• Vakantierubriek 2013 – Joost van der Vleuten

    New York: these streets can make you feel brand new

    Als ik eind september door New York loop, word ik vast weer opgetild door de onweerstaanbare cocktail van monumentale art déco en modernistische grandeur. Martinus Nijhoff zei dat de skyline van Manhattan het moderne twintigste-eeuwse equivalent was van de Middeleeuwse kathedralen. Gezien vanuit de 21e eeuw is New York vooral ook knap nostalgisch. Wolkenkrabbers uit good-old Gotham city, oude diners in ooit modern aluminium, en een ot-en-sienerige Magnolia Bakery waar hip Japan in de rij staat voor ambachtelijke cupcakes. Om de hoek ligt de Village Vanguard jazz club. Een verkalkte kelder onder een neonverlichte wasserette. 103 Bezoekers, opeengepakt rond tafeltjes waar net twee glazen slechte wijn op passen. Op het kleine podium 17 laconiek kijkende lieden die virtuoos de muren eruit blazen. Toni Morrison doet dat in d’r uppie, met taal, in haar roman Jazz.

    Greenwich, Soho, Little Italy (voor zover nog niet geheel plastic) en zeker ook Harlem en Brooklyn: nostalgisch. New York verlangt naar zichzelf van ooit. Neem die boekhandel in Soho.  De regen gutste langs de ramen en de zoon van mijn aanstaande (maar dat wist ik nog niet) dronk tevreden hot chocolate en bladerde in een Batman-reprint. Aanstaande zelf stak mij een boek toe, gesigneerd en wel: All The Sad Young Literary Men van Keith Gessen. Verhalen over vers afgestudeerde jongelieden met literaire ambities in Queens en Brooklyn, die een identiteitscrisis nodig hebben om zichzelf te worden. Chelsea Clinton speelt een verrassende bijrol en de Joodse hoofdfiguur gaat under cover als Palestijn in de bezette gebieden. Tikkie maf, maar daverend goed geschreven. Helaas weinig meer van de jongeman gehoord. Dacht ik .

    Misschien kwam die nostalgie wel door 9/11. Ineens realiseerde New York zich dat het iets kwijt was en dat het wat het te verliezen had. Zie Extreem luid en ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer, over een bijdehand jongetje dat zijn vader verliest bij de aanslagen op het WTC.  Zijn enige aandenken is een sleutel, en hij gaat op zoek naar het slot waar die op past, langs klasgenoten, buurtbewoners en grootouders. De auteur werd wereldberoemd, maar ik werd er niet blij van. Een overmaat aan talent en een tekort aan terughoudendheid. Te veel typografische grappenmakerij en overbodige foto’s. Vond ik. Tijd om te herlezen en te herijken, los van de hype van toen.

    In de nasleep van 9-11 speelt Netherland (2008) van Joseph O´Neill. Een nette Nederlander van Amerikaanse komaf probeert te integreren in New York en speelt mee in een multiculti cricketteam op Staten Island. Jamaica ontmoet De Haagse vogelbuurt. De contouren van een nieuwe samenleving doemen op aan de rafelranden van New York. Prachtig. Het boek zou de dialoog aangaan met The Great Gatsby van Scott Fitzgerald (die in 1926 All the Sad Young Men publiceerde, dat nagalmt in bovengenoemd boek van Keith Gessen).

    Gessen heeft dan wel geen verhalen of romans meer gepubliceerd, maar richtte wél N+1 op, ‘the best goddamn literary magazine in America’, geheel gewijd aan het essay. In een Amsterdams antiquariaat kocht ik een bloemlezing uit N+1 getiteld Say what you mean. ‘A lot of the best inellectual literary magazines are oriented toward the past’, zegt Gessen er zelf over, ‘we wanted to be more oriented toward the present.’ Abortusmoorden, het vakbondswezen, conceptuele kunst en de lichaamscultus in de sportschool: niets is heilig, niets is waar, maar als je het heel goed opschrijft beklijft het, soms.

    Door Joost van der Vleuten

     

    In de Vakantierubriek 2013 stellen recensenten een aantal boeken aan u voor, uit de landen die zij op hun vakantie zullen bezoeken, of inmiddels hebben bezocht.
    Wilt u ook een bijdrage leveren aan de Vakantierubriek 2013? Klik dan hier.

    Wilt u alle bijdragen van alle recensenten lezen, klik dan hier.

  • Een transatlantische impasse

    Een transatlantische impasse

    Door Rein Swart

    De omslag toont een schaatsende jongen, die aan zijn zwaaiende armen te zien met veel plezier op ijshockeyschaatsen over een meer roetst. Dat zou best wel eens Hans van de Broek kunnen zijn, die zijn jeugdjaren doorbracht in Den Haag en omgeving. Op het moment dat het verhaal begint (in 1999) is hij analist in de Londense aandelenwereld, getrouwd met de Engelse Rachel en staat hij op het punt haar na te reizen naar New York, waar zij al werkt als bedrijfsadvocate en waar ze van plan zijn enkele jaren te blijven. Een senior vice president ziet dat hij op kantoor zijn spullen aan het inpakken is en waarschuwt Hans uit eigen ervaring dat het niet meevalt om weg te gaan uit New York als je daar eenmaal hebt gewoond.
    ‘Maar hij blijkt toch gelijk te hebben, in zekere zin,’ zegt de schrijver een bladzijde verder. ‘Nu ik de stad zelf ook heb verlaten, heb ik er moeite mee om los te komen van het gevoel dat het hele leven een soort naoogst is.’

    Het boek begint dus met een terugblik op zijn New Yorkse jaren, waar Hans zo weinig mogelijk aan wil terugdenken, maar hij moet wel als hij in het voorjaar van 2006 een telefoontje krijgt van een verslaggeefster van de New York Times, die hem ondervraagt over zijn relatie met Chuck Ramkissoon uit Trinidad, wiens lijk gekneveld in een kanaal is gevonden.
    De schrijver trekt ons vervolgens het verhaal in met een boeiende beschrijving van de eerste ontmoeting tussen Hans en Chuck, die als scheidsrechter tijdens een cricketwedstrijd met een pistool bedreigd wordt door een opgewonden toeschouwer en die met zijn rustige stem weet te kalmeren.

    Joseph O’Neill beschrijft met veel gevoel de werk- en sportwereld (cricket) van Hans in New York en verweeft daarin jeugdherinneringen uit Den Haag. De moeilijke relatie met zijn vrouw Rachel was voor mij het meest boeiende aan het boek. Rachel is nogal fel over de Irak-oorlog en wil daarom niet meer in Amerika wonen, waardoor ze enkele jaren een lat-relatie krijgen, die door Hans een transatlantische impasse wordt genoemd en die hij als een absoluut dieptepunt in zijn leven ervaart. Om daar uit te komen bezoeken ze in Londen een huwelijkstherapeute.
    O’Neill schetst een mooi beeld van New York en speciaal van Brooklyn waar een groot deel van het verhaal zich afspeelt. De Irak-oorlog wordt een test voor gewetensvol politiek denken genoemd en dat is nog steeds actueel. Hans geeft eerlijk toe dat hij, anders dan zijn Engelse vrouw, niet weet wat hij ervan moet denken.

    Soms wordt de schrijver wat lang van stof en is het niet helemaal duidelijk waar hij met zijn verhaal naar toe wil, maar de anekdotes zijn vermakelijk, bijvoorbeeld over zijn bijzondere mede-gasten in het beroemde Chelsea Hotel waar ze verblijven, nadat ze niet meer in hun loft kunnen wonen.
    Aan 11 september 2001 zelf maakt Hans weinig woorden vuil, evenmin aan de bevalling van zoon Jake, die volgens mijn berekeningen in oktober 1999, dus vlak na aankomst in New York moet zijn geboren.
    Dat de schrijver zelf ook vaak data invoegt, is mijns inziens te wijten aan de zwalkende compositie. De jeugdherinneringen zijn evenmin organisch ingevoegd.

    Ondanks een veelbelovend begin blijft het drama teveel op afstand. Hans laat niet het achterste van zijn tong zien; hij kan dat misschien vanuit zijn beperkte gezichtspunt ook niet; hij geeft toe dat de relatie-crisis een ‘unilateraal falen van zijn kant’ is.
    Het blijft daardoor te beschouwend, er vindt geen echte loutering plaats en daarom is er ook geen echt nieuw begin. Een bodyzeurver, noemt Rachel Hans als ze na alle perikelen op vakantie zijn in Kerala, India en Hans haar aandacht wil voor de mooie hoge golven waarop zij met hun lichaam kunnen surfen, terwijl zij diepgang zoekt.

    Een niet geheel overtuigende winnaar van de PEN/Faulkner Award for Fiction 2009.