• Lastige dilemma’s

    Lastige dilemma’s

    Het is even wennen, de schrijfstijl in de debuutroman Paulina Buxareu, die Josep M. de Sagarra bijna honderd jaar geleden schreef. Het begint met de beschrijving van een bergdorpje niet ver van Barcelona, waar de verteller, de ik-figuur iedere zomer naar toe gaat. ‘Ik heb in dat dorpje geen huis en ik huur er ook geen, ik bezit er geen lapje grond, niet eens een tomatenplant. … … Zijn charme wordt niet om zeep geholpen door de crèmekleurige broeken die pedante dikbuiken omhullen, door het lompe Castiliaans van een enkele dame, en zelfs niet door de vettige wikkels van worst en chocolade tussen de klokjes en de korenbloemen rondom de fonteinen.’ Zo lees je op de eerste bladzijde al minstens tien zinnen, die een ontkennende vorm hebben. Maar vanaf het moment dat de verteller een beschrijving geeft van een gezin met vier kinderen, dat in dit dorp vakantie komt houden, gaat het min of meer over. De verteller sluit vriendschap met de Victor Buxareu, de vader van de vier kinderen.

    Na de vakantie gaat de verteller op bezoek bij de familie thuis in Barcelona. Bij een van zijn bezoeken ontmoet de verteller de ongetrouwde nicht van Victor, Paulina Buxareu, die – begin veertig – vertelt over haar kennis van de psychologie en haar inzicht in de vrouwelijke ziel. Uit alles blijkt echter dat zij die kennis en dat inzicht helemaal niet heeft.
    Op haar negentiende ontmoette zij haar ‘(…) gedroomde held. Hij had net zijn studie medicijnen afgerond en was arts op een oceaanstomer. Hij was getaand door de zon en de zeelucht, had een zwarte snor en was van een ongenietbare vulgariteit; maar Paulina vond het de knapste en edelmoedigste man op aarde, en die nacht kon ze niet slapen.’ Na enkele mooie dagen met veel wandelingen en gesprekken is Paulina bereid met haar scheepsarts weg te lopen, wat haar moeder nog net weet te verhinderen. Kort daarop vertrekt het stoomschip met de arts en zonder Paulina naar Cuba. Onderweg, ’s nachts en in de mist komt het schip in botsing met een ander schip en vergaat. Zo eindigt de eerste liefde van Paulina op tragische wijze.

    Na deze ervaring ziet Paulina het als haar taak alle ongetrouwde vrouwen in haar omgeving met raad en daad terzijde te staan op zoek naar een geschikte huwelijkskandidaat. Ten huize van haar neef Victor komt een tekenleraar les geven aan de vier kinderen. Gaspar Melrosada is een eenzame vrijgezel, een mislukt kunstenaar, die de kost verdient met tekenlessen. De sfeer in huis rond de tekenlessen, de reacties van de kinderen, die de tekenleraar plagen zijn prachtig beschreven. Paulina beraamt een plan om de tekenleraar te koppelen aan haar vriendin Isabel. Melrosada is zo onzeker en bang, dat hij te rade gaat bij zijn neef die jezuïet is. Na het gesprek vertrekt hij vol twijfels. ‘Zijn neef had hem weliswaar moed ingesproken, maar die moed bracht hem nog erger in verwarring. Toen Melrosada uit het klooster kwam, viel zijn oog op een spiegel in een winkel, en hij blikte naar zichzelf met de meest pessimistische blik van zijn leven. … … alles leek hem deerniswekkend; de allerarmzaligste, van kwalen vergeven sloeber had hem, bij hem vergeleken, een Don Juan geleken.’ Ondanks alle tegenstribbelingen van Melrosada en van haar vriendin Isabel organiseert Pauline een ontmoeting. Isabel ziet het helemaal niet zitten, maar Melrosada dreigt toch wel verliefd te worden. Na korte tijd heeft Paulina hem zo bepraat, dat hij Isabel ten huwelijk zal vragen, maar als het moment daar is knapt zijn kouseband en valt hij flauw. Dat huwelijk gaat dus niet door.

    Hoewel zijn echtelijke aspiraties nog niet gedoofd zijn, is Gaspar Melrosada aanvankelijk ziek van narigheid. Paulina komt bij hem op bezoek om hem te troosten. Twee maanden lang trekt hij zich in zichzelf terug, maar op een mooie dag besluit hij eruit te gaan. Hij gaat naar de dierentuin, waar hij al dromend over de vragen des levens besluit weer bij de familie Buxareu op bezoek te gaan. Victor ontvangt hem allervriendelijkst, de kinderen vinden het leuk hem weer te zien en de pasgetrouwde zus van Victor en haar man vertellen enthousiast over hun huwelijksreis. Paulina constateert weemoedig, dat het jonge paar heel gelukkig is, maar dat ‘zij wel een zuster van liefdadigheid zal blijven’… Gaspar Melrosada wordt moedig: totaal onverwacht vraagt hij Paulina ten huwelijk. Ze worden heel gelukkig. De verteller gaat het stel nog een keer opzoeken.  ‘Paulina Buxareu wekte zo’n zuivere indruk van beperkte en oprechte vreugde, dat ze me nog heel wat dagen zou bijblijven.’

    Paulina Buxareu is de eerste van drie romans, die De Sagarra heeft geschreven. In het nawoord schrijft vertaler Frans Oosterholt, dat de auteur in deze roman twee van zijn eigen dilemma’s zou hebben uitgewerkt: de keuze tussen echtgenoot of vrijgezel, en die tussen diplomaat of schrijver. De verteller in de roman beschrijft wel de verliefdheden en stappen op het huwelijkspad van anderen, maar voor zichzelf komt hij er helemaal niet uit. De tekenleraar is eigenlijk kunstenaar, maar verdient de kost met tekenlessen. De Sagarra zou oorspronkelijk diplomaat worden maar wil eigenlijk niets liever dan schrijver worden wat hij iuteindelijk ook wordt. Naast vertalingen van Shakespeare, Moliére en Gogol schreef De Sagarra zo’n vijftig toneelstukken en tien jaar na  Paulina Buxareu nog twee romans, die alom werden geprezen als meesterstukken. Dit boek maakt zeker nieuwsgierig naar die andere twee, Knoflook en pekel en Privéleven.

     

     

     

     

  • Taalacrobatiek

    Taalacrobatiek

    Tot op heden heeft nog niemand zich geroepen gevoeld in Wikipedia een Nederlandstalige pagina te wijden aan de Catalaanse schrijver Josep Maria de Sagarra. Sterker nog: er is niet eens een Engelstalig lemma over hem  Het is niet uitgesloten dat daar verandering in komt.

    In ons land verscheen in 2010 een eerste vertaling van zijn Vida privada uit 1932: Privéleven. Het werd door enkele recensenten onthaald als ‘verpletterend’ en een ‘taalfeest’ en maakte in vooralsnog kleine kring diepe indruk.

    Twee jaar later kunnen we nu in Nederland kennis maken met Knoflook en pekel. De Sagarra schreef het in 1929, vier jaar eerder dus dan Privéleven. Als we vertaler Frans Oosterholt mogen geloven – en waarom zouden we dat niet doen – is de roman uit 1932 venijniger en directer dan Knoflook en pekel. De directheid zat hem in de genadeloze afrekening met de poppenkast van de toenmalige dictator Primo de Rivera. De dictator is in Knoflook niet aanwezig, maar het onder zijn regering verkommerende Spanje wel degelijk. Dat geldt evenzeer voor het bijtende cynisme, de exuberante stortvloed aan beelden en de taalacrobatiek.

    Knoflook en pekel begint in het wegkwijnende vissersdorpje Port de la Selva. De inwoners kunnen er met hun vangsten nauwelijks nog een bestaan overeind houden. In dat dorp beleeft Quimet zijn kinderjaren voor hij door zijn ouders wordt voorbestemd om priester te worden. Hij wil dat zelf niet, maar wil evenmin blijven rondhangen in zijn troosteloze geboorteplaats. Zijn leeftijdgenoten noemen priesterstudent Quimet smalend de ‘preekstoelpoeper’.

    Er is voor hem slechts één sprankje hoop: het mooie naaistertje Marí, die méér begerige ogen trekt. Hij wordt tijdens een zomervakantie verliefd op haar. Het lukt hem zelfs lichamelijk contact te maken, haar huid te voelen en te proeven, maar daarbij blijft het vooralsnog. Als Quimet voor zijn studie terug moet naar Girona, een nauwelijks minder troosteloze stad, doet hij dat in de pijnlijke wetenschap dat Pere Ballesta, zijn ‘concurrent’ in de liefde, in Marí’s buurt blijft en haar mee wil tronen naar zijn woonplaats Figueres.

    In Girona wordt Quimet door zijn medekamerbewoner Puntí overgehaald om het hoertje Pura te bezoeken om zo zijn dromen over de steeds meer geïdealiseerde Marí te vergeten. Het bezoek, dat zijn seksuele vuurdoop moet worden, wordt een afgang. In dubbel opzicht. Hij is niet in staat seks met haar te hebben, maar bovendien wordt hij bij het verlaten van het bordeel betrapt. Het leidt er, na een gesprek met de rector van het seminarie, toe dat hij van school wordt getrapt. Hij ervaart Girona als een gevangenis en verlangt terug naar Marí, die hij uiteindelijk opzoekt in Figueres. Hij droomt ervan met haar te vluchten naar Frankrijk (haar moeder kwam daar vandaan), waar ze een gelukkig bestaan zullen kunnen opbouwen. Maar in Figueres wacht hem een nieuwe teleurstelling die tot een fatale afloop zal leiden.

    Quimet ‘belichaamt’, in de woorden van De Sagarra, ‘een jeugd geprangd door wrok jegens de speklaag van de weelde’. Hij haat zijn ouders en zijn dorp en het seminarie; zijn leven ontrolt zich in een leegheid waaraan hij niet kan ontsnappen.

    De onontkoombaarheid van Quimets lot wordt niet alleen verteld als verhaal, maar wordt ook nog eens vervat in een daarmee samenvallend bloemrijk taalgebruik. Of misschien moeten we in dit geval zeggen: een visrijk taalgebruik. Dat ervaren we bijvoorbeeld prachtig als De Sagarra in het gesprek weergeeft dat Quimet na zijn hoerenbezoek heeft met de rector. In de wachtkamer hebben de muren ‘de kleur van stokvis met aardappelen’. Quimet mijmert er over zijn seminarietijd, over ‘de kapel met het doffe en wazige licht met de kleur van gekookte aal’, over hoe in de studiezaal ‘de kou via je benen omhoog kruipt en zich als een onzichtbare octopus vasthecht aan je kont en je rug’. Tot de rector binnenkomt met zijn ‘wangen als eieren van een ombervis’.

    Het is duidelijk wat voor referentiekader Quimet heeft.

    In de roman wemelt het van dit soort, alle zintuigen prikkelende beelden. Zoals in de beschrijving van de festiviteiten ter ere van Sint Narcissus in Girona:

    Tijdens de jaarfeesten komen alle slaapkamerdrama’s aan de oppervlakte, ze zijn de azijn die overal vloeit, op de wangen van de leeggelopen bureaucraten, op de snorren van de stinkende obers in het café en op de stinkende heken die zich in de staart bijten op de schalen in de pensions. Het is allemaal gepaneerd met een soort zaagsel van doodskisten, alles ademt een ongeneeslijke seksuele treurigheid uit.

    Bij De Sagarra krijgt de wat afgesleten uitdrukking dat iets ‘in geuren en kleuren’ verteld wordt een geheel nieuwe betekenis. Knoflook en pekel is een barok en hallucinerend boek.

     

    Knoflook en pekel

    Auteur: Josep Maria de Sagarra
    Vertaald door: Frans Oosterholt
    Verschenen bij:  Menken Kasander & Wigman Uitgevers (2013)
    Oorspronkelijke titel: All i salobre (1929)
    Aantal pagina’s: 215
    Prijs: € 22,50