• Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Uit het hart is een vriendenboek. Het is samengesteld door de besties Jeroen Dera en Jos Joosten voor hun zeer gewaardeerde collega Jos Muijres die tot en met 2023 universitair docent Moderne Letterkunde was aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Muijres heeft vanaf de jaren ’90 aan die universiteit de Vlaamse letterkunde op de kaart gezet, gevoed en gekoesterd. Hij heeft in zijn colleges, de organisatie van gastcolleges van Vlaamse schrijvers, postacademische cursussen en lezingen een op zichzelf staand specialisme vormgegeven met veel aandacht voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Uit de lezingenreeks kwamen de bundels Op de hielen (2014) en Tegen de schenen (2018) voort over recent verschenen Nederlandstalige romans. Bij zijn pensionering en daarmee vertrek van de Radboud Universiteit is nu Uit het hart verschenen, een verzameling ‘opstellen over moderne Vlaamse literatuur’ die een staalkaart wil zijn van wat in de 21e eeuw tot en met 2023 aan Vlaams proza is verschenen. Collega’s, sprekers, oud-studenten en studenten hebben de bijdragen geleverd voor in totaal 24 beschouwingen, waarmee voor elk jaar uit de nieuwe eeuw een boek is besproken. Uit het hart is bedoeld als tastbaar eerbetoon voor Muijres’ tomeloze inzet. Het levert een gevarieerde bundel op voor geïnteresseerde Neerlandici en andere leesliefhebbers.

    In de inleiding geven Dera en Joosten aan dat de bundel ‘bijdragen met een uiteenlopend karakter’ bevat. Dat is zeker waar en bepaalt mee de waarde van de verzameling. Wat passeert is werk van mastodonten als onder andere Hemmerechts, Verhelst, Verhulst en Verbeke, Stefan Hertmans, Elvis Peeters, Stefan Brijs’ Engelenmaker tot en met Carmien Michels Vaders die rouwen, maar ook de young adultroman Allemaal willen we de hemel van Els Beerten en Mazzel tov van Margot Vanderstraeten, dat over het algemeen als non-fictieboek is besproken. Een grote gemeenschappelijke deler is dat het werk bijna zonder uitzondering grondig door de interpretatiemolen wordt gehaald volgens de heilige wet van het ‘close readen’.

    Staalkaart Vlaamse literatuur

    Muijres zegt in een interview in de Vox, het ‘onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit’ bij zijn afscheid: ‘[…] ik ben ook erg toe aan rust. Als letterkundige sta je voortdurend – in het weekend en in vakanties – onder druk: ik moet dit nog lezen, ik moet dat nog bestuderen. Ik verlang ernaar om van die druk af te zijn.’ Voor de lezer die nog niet van die rust kan genieten en die dus meer mist dan hij of zij kan bijhouden, is deze bundel de bedoelde en waardevolle staalkaart van gekende Vlaamse schrijvers en hun werk. De meeste opstellen beginnen met een heldere uiteenzetting van de inhoud van het besproken werk, handig voor wie het nog niet kent of een opfriscursus kan gebruiken, gevolgd door een specifieke vraag of interpretatie met betrekking tot de inhoud van de roman. Die specifieke invalshoeken zijn zo nu en dan wel erg specialistisch, maar leveren interessante, leerzame en inspirerende opstellen op en bijzondere interpretaties en waarnemingen, bijvoorbeeld over de ‘meerstemmigheid’ in Beertens jeugdroman, ‘de provocatie van de normaliteit’ in Petry’s De maagd Marino, het ‘onderzoeksmatige aspect’ van Kamer in Oostende van Koen Peeters.

    Muijres (1957) is een babyboomer die van een dubbeltje tóch een kwartje werd. Zijn sociale achtergrond heeft hem ‘nederig’ gemaakt, zegt hij in het eerdergenoemde afscheidsinterview, maar zeker en vast ook maatschappelijk geëngageerd. Sociale omstandigheden van personages in romans en de manier waarop die omstandigheden en de personages de lezer voorgeschoteld worden, hebben zijn bijzondere belangstelling. In de opstellen in de bundel is ook ruimschoots aandacht voor allerlei maatschappelijke thema’s en voor betrokkenheid. Het engagement van Verhulst in Problemski hotel krijgt ruimschoots aandacht, het rumoer rond Ruth Lasters’ stadsdichterschap van Antwerpen en haar vermeend ‘niet-verbindende’ gedicht passeert de revue in een opstel over haar roman Poolijs uit 2005, de ‘diversiteitshype’ en het al dan niet bestaan van ‘allochtonenliteratuur’ en ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd in de besprekingen van De lammeren van Mustafa Kör – naar eigen zeggen geen Vlaamse of Turkse schrijver maar ‘auteur’- en Vertel het iemand van Rachida Lamrabats. Bij het opstel over Wil van Jeroen Olyslaegers worden de noties ‘ethische subjectiviteit’ en ‘morele ambiguïteit’ besproken en tot tweemaal toe komt het frisse feministische Fixditcollectief langs, namelijk bij de Fixditschrijfsters Margot Vanderstraeten en Gaea Schoeters, de laatste bij de bespreking van haar Trofee.

    Breed publiek?

    Of de opstellen zoals de redacteuren in het inleidende hoofdstuk beweren ‘steevast toegankelijk geschreven’ zijn, daar valt over te twisten. Een niet-academisch geschoolde lezer zal de hersens stevig moeten laten kraken bij een zin als deze, ook als er geen fout in zou staan: ‘(Jeroen Dera en Jos Joosten wezen me op het feit dat deze functie, op zijn minst in de gedaante van ‘zelfrepresentatie’, centraal staat in modern letterkundig onderzoek – een onontgonnen manier waarop literatuurwetenschappelijke denken taalkundige theorievorming over de functie van taal zou kunnen beïnvloeden.)’ Dit citaat komt nota bene uit het hoofdstukje ‘Taal om te imponeren’ over Lanoyes Sprakeloos! Daarnaast wordt geregeld wetenschappelijk literair-theoretisch of taalkundig jargon gebruikt, wat de bundel niet per se ‘toegankelijk’ maakt voor een breed publiek.

    De naar de Rijksuniversiteit Groningen ‘overgelopen’ hoogleraar Mathijs Sanders schrijft over De maagd Marino van Yves Petry, de roman die in 2011 de Libris literatuurprijs won (en, onvermeld, in 2012 de Inktaapprijs). Die gruwelijke roman is gebaseerd op het waargebeurde voorval van een hoofdpersoon die zijn vriend na diens dood in de vriezer bewaart en stukje bij beetje opeet volgens een vooraf door hen beiden schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Protagonist Bruno doceert ‘Hoogtepunten uit de Literatuur van de Twintigste Eeuw’ aan de meest katholieke universiteit van het land. Buiten zijn werkwereld kan Bruno zich nauwelijks staande houden en zonder geloof in literatuur als iets heiligs blijft er voor hem niet veel over. Volgens Sanders laat de roman zelf juist zien dat er hoop is. ‘Nog altijd is de roman in staat lezers te betoveren en te verontrusten. Deze roman markeert niet het einde van de literatuur, maar viert haar triomf.’ Dit geldt voor veel van de in deze bundel besproken romans.

    Jos Muijres kan in 2023 nog niet zeggen wat hij na zijn pensionering gaat doen. Gelukkig is er nog meer dan genoeg te lezen. Om te beginnen dit liber amicorum dat voor de geïnteresseerde literatuurliefhebber een rijk overzicht van de 21e eeuwse Vlaamse literatuur biedt en voor hem ook een waardevol bewijs van vriendschap en waardering is, dat laat zien dat uit het oog zeker niet uit het hart betekent.

     

     

  • Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren

    Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren


    Wat betekent de neerlandistiek nog in dit land en heeft een bundel van een hoogleraar in deze vakdiscipline een meerwaarde voor het begrijpen van de moderne literatuur? Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen waagt zich aan wat volgens hem een vrolijk boek is. Hij is van mening dat de neerlandistiek leeft als nooit tevoren. Is de bundel, Hoera! Een boek, reden om de vlag uit te steken?

    Laten we vrolijk beginnen. Joosten toont zich een goed stylist die in vlotte zinnen zijn verhaal vertelt waarbij hij zich richt tot een breed publiek waarbij hij onnodige vaktermen vermijdt. Hij besteedt aandacht aan de historische ontwikkeling van de studie Nederlands, levert zeventien besprekingen van romans en gedichtenbundels en buigt zich over actuele vakwetenschappelijke discussies. Dat is heel wat in een gering aantal pagina’s.
    Het merendeel van deze bundel is gevuld met besprekingen van romans en dichtbundels. Het betreft onder meer boeken die volgens hem ten onrechte onderbelicht zijn gebleven en andere die onverdiend en in overvloed die aandacht wél kregen. Hij ziet in deze besprekingen af van zijn rol als wetenschapper. Een criticus oordeelt en een wetenschapper analyseert. Joosten oordeelt hier te kust en te keur.

    Joosten is ongenadig in zijn afwijzing. Enkele veelvuldig bewierookte of onder publiciteit bedolven schrijvers sabelt hij met veel plezier neer. Met rake diskwalificaties omschrijft hij zijn afschuw van romancier Thierry Baudet: ‘James Last is de literatuur binnengemarcheerd’, maar ook gelauwerde auteurs als Jan Siebelink: ‘een drol met een strik erom’, Dimitri Verhulst: ‘sneue mix van zelfbeklag en puberbravoure’ en Saskia Noort, die hij – hoe dodelijk voor een literaire thrillerschrijver – ‘de totale-onwaarschijnlijkheidsbokaal’ uitreikt, moeten het ontgelden. Deze affakkelparade wekt sterk de lachlust op en geeft een vergelijkbaar genoegen als een tekst van Jeroen Brouwers over schrijvers in de jaren zeventig. 

    Aantrekkelijke broodjes om in te bijten

    Maar Joosten kan ook heel goed prijzen. Het werk van enkele door hem geprezen schrijvers schotelt hij voor als een erg aantrekkelijk broodje waarin je meteen wilt bijten. Schrijvers als Simone Atangana Bekono, Hannah van Binsbergen, Hanna Bervoets en ook (hoe onverwacht) Kluun krijgen van hem een positief oordeel. Zeer lovend is hij in het bijzonder voor het werk van de Tilburgse auteur en kunstenaar Nick J. Swarth. Joosten kan zijn enthousiasme voor Swarths roman De plasserparadox niet voor zich houden en smijt meteen al in de tweede alinea van zijn uitgebreide bespreking de conclusie op tafel: ‘(…) wat heeft Swart een tof boek geschreven!’

    Hij vindt de roman van Swarth schitterend. Waarom? Volgens hem voldoet Swarths roman in alle opzichten aan een aantal door hem geformuleerde criteria. De roman is volgens hem geschreven in een stijl die schittert en meesleept, het boek openbaart iets over aspecten van de hedendaagse wereld en Joostens eigen wereld ziet er na lezing anders uit dan voorheen. Hij is óók van deze roman gecharmeerd omdat hij zich erin herkent. De uitzichtloze wereld van een groep jongeren in Tilburg in 1980 die Swarth als onderwerp heeft gekozen, doet hem sterk denken aan zijn eigen studententijd in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de oprichting van een afdeling van de PSP-jongeren.

    Gek genoeg noemt hij ‘herkenning’ van ondergeschikt belang bij de beoordeling van een roman. Is dat wel zo? Zou Joosten als hij een corpsstudent was geweest in Groningen de roman evenzeer hebben bejubeld? Is het niet juist vanwege de herkenning dat Joosten juist deze, door velen veronachtzaamde roman, de hemel in prijst? Hoe terecht zijn oordeel ook is, – Swarth schreef een interessante roman – het is wel een oordeel dat veel over Joosten zélf zegt. De wetenschapper en criticus Joosten kan bij het lezen zijn eigen persoonlijkheid niet uitvlakken. 

    Controversiële opvattingen

    In de bundel zijn drie artikelen opgenomen waarin hij vakwetenschappelijke discussies aanroert. Om maar meteen op zijn Joostens met de deur in huis te vallen: zijn opvattingen zijn controversieel en dagen uit tot een weerwoord. Joosten constateert dat ‘steeds vaker kwesties buiten de literaire tekst relevant en urgent worden.’ Het ‘Merlijnse dogma’ (= het werk, het werk en niets dan het werk) wordt niet langer algemeen beleden. Met name vragen omtrent de verhouding literaire werk en      persoonlijke leven van de schrijver worden tegenwoordig veelvuldiger gesteld. Een artikel gaat over de vraag wat het nut is van schrijversbiografieën.

    Dit thema wordt onder meer behandelt aan de hand van Vierspan: Over biografieën en het schrijven ervan, van schrijversbiograaf Jan van der Vegt. Joosten vindt deze studie ‘amusant’ maar heeft er verder geen goed woord voor over. Van der Vegt beweert dat biografen hun werk doen om aan de behoefte van de lezers te voldoen. Dat is natuurlijk een erg magere verantwoording voor het genre. Om nu op grond van zo’n zwakke verdediging het genre meteen naar de prullenbak van nutteloze zaken te verwijzen, zoals Joosten doet, is echter even dom als de medische wetenschap af te wijzen omdat Willem Engel onzin debiteert over Covid. 

    Joosten beweert dat een schrijversbiografie vrijwel niks toevoegt aan de strekking, inhoud of interpretatie van het werk van de schrijver. Ook hiervoor gebruikt hij voorbeelden die niet sterk zijn. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat de relevantie is van de dwangmatige onanie van Gerrit Achterberg voor de interpretatie van zijn werk en wat we leren over het werk van Adriaan Roland Holst, als we weten dat hij leed aan allerlei ‘private ongemakken’. Als de schrijversbiografie niet meer biedt dan deze petite histoire is deze inderdaad op zijn hoogst belangwekkend voor soapliefhebbers. Maar valt er dan niets méér over de waarde van een schrijversbiografie te zeggen? Heeft Joosten dan nooit een schrijversbiografie gelezen die de moeite waard is? Blijkbaar niet.

    Komt dat wellicht, omdat hij meer geïnteresseerd is – in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – in de vraag wat op enig moment gezien wordt als literatuur en wie zich ermee bezighielden dan met de vraag wat de relatie is tussen de schrijver en het werk dat hij schreef. Ja, als je interesse niet ligt bij de schrijversbiografie, maar bij de vraag hoe men in een bepaalde periode over literatuur denkt, is dat vergelijkbaar met iemand die minder geïnteresseerd is in een krantenartikel over de spitspositie bij Ajax, omdat hij zelf keeper is.

    Een schrijversbiografie is hartstikke interessant als de biograaf een poging doet het werk te verbinden met de schrijver in zijn totale leefwereld. Uiteindelijk is het wel de persoon van de schrijver, gevormd door opvoeding, ervaringen en invloeden die dit werk geschreven heeft. Hij leeft in een eigen complexe historische biotoop die bestaat uit vele elementen. Het literaire werk is niet uitsluitend een product van die biotoop en wordt ook niet als een kant-en-klare boodschap door de schrijver ontvangen en doorgegeven, zoals Mozes overkwam op de Sinaï met de wetten voor het volk van Israël. Het is het resultaat van zijn omgang met de wereld, misschien is het schrijven van een roman wel een soort van overlevingsstrategie, om met de Engelse auteur Tim Parks te spreken. 

    Vermenging fictie en non-fictie

    Joosten laat in een ander artikel duidelijk merken dat hij grote moeite heeft met de vermenging van feiten en interpretatie, van fictie en non-fictie in de recente schrijfcultuur. Volgens hem is het literaire pact tussen schrijver en lezer in de laatste jaren verbroken. Dit pact houdt in dat de lezer van een fictioneel werk ervan uit mag gaan, dat de ik in het boek niet dezelfde is als de schrijver. Werkelijkheid en fictie zijn twee werelden, die niet ongestraft met elkaar vermengd mogen worden. Dat pact staat volgens Joosten op springen, doordat lezers opvattingen van personages in romans opvatten als de opvattingen van de schrijver zelf. Dat is echter niet alleen iets van de laatste jaren. Die fout maakte de criticus Aad Nuis al in de jaren tachtig in zijn bespreking van Mystiek Lichaam, het meesterwerk van Frans Kellendonk. Hij noemde de roman antisemitisch, omdat er een jood in voorkwam die niet bepaald een voorbeeldig leven leidde en geen sympathiek personage was.

    Volgens Joosten nemen schrijvers het zelf ook niet meer zo nauw met dat onderscheid. Zo verdedigde Philip Huff zijn roman onlangs door te zeggen dat het allemaal waar gebeurd is. Joosten laat zich kennen als een purist die wars is van allerlei hybride vormen in de huidige schrijfcultuur, waarin iedere willekeurige Nederlander tot schrijver wordt gebombardeerd, als zijn verhaal maar echt gebeurd is. En daar valt zeker wat voor te zeggen. Ook andersom geldt dat. Iemand die non-fictie schrijft mag van Joosten niet rommelen met de feiten.

    Hij neemt Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans, kwalijk dat hij het genre van de biografie vermengt met dat van de historische romancier. Wanneer Otterspeer door andere kenners van zijn onderwerp gewezen wordt op feitelijke onjuistheden in zijn biografie beroept hij zich erop dat hij een creatieve (literaire) schrijver is, met andere woorden: hij mag zelf bepalen wat hij als feiten ziet. Het door elkaar mixen van feiten en verbeelding in een biografie, dat ziet Joosten juist, moet vermeden worden. Een biograaf die fantaseert in een biografie schrijft in feite een historische roman.

    Afkeer van moderne trends

    Joosten heeft een interessante poging gedaan om de neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren. Zijn recensies zijn meesterlijk, maar zijn weergave van enkele discussies binnen de neerlandistiek is nog geen reden de vlag te hijsen. Joosten neemt standpunten in, signaleert trends en stelt overal vragen bij, maar is dat dan de bijdrage van een hoogleraar in de neerlandistiek aan de moderne letterkunde? Het resultaat van al die jaren intensieve omgang met de moderne Nederlandse letterkunde, van lezen, onderzoek, schrijven, uitwisseling met studenten en vakgenoten? 

    Het is zeer de vraag of Joosten met zijn afkeer van moderne trends wel diep genoeg graaft. Het lijkt wel of hij een helder standpunt inneemt, maar het is wel heel erg vreemd dat hij in de bundel niet ingaat op het begrip autofictie. Hij ziet blijkbaar niet in dat alle fictie in feite autofictie is. Hij gelooft niet in de waarde van schrijversbiografieën, terwijl hij, in navolging van de door hem hooggewaardeerde Bourdieu, nog wel beweert dat hedendaagse kunstenaars zich rekening dienen te geven van hun speciale positie als autonome kunstenaar van wie de vrijheid van expressie op het spel staat: ‘Met het opkomen voor hun individuele eigenheid, komen ze juist op voor de meest universele waarden.’ Van het bijzondere naar het algemene dus. Was het niet Connie Palmen die zoiets dergelijks zei, door de mond van Ted Hughes in Jij zegt het? Maar over Palmen spreekt Joosten niet in deze bundel. 

    Palmen maakte in de romans van haar eigen lot evenzovele plots die door honderdduizenden werden gelezen. Haar werd verweten dat zij haar eigen leven exploiteerde in haar boeken. Maar dat doet iedere schrijver toch, ook de meest autonome schrijver kan in zijn werk niet verder springen dan de polsstok van wat zijn persoonlijkheid aankan. Een literaire schrijver heeft de mogelijkheid om een eventueel betekenisloos en vormloos lot om te zetten in een betekenisvol plot. De echte kunstenaar maakt zijn eigen biotoop, zijn eigen wereld, gedachten, gevoelens, emoties en ervaringen tot een literair kunstwerk dat voor lezers herkenbaar is. Het zal bewondering en literair genoegen opwekken als dat kunstwerk aan het algemeen menselijke raakt en aan de meest universele waarden.

     


    Hoera! Een boek, over Nederlands en Nederlandse letterkunde van nu / Jos Joosten/224 blz. / AFdH uitgevers