• Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Vloeibaar goud en vloeibaar zilver

    Het romanfragment Aardbeien door Joseph Roth (1894 – 1939) uit 1929 werd pas een halve eeuw later (in 1982) voor het eerst gepubliceerd met een toelichting door Roth’s biograaf David Bronsen. Het manuscript was in de jaren zeventig in een bruine enveloppe tevoorschijn gekomen uit de in 1933 door de Gestapo in beslag genomen documenten van Roth bij uitgeverij Kiepenheuer in Berlijn. Volgens het nawoord van vertaalster Els Snick is de tekst weliswaar niet af, maar wel ‘beeldrijk en ontroerend mooi’.

    Deze door Koen Broucke kleurrijk geïllustreerde uitgave is de derde editie van Aardbeien in het Nederlands. Eerder verscheen het verhaal in het themanummer over Joseph Roth van tijdschrift Het Oog in het Zeil (1989), vertaald door Nicolien van Doorn. Ruim een kwart eeuw later als zelfstandige uitgave bij de kleine uitgeverij Het huis met de drie gedichten (2016), vertaald door Els Snick, die voor deze nieuwe uitgave haar vertaling heeft herzien. 

    Volgens Snick (in het nawoord) staan de zinnen in de tekst ‘losjes achter elkaar (…), zonder doordachte alina-indeling’. De verschillende figuren in Aardbeien zullen de ervaren Roth-lezers bekend voorkomen uit zijn romans Hiob, Hotel Savoy en Radetzkymars. Aan zijn vriend en geldschieter Stefan Zweig schreef Roth in mei 1936 vanuit Amsterdam dat hij het materiaal voor zijn grote roman Die Erdbeeren in een andere roman wilde gooien (‘da werfe ich schnell alles hinein’). Mogelijk in de roman Das Falsche Gewicht uit 1937. 

    Ongeschoold alter ego van Roth

    Aardbeien is een nagelaten fragment van zo’n veertig pagina’s. Het begint als volgt: ‘De stad waarin ik geboren ben lag in het oosten van Europa, in een grote, dunbevolkte vlakte.’  Met de stad verwijst Roth duidelijk naar zijn geboorteplaats Brody, zo’n honderd kilometer ten oosten van het huidige Lviv. De prachtige illustraties beslaan zo’n derde van het boekje, ze zijn roodachtig getinte in tegenstelling tot de omgeving van de geboorteplaats van Roth die vooral groen is. De aardbeien hebben Koen Broucke duidelijk geinspireerd. De verteller van het verhaal is Naphtali Kroj, hij noemt zich zelf ‘een soort oplichter’, met een vals paspoort, geen doopakte, geen stamboom.  

    Perlefter, een ander nagelaten romanfragment van Joseph Roth, heeft een vergelijkbaar begin. ‘Ik heet Naphtali Kroj. De stad waar ik geboren ben, was naar Westeuropese begrippen geen stad.’ Roth deed verschillende pogingen een roman over zijn jeugd schrijven, maar het kwam er uiteindelijk niet van, mede door de opkomst van de nazi’s in 1933. Hij vluchtte in dat jaar uit Berlijn, zijn boeken werden verboden en gingen in vlammen op tijdens de vele boekverbrandingen.  Aardbeien werd door de Gestapo in beslag genomen samen met andere documenten. Het fragment laat wel een mogelijke glimp zien van wat Roth van plan was. Naphtali Kroj is een ongeschoold alter ego van Roth, tegenover de gymnasiast en student die Roth was. Eerst werkt Naphtali Kroj als krullenjongen bij de barbier en daarna als koetsier. Hij zeept de burgemeester in bij de barbier en maakt later op zondag tochtjes met de burgemeester.  

    Verhaal leest als een plattegrond

    Roth geeft een ironisch sfeerbeeld van het stadje, met corrupte gendarmes en grenswachters, ernstige en kleine misdaden die niet werden ontdekt, inbrekers en struikrovers die niet werden vervolgd. Over de kleine pogroms, die ‘in de maalstroom van de gebeurtenissen werden vergeten’. Ook over de gevolgen van de jaargetijden – de sneeuw, de ijspegels en de regen. ‘De wegen werden zacht. Het moeras drong het bos binnen, de kikkers zwommen tussen de bomen.’ En over de natuur waarvan zijn langenoten hielden, ‘niet omwille van de natuur zelf, maar omwille van de vruchten die ze voortbracht’. Zoals de aardappels en de aardbeien.  

    Het taalgebruik in Aardbeien is eenvoudig met korte zinnen en af en toe een poëtische uitweiding. ‘De herfst bestond bij ons uit vloeibaar goud en vloeibaar zilver, uit wind, zwermen raven en lichte vorst.’ Het verhaal leest ook als een plattegrond van het stadje waarin Roth’s geboorteplaats Brody is te herkennen. ‘Onze stad was zeer regelmatig en eenvoudig van opzet. De twee hoofdwegen kruisten elkaar in het centrum. In dat centrum ontstond een rond plein, waar twee keer per week de markt werd gehouden. De ene straat leidde van het station naar de begraafplaats. De andere van de gevangenis naar het bos.’ 

    Het gezin van Naphtali Kroj in Aardbeien is het tegenovergestelde van het gezin waarin Roth opgroeide, opgevoed door een alleenstaande moeder. Dat van Naphtali was een moederloos gezin met acht zonen en een alcoholische vader, die bij 35 graden vorst doodgevroren op een weg werd gevonden: ‘Hij was in dronken toestand van zijn slee gevallen’. 

    Ongecorrigeerd en onvolledig verhaal

    Het verhaal bevat ook tegenstrijdigheden, waaruit blijkt dat Roth het niet meer heeft gecorrigeerd en afgemaakt. In het vervolg gaat Naphtali Kroj na de barbier niet als koetsier werken, maar bij een kleermaker in de leer. Ook hier weer een ironisch verhaal over een kleermaker en een glazenmaker, die Naphtali in navolging van zijn leermeester verachtte. Ondanks dat de glazenmaker hem later beschuldigde van diefstal van een diamant en hem een roofmoordenaar noemde, bewonderde hij ineens de glazenmaker en vond hij de kleermaker een lafaard. Het werk liep niet goed af en hij werd door de glazenmaker de werkplaats uitgezet terwijl de kleermaker niets deed: ‘Hij ving een vlieg, een uitgeputte grijze wintervlieg, hield hem bij de vleugels en telde zijn ziek trappelende pootjes’.

    Na zijn vertrek bij de kleermaker loopt Naphtali bij de begraafplaats een dodenkamer binnen waar doodgraver Pantalejmon ligt te slapen. Dan volgt een hilarisch verhaal over de dief Pantalejmon, die niet stal maar het wel probeerde, en een graaf die in een kasteel vlak bij de stad woonde.  Het eindigt ermee dat de graaf de magistraat van het stadje geld leent om een standbeeld te laten maken van een schrijver en geleerde uit de zeventiende eeuw die in een naburig dorp was geboren. ‘De beeldhouwer vervaardigde een lange man met bril. Een wapperende mantel, een boek in zijn hand en een pen achter zijn oor. Dat was ons monument. Het stond op een sokkel van nepmarmer.’ In de winter werd ter bescherming een houten behuizing gemaakt, die in de lente weer werd verwijderd. ‘Het standbeeld is al bevrijd! Het is lente! zeiden de mensen in april.’

    Laatste tien pagina’s en een abrupt einde

    Hierna volgt een scène waarin Naphtali en Pantalejmon een opgehangen man op de begraafplaats vinden.  Het leidt bij Naphtali tot vragen over het waarom van de zelfgekozen dood en ‘op dat moment nam ik het besluit nooit zelfmoord te plegen. Het was onmogelijk om hangend aan een tak te sterven en door Pantalejmon gevonden te worden.’ Pantalejmon  bedacht intussen dat ze de strop konden verkopen en Naphtali dat ze zelfs meer konden verdienen door hem in stukken te snijden. ‘De mensen bleven komen, we verkochten  kleine stukjes die we sneden van steeds nieuwe touwen’. 

    In de laatste  tien pagina’s van Aardbeien volgen anekdotes over drie rijke familieleden die naar het stadje kwamen. De eerste liet een hotel bouwen en verdween weer omdat er geen gasten kwamen. De tweede was een rijke theehandelaar. Hij bezocht het graf van zijn vader, en hij huurde kamers in het leegstaande hotel. De derde was twintig jaar eerder naar Londen vertrokken. Hij keerde terug als ‘pionier van de Engelse cultuur’ en liet een huis zonder ramen bouwen. De mensen dachten dat hij gek was geworden, maar hij was minder gek dan ze dachten. ‘Het was een warenhuis zoals hij er in Londen vast een had gezien!’

    Hier eindigt het fragment abrupt. Het laat in rudimentaire  vorm zien, samen met de roman Das Falsche Gewicht en een fictieve brief van Naphtali Kroj uit Bueneos Aires die Joseph Roth in dezelfde tijd schreef, wat hij mogelijk voor ogen had met de groots opgezette roman over zijn jeugd.    

     

     

  • Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op

    De ‘grensreportages’ van journalist en romanschrijver Joseph Roth (1894-1939) zijn weliswaar zo’n honderd jaar geleden geschreven door de nog maar net beginnende ‘Roter Joseph’ – zoals hij later bekend werd – maar hebben door de oorlog van Rusland tegen Oekraïne bijzondere actualiteitswaarde  gekregen. Ze spelen zich deels af rond het toenmalig oorlogsfront tussen Rusland en Polen, langs de grenzen die aan het eind van WO I niet zo nauwkeurig waren vastgesteld en een bron van conflicten bleken te zijn.

    Roth kwam na zijn vlucht voor de nazi’s in 1933 regelmatig naar Nederland. Zijn eerste bezoek was in 1933 om onder anderen kennis te maken met uitgever Allert de Lange, die een aantal boeken van Roth als Exil-literatuur zou uitgeven. Zijn eerste roman Hotel Savoy verscheen honderd jaar geleden in Berlijn, de eerste vertaling in het Nederlands was zijn roman Job in 1931, daarna volgden er nog vele. De laatste jaren werd zijn werk vertaald door Els Snick, die ook de drijvende kracht is achter het Nederlands Joseph Roth Genootschap. 

    Journalistieke reportages

    De journalistieke reportages zijn weliswaar minder bekend dan zijn romans, maar omvatten zeker de helft van zijn verzameld werk. Deze bundel ‘grensreportages’ heeft een Vlaams tintje: naast de vertalingen door Els Snick (en anderen), is de inleiding verzorgd door auteur Erik Vlaminck en de illustraties zijn van Koen Broecke, allemaal Vlamingen. De verhalen zijn van 1919 tot en met 1924 gepubliceerd in de Oostenrijkse krant Der neue Tag, de Neue Berliner Zeitung en de Frankfurter Zeitung.  De reportages in de Frankfurter Zeitung zijn bijzonder actueel omdat ze zich in Lemberg – het huidige Lviv – en omgeving afspelen. Roth zelf is in 1894 geboren in het Oekraïense stadje Brody, dat honderd kilometer ten oosten van Lviv ligt, indertijd op de grens van de Habsburgse dubbelmonarchie met Rusland. Nu in West-Oekraïne. 

    De eerste reportages in de bundel schreef Roth tijdens een van zijn eerste journalistieke opdrachten in 1919. Een reis naar Heanzenland, het grensgebied tussen Oostenrijk en Hongarije dat na de Eerste Wereldoorlog aan Oostenrijk werd toegewezen.  Het zijn meteen al de persoonlijke reportages waarmee Roth beroemd zou worden. In de eerste persoon en met milde spot in zijn waarnemingen.
    Een anekdote, die zijn stijl laat zien. Roth probeert een hotelkamer te krijgen met een inschrijfformulier van een ander: “Er kwam een kamermeisje, ze las het inschrijfformulier en keek me aan. Toen zei ze met spontane hartelijkheid in haar stem: ‘Ik geef u kamer 52. Maar alleen omdat u uit Matterdorf komt.’ Waarop ik zweeg en met het kamermeisje naar kamer 52 ging. Toen ik mijn spullen had neergelegd en de kamersleutel in mijn zak had gestoken, trok ik mijn revolver en zei heel vriendelijk: ‘Juffrouw, ik kom helemaal niet uit Mattersdorf. Het inschrijformulier is van een andere man.’ ‘ Nou,’ zei ze, ‘dan had ik u de kamer niet gegeven’. ‘U zult er geen spijt van krijgen, antwoordde ik, stak de revolver in mijn zak en gaf haar een briefje van tien kronen.’ Of het zo echt is gebeurd? Hij maakt er verder geen woorden aan vuil. 

    Reportages Pools- Russische oorlog

    In 1920 verhuist hij van Wenen naar Berlijn en maakt in de zomer reportages voor de Neue Berliner Zeitung tijdens de Pools-Russische oorlog. In de bundel is dit de tweede serie die het grootste deel van het boek beslaat. Net als het andere deel wordt deze ingeleid met een korte historische toelichting en een getekend kaartje van de omgeving waar alles zich afspeelt. Geillustreerd met sfeervolle water- en olieverf afbeeldingen van schilder en historicus Koen Broucke, die militairen, oorlogshandelingen en bijna abstracte landschappen laten zien in heldere en sombere kleuren. 

    Roth trekt rond met openbaar vervoer, liftend en lopend, en hij beweegt zich aan beide kanten van de grens. Hij schrijft ooggetuigeverslagen die doen denken aan sommige van de recente  berichten uit Oekraïene. Nu geen spot, ook geen milde, maar eerder mededogen. Hij praat met Poolse en Russische soldaten en Kozakken. ‘Ik kon vaststellen dat Poolse troepen die zich op de terugtocht bevonden, volslagen dronken waren. Het viel me op dat de Russen soms geen mensen gevangen nemen en kleine groepjes laten lopen. Op straat zie je nu overall afgedankte voertuigen en uiteengevallen colonnes, die een troosteloze indruk maken. Vreemd genoeg zijn er bijna geen gewonden te zien. De vlucht lijkt dus zonder al te zware strijd te zijn verlopen.’  

    Er waren indertijd ook buitenlandse soldaten aan het front. Uit verhalen van grensbewoners tekent Roth op dat er Franse artillerieeenheden en Franse officieren in grote aantallen met het Poolse leger meevechten. En aan de andere kant is het ‘niet te bevatten hoeveel jonge mensen zich vrijwillig melden bij het Rode Leger.’ Niet alleen gevluchte, gedeserteerde Polen, maar ook Duitse arbeiders. Deze serie sluit af met een kort verhaal over Oleksa Solonenko, een Oekraïnse boer die in Berlijn overleed op de terugweg van Brazilië naar Oekraïne. Waarom Oleksa vertrok vertelt Roth niet, maar toen hij hoorde dat er een revolutie was in zijn land kreeg hij heimwee naar ‘Katharina, het varken en de jongens’ en wilde na tweeëntwintig  jaar terug naar zijn vaderland. Roth schrijft een kort tragi-komisch portret dat zoals hij zegt een aanvulling is op het politieverslag.

    Verhalen over geboortegrond

    De laatste serie is een Reis door Galicië uit 1924 in opdracht van de Frankfurter Zeitung. Deze verhalen spelen zich af in de streek waar Roth is geboren en opgegroeid. In 1982 voor het eerst in het Nederlands uitgegeven door uitgeverij Allert de Lange. De drie verhalen over zijn geboortegrond zijn met liefde geschreven: ‘Over het vlakke land waait onophoudelijk een eeuwig onveranderlijke wind, die nauwelijks waarneembaar is. Heuvels, beloftes van de Karpaten, kleuren blauw in de verte. Raven cirkelen boven de bossen. Ze voelen zich hier altijd al thuis. Sinds de oorlog zijn ze talrijk geworden. Geen enkele fabriek, geen reclame, geen roet. Op de markt worden primitieve houten marionetten verkocht, zoals in Europa tweehonderd jaar geleden. Is Europa hier geëindigd?’

    Het zijn deze verhalen die me in de jaren tachtig verleid hebben naar Roth’s geboorteplaats Brody te reizen, dat indertijd nog onder de knoet van de Sovjet Unie leefde. In het verhaal over Lemberg/Lviv schrijft Roth over de ‘polyglotte kleurenpracht’ van de stad. Hij studeerde hier nog maar een paar jaar eerder en zijn toon is nu al weemoedig. Na 1924 is er nog zoveel vreselijks in Lemberg gebeurd dat het Roth nog  weemoediger zou stemmen naar de buurt rond het theater waar de mensen Jiddisch spreken. ‘Dat hebben ze hier altijd gesproken, en waarschijnlijk zullen ze nooit iets anders spreken.’ Het is dat Roth in 1939 al is overleden, anders zou hij de moord op die Joden hebben meegemaakt.

    Het laatste verhaal van de bundel is het indrukwekkendste. Roth schrijft hier over de rouwstoet voor een Poolse invalide die zichzelf na een toespraak voor zijn kameraden ‘een kogel door de kop schoot.’ De stoet bestond uit duizenden verminkten. ‘Ja, de mensen bleven staan en keken en verroerden zich niet.’ Tijdens het lezen dringen beelden van het huidige front in Oekraïne zich op.
    Eric Vlaminck noemt het boek in zijn inleiding ‘een zegen’, omdat zowel Roth als Broucke ook voor ‘mededogen, troost en hoop zorgen.’ Tussen de legers is een prachtige bundel met literair-journalistieke verhalen van de beroemde romancier die de vroege aanloop naar de crisisjaren en WO II laten zien.  

     

     

  • Beste boeken van 2023

    Beste boeken van 2023

    Een heel jaar lezen en wat je daar van bijblijft, welke scène komt nog wel eens bovendrijven, welke vertalingen vielen op. Literair Nederland kijkt terug op een jaar vol boeken, wat waren de beste boeken, poëzie, jeugdboeken, fictie en non-fictie die in 2023 verschenen of gelezen zijn.

     

     

     

     

    Verder kijken – Esther Kinsky

    Roman over een poging een leegstaande bioscoop in een Hongaars provinciestadje nieuw leven in te blazen. Citaat: ‘De bioscoop is een ruimte vol verwachtingen die zelden worden beschaamd, zelfs niet door een slechte film, want het parool is altijd: verder kijken, verder dan eerst, een horizon verkennen die er zonder het witte doek niet is.’ Prachtig.

     

     

    His Natural Life – Marcus Clarke

    Australische oerklassieker. Monumentale, 927 pagina’s dikke, oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerde avonturenroman over het leven in de strafkolonie, in 1874 (volgend jaar dus 150 jaar geleden) voor het eerst in boekvorm verschenen en nooit integraal in het Nederlands vertaald. Meeslepend. (Hans Heesen)

     

     

     


    Zogkoorts – A.F.Th. van der Heijden

    Ik ontkom niet aan het net verschenen deel 13 van De Tandeloze Tijd, zijn grandioze reeks over leven in de breedte. Het is een vervolg op Stemvorken en met dezelfde hoofdpersonen.

     

     

     

    Alkibiades – Ilja Leonhard Pfeijffer

    Alkibiades moet genoemd worden. Er is al veel over geschreven en ik blijf het een geweldig boek vinden, zeker in de politieke constellatie waarin we ons nu bevinden. (Martenjan Poortinga)

     

     

     


    De donkere kamer van Aly Freije en Anne-Marie van Buuren

    Deze gedichtenbundel is een bijzondere samenwerking tussen dichter en fotograaf. Freije weet met symbolen en beelden een landschap op te roepen dat vol is van dreiging, verlies en rouw. Landschappen en de elementen van lucht en water zijn betekenisdragend in deze gedichten. Een spel van associëren en reageren op elkaars werk, een interactie van beeld en taal.

     

     

    Het boek van de kinderen – A.S. Byatt

    Een prachtig beeld van de decennia voor en na de wisseling van de 19e en de 20e eeuw door het wel en wee van diverse kunstenaarsfamilies te beschrijven, die met elkaar verbonden zijn.. Een groots werk van de onlangs overleden Byatt, niet zo bekend als haar ‘Obsessie’, maar zeker net zo goed. (Hettie Marzak)

     

     


    Nirwana – Tommy Wieringa

    Afgelopen herfst luisterde ik naar Nirwana van Tommy Wieringa, voorgelezen met zijn eigen welluidende stem. Wieringa schreef een rijke familiegeschiedenis met vele verhaallijnen die zo ongeveer een eeuw bestrijken en waarin de pater familias een uiterst dubieuze rol speelt in WOII. Wieringa presenteert zichzelf in het verhaal als een cameo, niet onverdeeld sympathiek, maar wel een boeiende toevoeging.

     

     

    Het hart van de ever – Baltasar Porcel

    Het hart van de ever is de bijzondere familiegeschiedenis van de Catalaanse schrijver Porcel, dat zich deels op Mallorca afspeelt ten tijde van de Spaanse burgeroorlog. Er komen veel bijzondere personages voorbij die allemaal te maken hebben met de oom van de schrijver, een uiterst kleurrijk en controversieel figuur. Het boek werd vertaald en heruitgegeven door uitgeverij Nobelman. (Marjet Maks)

     

     


    Ruitjesblues – Jan Beuving

    Het zijn kleinkunstteksten die weliswaar bedoeld zijn voor het gehoor, maar ook op papier plezieren. Sterker nog, de teksten in Ruitjesblues worden na herlezing alsmaar beter in hun eenvoud. Hij ontroert, vermaakt en verrijkt. Prachtig! (Daan Lameijer)

     

     

     


    Luister – Sacha Bronwasser
    De roman Luister van Sacha Bronwasser speelt tegen de achtergrond van de aanslagen in Parijs. De hoofdpersoon ‘moet luisteren, er is geen andere optie (…) om erger te voorkomen’, maar toch voorvoelt hij een aanslag die nog plaats moet vinden. ‘Het is gezien, het is verteld, en nu bestaat het’. Een prachtig vormgegeven en vertelde roman.

     

     

    Een schitterend wit – Jon Fosse
    Een schitterende kleinood van Nobelprijswinnaar Jon Fosse. Een mooi opstapje om met diens stijl en thematiek kennis te maken, vertaald door Marianne Molenaar. Op het titelblad van dit boek wordt het omschreven als ‘een vertelling’, maar voor hetzelfde geld zou je het een gelijkenis, een parabel met Bijbelse reminiscenties kunnen noemen. Over levenden en doden. (Els van Swol)

     

     


    Das Spinnennetz – Joseph Roth
    Ik las Das Spinnennetz als jubileumuitgave, vorig jaar opnieuw uitgebracht. Roth’s debuut stond in het najaar van 1923 als feuilleton in de Wiener Arbeiter-Zeitung. Nog vóór de Bierkellerputsch en derhalve griezelig profetisch. Toen ik het kocht in januari van dit jaar, kon niemand vermoeden dat het ook nog eens griezelig urgent en actueel zou worden.

     

     

    De wintersoldaat – Daniël Mason

    In De wintersoldaat wordt het verhaal van WOI nu eens niet vanuit ‘ons’ perspectief vertelt, maar gezien door de ogen van een jonge arts uit het Habsburgse Wenen. En wat blijkt: ook aan het oostelijk front nichts Neues. Vastgedraaide bureaucratie, haperende communicatie, incompetente leiding, en mensen die daartussen vermalen worden. Maar wat een verhaal, en wat prachtig geschreven! (Juul M. Williams)

     

     


    Het lied van ooievaar en dromedaris –Anjet Daanje

    Dit boek stijgt toch echt boven alle Nederlandse literatuur uit. Vorig jaar eraan begonnen, begin dit jaar uitgelezen. In de elf novellen weet zij hele werelden en steeds weer verrassende gebeurtenissen op te roepen. Voordat je bedenkt wat Daanjes volgende stap kan zijn heeft zij hem in een paar zinnen al gezet en ben je weer overdonderd door haar enorme verbeeldingskracht en inlevingsvermogen.

     

     

    De eerste romantici en de uitvinding van het ik – Andrea Wulf
    Ademloos las ik dit jaar
    Rebelse genieën.. Grote denkers als Schelling, Fichte, de Schlegels, Goethe, Schiller, de Humboldts, Novalis en Hegel ontmoeten elkaar van 1794 tot 1806 in Jena, een kleine, vrije Duitse universiteitsstad. De leden van deze Jena-kring inspireren elkaar tot de ideeën die het begin van de Romantiek vormen. Wulf voert je mee naar hun gedachten, gedichten, gesprekken, hun grootse filosofieën en kleinzielige roddels. Haar taal laat je deelnemen aan hun leven. (Anky Mulders)

     

     


    Scherven – Bret Easton
    Dit jaar las ik
    Scherven de nieuwste roman van Bret Easton Ellis die met zijn boeken Less than Zero, American Psycho en Glamorama mijn leven in de jaren tachtig en negentig kleur gaf. In Scherven wederom merkkleding, pittige seks, een lekkere soundtrack en natuurlijk een seriemoordenaar; opnieuw kleurrijke, Amerikaanse fictie. 

     

     

    In het huis van de dichter – Jan Brokken
    Bij lezing van dit boek uit 2008 voelde ik me een kenner van klassiek pianospel, gezeten op de eerste rang, precies zoals de schrijver zelf. Brokken herbeleeft zijn vriendschap met de briljante Youri Egorov (1954-1988), een op 22-jarige leeftijd gevluchte homoseksuele Russische concertpianist, geplaagd door schuld, angst en mateloosheid. Een smartelijk boek. (Jan Kloeze)

     

     


    Met deze derde roman zet Douwesz de lezer aan het denken over alle mogelijke actuele en existentiële onderwerpen. De roman is het werk van een rebelse, wijze en evenwichtige geest die de wereld tot in detail wil leren kennen en voor de lezer openbaart in het mooiste proza dat momenteel in Nederland geschreven wordt.  

     

     



    De laatste witte man
    – Mohsin Hamid
    Hamid schreef met De laatste witte man een gedachtenexperiment dat verrast, uitdaagt, verrukt, vertedert en aan het lachen maakt. Hamid bevestigt met deze fantastische en utopische roman dat hij een van de belangrijke schrijvers van deze tijd is. Een tijd waarin toenemende polarisatie verhult dat we als mensen meer gemeen hebben dan we door opvoeding, frustratie, vervreemding en achterstelling willen en kunnen toegeven. (Michiel van Diggelen)

     

     


    Zo worden jaren tijd – Cees Nooteboom
    Als poëzierecensent wil ik allereerst deze
     verzamelde gedichten van Cees Nooteboom noemen. Ze geven een compleet overzicht van zijn merendeels erudiete en veeleisende poëzie die door de jaren heen steeds persoonlijker is geworden. Nooteboom is gaandeweg dichter bij zichzelf gekomen. Zijn veelzijdige poëzie verdient het om meer gelezen te worden. 

     

     

     

    Balts – Luuk Gruwez
    In deze bundel brengt Gruwez indringend in beeld van wat we ons bewust zijn, niet bewust kunnen zijn, en bewust zouden willen zijn van onszelf en/of van de ander. Hij lijkt zich daarin te verliezen, maar gelukkig is er dan zijn poëzie die ons de gelegenheid biedt aan de benauwenis van het vergankelijke te ontkomen. (Johan Reijmerink)

     


    ArkadiaSipko Melissen
    Een boek waarin het leven goed is. Ko, een dertienjarige jongen uit een warm nest vertelt over een onvergetelijke zomer uit zijn jeugdjaren, de jaren vijftig. Hij ontdekt zijn homoseksuele geaardheid, is daar iets van in de war, maar niet noemenswaardig. Grote zorgen heeft de jongen niet. Beetje braaf? Misschien, maar dat is ook weleens lekker! En daarbij,
     Arkadia is prachtig geschreven!

     

     


    Drengr
    – Aron Dijkstra
    Een echte Viking is
    drengr, stoer, onverschrokken en dapper. De ouderloze Sigi is niet drengr, en hij denkt dat hij het nooit zal worden. Toch moet hij bewijzen dat hij het wel is, en hij krijgt een spannende opdracht. Drengr, is prachtig geschreven en geïllustreerd door Aron Dijkstra. Het is een spannende vertelling die elke lezer gekluisterd houdt. (Carolien Lohmeijer)

     


    Jij zegt het – Connie Palmen
    Ik had het boek al jaren in huis, maar las het pas deze zomer. Palmen is volledig opgegaan in het leven van Ted Hughes, ex-man van Sylvia Plath waarvan gezegd werd dat hij, door haar te verlaten, haar aanzette tot zelfmoord. Palmen laat een kant van een huwelijk tussen twee gepassioneerde mensen zien die de creativiteit in beide schrijvers vernietigde. Dit boek deed me nadenken over de negatieve kracht van het huwelijk. Toen ik het uit had, dacht ik: ‘Dit had ik veel eerder gelezen willen hebben.’

     


    Goudjakhals
    – Julien Ignacio

    Zeer indrukwekkend boek. Een roman in verhalen over de strijd van de mens op zoek naar een menswaardig bestaan. Een reis langs verschillende levens, spelend in verschillende tijden. Scherp en goed geschreven. Berichten uit de werkelijkheid vormen de aanleiding. Indrukwekkend is het verhaal, ‘Nader tot jou’. Een door woede gedreven brief aan Gerard Reve als antwoord op zijn Nader tot u uit 1966. Ik moet er nog geregeld aan denken. (Ingrid van der Graaf)

     

     


    Marente de Moor – De schoft 

    Over weinig onderwerpen wordt meer zwart-wit gedacht dan migratie. Ideaal materiaal dus voor een romanschrijver. De jonge, voornamelijk vrouwelijke bemanning van een vluchtelingenschip ontdekt dat de meevarende journalist – een oude, witte man – zich vroeger kritisch over migratie heeft uitgelaten. Is hij daarom meteen een schoft? Prachtig verweven met oude legendes over heilige vrouwen die zich in hetzelfde Middellandse Zeegebied afspelen. 

     

    Tomas Lieske – Niets dat hier hemelt 

    Tomas Lieske kan als geen ander sfeer oproepen. Ditmaal van een zompig moerasdorp in de jaren dertig dat wordt opgeschud door de komst van een welvarende familie. Vijf broers uit dit kinderrijke gezin vinden in het veen een ruiter op een paard. Rond dit sterke beeld bouwt Tomas Lieske in poëtische zinnen een magisch verhaal over macht en verdringing. (Mathijs van den Berg)

     

     


    Niet geschikt voor publicatie – Gabrielle la Rose

    Een prachtig indrukwekkende debuutroman van de Amsterdamse schrijfster Gebrielle la Rose. Het boek beschrijft een rauw en heftig milieu, toch heb je als lezer vanaf het begin sympathie voor de hoofdpersoon-beroepscrimineel en wordt bovendien op een indrukwekkende manier tot zelfreflectie gedwongen.

     

     


    Rugzwemmen – Marc ter Horst

    Dit jeugdboek is een pas verschenen pareltje. Het is een actueel, rebels, humoristisch en prachtig geschreven boek over klimaat en corona, dood en depressiviteit en vooral volwassen worden, zelfstandig willen zijn, vriendschap en de wereld van een tienermeisje thuis en op school. Het betere jeugdboek dat ook voor volwassenen zeer lezenswaardig is. (Joke Aartsen)

     

     


    Een kleine weldaad – Raymond Carver

    Mijn twee beste boeken van 2023 zijn in zekere zin een ode aan twee vertalers. Sjaak Commandeur vertaalde alle tot dusver verschenen verhalen van Raymond Carver, maar voegde aan dat al indrukwekkende geheel nog zo’n 200 pagina’s toe. Zijn vertaling is zo scherp dat deze meesterlijke verhalen echt net zo goed zijn in het Nederlands als in het Amerikaans. Een boek om van te houden. Ik ben een liefhebber, en geheel bevooroordeeld want ik werk bij de uitgeverij waar dit boek uitkwam.

     

    De minnaar – Marguerite Duras

    Het tweede is vertaald door Kiki Coumans. Wanneer je je wel eens afvraagt wat de kracht van een roman nog kan zijn, dan moet je dit maar eens lezen. Een ongelofelijk sterk verhaal dat je volledig meesleurt. Maar ook hier is het opvallendst de vertaalprestatie. Ik denk niet dat ik eerder een roman las waar elke zin zo goed is, ritmisch, semantisch, syntactisch: de vertaling volledig in dienst van een zo waardig mogelijk in onze taal overbrengen van dit tijdloze meesterwerk. (Menno Hartman)

     

     

     

  • Een kruimel tijd

    Een kruimel tijd

    Een mens heeft vele beperkingen. Van alle beperkingen is tijd de wreedste en de dodelijkste. Je hebt geen andere keus dan gewoonweg je leven te leiden in de kruimel tijd die je ter beschikking staat. Het zijn woorden uit een compact boekje dat ik afgelopen kerst kreeg: Ultieme vragen. Kleine filosofie van leven en dood van Bryan Magee – in 2019 bij Bijleveld verschenen in de befaamde reeks met de oranje ruggen. Het verscheen in vertaling in het jaar dat voor Magee zijn kruimel tijd – toch zo’n negentachtig jaar – eindigde. Ik las Magee eerlijk gezegd omdat ik een beetje romanmoe was. Dat zijn buien waarin ik geen enkele behoefte heb aan fictie. Vaak na een teleurstellende leeservaring. Dan kijk ik naar de stapel nog te lezen boeken naast mijn bureau, toch allemaal aangeschaft vanuit een verlangen, en denk, terwijl ik het ene na het andere even in mijn hand weeg, geen zin geen zin, geen zin in.  Buien die eindigen, dat weet ik inmiddels ook. Dan ligt de roman die ik de vorige keer nog afwees, als een lokkend hapje bovenop de ongelezen stapel. 

    Wat doe je in de kruimel tijd die je tot je beschikking hebt? Een uurtje op ruimtereis gaan met Magee bijvoorbeeld. Je kijkt door een telescoop en ziet het licht van een ster die er honderd jaar over doet om de aarde te bereiken. Misschien is in de tussentijd die ster verdwenen, ontploft, of hij is op een geheel andere plek in het universum verschenen. Maar jij ziet dat licht alsof het er op dat moment ook is. Dat is een bekend verhaal. Alleen gaat Magee een stap verder. Reis meer dan honderd lichtjaren, kijk met een telescoop naar de aarde en je ziet de loopgravenoorlog in België, je ziet ‘nu precies hetzelfde als de soldaten “toen” zagen op het slagveld’, schrijft Magee. Reis verder en je kijkt van een afstand ook naar al die andere historische gebeurtenissen – de bouw van de Chinese muur, de geboorte van Jezus, het uitsterven van de dinosaurus. Het vindt allemaal nu plaats, naargelang je plek in de ruimte.

    Van zo’n gedachtenexperiment geniet ik. De verwondering over onze tijdelijkheid in een oneindige gelijktijdigheid. Wat zou ik graag met de kennis van nu via een ‘superkrachtige telescoop’ kijken naar wat eens hier op aarde was. Maar het blijft, zo realiseer ik me, bij één zintuig. Je bent geen deelgenoot. Eigenlijk wil je bij de moord op Caesar dat zijn bloed op je toga spettert, eigenlijk wil je je hoofd buigen en de ademhaling van Hildegard von Bingen langs je wang ervaren. In Italië omarm je de echte David en de echte David omarmt jou. Je hapt in versgebakken brood in het Parijs van de zeventiende eeuw, je wilt voelen, ruiken en proeven wat door de geschiedenis nooit is vastgelegd. Dan ben ik niet meer fictiemoe, dan maak ik in die kruimel tijd (en met de andere beperkingen die ik heb) wederom de meest fantastische reizen. Alsof… Alsof ik daar ben. Ik leg Magee opzij, heb zin in Radetzkymars van Joseph Roth. 

     

     


    Schrijver en humanistisch geestelijk begeleider Eric de Rooij (1965) schrijft tweewekelijks een column voor Literair Nederland.  Zijn debuutroman De wensvader (2020) verscheen bij uitgeverij kleine Uil. Binnenkort verschijnt zijn tweede roman Augustus.

  • Een gast op deze aarde

    Een gast op deze aarde

    Na de machtsovername door de nazi’s in 1933 in Duitsland vlucht Joseph Roth naar Parijs. Daar schrijft hij in 1934 zijn roman Tarabas. Het verhaal speelt zich af tijdens en vlak na de Eerste Wereldoorlog in het oude kozakkenland ten noorden van de Zwarte Zee. In die tijd behoorde dat gebied tot tsaristisch Rusland, dat tijdens en na de oorlog verwikkeld raakte in revolutionaire woelingen. De hoofdpersoon is Tarabas, zoon van een Russische grootgrondbezitter. Nadat hij, in zijn jeugdige overmoed, deelgenomen heeft aan een aanslag op de gouverneur van Cherson, zorgt zijn vader ervoor dat hij wordt vrijgesproken. Zijn vader eist daarop dat hij vertrekt naar Amerika.

    In New York laat hij zich op een kermis de hand lezen door een zigeunerin. Zij vertelt hem dat hij een moordenaar en een heilige zal zijn. Geschrokken van deze voorspelling zwerft de bijgelovige Tarabas, ontheemd en gedesillusioneerd door de metropool New York. Tijdens een liefdesaffaire raakt hij verwikkeld in een vechtpartij met een bareigenaar, die door hem flink wordt toegetakeld. Tarabas vlucht weg, bang voor de politie en de juridische gevolgen van zijn daad. Als hij in de krant leest dat er oorlog is uitgebroken tussen Rusland en Oostenrijk, is zijn besluit snel genomen. Hij gaat terug om dienst te nemen in het Russische leger. Zijn thuiskomst wordt een desillusie en eindigt, na de ontdekking van zijn stiekeme vrijage met zijn nichtje, in een handgemeen met zijn vader. Tarabas verbrandt alle schepen achter zich en beschouwt voortaan de oorlog als zijn vaderland.

    Taras Boelba

    Dan ontvouwt zich een klassiek avonturenverhaal met veel moord- en doodslag. Tarabas laat zich kennen als een ouderwetse kozakkenleider, voor wie onverschrokkenheid, kameraadschap en dronkenschap de voornaamste waarden zijn in het leven. Het relaas doet sterk denken aan Taras Boelba, de beroemde, korte roman van Gogol uit 1835, waarin deze het kozakkenleven verheerlijkt. Deze vergelijking is in twee opzichten interessant. Beide verhalen spelen zich af in dezelfde streek en geven een scherp inzicht in het wijdverbreide antisemitisme in dat gebied door de tijd heen. Hoewel hij geen enkele sympathie koestert voor de revolutie, wordt Tarabas, na de ineenstorting van het tsarenrijk, kolonel in het revolutionaire leger met als opdracht een garnizoen te vormen in Koropta. Als daar in een schuurtje van een joodse logementhouder door toedoen van een militaire branieschopper onder een stuclaag een portret van de maagd Maria tevoorschijn komt, ontstaat er onder de bijgelovige soldaten een antisemitische furie, daartoe opgezweept door enkele muiters, die uitloopt op een orgie van geweld tegen de joodse bevolking van Koropta.

    De beschrijving van deze pogrom is huiveringwekkend en stellig exemplarisch voor de vele pogroms, die zich in Oost-Europa vóór en na die tijd hebben afgespeeld. Ook hier treedt Joseph Roth in de voetsporen van Gogol en zien wij het sterk beeldende karakter van zijn schrijfstijl, waarmee hij dit alles trefzeker, je zou bijna zeggen ‘in geuren en kleuren’ beschrijft.

    Van kolonel tot heremiet

    Als Tarabas merkt dat zijn trouwe rechterhand, sergeant-majoor Kontsev, die trachtte tijdens de pogrom de orde te herstellen, vermoord is door een van de muitende soldaten, is hij diepbedroefd. Er breekt iets in hem en zijn stoere onverschrokkenheid gaat steeds meer plaats maken voor kwetsbaarheid. Tarabas wordt langzaamaan vermalen door de tijd. Zijn verlangen om moordend en brandschattend rond te trekken als een echte kozak wordt ingeperkt en gefrustreerd door de oukazes van revolutionaire legerbonzen in Moskou, die zweren bij strak geordende militaire operaties passend in een heuse strategie. Eigenlijk is Tarabas een romantisch residu uit voorbije tijden. Hij houdt niet van New York, houdt niet van militaire strategie, houdt niet van bureaucratische pennenlikkers en houdt niet van academische scholing. Hij is stoer mannelijk, impulsief, soms gewelddadig en dan weer sentimenteel gevoelig, hij is bijgelovig.

    Tarabas past niet in de moderne tijd. Misschien vinden we in Tarabas wel iets van Joseph Roth zelf, eigenlijk ook een romanticus teleurgesteld in de idealen van de revolutie. Tenslotte geeft Tarabas gehoor aan de voorspelling van de zigeunerin. Hij verlaat het leger en leeft verder als een zwerver, als een heremiet, onthecht van al het aardse. Het eertijds door hem afgezworen verleden komt weer terug. Hij zoekt de plaatsen en mensen uit het verleden op om te bezien wat hij nog aan boete kan doen. Als een verloren zoon klopt hij aan bij het huis van zijn ouders, waar hij niet wordt herkend en weggejaagd wordt. Na vergiffenis te hebben gekregen van een joodse man, die hij veel narigheid heeft berokkend, sterft hij eenzaam in een kloostercel. Op zijn graf prijkt het opschrift: ‘Kolonel Nikolaus Tarabas, een gast op deze aarde’.

    Hoewel het niet het sterkste boek is van Joseph Roth en niet in de schaduw kan staan van bijvoorbeeld zijn roman Radetzkymars, is het wel een echte Joseph Roth. Het boek kenmerkt zich door een zekere heimwee naar het prerevolutionaire tijdperk. Het bevat prachtige beschrijvingen van de natuur en van een verloren gegane wereld en geeft ook een uniek beeld van Oost-Europa aan de vooravond van de holocaust. In die zin is Joseph Roth een echte romanticus.

    In zijn beschrijving van de karakters is het boek niet zo sterk. Tarabas is een primair reagerend mens, heen en weer geslingerd door heftige gevoelens van liefde en haat. Daarnaast is hij zeer bijgelovig en bevooroordeeld. Dit leidt in eerste instantie tot gewelddadig en wreed machogedrag met veel uiterlijk vertoon en tenslotte tot zelfverloochening en boetvaardigheid. Deze ontwikkeling in zijn persoonlijkheid wordt niet uitgediept, maar blijft vooral verbonden aan de dood van zijn strijdmakker, Kontsev. Tarabas krijgt hierdoor een wat schematisch karakter waarmee de lezer zich moeilijk kan identificeren. De andere personen in het boek worden nauwelijks uitgediept en figureren slechts als klankbord voor, of decorstuk in het drama van Tarabas.

     

     

  • Ik heb mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler

     


    Het driehonderdste Privé-domein deel is het brievenboek, Joseph Roth en Stefan Zweig, Elke vriendschap met mij is verderfelijk, Brieven 1927-1938. Hoewel de correspondentie door beide schrijvers gevoerd werd, zijn in het brievenboek maar enkele brieven van Stefan Zweig te vinden. De Joods-Oostenrijkse journalist en schrijver Joseph Roth (1894-1939) heette lange tijd een ‘Writers writer’ te zijn. In de afgelopen tien jaar is daar verandering in gekomen, onder meer door publicaties over en vertalingen van zijn werk door Els Snick. Dat begon ruim tien jaar geleden met de vondst van een zeer oude uitgave van de roman Job, op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam. Hoewel Els Snick al eerder werk van Joseph Roth had gelezen, werd ze tijdens het lezen van Job gegrepen door zijn herkenbare en consequente stijl waarop ze besloot te promoveren op het werk van Roth. In 2011 verscheen haar proefschrift Joseph Roth en zijn bemiddelaars in de Lage Landen. In 2014, ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van het overlijden van Joseph Roth, richtte ze samen met enkele Roth-vrienden het Joseph Roth Genootschap voor Vlaanderen en Nederland op.

    In de tweede week van februari was Els Snick (1966) In Nederland voor de presentatie van het brievenboek bij boekhandel Scheltema. Een mooi moment om haar te spreken. We ontmoeten elkaar bij Grand Café 1e Klas op het centraal station Amsterdam. Voor de herkenbaarheid zou ik een gele sjaal dragen, maar die had ik in de haast de trein te halen thuis aan de kapstok laten hangen. Dus nam ik het brievenboek onder mijn arm en liep het Grand café binnen. We herkenden elkaar op hetzelfde ogenblik: ik haar aan het tafeltje waarop verschillende boeken van Roth en aantekenbriefjes, zij mij door het brievenboek.

    Els Snick kent de biografie van Joseph Roth van voor naar achter en weer terug en toont zich een enthousiast verteller. Haar ogen beginnen te schitteren zo gauw ze over het werk en leven van Roth begint. Elke vraag roept een verhaal op dat haast onstuitbaar vertelt wordt.


    Wat was de reden om voor de Duitse taal te kiezen in een land waar Frans de tweede taal is?

    ‘Na de middelbare school heb ik een jaar in Brussel toneel gestudeerd. Veel theaterliteratuur was in het Duits uitgegeven en dat las ik allemaal. Mijn ouders waren ook wel gericht op de Duitse cultuur. Ik ben opgegroeid met Duitse componisten en met respect voor de klassieke Duitse cultuur. Ik was jong in de tijd van New Wave en Punk en las Kafka. De Duitse literatuur vond ik heel mooi. Misschien ook het gevoel dat ik daarmee een niche kon bespelen die niet zo gewild was. Het wekte om een vreemde reden bij veel mensen een afkeer op. Als ik op de vraag wat ik deed, ‘Duits’ zei, dan kon men geschokt reageren.’


    Door het beeld vanuit de Tweede Wereldoorlog?

    ‘Precies. Ook goede vrienden van mij, die echt links waren, zeiden dingen over Duitsers die ze nooit zouden tolereren als dat over willekeurig welke buitenlander dan ook gezegd zou worden. Dat fascineerde me, hoe er op gereageerd werd.
    In Belgïe is het wat moeilijker een uitgever te vinden voor Duitse literatuur dan in Nederland. Mijn eerste publicaties heb ik bij Bas Lubberhuizen, die ook een grote liefhebber is van Joseph Roth, uitgegeven. Lubberhuizen gaf in 1984 al een boekje uit over Joseph Roth in Nederland. Dat ontdekte ik toen ik voor mijn onderzoek naar het leven van Joseph Roth in Oostende (hij verbleef daar lange tijd, Iv/dG), stuitte op het verhaal van Roth in Nederland, door Lubberhuizen.
    De allereerste keer dat ik over Roth heb gesproken was in het kleine winkeltje van Lubberhuizen, voor een paar liefhebbers. Ik stond op een ladder, wijnglas in de hand, en de mensen om mij heen. Iemand vroeg, “Wanneer gaat u daar een boek over schrijven”. Ik zei, “dat weet ik niet”. Toen zei Bas Lubberhuizen, “Kom maar eens langs.” En zo is het dan gegaan.’


    Was het een moeilijke taak deze brieven te vertalen?

    ‘Het was een grote klus. Ik ben er toch wel acht tot negen maanden mee bezig geweest. Wat me het meeste werk heeft gekost is de voetnoten inkorten. Omdat ik het werk van Joseph Roth zo goed ken, wist ik wat ik kon weglaten. Zo’n tweehonderd bladzijden aan bijlagen en voetnoten heb ik weggelaten. Indirect ben ik jarenlang aan het voorbereiden geweest, heb veel van hem vertaald, over hem gepubliceerd. Als dit brievenboek mijn eerste kennismaking met Roth was geweest, had ik veel langer moeten zoeken. Zijn biografie ken ik helemaal dus ik weet wanneer hij die en die brief geschreven heeft, met welke roman hij intussen bezig was. Maar ook zijn taal ken ik daardoor goed, ik heb daarin mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler. De meeste brieven in het boek zijn van Roth, de brieven van Zweig zijn verloren gegaan. Hij hield niets bij. Zweig hield alles bij, had een archief, Roth was een zwerver.’


    Wie zijn de bezorgers van de brieven?

    ‘Frederieke, de ex-vrouw van Stefan Zweig, was tijdens de laatste dagen van Joseph Roth in 1939 bij hem in Parijs. Ze heeft na zijn overlijden al zijn teksten verzameld. Een groot deel is terecht gekomen in het Leo Baeck Institute in New York. Zij heeft ook een selectie gemaakt van zijn brieven. Er waren brieven aan haar gericht, die ze dus niet heeft bewaard. Dat prikkelt soms de fantasie over de relatie tussen hen, sommigen denken dat er sprake was van liefde.
    De bezorgers van de Duitse versie van het brievenboek in 2011, waren de Amsterdamse Roth specialiste Madeleine Rietra en de Leipzigse Roth bibliograaf Rainer Joachim Siegel. Madeleine Rietra werkte in de Koninklijke Bibliotheek en had toegang tot veel materiaal van Roth. Ze heeft twee Duitse boeken uitgegeven met briefwisselingen van Roth met zijn Nederlandse uitgeverijen. Het is weinig bekend dat Madeleine Rietra veel onderzoek heeft verricht voor het notenapparaat.
    Na de oorlog is er tamelijk veel uitgegeven van Joseph Roth. In de jaren zestig zijn zes delen verzameld werk en de brieven uitgegeven. Dat is toen nogal slordig gebeurd. Rietra heeft bijvoorbeeld ontdekt dat daar brieven in stonden waarvan maar één beschreven kantje van de brief was opgenomen, de achterkant van de brief was niet daarin meegenomen.’


    Wat tekende de verbondenheid van deze twee Duitse schrijvers?

    ‘Als gevluchte joden hadden ze natuurlijk het jodendom als verbindende factor, dat was de rode draad in hun vriendschap. Toen Stefan Zweig in 1936 schreef aan de symbolische Joodse legende, De verborgen kandelaar, had hij Roth nodig. Roth was veel beter thuis in de Oost-joodse volkse tradities, en ook het jiddisch kende hij beter dan Zweig. Hoe weinig belijdend ze ook waren, ze gingen nooit naar de synagoge, maar ze deelden de cultuur en het lot van de joden in Europa. In de brieven gaat het veel over het Europa dat uit elkaar valt. Ook de onzekerheid van Zweig als schrijver komt daarin naar voren. Het gaat met Zweig bergaf, hij pleegt tenslotte in 1940 zelfmoord. Ooit was hij wereldwijd beroemd en dan slaat het om, dat maakte hem onzeker. Hij vraagt raad aan Roth en deze schrijft heel openhartig: ‘Je moet schrappen, je moet minder adjectieven gebruiken.’ Zweig zocht bij hem erkenning en Roth vertelde hem dan dat hij in Nederland mensen had ontmoet die zijn boeken geweldig vonden.’


    Op we
    lk vlak schuurde het tussen hen.

    ‘Zweig hield zich altijd op de vlakte wat openlijke kritiek tegen de nazi’s betrof. Roth deed het tegenovergestelde, die stond met zijn voeten in de modder om mensen te helpen. Richtte vluchtelingen comités op en als hij geld had, deelde hij het uit aan mensen die nog armer waren dan hij zelf. Hij vond al die bezwaren van Zweig, over stoppen met drinken en dat hij in een normaal huis moest gaan wonen, onzin. Die brieven van Zweig gaan veel over Roth’s alcoholisme.’


    In zijn brieven na 1933 komt Roth als een getormenteerde man naar voren. Hij wordt wantrouwig naar uitgevers, vrienden. Zijn brieven aan Zweig worden ruzieachtig.

    ‘Dat is niet helemaal vreemd. Toen hij in 1933 ervoor koos uit Duitsland te vluchten, stond hij op het punt een succesvol schrijver te worden. Als vluchteling is hij afhankelijk van anderen geworden. En ja, in die brieven zeurde hij altijd maar om geld, om een goed woordje bij uitgevers. Dat is dan misschien ook wel weer het nadeel van het inkor

    ten van die voetnoten, want daaruit blijkt dat hij wel belazerd werd. Al die Joodse schrijvers zochten contact met uitgevers in het buitenland die Duitse boeken wilden uitgeven, zoals Querido in Amsterdam. Maar er werd ook gesjoemeld met die contracten. Zo ontdekte Roth dat zijn contract voor De Radetzkymars verkocht was aan een maatschappij in Zwitserland. Daar heeft hij nooit een cent van gezien. Hij had dus wel reden om zich verlaten te voelen, wantrouwig te zijn. En door zijn alcoholisme, werd zijn aura van onbetrouwbaarheid natuurlijk groter. Dan was er de gewoonte elkaar te ontmoeten als ze beiden in dezelfde stad waren, Berlijn of Parijs. Als Zweig in 1938 in Parijs is en Roth niet heeft opgezocht, kan Roth dat niet begrijpen en ontstaat er een breuk. Er komen nog een paar brieven maar de toon is dan een stuk killer. Daarna stokt de briefwisseling.’


    Op het persoonlijke vlak is het een pijnlijke relatie merk je uit hun brieven.

    ‘Joseph Roth had een ellendig leven. Hij had vreselijke pech met zijn eerste vrouw, (Friedl Reichler, werd een paar jaar na hun huwelijk voor de rest van haar leven in een instelling voor geesteszieken opgenomen, Iv/dG). Dan schrijft Zweig op een bepaald moment aan hem dat hij hem zijn ellende benijdt. Ik denk dat Roth hem heeft geschreven over een bepaalde scene in de roman Job, waarin de dochter des huizes waanzinnig wordt, gebaseerd op zijn ervaringen met zijn vrouw. Zweig schrijft, ‘Want waar moet ik het altijd maar vandaan halen. Mijn leven verloopt zo vlekkeloos. Ben je je er wel van bewust dat die ellende ook een cadeau is?’ Het is een wat eigenaardige reactie. Natuurlijk kon Roth al die ervaringen gebruiken in zijn romans. Hij kende het nachtleven, prostituees enzo. Maar als Zweig schrijft dat hij hem benijdt, weet ik niet hoe dat voor Roth aanvoelde.’


    Het werk van Roth wordt nog steeds actueel genoemd. Is dat om de vluchtelingen thematiek?

    ‘Neem het essay Juden auf Wanderschaft uit 1927, (Joden op drift, 2016 vertaling Els Snick, IvdG). Als je daarin Oost-joden vervangt door Syriërs, dan gaat het gewoon over nu.
    Op het moment ben ik een boek aan het vertalen met reportages over Albanië uit 1927 en Italië uit 1928. in Italië kwam Mussolini aan de macht. Het gaat over Europa dat na de Eerste Wereldoorlog overeind probeert te blijven, er zijn spanningen op de Balkan. Het nieuwe staatje Albanie wordt bedreigd door Italië en Joegoslavië dat later Servië wordt. Als je dat leest, lijkt het over vandaag te gaan. Over corruptie in Albanië, de mafia, Amerikanen die daar proberen de markt te verov

     

    eren, met scheermesjes van Gillette bijvoorbeeld. Ongelooflijk actueel. Over Mussolini vertelt Roth dat als hij door de straten van Italië loopt er overal afbeeldingen van Mussolini zijn, en in de kranten de censuur. Zoals nu met Trump is gebeurd, die door fakenieuws aan de macht kwam.’


    Na tien jaar met Joseph Roth te zijn bezig geweest, ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen?

    ‘Omdat er zo weinig brieven behouden zijn van Zweig aan Roth, is er de keuze gemaakt om in deze uitgave brieven van Zweig – waarin hij over Roth aan derden schrijft – op te nemen. Dat is wel verhelderend, hoe anderen over Roth spreken. Dat is nog harder dan Zweig doet in zijn brieven. Over zijn alcoholisme, zijn gemoedstoestand, je krijgt daardoor wel een vollediger beeld van Roth. En de naam van een Vlaams meisje, waar Roth in 1931 in Antibes een affaire mee had, heb ik kunnen achterhalen.
    In die eerste brievenuitgave was haar naam verkeerd gespeld. Er was daardoor niets over haar te vinden. Roth beschrijft haar in een brief als de dochter van een burgemeester uit Brugge. Toen heb ik alsnog die familie kunnen achterhalen. Het was een opstandig meisje uit adellijke kringen. Als haar ouders over deze relatie horen, wordt ze binnen een jaar uitgehuwelijkt aan een Brusselse zakenman en krijgt in vijf jaar tijd vijf kinderen. Ze dronk en mishandelde haar kinderen. Drie van die kinderen zochten een jaar geleden contact met mij. Ze dachten dat het om een relatie met Stefan Zweig ging. Een van die kinderen heeft alles van Zweig gelezen, in de hoop een spoor van zijn moeder daarin te vinden. Hij ging zelfs naar Brazilië om het graf van Zweig te bezoeken. Toen bleek het dus om Roth te gaan. Ze wisten niet van het bestaan van die brieven waarin Roth over ‘die kleine’ schrijft. Ze hebben die brieven toen gelezen.’


    Hoe zou je zelf Joseph Roth als persoon omschrijven?

    ‘Door mensen die hem gekend hebben werd hij omschreven als een sympathieke en charmante man, maar ook als iemand met nare kantjes als je ruzie met hem kreeg. Hij voelde zich snel in het nauw gedreven als men niet op zijn wensen inging. Hij kon ook overdrijven: het geld had hij niet alleen voor zichzelf nodig maar voor ‘hele negerstammen ‘ die hij zogenaamd moest onderhouden.
    Ik denk dat zijn karakter sterk getekend was door de drank. Hij kwam op voor zijn principes en sloot geen compromissen. Hij schreef de dingen altijd heel goed op. Ondanks de drank was hij een wakkere geest, dat is ongelofelijk. Als je bedenkt dat De legende van de Heilige drinker, dat mooie boekje dat hij op het einde van zijn leven, als hij al bijna dood is door de drank, heeft geschreven. Ondanks de alcohol, bleef hij trefzeker formuleren, dat is het werk van een kunstenaar.’

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Annie Boedt

  • ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’

    ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’

    Dat Joseph Roth een eersteklas schrijver is, behoeft geen betoog. Zijn roman Radetskymars over de ineenstorting van de oude, half feodale wereld van het voormalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk na de Eerste Wereldoorlog is een monument in de Duitstalige literatuur van het interbellum. Spoken in Moskou is een verzameling reportages, brieven en dagboekaantekeningen waarin het verslag van zijn bezoek aan Rusland in 1926 centraal staat. In het al eerder in 1920 gepubliceerde openingsverhaal ‘Krijgsgevangenschap, herkennen we zijn gevoel voor het vangen en vertalen van de tijdgeest in een anekdote.  Drie Russische krijgsgevangenen, al zo’n drie tot vier jaar zittend op hun bedden in een vergeten barakkenkamp in het Weense Prater, ergens terzijde van het verloop van de tijd, praten met een bezoeker en vertellen over hun geboortestreek: ‘Wanneer de eerste over de Krim vertelt, zien de anderen Odessa en Moskou. De Krim ziet er [uiteindelijk] net zo uit als Moskou en Moskou en Odessa zijn één.’ Voor hen staat de tijd stil, terwijl er in hun geboorteland revolutionaire ontwikkelingen plaatsvinden.

    Leve de Revolutie?
    Als Joseph Roth in 1926 in opdracht van de Frankfurter Zeitung aan een rondreis door de Sovjet-Unie begint, is hij nieuwsgierig naar het socialistische experiment waar hij in beginsel sympathiek tegenover staat: ‘Wat in Rusland ontstaat, is ongetwijfeld een geheel nieuwe wereld. En al ben ik erg sceptisch, ik ben toch blij dat ik hier getuige van kan zijn.’ In Parijs had hij met eigen ogen de verloedering gezien van de zogenaamde ‘émigrés‘, gevluchte en berooide Russische edelen, die het bestaande karikaturale beeld van de Russische zuiplap en de balalaika dansende vorst voortdurend bevestigden: overbodige mensen die ‘ons het plezier deden zich te voegen naar onze clichébeelden’. Nee, de Revolutie moest wel de vooraankondiging zijn van een nieuwe wereld. Hij doet in zijn verslaggeving zijn uiterste best steeds de positieve kanten van de Revolutie te benadrukken al laat hij zich nooit kennen als een blinde gelovige.

    Grote waarheden in kleine dingen
    Roth is op zijn best in het verhalen van de kleine anekdote, in het signaleren van grote waarheden in kleine dingen. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het verhaal ‘De grens Njegoreloje’ waarin hij een liefdevolle, haast vertederende beschrijving geeft van de bij de douane getoonde inhoud van de koffers van een koopman uit Teheran, waaruit het houten speelgoed naar buiten klimt en de kleine duikelaartjes zachtjes wiebelen op hun met lood verzwaarde buik, of van de koffer vol ondergoed, zakdoekjes en avondjurken van een mooie, jonge, enigszins radeloze vrouw. Rommel van een vijandige, kapitalistische klasse. Hoewel Roth formeel de kant kiest van de proletarische douanebeambte die de koffers van een vijandige klasse controleert, gaat zijn hart meer uit naar het speelgoed van de koopman en de frutseltjes van de dame. Gaandeweg zijn reis neemt zijn scepsis toe evenals de literaire kwaliteit van zijn verslaggeving. Dit wordt duidelijk in het prachtige ‘Jevgraf of het geliquideerde heldendom’ waarin hij afrekent met de leiders van de communistische partij, die de Revolutie verkwanseld hebben.

    Zien we Roth eerder zelf nog hoog opgeven van de prestaties van de Revolutie aan de hand van getallen en statistieken, in Jevgaf‘ rekent hij af met dit getallenfetisjisme dat de partij-elite gebruikt als schaamlap voor de voortschrijdende verburgerlijking van de revolutionaire idealen. De grootmoeder die haar kleinkind wiegt met de woorden: ‘Paveltje, Paveltje, jij wordt een Komsomolletje’, de Komsomol die het mogelijk maakte met een staatsbeurs naar het buitenland te gaan; het achtjarige Pioniersmeisje dat op plechtige toon verklaart: ‘Ik geloof niet in God, ik geloof in de massa!’.  Allemaal uitingen van kleinburgerlijkheid evenals de kop van Lenin op een inktpot en die van Marx op het heft van een briefopener, te koop in de kantoorboekhandel. Het is lachwekkend en banaal. Toch blijft hij uiteindelijk vrij positief over de sociale en materiële verworvenheden van de Revolutie, zeker afgemeten aan, wat hij noemt, de wereld van de in decadente banaliteit zwelgende westerse mens. De geestelijke basis voor de nieuwe wereld ziet hij echter niet meer uit Rusland komen, maar veeleer ontspruiten aan de pioniersmentaliteit van de Amerikanen, weliswaar zonder hun godsdienstige inspiratiebron te omarmen.

    Wat een voltreffer!
    Spoken in Moskou is een fascinerend boek, ingeleid door Tom Lanoye, die het boek enthousiast en vakkundig in Roths’ persoonlijke perspectief plaatst, onontbeerlijk voor de niet ingewijde in zijn werk. Het boek is een zoektocht naar een betere wereld, naar morele ankers. Roth is getuige geweest van gebeurtenissen die de toenmalige wereld op haar grondvesten heeft doen schudden. Als journalist heeft hij geprobeerd hier greep op te krijgen door daar verslag van te doen. Als literator heeft hij geprobeerd deze ontwikkelingen te verinnerlijken door te trachten een beeld te geven van de doorwerking daarvan op het leven van individuele mensen. Voor hen die vertrouwd zijn met het oeuvre van Joseph Roth is dit boek een absolute must. Voor historische geïnteresseerde mensen, die Joseph Roth wel bij naam kennen, maar niet vertrouwd zijn met zijn werk, is dit boek een aanrader en wellicht een opmaat naar zijn literaire werk. Maar het is niet alleen vanwege Joseph Roth een fascinerend boek, het is ook een prachtig boek door de uiterst sfeervolle prenten van Gerda Dendooven, fijnzinnig en perfect toegesneden op de socialistische prentkunst uit de jaren twintig, met een eigentijdse knipoog. Wat een voltreffer!

     

  • Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

    Zomerboeken 2018 – Lezen is ontsnappen

     

     

     

     

    De welwillenden

    Uw vakantieboeken hoeven zich niet af te spelen op de vakantiebestemming, ga liever voor contrast, zodat u een dubbele ontsnapping creëert. Lees tijdens een lamlendige strandvakantie boeken die bol staan van vaart en spanning en de hele wereld bestrijken. Ludlumachtige boeken dus of de literair verantwoorde versie ervan: De ontdekking van de hemel van Mulisch of De welwillenden van Litell waarin vanuit het perspectief van een SS’er een enorm scala een oorlogsgruwelen de revue passeert.

    De welwillenden
    Auteur: Jonathan Littell
    Uitgeverij: De Arbeiderspers

    Als u tot een actieve vakantie besluit, hiken in Noorwegen bijvoorbeeld, lees dan niet Grip van Enter of Nooit meer slapen van Hermans, maar een lekker landerig boek: Carson McCullers’ De balade van het treurige café (over een zeer broeierig Georgia) of juist een grote-stadsroman zoals het hilarische Geld van Martin Amis over een Londense reclameman die in New York de voorbereidingen treft voor zijn eerste speelfilm.

    De waterman

    Gaat u op een vakantie van lichte zeden, lees dan niet Platform van Houellebecq of de sublieme memoires van Casanova, maar het vrijwel vergeten juweel De waterman van Van Schendel, over een negentiende-eeuwse binnenvaartschipper die met ijzeren discipline en een loodzwaar moreel regime tegenslag na tegenslag doorstaat.

    De waterman
    Auteur: Arthur van Schendel
    Uitgeverij: Athenaeum (alleen als e-boek)

    De tijgerkat

    Lees hoe dan ook een monumentaal werk- daar heeft u nu de tijd voor-, zoals De Radetzkymars van Joseph Roth over het Habsburgse rijk van keizer Franz Joseph of De tijgerkat van Tomasi di Lampedusa over het negentiende-eeuwse Sicilië waar een revolutie ervoor zorgt dat alles bij het oude blijft.

    De tijgerkat
    Auteur: G. Tomasi di Lampedusa
    Uitgeverij: Atheneaeum – Polak & van Gennep
  • Oostende, de vergane glorie voorbij

    Oostende, de vergane glorie voorbij

    Een uitnodiging voor de opening van een tentoonstelling in de Venetiaanse Gaanderijen leek acht jaar geleden de aangewezen gelegenheid om eindelijk naar Oostende af te reizen. Griep stak daar destijds een stokje voor. Vandaar dat ik pas vorige week ging.

    Ik houd van vergane glorie en ben in dat opzicht het een en ander gewend, met als voorlopig hoogtepunt een Day Trip to Bangor (‘Didn’t we have a lo-ve-ly day, the day we went to Bangor’) toen ik een week in het door weer, wind en tijd toegetakelde Llandudno verbleef, waar je overigens destijds nog wel een kopje thee kon drinken in een hotel dat ooit het vakantiehuis van de ouders van Alice uit Wonderland was.

    Natuurlijk was ik erop voorbereid dat in de voormalige ‘Koningin der Badsteden’ niet alles oude luister zou zijn, maar de stralende schoonheid van weleer is in Oostende wel heel ver te zoeken. Dat er bommen vielen, is wat mij betreft geen excuus. Geschiedenis is een kwestie van geven en nemen. Een roemrijk verleden verplicht, maar het duurzaam dichten van de gaten die in het aanzien van de stad geschoten zijn, lijkt in Oostende weinig prioriteit te hebben.
    Het gevolg van het verdonkeremanen van alle grandeur was dat ik me nauwelijks kon oriënteren en zo goed als tevergeefs zocht naar sporen van illustere inwoners en emigrés die de stad Oostende naam en faam bezorgden.

    Op de grote troeven van Oostende – het licht en de zee – kregen tijd en autoriteit godzijdank geen vat. Je hoeft geen James Ensor te heten om de waarde van deze natuurlijke rijkdommen te zien: de zee en het licht compenseren alle vergane glorie. Ensor liet zich louter lovend uit over de ‘wonderbaarlijke wateren van Oostende’ en het licht dat stad en omgeving in alle tinten en toonaarden kleurde, maar degenen die het aangezicht van zijn Oostende verminkten, gaf hij er verbaal van langs: ‘En wat te zeggen van de nog veel gevaarlijker ontijdige architecten, vol oneindige aanmatiging, nivellerende beulen van onze mooie plekjes. Onbehouwen lelijkerds die in naam van de edele moderniteit op neusverstopte projecten zitten te kauwen.’
    James Ensor had recht van spreken. Toen hij begon met het vangen van het licht was Oostende nog niet eens de mondaine badstad waar ik het over had, maar een vesting in de duinen die hooguit twee maanden per jaar toeristen moest dulden.

    (Dat ik nooit eerder in Oostende was, is trouwens niet helemaal waar. Een paar jaar geleden voorleeswandelde ik met mijn demente moeder bovenlangs het strand. Het was eb en ergens in de verte lag de zee. Als we goed keken, konden we haar zien. We hadden de zee niet per se nodig om te genieten: er zwierden meeuwen genoeg.
    Het was herfst. Er hing een man aan een lantaarnpaal te wapperen. Zo hard waaide het. Even later werd het voorjaar en zagen we een peuter modder maken. Terwijl een jongen het zand toetakelde, waadden wij door grijs-paarse plassen – of waren ze toch appelblauw-zeegroen – naar Engeland. We waanden ons onbespied, maar misschien heeft iemand ons gezien.)

     

    Voor de gelegenheid las en herlas ik:

    Met zicht op zee. Aan zee: veertig jaar later – Eric De Kuyper
    De geheime wereld van James Ensor – John Gheeraert
    Koetsier Herfst – Charlotte Mutsaers
    Ensor op hoge poten – Bert Popelier
    Oostende, de zomer van 1936 – Mark Schaevers

    CityTripS bracht mij ook naar Londen, Lissabon, Venetië, Heraklion, Parijs, Rotterdam en Brussel.

     

  • Joseph Roth en de wachtkamer

    Joseph Roth en de wachtkamer

    ‘Wie leest, doet geen kwaad’, of, ‘elke dag zonder lach is een verloren dag’. Oneliners van mijn vader. Daar moest ik aan denken toen ik in de wachtkamer van de afdeling dagbehandeling in het ziekenhuis zat. Wachtend op mijn kleine vriendin die een ingreep moest ondergaan, (waar ik het verder niet over kan hebben), waarvoor ze onder volledige narcose moest. Voor ik de deur uitging, pakte ik nog snel het boek Job, het verhaal van een simpel man, van Joseph Roth uit de kast. Om het wachten wat te helpen. Het was een komen en gaan in de wachtkamer. Mensen namen plaats, waarna ze om beurt werden opgehaald en gehuld in en lichtblauw operatiehesje in een bed op wieltjes plaatsnamen en richting OK gingen. Er kwam een door de zon gebruind en gelooid echtpaar met vriendelijke gezichten en grijze krullen de wachtkamer binnen. Het leek of ze hun verblijf in een van de zuidelijk gelegen pensionado gebieden even hadden onderbroken voor een opname op de dagbehandeling in eigen land. De gebruinde vrouw nam plaats en wilde het duidelijk wél over haar ingreep hebben. Net als de anderen die in de dagbehandelingswachtkamer zaten.

    Alleen mijn kleine vriendin niet. En dat prees ik in haar. De gebruinde man roffelende met zijn vingers op de leuningen van zijn stoel terwijl hij de ruimte met weidse blik rondging. Zijn vrouw merkte met een schok dat ze de tijd vergeten was en of hij die bij zich had. De gebruinde man roffelde: ‘Waar geen tijd is, is geen haast.’
    Ik moest aan mijn vader denken. Hij kon een rappe versie van De Radetzkymars van Johan Strauss met zijn vingers roffelen: tadadam tadadam tadadamtamtam… Zijn neiging tot vingertrommelen was verworden tot een hardnekkig deuntje dat hij niet meer uit zijn vingers kreeg. Die andere Radetzkymarsch van Joseph Roth uit zijn boekenkast was sinds een jaar of tien in mijn bezit. Mijn vader was een stille man die een met zijn boeken was.

    In de roman Job, het verhaal van een simpel man wordt Mendel Singer voortdurend door zijn vrouw op zijn kop gezeten. De liefde tussen hen was zo koud als de winters in die tijd. Mendel verliest alles, zijn vrouw en zijn vier kinderen. Leven in een wereld waarin wat je deed, nooit genoeg was. Mijn vader had het tenminste goed voor elkaar door aan een boekenkast te bouwen waarachter hij zich verschuilen kon.
    Een verpleger kwam me halen om mijn kleine vriendin van de OK op te halen. Ik stopte Job in mijn tas, liep door de klapdeuren de steriele ruimte binnen. Toen ze me zag aankomen, vertrok haar gezicht tot een smartelijk huilen. Waarna ze prompt begon te lachen, te lachen… zo blij was ze mij te zien, en dat het voorbij was. Ook deze dag was weer gewonnen.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • Aan een wonder is niets verwonderlijk

    Aan een wonder is niets verwonderlijk


    Recensie door Rein Swart

    De legende van de heilige drinker dateert uit 1939. Het jaar dat er een einde kwam aan het leven van Joseph Roth. Hij stierf op 45-jarige leeftijd in armoede in Parijs aan de gevolgen van alcoholisme. Andreas Kartak, de hoofdpersoon van De legende van de heilige drinker heeft daar veel gelijkenis mee. Hij slaapt onder de bruggen en is verloederd, tot hij een heer tegenkomt die hem graag tweehonderd franc leent. Andreas zegt dat hij ondanks zijn berooide toestand een man van eer is en hem het geld zal terugbetalen. De heer antwoordt hem dat hij dan maar op een zondagochtend naar de kapel Sainte Marie de Batignolles moet gaan en het geld aan een priester in bewaring moet geven. Het komt toe aan de kleine heilige Thérèse van Lisieux, die hij vereert en die daar afgebeeld staat.

    Het verhaal is als een droom waarin het Andreas steeds maar niet lukt om het geld te retourneren. Net als in een droom zijn alle gebeurtenissen reëel. ‘Want het was gewoon een wonder, en aan een wonder is niets verwonderlijk.’ Af en toe komt hij hier en daar aan geld, maar als puntje bij paaltje komt kan hij het niet teruggeven. Verschillende keren komt hij aan bij de kapel en omdat er dan nog een mis bezig is, bezoekt hij eerst weer een café waar hij zijn geld dan uitgeeft.

    Andreas komt uit Silezië en heeft in de mijnen gewerkt. Hij zat in het gevang vanwege de moord op een man om een vrouw, Caroline, die hem roept als hij uit een kroeg vandaan komt. Ze brengen de nacht door in een hotelkamer, maar in de ochtend vertrekt Andreas omdat hij ziet dat ze oud geworden is. Onrust omgeeft hem net als de hoofdpersoon Ferdinand Bardamu in Reis naar het einde van de nacht van Celine.

    Andreas ontmoet een oud-klasgenoot die een beroemd voetballer is geworden en hem een kostuum bezorgt en een hotelkamer tegenover de kamer van een mooi meisje, op wie hij zijn lusten botviert. Andreas kent weinig intimiteit. ‘En nadat ze de wezenlijke ervaring die man en vrouw vergund is zo lichtvaardig hadden verkwist, wisten ze niet meer wat ze met elkaar aan moesten.’ Ze gingen maar naar de bioscoop.

    Af en toe dringt de visie van de schrijver door de uitspattingen van Andreas heen, vooral als hij teleurgesteld is dat er geen nieuwe wonderen gebeuren: ‘Want aan niets raken de mensen zo vlug gewend als aan wonderen, wanneer die hun één, twee, drie keer zijn overkomen. Ja, de aard van de mensen is zodanig dat ze zelfs kwaad worden als hun niet voortdurend alles te deel valt wat een toevallig en voorbijgaand lot hun beloofd lijkt te hebben. Zo zijn de mensen – en wat anders zouden we mogen verwachten van Andreas.’

    De taal is eenvoudig. Zeer toegankelijk, soms op het kinderlijke af. Bijvoorbeeld als een andere heer hem een hotelkamer aanbiedt, waarin zich een geheimzinnige deur met een witte knop bevindt… ‘waarachter zich iets mysterieus, althans voor Andreas iets mysterieus, leek te verbergen.’

    Het verhaal kent een fraaie afwisseling tussen de tekst, vertaald door Wilfred Oranje en de zwart-wit tekeningen van Bert Dekker, die sfeer toevoegen. De legende van de waterdrinker vormt een heerlijke appetizer tot het werk van Joseph Roth.

  • Recensie door: Sunny Jansen

    Recensie door: Sunny Jansen

    De honderd dagen van Joseph Roth verhaalt de periode vanaf Napoleons ontsnapping van het eiland Elba en zijn terugkeer naar Frankrijk tot zijn aftreden als keizer na zijn nederlaag in de Slag bij Waterloo. In deze roman zet Roth Napoleon Bonaparte treffend neer als een man van vlees en bloed met ambities, onzekerheden en twijfels. De keizer is een vat vol tegenstellingen. ‘Zelf haatte, beminde, vreesde en vereerde hij. Hij was sterk en zwak, vermetel en moedeloos, trouw en verraderlijk, hartstochtelijk en onverschillig, hoogmoedig en bescheiden, trots en nederig, gewelddadig en armzalig, trouwhartig en wantrouwend.’ Vooral dit wantrouwen maakt de grote keizer Napoleon Bonaparte voor zijn omgeving onbereikbaar en ongrijpbaar: ‘reeds een legende en toch nog in leven.’

    Door zijn omgeving wordt Napoleon gevreesd en bewonderd, maar bij het gewone volk is hij enorm populair. ‘Door zichzelf te verheffen adelde, kroonde, verhief hij alle naamlozen in het gewone volk, en dus hield het volk van hem.’ En het zijn dan ook juist deze kleine luiden die de keizer mateloos bewonderen, die samen met hem ondergaan. Zoals in al zijn boeken neemt Roth het ook in De honderd dagen op voor de gewone man. Wereldleiders richten een chaos aan, waar het gewone volk onder lijdt. ‘De simpele en geringe mensen zijn niet schuldig aan de fouten, dwalingen, zonden en wederwaardigheden van de grote der aarden. En toch lijden ze meer dan de aanzienlijken. Stormen vernietigen de arme en broze stulpjes. Aan de stenen en stevige huizen bruisen ze echter voorbij.’ Ook wasvrouw Angelina krijgt deze wijze les voorgehouden door haar minnaar, oorlogsveteraan en schoenmaker Wokurka: ‘…wij kleine mensen betalen een hoge prijs voor onze liefde voor de grote der aarden,’ stelt hij. Maar Angelina’s verering van de dictator is niet te beteugelen. ‘Ze behoorde de grote keizer toe’ en is zelfs bereid haar enige zoon, haar geliefde en haar leven voor hem op te offeren.

    Een van de mooiste scènes uit het boek is de interne dialoog van Napoleon Bonaparte als hij beseft dat het afgelopen is, dat hij definitief is verslagen en de onvermijdelijke consequenties moet aanvaarden. ‘Ik houd een zwaard in mijn hand en laat het vallen. Ik zit op een troon en hoor daarin de houtwormen al boren.’ In deze roman is werkelijk iedere zin prachtig, waarvoor ook vertaler Wilfred Oranje alle lof verdient. Roth schrijft in mooie volle zinnen, maakt trefzekere vergelijkingen en heeft een bloemrijke stijl. Treffend is zijn typering van het volk dat Napoleon na zijn vlucht en verbanning stuurloos achter laat. ‘Op honden zonder baas leken ze.’ Roth zegt waar het op staat, maar laat tegelijkertijd zaken onuitgesproken. Ook qua constructie zit De honderd dagen goed in elkaar. De levens van keizer Napoleon, wasvrouw Angelina, kleine trommelaar Pascal en de Poolse schoenmaker Wokurka hadden niet meer van elkaar kunnen verschillen, maar toch raken en beïnvloeden hun levens elkaar op cruciale momenten.

    Joseph Roth (1894-1939) was een Joods schrijver, afkomstig uit Oostenrijk-Hongarije. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het keizerlijk leger van de Dubbelmonarchie. Na de oorlog werkte hij als journalist in Berlijn en schreef zijn eerste romans. In zijn literaire werk staat dikwijls heimwee naar zijn uiteengevallen vaderland centraal. Roth ontvluchtte Duitsland in 1933 toen Hitler aan de macht kwam en zijn boeken verboden werden. De Radetzkymars uit 1932 is wellicht Roths bekendste werk. In deze schitterende roman staan de oorlogsdreiging en het uiteenvallen van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie centraal. Aan de hand van de levensloop van drie generaties van het geslacht Von Trotta, voert Roth de lezer langs het veranderende Europa van de vorige eeuw. In De Kapucijner Crypte (1938) waarschuwt Roth voor het opkomende nationaal socialisme. Zelf maakte hij de Tweede Wereldoorlog niet mee: hij stierf in 1939 in armoedige omstandigheden in ballingschap in Parijs. Recent zijn twaalf van zijn romans opnieuw uitgegeven door Uitgeverij Atlas. Terecht, want als iemand de ontwrichting van het oude Europa treffend en monumentaal weet te beschrijven, is het Joseph Roth wel.

    De honderd dagen

    Auteur: Joseph Roth
    Vertaald door: Wilfred Oranje
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Aantal pagina’s: 240
    Prijs: € 24,95