• Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Jonathan Coe blaast klassieke thrillergenre nieuw leven in

    Niet alleen Britten zijn dol op hun ‘knusse’ detectiveverhalen, die toevalligerwijze vaak rond de kerst of oud en nieuw spelen. Historische periode vaak het interbellum of de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog. Locatie meestal een lieflijk dorpje, omringd door weelderige natuur, plus een kasteel met een heuse lord. En laten we de dominee niet vergeten, in de oude pastorie naast het nog oudere kerkje. Onmisbaar zijn de rustieke winkeltjes en tearooms met de roddelende dames, de authentieke pubs met de roddelende heren. Dan is er een moord! Liefst in of nabij het kasteel, dan wel de kerk. Favoriet hierbij is een gesloten kamer (de moordenaar kon er in noch uit en toch…), verborgen gangen of trappen. En het wemelt van rode haringen.

    Steevast wordt de moord onderzocht door een excentrieke speurder die toevallig in de buurt is, of door een locale politieman die meestal slimmer is dan degenen die hij ondervraagt. Wanneer het verhaal zich ontwikkelt, blijken dikwijls personages anders te zijn dan wie wij dachten dat ze waren. Uiteindelijk is de dader iemand van wie de lezer het in het geheel niet heeft verwacht, maar door de uitleg van de slimme speurneus wordt die onmiddellijk overtuigd. 

    Steeds dezelfde misdaadformule

    Bovenstaande formule is duizenden malen gehanteerd, in boeken, toneelstukken en films. Tot de laatste categorie behoort de ondraaglijke tv-serie Midsomer Murders. Een schoolvoorbeeld. Honderdtweeënveertig afleveringen sinds 1997 en de opnames voor de tweehondervijfentwintigste zijn bezig. Kennelijk kunnen de kijkers daarvan geen genoeg krijgen of zijn ongeneeslijke masochisten. Voor hen bestaat een hele serie boekjes als Your Guide to Not Getting Murdered in a Quaint English Village, waarin de lezer zelf een moord moet oplossen. Tips hierin: kijk niet in de vijver, blijf uit het doolhof en vertrouw de dominee niet. Alleen al over Midsomer Murders verschenen twee van dit soort boekjes.

    Daarom is het hoogst interessant dat een belangrijke auteur als Jonathan Coe zich op het genre lijkt te hebben geworpen met The Proof of My InnocenceDe Nederlandse vertaling van de titel, Het bewijs van mijn onschuld, mist de dubbelzinnigheid van de originele. ‘Proof’ betekent namelijk eveneens ‘drukproef’ en die laatste vormt een belangrijk motief in het boek. Het bewijs van mijn onschuld begint met een raadselachtig tekstje van twee bladzijden over een witharige speurder in een trein die op het punt staat een medepassagier te arresteren. Wie is zij en wie is de arrestant?  Wanneer vindt dit plaats en wat is de misdaad precies? Pas daarna begint de roman met een ‘Proloog’ over Phyl, die net is afgestudeerd. 

    Vriendschap en ‘Friends’

    Ze woont bij haar ouders Andrew en Joanna in een dorpje bij Heathrow. Op dat vliegveld heeft ze een lullig baantje in een Japans fastfoodrestaurant. Haar moeder is dominee en haar vader een gepensioneerde landmeter met veel te veel boeken. Begrijpelijk dat ze zich ongelukkig voelt en zelfs dat ze als troost altijd kijkt naar de tv-serie FriendsDan komt Christopher Swann, een interessante studievriend van haar moeder op bezoek, vergezeld van zijn dochter Rashida. Een wetenschapper die al decennia de radicalisering van de Britse conservatieven volgt op zijn blog. Een aantal conservatieve sleutelfiguren hadden hij en Joanna decennia geleden al in Cambridge ontmoet, onder wie ene Roger Wagstaff. Dat vindt Phyl allemaal interessant.

    Het klikt tussen de twee dochters, ook omdat Rashida evenzeer verslaafd is aan Friends. Phyl vertrouwt haar toe dat ze ervan droomt een roman te schrijven. Ze twijfelt tussen drie genres: ‘cosy crime’, ‘dark academia’ en autofictie. Eigenlijk een gewone Coe, denkt de lezer tijdens deze ‘Proloog’, want de actuele politiek speelt weer een belangrijke rol – Liz Truss wordt premier – en dit soort personages kennen we uit eerder werk van Coe. In Deel 1 wordt het dan toch echt een ‘cosy crime’, zelfs ‘voorzien’ van een passend, beduimeld omslag. Swann is aanwezig op een congres van een conservatieve denktank in een kasteel met een echte lord (de elfde van die naam). In een liefelijk dorpje bovendien. Voor de keynote speech was Kwasi Kwarteng aangetrokken, maar die is zojuist door Truss tot minister benoemd. Hij wordt vervanger door een professor gespecialiseerd in een literaire auteur die een paar decennia geleden een eind aan zijn leven maakte, en mede door hem populair werd als een conservatieve voorloper. Swann raakt geïntrigeerd door deze schrijver Peter Cockerill en diens laatste roman, Mijn onschuld.

    De Britse koningin sterft

    Tussen de bedrijven door heersen er spanningen tussen Swann en de al genoemde Wagstaff. Het congres moet echter stoppen door een ‘Nationale Ramp’: de Britse vorstin overlijdt. Dan is er opeens een moord, plus een geheime gang en een – excentrieke – lokale inspecteur die de zaak moet oplossen: Pru Freeborne (lees de naam hardop!). Authentiek ‘dark academia’ – inclusief omslag – is Coe’s tweede deel. Brian, een studievriend van Joanna en Christopher, heeft zijn herinneringen aan die jaren geboekstaafd. Daarin is meer informatie te vinden over genoemde sleutelfiguren. Wagstaff bijvoorbeeld bleek al in 1980 te pleiten voor het afbouwen van de ‘National Health Service’ en andere publieke voorzieningen. Brian staat ook stil bij Cockerill. Met name bij diens obsessie met een zeventiende-eeuws volksliedje, dat ook al in de twee vorige delen een rol speelt. Een rode haring?

    Het genre is bekend geworden met Donna Tartts De verborgen geschiedenis (1992) en ook het Cambridge van Coe biedt de lezer statige oude zalen, bruine pubs en een heus geheim genootschap, de Processus Group. Maar bij hem is dat uiteraard politiek en met de Brexit is dit aartsreactionaire gezelschap in het centrum van de macht belandt.
    Wat zou Coe doen met autofictie, het derde deel, waarmee hij als auteur in het geheel geen ervaring heeft? Hij laat de vriendinnen Phyl en Rashida afwisselend vertellen over hun speurtocht naar het verband tussen de nieuwe moord en de oude zelfmoord. Die brengt hen achtereenvolgens bij een Londens antiquariaat, een stokoude voormalige redactrice van Cockerills uitgeverij plus een steenrijke Britse miljonair die om fiscale redenen in Monaco woon, en…de drukproef van de roman Mijn onschuld bezit. Hun autofictionele wegen kruisen die van inspecteur Freeborne, met wie ze enthousiast gaan samenwerken. 

    Politieke ontwikkelingen

    Heeft Cockerill werkelijk zelfmoord gepleegd? Het antwoord op die vraag zou het plezier voor de lezer bederven. Idem bij Coe’s ‘Epiloog’, die de recente misdaad oplost. Wel exit Liz Truss. Zelf heeft hij een cameo à la Alfred Hitchcock als een onopvallende student die nooit enig blijkt heeft gegeven van een politieke interesse, maar later als auteur van verhalen en romans ‘een bescheiden succes heeft’. Maar Het bewijs van mijn onschuld blijft, ook ondanks de soms hilarische en aanstekelijke humor, een bloedserieus boek over een tragische politieke ontwikkeling waarbij giftig ultra-conservatisme en het grote geld de macht overnemen. Terwijl de genoemde genres just druipen van de nostalgie naar de tijden dat Engeland nog gezellig was en de universiteit een bolwerk van conservatieve tradities. 

    Als illustratie van het groeiende complot verwijst Coe naar de werkelijkheid: het pamflet Brittania Unchained uit 2012. Een pamflet dat niet overal bekend is, maar alle usual suspects droegen eraan bij: onder anderen Truss, Kwarteng, Patel en Raab. Desondanks heeft Coe overduidelijk veel plezier gehad in het zich eigen maken van de verschillende genres, die hij superieur onder de knie blijkt te hebben. Wat een genoegen om te lezen!



  • Oogst week 26 – 2023

    Zeven omhelzingen

    De Oostenrijkse Friederike Mayröcker (1924-2021) is in Nederland niet bekend, maar heeft in Duitstalige landen een indrukwekkend oeuvre van wel tachtig uitgaven op haar naam staan aan gedichten, proza en kinderboeken.

    Daarnaast schreef ze ook nog toneel- en hoorspelteksten. Haar nu in Nederland onder de titel Zeven omhelzingen verschenen verzameling poëzie bevat zeven gedichten die afkomstig zijn uit haar bundel Von den Umarmungen uit 2012. Mayröcker, die lerares Engels was, ontmoette in 1954 haar grote liefde Ernst Jandl, die ook leraar was. Ze woonden een tijd lang samen, leefden grotendeels gescheiden van elkaar, maar vonden elkaar vooral in hun werk.
    Mayröckers proza en gedichten worden gezien als autofictie. Zo is in Zeven omhelzingen duidelijk Ernst Jandl aanwezig hoewel zijn naam maar één keer, en dan nog louter met de initialen E.J. wordt genoemd.

    De vertaling is van Ton Naaijkens, aan wie in april van dit jaar de Martinus Nijhoff Vertaalprijs  werd toegekend. Hij schreef ook het nawoord bij de zeven gedichten.

    Zeven omhelzingen
    Auteur: Friederike Mayröcker
    Uitgeverij: Stichting M10Boeken

    Werken voor de kost

    Werken voor de kost is het debuut van de jonge Franse Claire Baglin. De vertelster in de roman groeit met haar ouders en een broer op in een fabrieksarbeidersgezin waarin elk dubbeltje moest worden omgedraaid. Tot de heerlijkste uitjes hoorden bezoekjes aan een fastfood restaurant.

    Buiten dat vette eten was er, op een enkele vakantie na, weinig waarmee de karigheid van het dagelijkse bestaan kon worden opgeluisterd. Als het meisje volwassen is neemt ze een baan aan in een dergelijk restaurant en wordt daar geconfronteerd met een wereld waarin het sloven is. Dat wat in haar kindertijd bijna een feest was blijkt achter die façade een harde wereld te zijn van hete dampen en gestress bij de drive-inbalies. Ze ontdekt de achterkant van de romantiek uit haar kindertijd, een achterkant die veel parallellen heeft met wat haar vader in de fabriek onderging. Toch is Werken voor de kost gekruid met humor.

    Werken voor de kost
    Auteur: Claire Baglin
    Uitgeverij: Pluim

    Bruiloft / De Zomer

    Van Albert Camus worden romans als De pest ( zelfs ineens weer erg populair in coronatijd) en De vreemdeling nog altijd gelezen. Er bestaan meerdere Nederlandse vertalingen van. Veel minder bekend zijn Camus’ essays als Bruiloft en De zomer. Beide werden al enkele malen eerder in het Nederlands uitgegeven maar zijn nu opnieuw vertaald door Eva Wissenburg. Eén van de essays is getiteld De wind in Djélima:

    ‘Het is geen stad om even halt te houden en dan weer door te gaan. Ze leidt nergens heen en biedt geen toegang tot andere streken. Het is een plek waar je van terugkeert. De dode stad ligt aan het eind van een weg vol haarspeldbochten, en omdat je haar achter elke bocht verwacht lijkt de route ellenlang. Wanneer op een flets plateau diep tussen de hoge bergen eindelijk haar gelige skelet oprijst als een woud van beenderen, ligt Djémila daar als een les in liefde en geduld die als enige ons naar het kloppend hart van de wereld kan brengen’.

    Bruiloft / De Zomer
    Auteur: Albert Camus
    Uitgeverij: Athenaeum
  • Oogst week 9 – 2021

    Schemervluchten

    Schemervluchten bevat de mooiste natuuressays van Helen Macdonald, wetenschapshistoricus, natuuronderzoeker, schrijver en professioneel valkenier. ‘Veel dingen waar ik van houd zijn niet-menselijk, ik merk ze op en wil iedereen erover vertellen’, zegt ze in een interview. Uit haar bestseller H is van havik bleek haar grote liefde voor de natuur al. In de diepzinnige essays van Schemervluchten maakt de auteur de lezer deelgenoot van onder meer de massale trek van zangvogels vanaf de top van het Empire State Building, van een zonsverduistering in Turkije, een rommelende vulkaan in de Chileense woestijn en de Australische droogte die haar hart breekt.

    Macdonald schrijft over onweer, mieren, bessen, paddenstoelen en herten voor koplampen. Haar observaties zijn persoonlijk en invoelend. Zo praat ze in het eerste essay, Nesten, door de schaal van een roofvogelei heen ‘met iets wat nog geen licht of lucht had ervaren, maar dat weldra met honderd kilometer per uur in één ontspannen glijvlucht zou meegaan met de door hem waargenomen draaiingen en kolken van een westelijke bries […] om vervolgens met scherp gepunte vleugels te gaan rondcirkelen, hoger en hoger, zo hoog dat het in de verte de Atlantische Oceaan kon zien schitteren.’
    De titel Schemervluchten is ontleend aan de vluchten in de schemering van gierzwaluwen, tot wel drie kilometer hoogte, vanwaar ze zich perfect kunnen oriënteren en kunnen zien wat voor weer het aan de horizon is. Met dezelfde blik verhaalt Macdonald over de natuur en de plaats van de mens daarin.

     

    Schemervluchten
    Auteur: Helen Macdonald
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Erasmus

    Sandra Langereis is historicus en biograaf en oogstte in 2014 veel lof met haar biografie De woordenaar over drukker en uitgever Christoffel Plantijn die in zijn tijd, medio de zestiende eeuw, al een beroemdheid was. Eerdere boeken over de Nederlandse cultuurgeschiedenis, waaronder Breken met het verleden uit 2010, werden geprezen om Langereis’ toegankelijke stijl en wetenschappelijke waarde.

    Nu is er Erasmus, dwarsdenker, waarin de auteur aan de hand van duizenden brieven van deze sleutelfiguur in het tijdvak tussen middeleeuwen en moderne tijd, zijn leven beschrijft en tevens zijn literaire erfenis in het licht zet. Veel van Erasmus’ werk en leven is tot nu toe nauwelijks geboekstaafd. Erasmus was van grote betekenis voor de literatuur- en wetenschapsgeschiedenis. Hij was een groot en onafhankelijk denker, vooral bekend door zijn Lof der zotheid, en wist zowel de paus als Luther  tegen zich in het harnas te jagen omdat hij van beide kanten tolerantie voor elkaars standpunten verwachtte en een afkeer had van religieus fanatisme. Erasmus bepleitte intellectuele vrijheid en vrede. Met onderwerpen die binnen de culturele, ethische en godsdienstige vorming vielen besloeg zijn werk het gehele gebied van het menselijk leven in zijn tijd. Sandra Langereis biedt daar met haar rijke biografie groot inzicht in en toont het belang van culturele geschiedenis.

     

    Erasmus
    Auteur: Sandra Langereis
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    De geheugenpolitie

    Op een eiland gebeuren vreemde dingen. Een politiemacht moet erop toezien dat zaken als hoeden, vogels of rozen uit het menselijk geheugen verdwijnen. Steeds meer dingen verdwijnen uit het straatbeeld en uit het collectieve geheugen. Als er weer iets ‘weg’ is gooien de mensen deze ‘vreemde’ dingen gewoon bij het afval of op een brandstapel. Degenen die zich de verdwenen voorwerpen nog wel herinneren proberen onder de radar van de geheugenpolitie te blijven, omdat ze weten vervolgd te zullen worden en vrezen voor hun leven. De redacteur van een jonge schrijver wordt door de geheugenpolitie gezocht en krijgt onderdak bij de schrijver. Ze verbergt hem in een ruimte onder de vloer. Zal haar schrijven hun beider redmiddel zijn? Ze werkt aan een verhaal over een vrouw die haar stem verliest en een man die haar laat communiceren door te schrijven.

    Maar langzamerhand sluit deze man haar af van de wereld. Zijn er parallellen tussen de schrijver en haar redacteur en de personages in haar verhaal? Deze uitmuntende vertelling doet denken aan totalitarisme en gaat vooral over de ontreddering die ontstaat als het geheugen het laat afweten.
    De Japanse Yoko Agawa (1962) schrijft romans, novellen en essays en won vele prijzen met haar werk. Voor De geheugenpolitie ontving ze de American Book Award. Twee van haar eerdere boeken zijn ook in het Nederlands vertaald: De huishoudster en de professor en Het zwembad.

     

    De geheugenpolitie
    Auteur: Yoko Ogawa
    Uitgeverij: Cossee
  • Liefde voor haviken

    Liefde voor haviken

    Wie begint aan De H is van havik van Helen Macdonald (geb. 1970) doet er goed aan eerst over te schakelen naar De havik van T.H. White (geb. 1906), omdat Macdonald daar haar hele boek door aan refereert. In het begin meldt zij dat White zijn havik wreed behandelt, maar de lezer die daar niet op zit te wachten kan gerustgesteld worden: het woord wreed blijkt te zwaar, al maakt White fouten waar zijn havik Gos de gevolgen van draagt. Daarover later meer.

    Wat uit beide boeken spreekt is liefde voor (en kennis van) de natuur en de roofvogel, een diersoort waar de doorsnee lezer nou niet het eerst aan denkt als het om dierenliefde gaat. Tijdens het lezen verandert dat. Als een mens een dier beter leert kennen, al is het maar via een boek, ontstaat begrip en sympathie voor het tot dan toe onbekende dier. De havik kent net als ieder ander levend wezen angst, boosheid, tevredenheid en honger. Hij sukkelt in slaap, poetst zijn veren en geeft de kleintjes te eten. Over dat laatste hebben White en Macdonald het overigens niet, hun gaat het om het treinen (niet ’trainen’) – de term in de valkerij om roofvogels zover te krijgen (‘zeeg’ te maken) dat ze zich binden aan die ene mens die hun eten en beschutting geeft er met hen op uit trekt. Beiden zijn gefascineerd door de eeuwenoude valkerij, door de roofvogel als exponent van een machtige natuur. De schuwe, hoog in bomen nestelende havik vertegenwoordigt een voor het menselijke geestvermogen onbereikbare wereld die hem om die reden aantrekt.

    De onervaren White
    Terence White, later wijd en zijd beroemd om zijn Arthur, koning voor eens en altijd, trekt zich in 1936 terug uit de wereld waar hij de dreiging van de oorlog ziet naderen, om in een klein huisje in Buckingham een havik te gaan treinen. Hij heeft geen enkele ervaring met roofvogels, maar denkt dat hij met de richtlijnen uit een paar boeken uit vorige eeuwen zijn havik wel zeeg krijgt. Op de eerste bladzijde getuigt White van compassie en bewondering als zijn havik in een mand met een zak erover wordt bezorgd en de vogel voortdurend met zijn kop tegen de bovenkant bonkt. White schrijft: ‘Maar wat een leven had hij tot dan toe ook gehad. Toen hij een jonkie was, nog niet kon vliegen en een slordig hoopje was met hier en daar wat dons, zo’n dooraderd bloterikje met opengesperd bekje, […] toen was er een griezel naar zijn moeders nest gekomen met net zo’n mand, en had hem erin gepropt. Nog nooit had hij een mens gezien, laat staan dat hij in zo’n ding was opgeborgen, een ding dat onheil ademde, niets natuurlijks had en stonk naar mensen.’ Dat getuigt van begrip voor het dier dat ook nog eens een lange reis achter de rug had. Vervolgens houdt White zijn havik, Gos, drie dagen en nachten wakker in de hoop hem te leren zijn vuist ‘als zitplaats te aanvaarden, daar het voedsel te accepteren en zich een beetje te verzoenen met het leven van de mens’. Dat kun je wreed noemen. De enige verzachtende omstandigheid voor White is dat hij zelf ook wakker moest blijven om met de vogel op zijn vuist rond te lopen. Het was een achterhaalde methode die hij uit de oude boeken had gehaald.

    Rouwverwerking
    Bij Helen Macdonald gaat het er heel anders aan toe. De schrijver/dichter, illustrator, naturalist en historicus is in 2014 al een ervaren valkenier. Bij haar geen fouten, geen onbegrip, alleen liefde en bewondering, mede door toedoen van haar vader ontstaan in haar vroege jeugd. Dan al leest ze Whites havikenboek, zonder er veel van te begrijpen. Maar het boek blijft haar bij, het trekt haar zoals de valkerij haar trekt. De H is van havik omvat drie subliem met elkaar verweven thema’s. Het eerste beslaat de onverwachte dood van haar vader, het tweede de aanschaf en het treinen van de jonge havik Mabel waar ze mee begint als rouwverwerking, en het derde Terence White en zijn boek. Ze duidt Whites gedrag, waarvoor ze niet alleen put uit De Havik maar ook uit Whites andere boeken, brieven en dagboekaantekeningen. Zijn ‘gevecht’ met zijn havik Gos interpreteert Macdonald als een gevecht tegen zichzelf. Hij was bangelijk, wat voortkwam uit een jeugd met ouders die elkaar haatten en bijna letterlijk het huis uit vochten. Zijn moeder had honden, zijn vader schoot ze dood. De kleine Tim was ervan overtuigd dat hij de volgende zou zijn. White zou ook homoseksueel zijn. Naast de slechte jeugdervaringen was ook dat laatste in die tijd geen recept voor een blij leven.

    Emoties
    Zelf raakt Macdonald tijdens haar rouwverwerking en het treinen van Mabel in een depressie. Haar baan bij de universiteit is afgelopen en dientengevolge moet ze haar huis uit. Iedere dag gaat ze met Mabel op haar vuist op pad, leert de havik niet bang voor mensen en menselijk lawaai te zijn, terwijl zijzelf het liefst onzichtbaar voor de ogen van anderen blijft. Als de tijd rijp is, laat ze Mabel los vliegen en jagen. De  eerste keer dat de jonge havik een prooi slaat schrijft Macdonald: ‘Ik staar naar de havik met haar klauwen in de dode fazant, en dan kijkt ze me met haar woeste ogen recht aan. Ik ben verbaasd. Ik had me nooit een voorstelling gemaakt van de emoties die zo’n tafereel bij me zou oproepen. Bloeddorst? Wreedheid? Nee. Niets van dat alles. […] Ik kijk naar de havik, de fazant, de havik. En alles verandert. De havik is niet langer de bezorger van een gewelddadige dood. Ze wordt een kind. Het treft me diep in mijn ziel. Ze is een kind. Een baby-havik die zo-even heeft uitgedokterd wie ze is. Waarvoor ze op deze aarde is.’ Eerder heeft Macdonald al ontdekt dat Mabel speelgedrag vertoont door haar kop ondersteboven te houden. Eigenlijk is een spelende roofvogel onvoorstelbaar, toch gooit ze Mabel een prop papier toe die deze met haar snavel vangt en teruggooit. Macdonald is ontroerd.

    Dood
    In de natuur leert een havik van zijn ouders hoe hij een prooi doodt. In gevangenschap leert hij dat niet en neemt de havikier die taak op zich om de prooi niet onnodig te laten lijden, want een havik die niet weet hoe hij zijn prooi moet doden begint er meteen aan te eten. Dus splijt White met een groot scherp mes in één slag de kop van een konijn en breekt Macdonald het de nek. ‘Ik was blij als Mabel een succes boekte, en ik rouwde vanwege dat ene konijn,’ schrijft Macdonald. ‘Ik leerde me tijdelijk verantwoordelijk te voelen voor het lot van een konijn dat Mabel stevig in haar klauwen hield, het vast te pakken en de genadeslag toe te brengen. […] Ik leerde dat je tanden op elkaar doen niet hetzelfde was als onverschillig zijn. Het konijn was altijd belangrijk, zijn leven werd nooit gebagatelliseerd. Ik was verantwoordelijk voor zijn dood.’ Het raadsel dood blijft haar bezighouden totdat ze van haar depressie genezen is.

    De klap was overweldigend
    White verliest Gos. Uit onwetendheid heeft hij hem niet goed behandeld. Ten eerste door het dagen- en nachtenlange waken om Gos te onderwerpen, ten tweede door hem te veel eten te geven waardoor Gos een slechte conditie heeft. Ten derde: als hij Gos van een afstand naar zich toe laat vliegen, rent hij weg omdat hij de auto van zijn buurvrouw ziet aankomen en hij haar iets wil zeggen. Gos, die net geleerd had om naar White toe te vliegen, raakt daardoor in verwarring. Macdonald heeft het ook nog over schade aan de pennen van Gos’ staartveren waardoor het dier niet goed kan vliegen, maar vermeldt niet dat White die geduldig en zorgzaam heeft gerepareerd.

    Op een dag gaat White de buitenboel schilderen en om het Gos zo plezierig mogelijk te maken laat hij de deur van het valkenhuis openstaan, zodat de havik aan een verlengde langveter zowel binnen als buiten een beetje kan rondvliegen. Als White weer kijkt waar Gos is, blijkt de havik verdwenen. Het touw aan de langveter was gebroken. ‘Ik herinner me niet wanneer mijn hart precies ophield met kloppen,’ schrijft hij. ‘De klap was overweldigend en zo onherroepelijk na zes weken van onvoorwaardelijke trouw (van zijn kant, AM), dat de boodschap gewoon niet tot me wilde doordringen.’ En dan volgt er een schitterend, pagina’s lang stuk waarin White Gos eerst nog in de bomen ziet en tevergeefs probeert hem in de stromende regen naar zich toe te lokken, en nog uren en uren zoekt en roept. ‘Er volgden twee dagen van ontreddering […] terwijl ik tegelijkertijd de omgeving afspeurde. Ik sliep weinig maar liep des te meer.’ Gos is nog in de buurt, bestrijkt een gebied van vijftien kilometer, weet White, en soms ziet hij hem tamelijk dichtbij. ‘Het gaf me een heel speciaal gevoel als ik hem zijn majestueuze cirkels zag draaien, een gevoel dat ik nooit eerder had gehad bij een wild dier […] Hij leek me heel gelukkig.’

    Geen mens meer
    Macdonald gaat zich in haar psychisch ontredderde staat steeds meer met Mabel identificeren. ‘Pas wanneer mijn blik zich vereenzelvigde met die van de havik begreep ik het waarom ervan […] Met de havik jagen voerde me naar de grenzen van het mens-zijn. Vervolgens overschreed ik ze, naar ergens waar ik helemaal geen mens meer was. […] Soms droom ik dat ik in bomen klim die splijten en omvallen, of dat ik in een piepkleine zeilboot zit die kapseist op een bevroren zee. […] Ik weet inmiddels wel dat ik niets en niemand meer vertrouw.’ Tot die conclusie gekomen en steeds verder verwijderd van een sociaal leven met werk en menselijke communicatie, wendt ze zich tot de huisarts en begint antidepressiva te slikken.

    Het boek
    White gaf het plan om een boek over zijn havikierspogingen te schrijven op. Hij had gefaald en verwachtte dat echte valkeniers zijn belevenissen met Gos alleen zouden minachten. Pas vijftien jaar later, toen hij wel een ervaren valkenier was geworden, kon hij zijn aantekeningen in de juiste proporties plaatsen en maakte hij er een boek van dat voor een groter publiek was bestemd.

    In 1936, als hij Gos verloren heeft, schrijft hij: ‘De deerniswekkende constructies, de rekken, het slot op de deur, de reserveschoentjes, als ik er maar naar keek werd ik innerlijk verscheurd.’ Ook hij identificeerde zich met het wilde dier in de hoop op een bondgenootschap. ‘Ik was zelf half vogel geworden en had al mijn liefde en aandacht en huishoudgeld in zijn toekomst geïnvesteerd…’ Later begreep hij dat hij het zeeg maken van de havik te veel had gezien als een strijd tussen twee machten, dat hij een gevecht was aangegaan waar hij een meester had moeten zijn.

    ‘Een havik is geen huisdier,’ schrijft hij in 1951. ‘Je moet er dus ook niet sentimenteel over doen. Je verlangt geen blijken van aanhankelijkheid, dwingt geen ontzag of dankbaarheid af. Het is een balsem voor de verborgen wreedheid van de menselijke ziel.’ Geen blijken van aanhankelijkheid, verborgen wreedheid van de menselijke ziel… zo voelde White het, een erfenis van zijn hardvochtige ouders die hij dan doorziet en onder controle heeft.

    Eruditie en zelfspot
    Het zijn allebei prachtige boeken, waarin ook een stadse lezer de schoonheid en de kracht van de natuur ervaart en zelfs de hang naar verbondenheid ermee. Daartoe behoort ook de pijn van de dood en van de wreedheid die leven heet. White en Macdonald hebben dat goed begrepen. De schoonheid van de boeken zit niet alleen in wát de auteurs vertellen maar ook in het hoe. De erudiete Macdonald beschrijft allerlei zijweggetjes zoals het vliegtuigspotten van haar vader, met details, namen en feiten. Die kennis toont ze ook wanneer ze het over planten en dieren heeft. De vermaarde White uit zich in soms droogkomische opmerkingen en zelfspot: ‘Hoe het kan dat alles de volgende ochtend niet in een drama eindigde, is niet te bevatten. Ik was een slecht mens en een alcoholist en ik kon alleen maar concluderen dat God zulke mensen gewoon hun gang liet gaan.’ En als hij de los vliegende Gos roept: ‘ Ik stelde hem ervan op de hoogte dat de Heer mijn Herder was…’ (De psalm De Heer is mijn Herder fluit White als herkenningsmelodietje voor Gos als hij hem op zijn vuist wil hebben.)

    Deze boeken lezen is puur genieten van verhaal en stijl.

     

  • Buitenlandcorrespondent

    Buitenlandcorrespondent

    In 1930 publiceerde Sigmund Freud Das Unbehagen in der Kultur, volgens velen zijn belangrijkste werk. De auteur laat zien dat we als individu streven naar de vrijheid om te doen waar we zin in hebben en wat in ons opkomt, maar dat de beschaving ons door omgangsvormen en wetten intoomt en ons door conformisme op het ‘rechte pad’ houdt. Het boek werd in het Engels vertaald als Civilization and Its Discontents, een ‘klassieke’ titel uit de wereldliteratuur. De Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid heeft de titel overgenomen voor zijn laatste boek, maar heeft hem omgedraaid: Discontent and Its Civilizations. Het werk is net in een Nederlandse vertaling verschenen als Onbehagen en beschaving. Hamid verdedigt de stelling dat we ons onbehagen juist niet moeten onderdrukken omdat de beschaving niet deugt. Daartoe hanteert hij een interpretatie van het begrip beschaving waar Freud van zou hebben opgekeken: beschaving is volgens Hamid een illusie, zelfs een gevaarlijke want krachtige illusie. Tja, zo heb je de discussie snel gewonnen.

    De hybride mens
    Maar uit Hamids toelichting, die uit de inleiding tot zijn boek moet worden afgeleid, blijkt dat beschaving voor hem toch iets meer inhoudt dan een zinsbegoocheling: nationaliteit, etniciteit, religieuze identiteit, in zulke richtingen denkt hij. Tot welke beschaving behoort een Syrische atheïst? vraagt hij zich af. Een islamitische soldaat in het Amerikaanse leger? Een Chinese professor in Duitsland? Wat hem vooral lijkt te storen is dat beschavingen mensen zouden dwingen bepaalde identiteiten aan te nemen, terwijl de grenzen tussen onze identiteiten juist poreus en kwetsbaar zijn. Dat blijkt overduidelijk in het tijdsgewricht van de mondialisering (door de vertaler consequent aangeduid met het bastaardwoord ‘globalisering’) dat heeft geleid tot een groot goed: ‘pluralisme’. Dit proces stelt ons eindelijk in staat onszelf te zijn, luidt ongeveer de redenering, en de beschaving zou dan weer proberen dat pluralisme de nek om te draaien. Hamid omschrijft zichzelf als een ‘buitenlandcorrespondent’, een ‘hybride mens’. Het menstype van de toekomst: hybride mensen tonen aan dat de grenzen tussen groepen fictief zijn (…) een essentiële constatering, want creativiteit komt voort uit mengen, uit het verwerpen van het zielloze karakter van zuiverheid. 

    Atlantic Swimmer
    De plechtige beginselverklaring heeft een beperkte reikwijdte, want na de inleiding gaat het boek verder over het leven van Mohsin Hamid. Hij heeft bijna veertig stukjes, columns en beschouwingen bijeengebracht die hij de afgelopen vijftien jaar in verschillende media heeft gepubliceerd. Dit alles om de lezer in staat te stellen de schrijver te leren kennen, met name zijn opvattingen over kunst en politiek. Het bestaan van Hamid ziet er van buitenaf ongetwijfeld opwindend uit, zijn zelfportret als ‘buitenlandcorrespondent’ lijkt sprekend. Hij is afkomstig uit Pakistan, maar heeft langere tijd in de Verenigde Staten gestudeerd en gewerkt, in Engeland en weer in Pakistan. De ondertitel van zijn boek luidt: berichten uit Lahore, New York en Londen. Maar bij die plaatsen blijft het niet, want hij wandelt over de Amsterdamse grachten, woont een verjaardagspartijtje bij in Manilla, reist door India. In de professionele migratieliteratuur wordt zijn geval wel aangeduid als het type van de Atlantic Swimmer: na de eerste overtocht naar het nieuwe vaderland blijft hij heen en weer reizen en kan zich nergens meer blijvend vestigen. In vrijwel ieder stukje wordt melding gemaakt van opnieuw een beslissing om te verhuizen, aanvankelijk alleen, na verloop van tijd met echtgenote (ontmoet in Londen) en kind. Maar momenteel woont hij met zijn gezinnetje in Lahore, bij zijn ouders in, zoals het een goede zoon betaamt, in het centrum van een reusachtig netwerk van broers, zusters, ooms, tantes, neven, nichten. I accept the blessing of the present, schreef hij een tijdje geleden over deze situatie, this is the gift my city has always given me, a sense of home to sustain me on my travels. Bericht van een hybride mens? Buitenlandcorrespondent? Misschien, maar met onverwacht stevige wortels in een hecht familieverband met grenzen die allerminst kwetsbaar of poreus lijken. Het citaat is afkomstig uit een stukje dat niet in Onbehagen en beschaving is opgenomen. Toeval?

    Pakistan
    De ondertitel van Onbehagen en beschaving is enigszins misleidend, want de ‘berichten’ zijn dan misschien wel verstuurd vanuit verschillende plekken, maar het onderwerp is onverminderd Mohsin Hamid, je komt over de genoemde steden niets te weten, behalve dat het er soms warm of koud is. De Indiase auteur Amitava Kumar schreef zo’n 15 jaar geleden een literary journey met een treffend overeenkomstige titel: Bombay, London, New York–dat was geen egodocument, maar een ontdekkingsreis aan de hand van wat Indiase schrijvers over die steden hadden geschreven. Bij Hamid kom je weinig te weten over zijn literaire voorkeuren. Veruit het interessantste deel van het boek is het laatste deel over de politieke situatie in Pakistan, een explosief land dat verscheurd wordt door de strijd tussen sekten, stammen, religies en tradities, een land van terroristen en militairen, van onmetelijke rijkdom naast bittere armoede. Hij schrijft over Osama Bin Laden, de invloed van de Verenigde Staten, Afghanistan, India, kernwapens, drones en Taliban; veel minder over zichzelf. Maar helaas zijn de analyses te oppervlakkig om te beklijven. De relatie met de inleiding en de hoogdravende gedachten over beschaving is helemaal zoek, vreemd genoeg. Daarvoor in de plaats soms storende slordigheid. Het afgelopen decennium zijn in Pakistan 35.000 dodelijke slachtoffers gevallen door terroristisch en contraterroristisch geweld, zegt de auteur. Een paar pagina’s verder is het aantal gestegen tot 40.000. In 2010 vonden er 128 drone-aanvallen plaats, op een andere pagina zijn het er 118. Sommige uitspraken zijn opmerkelijk dubieus: zou Pakistan in de greep van extremisten zijn vanwege een gespannen relatie met India? De verhouding tussen India en Pakistan is zeker gespannen, maar het typisch voor zowel India als Pakistan om al hun problemen, van welke aard dan ook, daaraan toe te schrijven. Een buitenlandcorrespondent zonder distantie.