• Theepotten gooien

    Theepotten gooien

    Hoe mensen steeds weer op reis gaan, huis en liefdes verlaten, daar is geen regel voor. Het is weten wanneer het moment daar is, dan koffers pakken, trap af, het huis uit. In de film Hope Gap wordt een vrouw door haar man verlaten. Ze had veel op hem aan te merken, maar hij hoort bij haar, dacht ze. Hij pakt zijn koffer, zegt dat hij niet degene is die zij in hem ziet. Het gevaar van een huwelijk is dat je degene wordt die de ander in je ziet. Meidagen zijn weemoedige dagen, het herdenken, het weten dat toen, op net zulke dagen, met net zulke kwinkelerende vogels, de vernietiging inzette. Deze dagen trek ik vaak naar de boeken van Josepha Mendels, schrijfster die zich hoede voor elke conventionele vorm van leven. Ze was Bewust Ongehuwd Moeder avant le lettre, maar wilde nergens bijhoren, geen stempel, geen stigma. Steeds als ik haar boeken lees, verrassen ze me. Ze had een schrijfster van deze tijd kunnen zijn.

    ‘Ik pak van alles in een tas, dingen die ik absoluut niet nodig heb, ik haal er ook nog een koffer bij want Ramuz wil mee, een Alain Fournier, ook het rode theekopje van Wandy waar ik ‘s nachts mijn horloge in leg, ‘en ik’ vraagt Stendhal, ‘vergeet je Le Rouge et le Noir met de opdracht a Wollie?’ Ik ben eerst op de verhoging van het badje gaan zitten en toen op de bodem, eerst ben ik V.J. geweest die Wollie heeft gestreeld en toen was ik Wollie die tegen V.J. is opgeklauterd. Mijn bed heb ik loodrecht tegen de muur gezet, stoelen en tafel ondersteboven gekeerd, de theepot op de grond gegooid, doorweekte zwarte blaadjes gelijk gestorven vliegen. En ik heb de deur gesloten, de sleutels in mijn zak gedaan en ben het huis uitgelopen.’
    Dit gaat over het moment dat ze haar appartement aan de Rue Vavin in 1942 moet verlaten, vluchten voor de Duitsers. 

    Als de moeder in Hope Gap op het dieptepunt van haar verdriet zit, wil ze het liefst op een ochtend niet meer wakker worden. Dat zegt ze haar zoon. Ik werd geraakt door die zoon, niet alleen omdat het Josh O’Conor was die hem speelde, maar ook om wat hij zei. ‘Ik kan je niet vragen voor mij te leven. We moeten allemaal onze eigen last dragen, maar… jij bent net als de ontdekkingsreiziger. Jij bent al vooruitgegaan, en als jij na een tijdje niet meer verder gaat… dan weet ik dat de weg te zwaar is, en te lang. Dan weet ik dat uiteindelijk, het verdriet overwint. Maar als je het wel verdraagt… hoe erg het ook is …weet ik dat ik het ook kan verdragen. Omdat jij dat al voor mij deed.’
    Dat is wat ik in de boeken van Josepha Mendels vind, nieuwe wegen inslaan voorbij het oude, een leven van doorgaan. En zo af en toe een theepot op de grond smijten om het te markeren.

     

     


    Inge Meijer reist met het OV, leest boeken helemaal uit.

     

     

     

  • Tegendraadse schrijfster

    Tegendraadse schrijfster

    Het is altijd verrassend wat er in een boek verborgen kan zitten en dan bedoel ik niet tekstueel inhoudelijk maar aan briefjes, aantekeningen, een foto of de bon van aankoop. Zo dwarrelde er laatst uit een deeltje van de serie Literair Moment Josepha Mendels, een losse (dubbele) bladzijde (blz 77 t/m 80) afkomstig uit een klein formaat boekje. Van zo’n soort boekje herinner ik me niets, ook het stukje herken ik niet. Het is getiteld Een zachte septemberochtend door Josepha Mendels, ondertekend met een (gedrukte) handtekening van haar zelf. Ze beschrijft op de haar ludieke wijze en hier en daar een tikje zwaar aangezet, wat er gebeurde nadat bekend was geworden dat zij in 1986 de (eerste) Anna Bijnsprijs kreeg toegekend. Haar romans en verhalen werden herdrukt, als eerste haar debuutroman Rolien en Ralien (1947).

    Ze woonde in Parijs maar was ten tijde van de bekendmaking in Nederland op bezoek bij haar zoon die voor de tweede keer vader was geworden. ‘Ik wilde terug naar Parijs maar toen ik mezelf de hele dag tegenkwam op affiches naast stapels van mijn boeken in de vitrines van de boekhandels, bleef ik toch.’ Een boekhandelaar vertelde haar trots: ‘Alles uitverkocht. (…) Hij vroeg nog waarom ik zo stom geweest was om zonder verzet in de vergetelheid te verdwijnen.’ Waarop haar antwoord was: ‘Ik loop geen uitgever achterna.’

    Ik moest denken aan Deventer en Josepha Mendels. Van 1916 tot 1920 woonde ze daar om, zoals ze zelf zei: ‘Het leren te leren’. Haar romans leken bestemd voor alle vrouwen voor wie het huwelijk een benauwend instituut was. Voor de vrouwen die in hun leven gevangen zaten, creëerde zij een vluchtweg, liet ze van huis weglopen, niet om een nieuwe liefde maar om zichzelf.
    Ze was vierentachtig toen ze als schrijfster erkend werd en door vele literaire salons werd uitgenodigd. Ook in Deventer maakte ze haar opwachting samen met haar vriendin en huisgenoot Berthe Edersheim. Na vijfenzestig jaar zag ze Deventer terug dat volgens haar weinig veranderd was. Ze was er op uitnodiging van Literair café Bouwkunde. Op vrijdag 29 mei 1987, weet ik uit mijn dagboek, waarin ik tot mijn spijt enkel schreef: ‘Naar literair café Josepha Mendels geweest.’

    Toch herinner ik me nog hoe Josepha Mendels het podium beklom en Berthe zich op de voorste rij op een stoel zette vanwaar ze  gedurende het interview de hiaten in Josepha’s geheugen aanvulde. Mendels vertelde dat er nooit zoveel belangstelling was geweest voor haar boeken. Dat ze ooit zelf de laatste eerste drukken van haar debuut bij De Slegte opkocht omdat ze ‘zo’n medelijden met ze had’.
    Die vrijdag was ze met de pont naar de overkant van de IJssel gevaren, waar de stadsfotograaf haar portretteerde met het stadsgezicht van Deventer op de achtergrond. Deze foto kwam op het voorplat van het deeltje Literair Moment Josepha Mendels terecht.
    Dat Rolien en Ralien door Schwob die, ‘De beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’ onder de aandacht brengt, werd terug gehaald, is een eerbetoon aan een schrijfster die alleen om haar tegendraadsheid al een prijs verdiende.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Een roman met twee gezichten

    Een roman met twee gezichten

    Josepha Mendels was als feministe avant la lettre erg bekend in de jaren na de oorlog en heeft baanbrekend werk verricht voor de emancipatie van de vrouw. Een heruitgave van een boek uit 1948: je moet het maar durven als uitgeverij. Dit boek werd in die tijd als zeer modern en schokkend ervaren, dat ligt nu anders.

    Het is het verhaal van Frans Winter, een jonge Nederlandse man, getrouwd, twee kinderen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog via een vlucht door de Pyreneeën en Spanje uiteindelijk in Londen terechtkomt en daar Henriette Bas ontmoet, verliefd wordt en met haar gaat samenwonen. Het is een naïeve, bijna kinderlijke beschrijving van hun verhouding. Met name Frans is nogal onvolwassen.

    Kabouter en Raderdier
    Het eerste deel van deze roman, Vormen der liefde, verhaalt van hun gevoel voor elkaar, van hun verhouding tegen beter weten in, van hun en vooral haar idee over emancipatie. ‘Ja, ik voel me beledigd, niet alleen voor mezelf, maar voor alle vrouwen’ reageert Henriëtte als er een nogal vrouwonvriendelijke opmerking wordt gemaakt.
    Mendels benoemt veelvuldig het vrouwonvriendelijk gedrag van mannen: de aandacht die Frans voor andere vrouwen heeft, zijn ontrouw, zijn vele vriendinnen. Henriette nodigt deze allemaal uit om Frans’ verjaardag te vieren. Ze laat daarmee zien dat ze, sterk is, en onafhankelijk.
    Maar ook Frans is op zijn manier soms wel wat geëmancipeerd: ‘Kabouter, jouw roeping als vrouw ligt geheel hierin, dat je slechts jezelf kunt zijn als je met jezelve alleen bent’.
    Mendels beschrijft liefde en erotiek expliciet, hoewel het in deze tijd allemaal wat oubollig aandoet. Alleen die bijnamen al: hij noemt haar Kabouter, zij noemt hem Raderdier, wat verwijst naar het motto, een citaat uit een brief van Antoni van Leeuwenhoek, over de wonderen van de schepping.

    De roman is met vaart geschreven: Mendels loopt met grote stappen door de tijd. Haar stijl is, afgezet tegen de tijd waarin het boek is geschreven, soms verfrissend en vernieuwend en de beelden die ze gebruikt zijn verrassend: V2’s worden robots genoemd.
    Elk hoofdstuk wordt afgesloten met ‘In de verrekijker’, waarin Mendels vooruitblikt en het verdere verloop van een gebeurtenis of de toekomst van een personage uit de doeken doet. Dat is nogal een zwaktebod: de expliciete uitleg en verklaring van gebeurtenissen maakt de roman er zeker niet sterker op.

    Stijl
    Het tweede deel van de roman, Terzijde zal de wereld branden, plaatst de liefde tussen Frans en Henriette meer in de tijd waarin het zich afspeelt: Wereldoorlog II.
    Hoofdstukken over liefde en over de boze werkelijkheid van een bezet Europa wisselen elkaar af. Het is een ratjetoe van stijlen: soms lijkt het meer een verhalenbundel dan een coherente roman.
    En die stijlwisseling is niet gelukkig: zo is er een hoofdstuk over de zus van Henriette, Mirjam, dat niet in deze roman thuishoort, er geen meerwaarde aan verleent en bovendien heel erg in Joop ter Heul-taal is geschreven (Mieters!).
    Er is ook een hoofdstuk waarin Frans een droom beschrijft waarin hij met Antoni van Leeuwenhoek over raderdiertjes praat en ze als symbool voor zijn familie ziet; totaal niet ter zake doend. Bovendien onderbreekt het de samenhang in de roman.
    Als Frans hoort dat zijn moeder is overleden in Theresiënstadt maakt hij een erg naïeve opmerking: ‘Ik heb tot nu toe de oorlog door jongensogen bekeken’. In dit hoofdstuk komen opeens de gruwelen van de oorlog het boek binnen.

    Terug
    En dan komt het moment dat Frans, als Nederland is bevrijd, weer terug gaat naar zijn gezin. Het afscheid van Frans en Henriette wordt met een lange aanloop beschreven, maar is uiteindelijke kort en onbevredigend en ook daarna lijkt Frans weinig naar haar te verlangen. Veel later, als hij is herenigd met vrouw en kinderen, denkt hij nog wel eens aan haar. Zeker als hij zijn verhouding met zijn vrouw bekijkt, die wel het een en ander vermoedt, en zelf ook is veranderd in haar verhouding tot haar man: ze is een stuk zelfstandiger, gaat haar eigen gang. Merkwaardig genoeg vertelt Mendels niets over het leven in bezet Nederland in de jaren dat Frans weg was.

    Mendels heeft de titel een dubbele bodem gegeven: Je wist het toch. Frans: Je wist dat je terug zou gaan naar je oude leven, je gezin, en je kwam er achter dat het met de joden in Nederland slecht zou aflopen. Voor beide heb je je ogen gesloten.
    Het lijkt een verwijt te zijn, niet alleen aan Frans, maar daarmee aan alle mannen als het over emancipatie van de vrouw gaat en misschien wel aan alle Nederlanders die de ogen hebben gesloten voor de Joodse tragedie.
    Al met al een onbevredigende roman.

  • Ongebonden

    Ongebonden

    Wellicht een onbenulligheid, maar als iets me ontgaat waarvan ik geloofde de eerste te zijn die erover ingelicht zou worden, dan zie ik dat als een persoonlijk tekort. Zoiets als met een dierbare vriendin die jou niet laat weten dat ze op vakantie gaat omdat je  te lang geen aandacht aan haar hebt besteed. Dat je dan van een ander verneemt dat ze voor een maand naar Arizona is afgereisd. Dan voel ik me als een verlaten kind zonder afscheidsbriefje op de keukentafel.

    Deze week bleek er opeens een biografie van Josepha Mendels te bestaan, door Sylvia Heimans. Hoe had ik Josepha Mendels kunnen vergeten? Afwezigheid blijkt een eigenschap die erfelijk is. Ook mijn vader had er last van, of beter, wij als gezin hadden er last van. Mijn vader zat in de schaarse vrije tijd die hij had, of op de wc, of in zijn rookstoel te lezen in (bijna altijd) een uitgave van de Wereldbibliotheek of van Van Oorschot. Als dan mijn moeder, terwijl ze van haar kopje koffie genoot, bijvoorbeeld vroeg, ‘Heb je nu je manchetten gevonden?’ Reageerde hij verdwaasd opkijkend met een, ‘Huh,… wat is er meisje?’, en las weer verder. Wanneer er plotseling tumult in huis ontstond omdat het ene kind iets van het andere kind had gepakt en die eerste dat schreeuwend en stampvoetend terugeiste, sprong hij ‘Hoewatwiewaar!’roepend overeind. Waarop mijn moeder de boel suste door ons allemaal naar boven te sturen.

    In de jaren tachtig bracht Meulenhoff het LiterairMoment: ‘kwartaalkeuze voor de literatuurliefhebber’, uit. De uitgave betrof een roman van een schrijver die net als het Schwob ‘boek’ van nu waar een leesclub aan verbonden is, een herontdekking betrof van belangrijke auteurs mét informatieboekje over leven en werk van schrijvers als Philip Roth, Bernard Malamud, Ethel Portnoy, August Strindberg. Mooie uitgaven. Als wind en rook, (1950) werd achtendertig jaar later ook als LiterairMoment uitgegeven.

    Over de half-joodse vrouw Elisa, die in de jaren twintig een huwelijk aangepraat krijgt door haar vader met een veel oudere, orthodoxe jood. Zij wil haar man volgen in alle Joodse rituele gebruiken maar gaat zo gebukt onder zijn tirannie en bigotte geloof dat zij hem verlaat. Voor een vrouwelijke auteur in die tijd was dit een ongekende manier van schrijven over samenleven en (vrouwelijke) vrijheid. Ik herinner me nog de opluchting bij de passages, die zo invoelbaar geschreven waren als betrof het mijn eigen bevrijding, waar Elisa haar ‘confectie’ leven achter zich laat en erop uittrekt, een eigen leven tegemoet.

    Nu ik erover nadenk heeft deze roman een deel van mijn leven bepaald. Was het niet kort nadat ik Als wind en rook had gelezen dat Mijn Lief en ik uit elkaar gingen. Nou ja, voltrekking van een besluit berust nooit op één aanwijzing. Het leven is een samenspel van aanwijzingen en weten wat je te doen staat.
    Aan het einde van de roman laat Mendels de man, die de liefde van haar leven is, zeggen: ‘(…) en ik weet nu dat er maar één weg bestaat om gelukkig te zijn: die van de vrijheid.’ Nu eerst maar eens die biografie aanschaffen.