeeld over zijn drankverslaving schrijft. Of beter gezegd, het drankprobleem van de schrijvende ik-figuur, die we uiteraard nooit mogen verwarren met de schrijver. Net daarvoor lijken Pignons ietwat onbeholpen, korte zinnetjes minder geschikt en gaat zijn stijl vervelen: ‘Ze houdt een gaasje tegen mijn wond. Ik moet het gaasje aandrukken. De vrouw plakt het gaasje met een pleister vast. Ze doet het gordijn open.’ Nog zo’n geeuwmoment: ‘Ik zeg dat het steeds beter gaat. Ik zeg dat ik minder moe ben en dat ik steeds beter en dieper kan nadenken. Ik zeg dat mijn geheugen ook met sprongen vooruit is gegaan.’ Toch slaagt hij er in Zwijgend dan weer in om met eenvoudige taal de tragiek van een doodbloedende relatie te vatten: ‘Wanneer mijn vriendin en ik samen in een ruimte zijn zwijgen we en wachten tot de ander begint met praten, maar omdat geen van ons tweeën dat doet zwijgen we.’

    Wijlen Wim Brands loofde Pignon terecht om zijn openingsregels. Die zijn dan ook vaak memorabel, zoals in Moskee: ‘Staand voor het café met iets te veel drank op besluiten we om moslim te worden.’ Helaas stranden zijn verhalen vaak zo snel dat je onvermijdelijk de indruk krijgt dat er méér in zat. Het zijn argumenten die vaak terugkomen in besprekingen van Pignons werk, en in Recensie uit hij daarover klaarblijkelijk zijn frustratie: ‘De musicalrecensent schrijft dat het jazzconcert beter was geweest als het jazzconcert bijvoorbeeld een musical was.’ Point taken, en Pignon hoeft uiteraard helemaal geen roman te schrijven, maar waarom de losse flodders niet laten voor wat ze zijn en iets meer focussen op de echt goede ideeën? Neem nou De zwijgshow, over een programma waarin iedereen zijn mond houdt in plaats van meningen te spuien, of De toekomst, waarin de hoofdpersoon in een boekhandel moet gaan werken en tevergeefs zijn eigen werk aan de man probeert te brengen (‘Er is één keer een boek van mij verkocht, maar de klant die het kocht kwam het na een paar dagen weer ruilen’). Pignon laat af en toe met zulke klasseflitsen zien dat hij nog meer in zijn mars heeft. Plus est en vous.

     

     

     

  • Voorleesavond bij Horizonverticaal in Haarlem

    Agenda

    Op zaterdag 23 februari is er een voorleesavond bij Horizonverticaal in Haarlem. Schrijvers L.H. Wiener, Jan van Mersbergen, Lucas Hirsch en Joubert Pignon dragen voor uit eigen werk én uit het werk van hun literaire helden.

    L.H. Wiener leest F. Bordewijk en L.H. Wiener. Jan van Mersbergen leest Cormac McCarthy en Jan van Mersbergen. Lucas Hirsch leest Allen Ginsberg, Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Sirkka Turka en Lucas Hirsch. Joubert Pignon leest Richard Brautigan en Joubert Pignon.

    L.H. Wiener (1945) is een van Nederlands beste verhalenvertellers. Hij woont en werkt in Haarlem. Na tien verhalenbundels brak hij door met de succesvolle roman Nestor (2002), bekroond met de F. Bordewijkprijs.

    Jan van Mersbergen (1971) is auteur van zes romans. Zijn roman Naar de overkant van de nacht werd bekroond met de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2011. Momenteel wordt dit boek verfilmd.

    Lucas Hirsch (1975) is dichter te Haarlem. Er verschenen drie bundels van zijn hand bij Uitgeverij De Arbeiderspers. Momenteel werkt hij aan een roman. Hirsch is oprichter van het Haarlemse literaire productiebureau Kleine Revolutie Producties.

    Joubert Pignon (1978) is schrijver te Haarlem en debuteerde eind 2012 met Er gebeurde o.a. niets, een roman in zeer korte verhalen. Momenteel werkt Pignon aan zijn tweede en zijn vierde boek.

    De avond begint om 20:30, deur is om 20.00 open.
    Entree 5,00 euro
    Adres: Houtmarkt 7, Haarlem

  • ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’

    De bundel bestaat uit 185 zeer korte verhalen, met allemaal dagelijkse gebeurtenissen als onderwerp of in ieder geval als uitgangspunt. Hoofdpersoon is een verhalenschrijver die in een dierenwinkel werkt om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het schrijven van verhalen doet hij in een ateliercomplex dat hij deelt met andere kunstenaars. Aangezien hij zo kort mogelijke verhalen schrijft, beperkt zijn werkweek zich tot hooguit 25 minuten. De rest van de tijd in zijn atelier drinkt hij rosé, rookt hij sigaretten en ligt hij op de bank.

    Daarnaast gaat hij met vrienden naar de kroeg, op bezoek bij ouders en oma, terug naar de plaats waar hij is opgegroeid. Hij maakt ook diverse kleine reisjes door Nederland en België en woont samen met een vriendin die hij steeds minder verstaat. Alles bij elkaar gebeurt er weinig, zoals de titel al aangeeft, maar toch geeft deze alledaagsheid aanleiding tot verrassende observaties, absurde gebeurtenissen, ontroerende of schokkende taferelen, weergegeven in een onderkoelde toon, met associaties die soms nergens op lijken te slaan, in een gemoedsstemming die meestal somber is en altijd kritisch, zowel over de mensen om hem heen als over zichzelf.

    Hoe kort de verhalen ook zijn, ze zetten de lezer aan het denken, geven hem een andere kijk op de alledaagse werkelijkheid, ontdekken met de schrijver mee hoe doorzichtig de menselijke handelingen en drijfveren zijn. Het geheim van deze ontdekkingen ligt in een scherp observatievermogen, gepaard aan een groot gevoel voor relativering.

    Een enkel voorbeeld van deze stijl: ‘De bibliotheek stroomt vol met oude vrouwen die zelf hun haar knippen.’  Of: ‘Het lijkt of ze mijn naam schreeuwen. Maar dan mijn echte naam, die ikzelf ook nog nooit gehoord heb.’

    En als een natuurlijke verlenging van die werkelijkheid neemt het verhaal soms een vlucht in het absurde: een kerstpakket dat het hoofd van de baas bevat; een cabaretier die zijn publiek doodschiet. Daarnaast zijn er ook ontroerende of schokkende verhalen, over een bezoek aan zijn oma, de dood van zijn konijn, de zelfmoord van een jongen van vijftien die op school werd gepest.

    Het spreekt vanzelf dat het voor een lezer niet te doen is om die verhalen allemaal achter elkaar door te lezen. Dat zou al snel een oververzadiging geven, en zo de waardering van de verhalen negatief beïnvloeden.

    Toch zit er wel degelijk een eenheid in de bundel. Er wordt een levensecht beeld geschilderd van een hoofdpersoon die aanspreekt. Een goeierd, een slappeling met veel inzicht en wat minder daadkracht, een drinker, een dromer met de behoefte aan iets groters, maar misschien is dat te veel gevraagd en ook helemaal niet nodig.

    Al met al een boeiende bundel, in een verrassend scherpe stijl die de lezer bij zijn nekvel grijpt.