• Verontrustend en toch lichtvoetig

    Verontrustend en toch lichtvoetig

    Waarom het kind in de polenta kookt van Aglaja Veteranyi is een roman uit 1999 en nu in het Nederlands vertaald. Het is het verhaal van een Roemeense circusfamilie op de vlucht voor het regiem van dictator Ceaușescu. Het begint met de stem van een kind, haar vragen en fantasieën. ‘Ik stel me de hemel voor. Die is zo groot dat ik meteen in slaap val om mezelf gerust te stellen. Bij het wakker worden weet ik dat God iets kleiner is dan de hemel. Anders zouden we bij het bidden voortdurend in slaap vallen van schrik.’

    De vertelster is een jaar of tien en groeit gaandeweg het verhaal uit tot een puber. Met haar moeder, stiefvader en zijn dochter zijn ze de armoede en onderdrukking in Roemenië ontvlucht en proberen met circusacts in het westen hun geld te verdienen. Moeder hangt aan haar haren in de trapeze. Stiefvader is clown, hij is een drinkebroer en voortdurend bezig met een camera om zijn vrouw en dochters te filmen. Dankzij deze rolletjes denkt het meisje dat ze is voorbestemd om later actrice te worden.

    Onveilige jeugd

    Het is geen gezellige boel in dit zigeunerachtige bestaan. De moeder doet haar best om haar dochter te beschermen, maar een veilige omgeving voor kinderen is het circus niet. De familie hoopt dat het leven beter wordt, de stiefvader schildert het westen af als het paradijs, maar keer op keer zijn de teleurstellingen groot. De man is ook gewelddadig en heeft een incestueuze relatie met zijn genetische dochter: ‘Mijn zus is ook gek, zegt mijn moeder, omdat mijn vader van haar houdt als van een vrouw.’ Dat hij de vertelster nog niet misbruikt blijkt uit de volgende zin: ‘Ik moet uitkijken dat ik niet ook gek word, daarom neemt mijn moeder mij overal mee naartoe.’ Duidelijker worden deze zaken niet belicht, maar de insinuaties vanuit het kind-perspectief liegen er niet om. Later, in deel drie verhuurt de moeder haar dochter, ze is dan twaalf, maar zegt dat ze dertien is, aan een variété-show waar ze naakt moet dansen. ‘Maar omdat ik daar te jong voor ben plak ik een behaarde driehoek tussen mijn benen. Dat idee was van mijn moeder. (…) Ik ben nog nooit door een man op de juiste plek aangeraakt. Ik denk nergens anders aan. Ik wil door twee mannen tegelijk worden verkracht.’ Heftige gedachten van een kind dat dingen hoort maar niet echt de betekenis ervan begrijpt.

    Mengeling van fantasie en realiteit

    De fantasie van het kind vermengt zich met elementen van de orthodoxe religie van de familie van haar moeder en de sprookjes die ze hoort. Tamelijk stoïcijns probeert ze de wereld te begrijpen zonder het verschil te kennen tussen realiteit en fantasie, en dat werkt betoverend, verontrustend en soms hilarisch. Zoals de traditie dat een geslachte kip moet uitbloeden voor hij in de soep mag. De familie huist in een krappe woonwagen of in een hotel met zijn allen in een kamer. Moeder slacht de kip in de badkuip. Dat is uiteraard verboden en dus zetten ze de radio hard aan. Voor meer nadruk schrijft Veteranyi soms in hoofdletters. ‘BIJ HET SLACHTEN KRIJSEN DE KIPPEN INTERNATIONAAL. WE VERSTAAN ZE OVERAL.’

    Het beeld van de moeder die hoog in de nok aan haar haren in de trapeze hangt en er jongleert met ballen, ringen en brandende fakkels is beangstigend voor haar dochter. Hoe de moeder zich voorbereidt en de onzekerheid en angst die daarmee gepaard gaan, roept een verwachtingsvolle spanning op. ‘MIJN MOEDER IS DE VROUW MET HET HAAR VAN STAAL.’

    Om hun angsten te verbloemen vertellen de zusjes elkaar verhalen over het levende kind dat in de polenta kookt, de rode draad in het boek. De vertelster, die zich identificeert met dit kind, wil weten waarom het in de polenta belandde. Was het haar eigen schuld? Door in een zak mais te kruipen en in slaap te vallen? Heeft God het kind nadat ze gestorven was in de polenta gekookt? ‘God is kok, hij woont in de aarde en eet de doden op, met zijn grote tanden kan hij alle doodskisten kapotbijten.’ Naarmate de roman vordert, onderbreekt ze het verhaal over het polentakind steeds vaker en voegt nieuwe details toe.

    Wanneer de stiefvader verdwijnt worden de zussen verbannen naar een kostschool in Zwitserland. Hier gaan de angst en ellende op een andere manier gewoon door en het verhaal van het kind dat in de polenta kookt wordt steeds gruwelijker. De zussen mogen nergens heen zonder elkaar, dat eist de moeder en als de iets oudere zus van school gaat, komt de vertelster weer bij haar moeder terug, die haar vervolgens aan de variété-show verhuurt.

    Korte zinnen en aforismen

    De zinnen zijn kort en associatief en vaak vangt een zin op een nieuwe regel aan. Tussen de tekst staan aforismen in kapitalen. Zoals: ‘IS ER ECHT EEN CIRCUS IN DE HEMEL’ of ‘DE MENSEN ZIJN GOED OMDAT ZE BANG ZIJN VOOR DE DUIVEL’. Soms staan zinnen zelfs alleen op een bladzijde: ‘MIJN FAMILIE IS IN HET BUITENLAND GEBROKEN ALS GLAS.’ Of zoals een van de veelvuldig terugkerende gedachten aan God: ‘HOE RUIKT GOD?’

    Aanvankelijk lijken deze korte statements op een trucje, maar dat is het geenszins. Het verhaal is deels autobiografisch en deze zinnen verhullen juist de treurigheid die de schrijfster als kind ervoer. Veteranyi maakte zelf deel uit van een circusfamilie die uit Roemenië ontsnapte en ze was tot haar zeventiende analfabete. Hoewel ze redelijk succesvol was in het theater en prijzen won voor deze roman pleegde ze uiteindelijk zelfmoord toen ze veertig was.

    Waarom het kind in de polenta kookt is een bijzonder gecomponeerd en authentiek verhaal dat niet in een keer volledig te bevatten valt, ondanks of misschien juist door de lichtvoetigheid. Een verhaal van een schrijnende jeugd dat een diepe indruk achterlaat.

     

  • Oogst week 44 – 2024

    Oogst week 44 – 2024

    Waarom het kind in de polenta kookt

    In Waarom het kind in de polenta kookt van de van oorsprong Roemeense Aglaja Veteranyi (1962–2002) komt de achtergrond van de schrijfster herkenbaar naar voren. Haar familie vluchtte tijdens het regime van Ceauşescu naar Zwitserland. Omdat haar ouders beide circusartiest waren, was de familie altijd onderweg en overal een buitenstaander, met alle problemen van dien. Ze bleven niet alleen in Zwitserland, maar reisden ook door Europa, Afrika en Zuid-Amerika. Hierdoor bleef Veteranyi lange tijd analfabeet. Toen ze weer terug was in Zwitserland leerde zij zichzelf Duits lezen en schrijven. Dat werd ook de taal waarin ze schreef.

    Waarom het kind in de polenta kookt uit 1999 is haar debuut. Het was meteen een groot succes. Het is een coming-of-age roman die gaat over twee zusjes in een Roemeense circusfamilie. Zij maken zich elke dag zorgen om hun moeder die elke avond in de trapeze hangt. Om die zorgen te vergeten, vertellen ze elkaar verhalen die soms erg gruwelijk worden.

    Aglaja Veteranyi pleegde in 2002 zelfmoord

     

     

    Waarom het kind in de polenta kookt
    Auteur: Aglaja Veteranyi
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers (2024)

    Ik wens mijn huis as 

    Darja Serenko (1993) is een Russische dichter, curator en politiek activist. Zij is medeoprichter van de Feminist Anti-War Resistance (FAS)-beweging die in februari 2022 opgericht werd als protest tegen de Russische invasie van Oekraïne. Al snel had de organisatie veel aanhangers. Nog geen jaar later wordt de FAS in Rusland als ‘buitenlands agent’ betiteld, maar krijgt daarna ook de Vredesprijs van Aken 2023.
    Vanwege een bericht op social media om steun te betuigen aan Alexsej Navalny krijgt Serenko 15 dagen celstraf. In die dagen begint ze aan Ik wens mijn huis as. Momenteel woont zij in Georgië.

    Ik wens mijn huis as bestaat uit twee afzonderlijke delen: Meisjes en instituties (2021), dat gebaseerd is op eigen ervaringen, en Ik wens mijn huis as (2023), waarin zij haar verblijf in de gevangenis centraal zet.

    Eva Hartog gaat op 1 november a.s. in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag met Serenko in gesprek. Hartog woonde en werkte jarenlang als correspondent in Rusland. In 2023 kreeg zij te horen dat ze dat land uit moest. Ze is als journalist verbonden aan o.a. De Groene Amsterdammer en Time Magazine.

    Ik wens mijn huis as 
    Auteur: Darja Serenko
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)

    Kwaidan

    Kwaidan zijn Japanse spookverhalen en legendes. De schrijver van deze bundel Kwaidan werd in 1850 in Griekenland geboren als Patrick Lafcadio Hearn. Zijn vader was Iers, zijn moeder Grieks. Na zijn jeugd in Dublin emigreerde hij op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten, werd journalist en kwam uiteindelijk als correspondent terecht in Japan waar hij het staatsburgerschap kreeg en hij de rest van zijn leven zou blijven. Zijn Japanse naam is Koizumi Yakumo.

    Kwaidan bevat huiveringwekkende spookverhalen die gebaseerd zijn op Japanse folklore maar ook vol zitten met herinneringen aan de eigen spookachtige jeugd van de auteur in Ierland. Het wordt bevolkt door allerlei angstaanjagende en enge wezens.

    Het is een verzameling verhalen geworden die inmiddels tot de Japanse klassiekers behoort. Kwaidan is door Barbara de Lange vanuit het Engels vertaald, en is voorzien van een nawoord door Jannie Regnerus. Specifieke Japanse begrippen worden in noten onderaan de pagina toegelicht.

    Kwaidan
    Auteur: Lafcadio Hearn
    Uitgeverij: Uitgeverij Koppernik (2024)
  • Het absurde bestaan plakt aan de huid

    Het absurde bestaan plakt aan de huid

    Hitte maakt ons loom, landerig en doet alles aan elkaar plakken. Het mat ons af. Ook in de gelijknamige debuutroman van Victor Jestin (Frankrijk, 1994) sjokken de personages maar wat rond, klutsend van de zweetdruppels. Net als in het zuiden van Europa dezer dagen, bedrukt de warmte de vakantiegangers in Hitte op een camping in Normandië. Daar spendeert de zeventienjarige Léonard samen met zijn ouders en zusje twee weken van zijn vakantie. Gezellig spetteren in het zwembad, zou je denken. Dolle pret, toch?

    ‘Oscar is dood omdat ik toekeek toen hij doodging, zonder een vinger uit te steken.’ Met die eerste zin bedelft Jestin elke kans op een feelgoodboekje om in het vliegtuig op weg naar vakantie door te bladeren. Want de morbide lijklucht verspreidt zich meer en meer. Diezelfde nacht nog begraaft Léonard Oscar in het zand. Hij kende de dode slechts van ziens. Maar nu is er geen weg meer terug. De nietsvermoedende campinggangers sjokken voort in de hitte: ‘Zonder te weten bouwden kinderen zandkastelen ter nagedachtenis van Oscar.’

    Onder zijn leeftijdgenoten heerst een ongestoorde seksuele experimenteer- en geldingsdrang. Hitte lijkt amper te verschillen van een typische coming-of-age novelle: Léonard is een outcast, zondert zich af maar weet uiteindelijk wel aan te pappen met een populair meisje. Op dat vlak niets nieuws onder de loden zon. Zelfs het feit dat de voortdurende vervreemding zich voortzet tijdens de seks voelt niet bijster verrassend: ‘We plakten aan elkaar maar waren niet samen.’ Maar Jestin weet dit toch handig om te keren, omdat ook Oscar aan Léonards huid plakte.

    Zelfgeschapen schuldgevoel

    Dat plakkerige gevoel behelst niet een zintuigelijke sensatie, maar is vooral een psychologische kwestie. Léonards gemoedstoestand resoneert enigszins met het concept van ‘il y a’, of ‘er is’, gemunt door de Franse wijsgeer Emmanuel Levinas. Het ‘il y a’ is een zijnswijze, een toestand in de werkelijkheid, waarin er volgens Levinas geen onderscheid meer bestaat tussen de dingen. Alles kleeft aan elkaar. Het is één amorfe en onverschillige brij die op elkaar lijkt, zonder dat er echt iets gebeurt.

    Léonard kleeft zelf aan de werkelijkheid. Hij doet zaken zonder noemenswaardige drijfveren te bezitten: ‘Het leek me logisch dat Oscar moest verdwijnen. Ik dacht er verder niet bij na.’ Toen hij toevallig zag hoe Oscar in de touwen van de schommel zat verstrengeld, kon hij hulp inroepen. Maar vanuit een onverklaarbaar motief maakt Léonard zichzelf heel erg schuldig. En dat zelfgeschapen zwaard van Damocles isoleert hem nog meer van zijn familie en de rest van de camping.

    In die absurde levenshouding van Léonard loert het werk van filosoof-schrijver Albert Camus meermaals om de hoek. Vooral de gelijkenissen met Camus’ bekendste boek, De Vreemdeling, springen in het oog. Daarin wordt de zinloosheid van het bestaan getoond en begaat het hoofdpersonage Meursault de meest doelloze moord uit de literatuur. Zelfs de openingszin van Hitte doet qua directe en koude onverschilligheid niet onder voor de beroemde twee eerste zinnen van De vreemdeling: ‘Vandaag is moeder gestorven. Of misschien gisteren, ik weet het niet.’

    Absurde frictie

    Wat misschien wel geweten kan worden is dat er eveneens stilistische gelijkenissen tussen beide auteurs vallen te trekken. Net als die van Camus is Jestins stijl compact en puntig. En zelfs in filosofisch geladen opmerkingen blijft de toon observerend en afstandelijk: ‘De camping had haar eigen wetten. Twee weken vakantie, dat was een heel leven. Je kwam aan zoals je geboren wordt, bleek en alleen. Je ging weer weg zoals je sterft, met een zucht van weemoed en opluchting.’

    Die observerende maar spitse schrijfstijl creëert een contrast tussen de frisse focus van de zinnen en de donkere inhoud. Want onder elke zin sluimert het steeds meer ontbindende lijk van Oscar. Maar door de scherpte waarmee Léonard zijn gedachten en observaties meedeelt, wordt er geen bedompte of sentimentele sfeer geschapen. Opmerkingen als ‘Oscars blauwe handdoek moest over de balustrade hangen, veel te droog’ roepen een zintuiglijk en levendig beeld op. Wat schril afsteekt tegen de lugubere inhoud ervan.

    Die afstandelijke verteltoon laat zelfs plaats voor bijtende humor. Wanneer Léonard zich even tot op de bodem van het zwembad heeft laten zakken, bemerkt hij bij zichzelf dat ‘ik hier kon blijven met een mond vol chloor. Een persoon minder op de camping, geen mens die het merkte.’ Niet alle observaties zijn even geslaagd. Vaak verzwakt de impact van een observatie wanneer het absurde te expliciet naar boven drijft: ‘Snel de leegte vullen die mijn leven zwaar maakte.’ Of wanneer Léonard zeilboten ziet passeren volgt uit het niets: ‘Misschien verdrinkt er iemand.’ Tja, of misschien ook niet, denk je dan spontaan, door de willekeurigheid van die zin.

    Als novelle is Hitte op zijn best wanneer de frictie tussen de spitse zinnen en de walgelijke inhoud ervan de absurdheid van het bestaan voelbaar maakt. Qua narratief blijft het verhaal soms wel steken op het niveau van een typisch coming-of-age scenario. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat Hitte niet zou misstaan als een hedendaagse variant van De vreemdeling op de leeslijsten in het middelbaar onderwijs. Al blijft Camus’ meesterwerk tot dusver filosofisch radicaler en vernieuwender. Maar Jestin is nog jong natuurlijk. En veel wijst erop dat we nog niet snel van hem verlost zullen zijn. Misschien betreft dit een debuut van een schrijver die nog veelvuldig aan onze huid zal blijven plakken.

     

  • Een geredde strook met verhalen

    Een geredde strook met verhalen

    De titel Rombo duidt op het verschijnsel dat zich bij aardbevingen bijna altijd voordoet. Het is een eigenaardig onderaards geluid dat bestaat uit een rollende klank en vaak wordt vergeleken met de donder. In Rombo vertelt de Duitse vertaler, schrijver en dichter Esther Kinsky over de Italiaanse regio Friuli die in 1976 zwaar geteisterd werd door twee aardbevingen.

    Verschillende lagen liggen in dit verhaal door elkaar, als na een aardbeving. Kinsky wisselt lenig tussen verschillende tijden, van toekomstdromen van vroeger tot het puin van na de aarbevingen. Zij zigzagt langs bergpaden en rivieren, over bergketens naar dalen en voert de lezer mee door het landschap en in de hoofden van dorpsbewoners. Dit verhaal is een landschap.

    Voorvoelde ramp

    Natuurkrachten vallen buiten de categorieën van goed en kwaad. De mens heeft niet steeds controle. Het zijn grote thema’s die Kinksy voortreffelijk weergeeft. ‘De mens met zijn twee benen op de grond, met zeis, hamer, zaag, fluit en viool, wordt het wanhopigste wezen van allemaal als de trillingen niet meer te negeren zijn.’

    Ook op metaniveau krijgen de zinnen betekenis. Wanneer Kinsky schrijft over aardlagen, aardverschuivingen en trillingen, lijkt ze het evenzeer over de menselijke psyche te hebben. De aardbeving als metafoor. Rombo komt niet alleen uit de diepere lagen van de aarde maar ook uit die van de geest. Degenen zonder talig bewustzijn, zoals de dieren, voorvoelden de ramp. De slangen kropen plots tot boven in het dorp en ‘De koekoek riep aan één stuk door, ’s ochtends al.’ Ook de vergeetachtige moeder is de dag voor de aardbeving onrustiger dan anders. Wat Kinsky in Rombo schrijft, grijpt je naar de keel. Kolossaal en wreed, ontroerend en poëtisch.

    De beschrijvingen van de landschappen zijn meesterlijk. ‘De rivier is vooral een bedding, een met het stijgen en dalen, het stromen en sijpelen van het water veranderend landschap van stenen, een grensgebied, dat zijn eilanden opwerpt en afgraaft, ranke wilgen neerplant en uitrukt, de oevers onderspoelt, uitspoelt, opbouwt en links laat liggen, tot ze zich hebben verlaagd tot vlakke tongen die het water in lopen, alsof ze op zoek zijn naar een nieuwe gedaante.’ Elders gaat het over een pijnbomenbos dat ‘donker en ernstig boven op de kam ligt’.

    In kleine stukjes, brokstukken geklemd tussen het getormenteerde landschap en encyclopedische kennis, doen zeven bergbewoners hun verhaal. Elk heeft een eigen stille stem. Ze zijn geitenhoeder, of vrouwen die look verbouwen of konijnen kweken. Een meisje van wie de flamboyante moeder aan zee is gaan werken, een dochter die voor haar moedertje zorgt. Gewone dorpsbewoners. Esther Kinsky opent het hoofd van de getroffenen, kijkt door de spleten en groeven. Deze schijnbaar eenvoudige mensen beschikken vaak over een kennis van landschap en natuur die stedelingen vergeten zijn. Ze zijn geworteld in het landschap, maar door de aardebevingen ontworteld.

    Oerverhalen

    Zelden praten de mensen met elkaar over de wond. Voor de aardbeving verstopten zij hun diepste geheimen al. Het leven in de bergen is hard, vaak conservatief. Er worden snel oplawaaien verkocht. De getuigenissen van het natuurgeweld zijn eenzame monologen en inwoners zoeken moeizaam naar woorden over dat wat hen roert. ‘Hoe zag het land er eerst uit? Opeens ben je het vergeten en zul je er in je dromen nog jaren naar zoeken – hoe zag de aardbodem eruit voor de scheur, voor de brokstukken, het puin, de sleepsporen, hoe zag de grond onder je voeten eruit, van dag tot dag?’

    Sommigen geven aan dat ze het trauma weleens kwijt willen. Zij vormen een koor met verschillende stemmen. In elke versie wordt er iets herhaald door een andere stem. Ten slotte rest er een soort oerverhaal van het gebeuren, met scherven en brokstukken bij elkaar gebracht. Behalve getuigenissen tekent Kinsky ook oude verhalen op zoals verklaringen, fabels, sagen, geruchten van de streek, waarbij waarheid en verzinsels door elkaar lopen. ‘Eronder of erin, donderde de Orcolat, het aardbevingsmonster. Een fabelwezen met sporen die onuitwisbaar zijn.’

    En er is de sage van Riba Faronika, de Farao-Vissin. Ze lag te sluimeren op de bodem van de zee, een enorm wezen, tot aan haar buik vrouw, vanaf de buik voorzien van een gespleten vissenstaart. Opgeschrikt door de zandkorrel die God liet vallen, maakte ze met een van haar vissenstaarten een schokkende beweging en de aarde begon te rommelen…

    Het verhaal van het grote witte steenveld ontstond na een steenlawine. Sindsdien lag dat veld daar. ‘Volgens de verhalen werd er na die steenlawine iemand uit het dorp vermist. En de mensen zeiden dat die witte vlek eruitzag alsof daar iemand stond met gespreide armen. Een grootmoeder kende alle bergen bij naam. Bij elke naam hoorde een verhaal.’ De verhalen zijn in het landschap gegrift. De aardbeving deed er een schepje bovenop. ‘Aan de andere kant van de bergen, aan de zuidkant, regent het alleen, ook in de winter valt er geen sneeuw. Daar is het urinoir van Onze-Lieve-Heer, zeggen de mensen.’
    Ook de geluiden zijn verankerd in het landschap. De geitenmelker is een nacht- en schemeractieve vogel die ‘net als de muziek van de streek’ een stijgend en dalend vibrerend geluid voortbrengt, gevoelig en minimaal wisselend van toonhoogte.

    Levend landschap

    De auteur laat ook het landschap zelf leven. Ze spreekt over een rivier die van richting veranderde. ‘Misschien veranderde hij van stemming. Voelde hij zich aangetrokken tot de andere rivier, het andere dal, ander gesteente, de oostkant. Rivieren hebben hun eigen beweegredenen.’

    Ze getuigt ook van het menselijk landschap, zoals bij het motel ‘met een hoogdravende naam met een fout gespeld Engels woord erin’. Gammel en poëtisch. De pomphoudster is tevens de kokkin. Mannen drinken er een biertje, soms buiten op een blok beton, en lachen de dingen weg. Op een Italiaans kerkhof met plastic bloemen poetst een oude vrouw een grafsteen ‘met de foto van een oude vrouw die op de poetsende vrouw lijkt.’ Humor en weemoed komen tot uiting in zinnen als ‘De nieuwe Moeder Gods, die licht gaf in het donker, zat in haar schortzak en scheen door de stof heen, zo’n blauwgroen licht. Je kon de Moeder Gods ook in flikkerstand zetten, als een knipperlicht.’

    Van encyclopedische kennis maakt Kinsky literatuur. Aardlagen, de eigenschappen van kalksteen, planten en bloemen worden door haar beschrijvingen levendige essenties, net als de diepste holten op aarde. ‘Ravijnen, kloven, afgronden, abissi, waar niets wat er eenmaal in terecht is gekomen ooit nog de weg vindt naar het licht. Afgronden van het vergeten. Wanneer verandert het-zich-herinneren in echt-vergeten?’ Het geheugen zelf kan door verschuivingen en gerommel littekens krijgen, want de psyche krijgt evenveel klappen. Rombo blijft voelbaar en hoorbaar, soms hard, soms in verre echo’s.

    Het einde van het boek verhaalt over de tweede aardbeving, waarop Kinsky met de ouder geworden inwoners wederom terugblikt. Op de cover en in het boek staan foto’s van een fresco. In het koor van de heropgebouwde kathedraal van Venzone is een lange, van een vernield fresco geredde, strook te zien. Hij is bedekt met tekens en inscripties zoals pelgrims die er eeuwenlang op achterlieten. De sublieme roman van Kinsky lijkt op een geredde strook met verhalen uit het geheugen van de landstreek Friuli.

     

     

  • Oogst week 36 – 2022

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.

    Filosoof Eva Meijer heeft zich verdiept in de rol van stilte in de politieke samenleving en daarover het essay Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes geschreven.
    De veelzijdige filosoof Meijer is op velerlei gebiedt creatief. Ze maakt tekeningen, kunstprojecten, schrijft liedjes, treedt op, fotografeert, schrijft essays, verhalen, romans en artikelen. Dieren staan in haar werk centraal plus de vraag wat het is om mededier – mens – te zijn. Taal is daarbij een instrument dat niet alleen door mensen wordt gebruikt, zo betoogt Meijer. Ze liet dat onder meer zien in haar boek Dierentalen (2016).

    Het politieke discours lijkt in toenemende mate afhankelijk van het taalgebruik. Wie het meest ad rem is wint het publieke debat en luide stemmen krijgen vaak de meeste aandacht. Wat er gezegd wordt is dan van ondergeschikt belang, net als op sociale media waar iedereen bijna alles kan roepen wat hij wil. Er is ook stilte, zegt Meijer. Die kan onderdrukken, maar kan ook stil verzet zijn, of deelname aan een gesprek via luisteren. In Verwar het niet met afwezigheid onderzoekt Meijer verschillende soorten politieke stiltes en schetst ze contouren voor nieuwe politieke omgangsvormen en de rol van morele dilemma’s.

    Verwar het niet met afwezigheid. Over politieke stiltes.
    Auteur: Eva Meijer
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    De fiscalist

    De fiscalist beschrijft een man, de fiscalist Anton, die in zijn verbleekte leven op zoek gaat naar echt contact. Zijn huwelijk stelt weinig meer voor en zijn werk is meer een dagelijkse sleur dan dat hij het succesvol kan noemen. Hij beseft dat hij eigenlijk hulp nodig heeft, maar in plaats van een psycholoog te bezoeken of zelfhulpboeken of -websites te raadplegen zoekt hij het in contacten via zijn telefoon. Hij merkt al snel dat het hem weinig oplevert.

    Dan richt hij zijn aandacht op Mila Kaufman, de dochter van een van zijn klanten. Deze Kaufman bezit talloze panden in Amsterdam en Anton is voor hem en de familie behalve belastingadviseur ook een vertrouwenspersoon. Mila weet niets van Antons adoratie. Hij laat zich steeds verder gaan en ziet in haar de vrouw die hij zich zou wensen maar die zij niet is. Ze wordt een obsessie. Om zijn rusteloosheid onder controle te krijgen spreekt hij voor zichzelf voicemails in. Gaat dit Anton helpen zijn leven te herscheppen of raakt hij verder verwijderd van de realiteit?
    De fiscalist is gebaseerd op een waargebeurd verhaal waarin Ariëlla Kornmehl zelf de hoofdrol speelde.

    De fiscalist
    Auteur: Ariëlla Kornmehl
    Uitgeverij: Uitgeverij Ambo Anthos

    Rombo

    Het is 1976. In het noordoosten van Italië vindt tweemaal, in mei en in september, een hevige aardbeving plaats. De aardverschuivingen zijn enorm. Bijna duizend mensen vinden de dood onder de puinhopen, tienduizenden mensen worden dakloos en velen verlaten voor altijd hun vertrouwde omgeving. Er ontstaat een nieuw landschap waarin de kracht van het natuurgeweld zichtbaar is. Minder zichtbaar is het menselijk trauma, de taal ervoor is niet zo gemakkelijk te vinden. Maar in Rombo, de nieuwe roman van Esther Kinsky, komen zeven mensen aan het woord over de gebeurtenissen van toen.

    Ze wonen in een afgelegen bergdorp waar de aardbeving behalve in het landschap ook in de geesten van de mensen littekens heeft achtergelaten. Langzaam leren deze mannen en vrouwen woorden te geven aan de gevoelens die hun toen verpletterde levens zijn gaan beheersen. Verlies en angst kennen allen, maar de individuele herinneringen brengen ook diepere en oudere pijnen boven. Kinsky maakte er ontroerende en beklijvende verhalen van.

    Rombo
    Auteur: Esther Kinsky
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    Een spoor trekkend door de geheimtaal van kreupelhout

    In Kreupelhout van de Duitse schrijver, dichter en vertaler Esther Kinsky (1956), reist een naamloze vrouw twee maanden na het overlijden van haar partner M, door Noord-Italië. Het is winter en guur, geen klimaat om toeristen te verwelkomen. De mensen zijn evenmin uitnodigend, want nog maar koud in Italië aangekomen, worden uit haar auto twee koffers gestolen. In een koffer zaten kledingstukken die M. tot kort voor zijn dood gedragen had. Ze waren niet enkel als aandenken meegenomen, maar ook om zelf te dragen. M. ontvalt haar hierdoor voor een tweede maal. De vrouw maakt wandelingen vanuit Olevano Romano, uitstapjes naar plaatsjes in de buurt. Ze neemt het landschap in zich op, verkent de omgeving en de bedrijvigheid van de mensen en doet daarvan in de eerste persoon verslag. Er worden kerkhoven bezocht, waar ze de namen op de graven leest. Ze voelt een speciale verbondenheid met een vrouw die kort voor haar vader werd geboren en in 1979 in een koude winter in Londen stierf; een periode dat ook zijzelf in Londen verbleef.

    Terreinroman in drie delen

    Kreupelhout is een door de auteur zelf benoemde ‘terreinroman’, waarin het terrein niet alleen plaats van handeling is, maar ook als handelingsbekwaam opereert. De naamloze vrouw verkent het terrein en tracht zich er persoonlijk toe te verhouden om langzaam de controle over zichzelf te heroveren. Af en toe wordt een klein succesje geboekt: ‘Olevano gooide naar alle kanten lijnen van verbondenheid uit.’ Zeker als de lente doorbreekt: ‘Het landschap veranderde van blauw in groen. Langs de kant van de weg verschenen bloemen, zachtpaarse lipbloemigen en stervormige witte bloemen die ik niet kende.’ 

    Het boek bestaat uit drie delen, die elk weer uit korte hoofdstukken bestaan. Het middenstuk is gewijd  aan haar overleden vader en schetst een serie jeugdherinneringen aan vakanties naar Italië, waarheen de vader het gezin mee op sleeptouw nam. De toon hierin is mild. Alle drie delen kenmerken zich door gedetailleerde en aandachtige beschrijvingen zonder dat het boek een overvolle indruk maakt. Een compliment voor een boek waarin de hoofdrol voor een toch wel onbeduidende omgeving is weggelegd. Kinsky’s schrijfstijl is gedreven door dichterlijke observaties die ruimte biedt aan minder voor de hand liggende details als: ‘Ik werd duizelig van het kijken naar dat uitgebreide gebied, dat zich bloot gaf en tegelijk zo onbegrijpelijk voor me bleef. Een hobbelig terrein dat een ongedurige indruk maakte, doordat het er van elke kant weer anders uitzag.’ Een aangename stijl die elementair blijft. Al wordt van de lezer wel een zekere concentratie gevraagd.

    Geheimtaal van de bomen

    Het verhaal begint met een beschrijving van een kaarsen ritueel in de Roemeense kerk: links branden de kaarsen voor de levenden, de vií, rechts voor de doden, de mortí. In een film zag ze ooit hoe iemand een kaars voor de levende van links, naar de kaarsen voor de doden, rechts verplaatste. Het ritueel ontroerde haar vanwege de ‘eenvoud’. Toen was haar partner nog niet overleden. Nu weet ze : ‘Afwezigheid is ondenkbaar zolang er nog aanwezigheid is.’ De betekenis van het ritueel en daarmee de onwrikbare overzichtelijkheid, contrasteert met de  wereld van alledag. Het motto van Wittgenstein dat Kinsky aan deze terreinroman meegaf, wringt zich hier tussen: ‘Heeft het zin om naar een groepje bomen te wijzen en te vragen: “Begrijp jij wat er met dat groepje wordt bedoeld?” Over het algemeen niet; maar zou je met de manier waarop bomen gegroepeerd zijn geen betekenis kunnen uitdrukken, zou het geen geheimtaal kunnen zijn?’

    De feitelijke wereld lijkt op het eerste gezicht niet aan intrinsieke betekenis te doen. Aan nabestaanden presenteert de wereld zich anders dan aan mensen die geen dierbare verloren hebben. De verteller zoekt haar heil niet in de schijnwereld van het ritueel, maar verkent haar eigen spoor. In het aardse. Alledaagse geluiden, gewone gebeurtenissen die zelden of nooit te boek worden gesteld, maken hier hun opwachting. Geknetter van bromfietsen, houtzagerslawaai, schoten van jagers en andere idylle verstorende geluiden weerklinken in dit proza. 

    Band met overledenen

    In het tweede deel, dat de overleden vader portretteert, wordt duidelijk dat haar toewijding aan kerkhoven en graven, aan sporen en restanten niet van een vreemde komt. Haar eigenzinnige en zwijgzame vader was altijd op zoek naar  sporen van de Etrusken. ‘Boeken over Etruskische vindplaatsen stapelden zich op zijn bureau op en het woord ‘necropoli’ maakte tijdens de vakanties in Italië deel uit van het dagelijks vocabulaire.’ De verteller leert al jong op kerkhoven tussen graven van vreemden te staan en dat je er zelfs een band mee kunt opbouwen. Opmerkelijk is dat de overleden vader  meer aandacht krijgt dan de overleden partner. Die duikt af en toe op in een droom, maar komt er verder bekaaid van af. Haar vader liet zich in zijn nadagen als Italiëgids inhuren. Hij bezat ‘deskundigheid op het gebied van de kleur blauw en zijn daarmee samenhangende liefde voor de schilderingen van Fra Angelico’. De verteller had het voornemen haar vader daar bij gelegenheid  naar te vragen, maar het is er niet meer van gekomen, hij overlijdt. Aan het einde van het boek heeft de verteller een gelegenheid gevonden dit verzuim alsnog te compenseren.

    Vitale gelatenheid

    Op de laatste dag van haar verblijf in Italië maakt ze bij wijze van ‘plichtsbetrachting’ een uitstapje naar Ravenna vanwege een schilderij van Fra Angelico van een rouwtafereel. Ze staat oog in oog  met het interessegebied van haar vader: het blauw van Fra Angelico. Een schamel driehoekje lucht aan de bovenkant, bijna als toegift door de kunstenaar aangebracht. ‘De hulpeloosheid van de nabestaanden tegenover het dode lichaam komt op dit schilderij tot uitdrukking. (…) Het is een beeld van rouw, waarop de blauwe driehoek boven de torens en muren van de kloosterhof niemand op het schilderij opvalt en voor niemand iets betekent, hij hangt als een kleine plichtsbetrachting boven aan de rand, de kostbare lapis lazuliis voor niets met veel moeite gewonnen en fijngestampt, hij strekt de nabestaanden op geen enkele wijze tot troost.’ 

    Daarmee eindigt dit eigenzinnige boek. Gelijk het bewerkelijke blauw van Fra Angelico is ook dit boek van Esther Kinsky, waarin een inferieure streek van Italië met zoveel aanstekelijke aandacht is belicht. Er zit wellicht geen diepere betekenis achter, maar wie er voor openstaat, zal wel degelijk enige betekenis hieruit halen. Mag Kreupelhout dan niet direct tot troost strekken, het maakt allerminst een troosteloze of klagende indruk. Veeleer spreidt het een vitaal soort gelatenheid tentoon. Trek je eigen spoor door de geheimtaal van het kreupelhout en merk dat het ontcijferend werkt en dat zo’n spoor uit zichzelf betekenis krijgt. Het lezen van Kreupelhout zal zeker een spoor bij alle lezers achterlaten.

     

  • Drakenbloed en hoestende koeien

    Drakenbloed en hoestende koeien

    Weet je wat nog beter is? Nog beter dan vredig sterven? (..) Niet sterven, kleine Liz, dat is veel beter.
    Elisabeth Stuart is in 1648 haar laatste illusies kwijt. Haar man, Frederik V van de Palts, is in 1632 overleden aan de pest, hun oudste zoon is in 1628 verdronken, Frederik was zijn rijk Bohemen na amper een jaar koningschap in 1620 kwijt. Maar de titel van keurvorst zou toch wel behouden kunnen blijven? Zelfs dat niet, krijgt ze te horen als de Dertigjarige Oorlog uitmondt in de Vrede van Westfalen. Voor haar geestesoog verschijnt Tijl Uilenspiegel. Hij houdt haar voor dat er iets beters is dan vredig (want met behoud van de titel) sterven.

    Tijl Uilenspiegel is nooit gestorven. Zijn naam wordt al rond 1350 vermeld en nadien is hij in meer of minder opgesmukte gedaante steeds weer opgedoken. De in Nederland bekendste versie is die van Charles de Coster uit 1867. Die maakte er een Vlaming van die de streng-katholieke Filips II het leven zuur maakte. Waarschijnlijk door diens roman zijn wij geneigd om Tijl als een Vlaming te zien en anders wordt dat beeld wel opgeroepen door het Belgische stadje Damme dat claimt de geboorteplaats te zijn van de held en als toeristische attractie zijn graf heeft. Tijl stamt echter uit de Saksische folklore. Het equivalent van de grafsteen in Damme valt dan ook te bezoeken in het Duitse Mölln.

    Onderzoeksdrift
    Uit het leven van die Uilenspiegel heeft Daniel Kehlmann geput in zijn magistrale nieuwe roman Tijl. Het is niet de eerste keer dat Kehlmann (1975) naar een historisch thema grijpt. Dat deed hij eerder in zijn prachtige Het meten van de wereld, waarin hij de volkomen tegengestelde figuren Alexander von Humboldt, onvermoeibaar reiziger, en Carl Friedrich Gauss, een typische kamergeleerde, samenbracht. Hij gaf ze alle eer, maar haalde ze tegelijk van hun voetstuk door van hen gewone mensen met hun nukkigheden en rariteiten te maken.

    In Tijl geeft hij opnieuw blijk van zijn bewondering voor de onderzoeksdrift van wetenschappers. Dit keer zijn het vooral de Duitse Jezuïet Athanasius Kircher (1602-1680) en zijn Engelse leermeester en ordegenoot Oswald Tesimond (1563-1636). Zij passen in historisch opzicht keurig in de tijdsperiode waarin de roman speelt, de Dertigjarige Oorlog, die duurde van 1618 tot 1648 en waarin katholieke en protestante staten en staatjes elkaar bevochten. Scharnierpunt in de roman vormt de Slag op de Witte Berg (bij Praag) in november 1620. Het protestantse Boheemse leger werd er in de pan gehakt door de keizerlijke katholieken, juist tijdens het koningschap van Frederik V van de Palts. Die was daar amper een jaar ervoor op de troon gezet door de Boheemse deelstaten. Omdat hij het daardoor maar één winter volhield kreeg hij de bijnaam Winterkoning. Frederik en zijn vrouw Elisabeth werden verbannen, maar waren nergens welkom, tot Prins Maurits hem onderdak bood aan de Kneuterdijk in Den Haag.

    Kunstenmaker
    Tijl Uilenspiegel valt als 14de eeuwse kunstenmaker duidelijk buiten die periode. Toch is hij de rode draad die door de geschiedenissen van Tesimond, Kircher, Frederik en Elisabeth loopt. Dat is minder een kunstgreep dan je zou kunnen denken. Ook Charles de Coster dropte hem in een andere eeuw.
    Kehlmann geeft hem daarnaast echter een veel gelaagdere betekenis dan we uit volksverhalen  kennen. Daarin is hij de nar, de goochelaar en potsenmaker die vooral ondeugd uitstraalt. Bij Kehlmann is hij meer, in het Duits een Gaukler. Dat heeft een veel specifiekere betekenis. Vertaalster Josephine Rijnaarts kiest voor ‘kunstenmaker’ omdat we niets beters hebben: ‘We hebben prachtige woorden voor zotten en dwazen: pias, potsenmaker, hansworst, maar die dekken de lading niet’, zo schrijft ze in een stuk op de website van haar uitgever.

    Tijl trekt met zijn Nele rond met een reizend circus. Hij is koorddanser, jongleert, voert gesprekken met zijn ezel Origenes (dat bedenkt Kehlmann niet; in vroegere volksversies leert de ezel lezen aan de universiteit van Erfurt), maar bovenal confronteert hij in deze roman de mensen met wie hij omgaat met hun eigenwijsheid, hun arrogantie en hun zelfbeklag. Hij houdt ze een spiegel voor.
    Zo treedt hij op in een dorp dat door de oorlog nog niet is bereikt, wat de inwoners zien als het uitblijven van Gods toorn. Hen bespelend vraagt Tijl iedereen de rechterschoen uit te trekken en zo ver mogelijk weggooit. Opeens vertrekt Tijl en krijgen de bewoners slaande ruzies over welke schoen van wie is, waaronder tal van vetes en verdachtmakingen zichtbaar worden die nooit zijn uitgesproken. Als iedereen zijn schoen terug heeft wordt er weer gezwegen.

    Drakologie
    Het is ook Tijl die, als hij in dienst komt van Frederik en Elisabeth, haar een schilderij cadeau doet: een wit doek met niets erop. Het is magie, kleine Liz. Wie buitenechtelijk geboren is, kan het niet zien. Wie dom is ziet het niet. Wie geld heeft gestolen ziet het niet. Wie iets in zijn schild voert, niet te vertrouwen is of opgroeit voor galg en rad, wie een slijmbal is of een ploert of een onbeschofte hark, kan het niet zien, hij ziet een leeg doek.
    Mensen die het ‘schilderij’ zien durven niets te zeggen uit angst de koningin te beledigen of juist zelf als domkop te worden beschouwd. In het ergste geval trotseren ze hun eigen twijfel over wie hier nou eigenlijk gek is door een kennersblik op te zetten. Zelfs Frederik durft er niks van te zeggen: Wat als zij erin geloofde, ook al was het maar een beetje, als ook zij dacht dat het boek betoverd was, wat vond ze dan van hem?

    Grappig is dat dit witte doek vergelijkbaar is met de redeneringen in de wetenschap zoals Athanasius Kircher die beoefent in deze eeuw vol magie en bijgeloof. Hij is onder andere drakoloog, kenner van draken, en is op zoek naar het bloed van het beest dat de pest kan genezen en zelfs een eind aan de oorlog kan maken. Maar als hij moet uitleggen hoe hij zo zeker weet dat zijn zoektocht wat zal opleveren, zegt hij: Een draak die je ziet, zou een draak zijn die de belangrijkste eigenschap van draken mist – namelijk zich onvindbaar maken. Juist om die reden zijn alle verhalen van mensen die zeggen dat ze een draak hebben gezien uiterst ongeloofwaardig, want een draak die zich laat zien, zou a priori herkenbaar zijn als een draak die geen echte draak is. Breng daar maar eens wat tegenin.

    Het zijn dit soort redeneringen die in de 17de eeuw heksen op de brandstapel brengen en door de duivel bezeten magiërs aan de galg. Eén van hen is Claus, de vader van Tijl. Hij is molenaar maar veel meer een filosoof die zich het hoofd pijnigt over vragen als: hoeveel korrels graan moet je van een hoop afhalen tot je kunt zeggen dat de hoop geen hoop meer is. Als Tesimond en Kircher hem op het spoor komen en een dergelijke filosofische discussie met hem aangaan blijkt dat een valstrik.  Als Claus zijn magische spreuken niet wil prijs geven en bovendien een Latijns boek blijkt te bezitten, terwijl hij niet eens Latijn kan lezen, zijn dat keiharde bewijzen dat hij de duivel vertegenwoordigt.

    Kokhalzen
    Wat in de aangehaalde citaten opvalt is de heerlijke frisse taal die Kehlmann gebruikt. Met een aanstekelijke humor bovendien. Zoals wanneer Frederik te velde zijn laatste schreden zet ondanks de duizeligheid en warrigheid in zijn hoofd die hem al dagen kwelt: Hij probeerde te tellen hoe groot zijn leger nog was. Je had de nar, je had de kok en je had hemzelf, en dan had je de nar nog, dat waren er vier, maar toen hij voor de zekerheid nog een keer telde, kwam hij uit op twee, namelijk de nar en de kok. Dat kon niet kloppen, dus begon hij opnieuw…
    Het knappe is die tragi-komische enscenering: je lacht om hoe Frederik er aan toe is, maar toch roept Kehlmann compassie met hem op.

    Zo werkt het gefoeter van Elisabeth op de Duitse taal bij oppervlakkige lezing louter op de lachspieren, maar daaronder voel je haar eenzaamheid en haar heimwee naar Engeland: De Duitse landen kenden geen echt theater, ze hadden alleen armzalige komedianten die schreeuwend door de regen huppelden, scheten lieten en elkaar een pak rammel gaven. Dat kwam waarschijnlijk door de logge taal; Duits was geen taal voor het theater, het was een brouwsel van klaaglijke klanken en hard gegrom, het was een taal die klonk alsof iemand zijn best deed om niet te kokhalzen, alsof een koe een hoestbui had.
    In Londen was Elizabeth het echte theater gewend. Op haar bruiloft met Frederik in Londen was The Tempest opgevoerd, met Shakespeare zelf in de hoofdrol. Daar had ze het hofleven gezien zoals het hoorde te zijn.

    Dompel je onder in de wervelende taal van Kehlmann, ruik hoe de kadavers op de slagvelden stonken, leer Kircher, Frederik, Elisabeth, Claus, Tijl en al die anderen kennen als mensen van vlees en bloed. Kehlmann geeft op een sprankelende manier een inkijk in ’s mensen ambities en onmacht in de vroege 17de eeuw zonder naar archaïsche taal te grijpen. Lees Tijl.