• Registratie vanuit vele hoeken

    Registratie vanuit vele hoeken

    Vervelend als je trein vertraging oploopt door een zogenaamde ‘aanrijding met een persoon’. Als (mede)mens doet die persoon er verder niet toe. Hij of zij is een onbekende van wie je aanneemt dat er in zijn leven iets mis is gegaan. That’s it.
    Journalist Joris van Casteren neemt je mee naar zo’n aanrijding in een verslag dat in een klein formaat boek is uitgegeven. Op het voorplat een ietwat wazige foto van een voorbij glijdend landschap met bomen en een sloot. Ook koeien zijn er maar evengoed kunnen het schapen zijn. De foto moet uiteraard onscherp wezen.

    De titel waarschuwt ervoor dat de reportage, zo’n tachtig bladzijde, geen happy end zal krijgen: Een botsing op het spoor. Prozaïscher kan het bijna niet, ook niet directer. In de eerste alinea is er nog niets aan de hand en wordt de lezer geïnformeerd over een voertuig (‘een modern dieseltreintje van de firma Veolia, exemplaar van Zwitserse makelij’, enzovoort). Datzelfde voertuig is – zo wordt verder vermeld – om ‘acht over zeven’ op ‘28 november 2016’ vertrokken uit Nijmegen. De eindbestemming is Roermond.

    Van Casteren registreert vanuit talloze ooghoeken en vanuit evenzoveel perspectieven het voorspel, de voltrekking en de nasleep van het drama van de dood van twee mensen en twee honden. Kort na het vertrek uit Nijmegen worden vier levende wezens vermorzeld. Zelfs voor wie als treinpassagier nog nooit bij een aanrijding met – in dit geval personen én dieren – aanwezig is geweest, ontvouwt zich vervolgens een onbestaanbare wereld. Elke betrokkene bij de gebeurtenis wordt op de voet gevolgd. Er gaat een sneeuwbal rollen of, toepasselijker, een olievlek begint zich uit te breiden. De smurrie dringt ook in de diepte want het verleden van de aanstichters van de ramp blijft niet onaangeroerd.

    Zo is het verslag een mozaïek geworden van karakteriseringen en typeringen van mensen. Een botsing op het spoor is afwisselend en vol vaart geschreven, lichtvoetig zelfs, door de van iedere emotie verstoken vertelwijze. Met het aanstippen van saillante details leidt Van Casteren telkens af van het diep tragische onderwerp. Over een van de hondjes dat met de zelfmoordenaars tussen de rails moest maar wist te ontsnappen, zegt iemand van het dierenasiel: ‘Het was zeker geen rashond […] een kruising van een jack rusell-achtige en een bepaald soort teckel […] Dat beestje heeft natuurlijk wel alles gezien en meegekregen.’

    Een minpunt in Een botsing op het spoor is het nawoord van Frank Westerman dat node gemist kan worden als lofprijzing en – erger nog – als speurtocht naar de ‘diepere zin’ van het werkje. Er wordt ingegaan op het motto dat Van Casteren aan zijn verslag heeft meegegeven, een citaat uit het drama Richard II van Shakespeare.
    Op de zwaarwichtigheid van dat motto stapelt zich het vervelende commentaar van de uitleider. Waarom deze uitweiding bij een effectief sober verslag? Een idee van de uitleider zelf? Deze moet als een van de intimi van Van Casteren op de hoogte zijn geweest van het verslag-in-wording. Tijdens de genese had hij aan zijn vriend ‘linkjes toegestuurd over het unieke en vooruitstrevende Nederlands beleid om zelfdoding op het spoort tegen te gaan’ (waaronder ‘schrikverlichting’ en ‘anti-loopmatten’).

    ‘Maar Van Casteren,’ vervolgt hij, ‘heeft zijn eigen plan getrokken. Hij heeft zich beperkt tot dit ene ongeval.’ En als klap op de vuurpijl: door het ongeval ‘onderkoeld in al zijn facetten op te tekenen, krijgt zijn reportage een universele zeggingskracht, precies zoals in zijn aan Shakespeare ontleende motto.’
    Dit alles te vernemen na de lectuur van een verslag, een toonbeeld van de kunst van het weglaten en van precieze dosering! Een botsing op het spoor is een dun boek dat voor zichzelf spreekt en zeker geen toevoegingen verdraagt die als scherpe mosterd na de maaltijd komt.

     

     

  • Oogst week 47

    Of heb ik het verzonnen?

    Het hart van Of heb ik het verzonnen?, de briefwisseling tussen (jeugd)vrienden Herman Koch en Wanda Reisel, wordt gevormd door de teruggevonden ‘Barcelonabrieven’, geschreven in de periode 1986-1988. Koch en Reisel waren toen nog beginnende schrijvers, die genoeg vertrouwen in elkaar hadden om werk in onvoltooide staat aan elkaar te laten lezen. Aan deze directe en relatief ongestileerde brieven gaat correspondentie uit de periode 2011-2013 vooraf, waarin Koch en Reisel proberen hun gezamenlijke verleden te reconstrueren. Herinneren, incl. de feilbaarheid van het geheugen, is het centrale thema in deze brieven, waarvan een deel in een andere vorm tijdens de Boekenweek van 2012 in de Volkskrant verscheen. Of heb ik het verzonnen? besluit met brieven geschreven in het voorjaar van 2017, waarin veel gelezen en wordt en geschreven aan nieuw werk.

    Of heb ik het verzonnen? is een zorgvuldig gecomponeerde brievenbundel – waarbij The Sense of an Ending van Julian Barnes, het boek en de film, als structurerend element dient – waarin elke brief bijdraagt aan een  verhaal over een op gedeelde (jeugd)ervaringen, verenigbare karakters en geambieerd schrijverschap  gestoelde vriendschap.

    Of heb ik het verzonnen?
    Auteur: Herman Koch en Wanda Reisel
    Uitgeverij: Das Mag

    De dagen van Leopold Mangelmann

    Al voor wat nu beschouwd wordt als zijn officiële Blauwe maandagen (1994) was Arnon Grunberg productief en schrijver. Uit het vorig jaar verschenen Aan nederlagen geen gebrek: brieven en documenten 1988 – 1994 blijkt dat veel van wat Grunberg dacht en schreef al in het teken te staan van het schrijverschap dat hem voor ogen stond toen eenmaal duidelijk was dat carrière maken als acteur niet tot zijn mogelijkheden behoorde. De dagen van Leopold Mangelmann: een keuze uit de archieven van Arnon Grunberg is de fictieve pendant van Aan nederlagen geen gebrek. Het bevat een deel van het materiaal, inclusief een complete roman, dat zijn uitgever Vic van de Reijt – met zo’n uitgever heb je geen biograaf meer nodig – bij het samenstellen van het ‘brievenboek’ in de ouderlijke woning van Grunberg aantrof.

    Uit zijn selectie blijkt dat Grunbergs thematiek en aanpak al in zijn vroege werk aanwezig is. Niet alles in De dagen van Leopold Mangelmann verschijnt voor het eerst, maar deze ruime keuze geeft inzicht in de wordingsgeschiedenis van een auteur en het ontstaan van een oeuvre.

    De dagen van Leopold Mangelmann
    Auteur: Arnon Grunberg
    Uitgeverij: Nijgh & Van Ditmar

    Een botsing op het spoor

    In Een botsing op het spoor reconstrueert Joris van Casteren wat voorafging aan en volgt op een aanrijding met twee personen en vier honden op 28 november 2016 bij de spoorwegovergang Slonsweg-Scheidingsweg, op het traject Nijmegen-Roermond.  Op de inmiddels van hem bekende manier doet hij onderzoek, spreekt met betrokkenen en monteert hij de verkregen informatie tot een niets ontziend journalistiek stuk met de kenmerken van literaire non-fictie. Joris van Casteren verzacht de omstandigheden niet, maar voorziet de slachtoffers, de getuigen en de  gruwelijkheden van hun context.

    Dat Joris van Casteren zich na Het been in de IJssel (2014) toch weer waagde aan losse ledematen had niet alleen met die ene hond die ontkwam te maken, maar ook met de verhalen die hij tijdens het onderzoek voor Het station (2015) van machinisten hoorde over spoorsuïcide.

    Een botsing op het spoor
    Auteur: Joris van Casteren
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Het station

    Het station

    Van de werkelijkheid is bekend dat je die het best op afstand houdt. Dat kun je doen door literatuur te lezen, dan vormen zich beelden over welk probleem dan ook (liefde, relaties, de dood) en lijkt alles overzichtelijker, niet zo prangend. Mijn vader was een groot lezer van Russische en Amerikaanse literatuur. Derhalve was hij altijd afwezig.
    Het was in het jaar, ergens tussen de schokkende dood van Theo van Gogh en de vloedgolf die op tweede kerstdag Sumatra trof, dat ik  aankwam op het station uit mijn jeugd en daar mijn vader zag zitten. Om redenen die niet meer te achterhalen zijn, zagen mijn vader en ik elkaar niet meer. Nu was hij daar, op het perron, terwijl ik onderweg was naar elders. Een kleine man met warrig krullend haar, zijn handen (waarvan in één, een sigaret) steunend op zijn bovenbenen, keek hij naar de treinen. Naar de ijzeren wielen van de treinstellen, naar de verbindingen van de wielen onderling. Hij keek naar de deuren van de trein, die zich automatisch openden en sloten, hij keek naar de conducteur, naar het uniform. Hij keek naar de treinschema’s op het perron, hij keek naar het ontkoppelen van een treinstel. Hij keek naar dingen die hem niet te na konden komen.

    Vorige week las ik eindelijk Het station, van Joris van Casteren dat ik al een jaar in huis heb. Toen ik er eenmaal in was begonnen, kon ik niet meer stoppen. Het is een prachtig portrettenboek. Van loketmedewerker tot toiletjuffrouw, van zwerver tot verkeersleider, van omroeper tot kluisjesmederwerker en meer. Hij spreekt mensen aan, trekt een tijdje met ze op en schrijft daarover. Regelt een slaapzak voor een zwerver die hij dan niet meer terug vindt (die zwerver) en schrijft daarover. Leert de toiletjuffrouw kennen, die het werk van haar moeder overnam, en die weer van haar moeder en schrijft daarover. Hij beschrijft een station vol mensen die nooit de trein nemen. Het ijzeren geluid van de rijdende treinen over het spoor, de fluitsignalen en de omgeroepen berichten, reizigers die voorbij snellen, het is voor hen genoeg. Zoals voor mijn vader het leven genoeg was door naar het station te fietsen om daar een dag afwezig te zijn.

    Een voorzichtig man op een verlaten stationsbank. Met een zweem van onrust omdat hij straks, als hij thuiskomt iets uit te leggen heeft. Waar hij geweest is, of hij gerookt heeft. Ja, zo ging dat in het leven van mijn vader. Van Casteren zou er een verhaal uit hebben gekregen, uit de man die nooit begrepen heeft wat het leven van hem verwachtte. Het was beter hem te laten. Het fluisterde in mijn hoofd: ‘Laat hem. Laat hem nu maar.’ En ik liet hem. Dat beeld van die man op een bank op het perron, zat verborgen in mijn herinneringen en kwam boven toen ik Het station, las.

     

     

  • Worteltaart en boekhandels

    Worteltaart en boekhandels

    Er was nogal wat over Boekhandels en Literatuur deze week. Daar waar de weerstand zit, is iets te onderzoeken. Veel mensen laten bij de minste weerstand hun rug zien (of slaan het boek dicht) en laten het afweten. Aan deze mensen is literatuur (wat wel eens de grondgedachte van de verkopers bij Boekhandel Athenaeum aan het Spui geweest zou kunnen zijn) niet besteed. Want je geeft ook niet graag een met zorg gemaakte pracht van een bonbon in handen van een visboer (waarom eigenlijk niet?). Wat goed is, moet met kennis van zaken en inzicht behandeld worden. Nou ja, zoiets. Want schrijven is een zaak van ambities hebben en een lezer zou ook wel ambities mogen tonen betreffende het leesaanbod. Ambities om kennis te nemen van geschiedenissen en inzichten die niet de jouwe zijn maar wel een deur openen waar je anders nooit achter gekeken zou hebben (hm, niet te mindfulnessachtig?).

    Een Boekhandel binnenlopen kan dus een precaire zaak zijn. Er is de barrière van de boekhandelaar zelf te nemen. Of hij weet heel veel en overrompelt je daarmee, (‘Waarom komt u hier als u dat niet eens weet.’), dan ben je zo weg. Of hij heeft geen zin dat er aan zijn boeken gesnuffeld wordt, (doet u dat thuis maar) of hij heeft zijn dag niet omdat hij niks verkoopt, waarbij het hem niks kan schelen dat dit deels veroorzaakt wordt door eerder genoemde dingen. Joris van Casperen schreef er het prachtige en vermakelijke boek Is u bekend met het alfabet? Verhalen uit de boekhandel over.
    Ik begreep opeens de schroom die me wel eens overviel als ik bij de Boekhandel aan het Spui ‘zomaar’ even binnenliep wanneer ik in de buurt was. Alleen een literair tijdschrift of het soort boeken als van Voskuil en Vogels kocht ik daar (misschien voelde ik me wel gedwongen die te kopen door de uitstraling van het personeel bedenk ik me opeens!). Ha, ze gaven je dan wel weer het gevoel alsof je ergens bij hoorde. Waarover Arjen Fortuin deze week in zijn column schreef dat er tegenwoordig niemand meer lid van wil zijn: van de Literatuurclub. 

    Het beste is dan ook deze ogenschijnlijk ondoordringbare vestingen die Boekhandels kunnen zijn, te nemen in de ochtend. Vlak na openingstijd. Dan is de boekhandelaar op zijn kwetsbaarst en hoor je nog wel eens wat. Over een onverkoopbaar boek, of over die ene lastige klant. In de boekhandel in het oosten van het land, waar ik laatst zo onopvallend mogelijk met de handen op de rug langs de boekenkasten (met een werkelijk prachtige verzameling literatuur en poëzie) schoof, was er sprake van een klant die steeds naar hetzelfde boek vroeg maar het niet wilde bestellen.

    Een piepjonge verkoper, die ik daar nog niet eerder had gezien, zei: “Net als in die mop van dat konijn dat bij de bakker komt en steeds vraagt: ‘Hebt u ook worteltaart?’ Waarop de bakker: ‘Nee.’ zegt. Die bakker denkt op een gegeven moment: ‘Ik zal je hebben’, en bakt een worteltaart. Als het konijn weer komt zegt de bakker: ‘Ja, die heb ik.’ Waarop het konijn zegt: ‘Vies hè.’ en wegloopt.”
    ‘Ah, zei de boekhandelaar gevat, dan zullen we maar geen worteltaart voor onze lastige klant bakken.’
    ‘Haha, neenee,’ werd er besmuikt gelachen en ik verschool me bukkend achter een boek van (Hee, kijk nou
    . Is dit niet Judas van  de zus van Holleerder?) en bladerde er nieuwsgierig doorheen.

     

     

  • Vakantierubriek 2014 – een persoonlijke top 3

    Zoektochten naar personen

    door Adri Altink

    Reizen kun je niet alleen fysiek, maar ook in je geest; onderzoekend. En misschien is wel het mooiste een combinatie van die twee: reizen in geografische zin en in de geschiedenis. Dat brengt me op drie boeken die mij erg veel leesgenot verschaften.

    Frans van Dooren (1934-2005) is vooral bekend als vertaler van Italiaanse literatuur. Daaronder de Divina Commedia van Dante. Van Dooren hield ook van fietsen en reizen. Zo ging hij onder andere per auto in tientallen tochten de gangen van Dante na. Waar zijn sporen van hem te vinden? Wat weten Italianen van hem en van zijn magnum opus? Verrassend veel soms, blijkt uit het lichtvoetige verslag van zijn rondreis Met Dante door Italië. Het verscheen in 2004.
    Verschenen bij Uitgeverij Ambo

    Richard Holmes, geboren in 1945 in Engeland, deed iets dergelijks, en deels te voet. Hij liep de sporen na van vier schrijvers uit de Romantiek: R.L. Stevenson, Mary Wollstonecraft, Shelley en Gérard de Nerval en deed er verslag van in Voetstappen, dat in 1986 in Nederlandse vertaling verscheen.Voetsporen
    Holmes schrijft zo invoelend dat de lezer de geportretteerden erg dicht nadert. Ondertussen kom je ook veel te weten over de problemen waar biografen tegenop lopen.
    Verschenen bij Uitgeverij Pandora

     

     

    Van veel recentere datum is Het been in de IJssel  van de Nederlandse journalist Joris van Casteren (geboren in 1976). Bij van Casteren speelt de nieuwsgierigheid op als in 2005 een onderbeen in de IJssel wordt gevonden waar lang onduidelijkheid over blijft bestaan. Het been in de IJsselVan wie is het? Zit er een moord achter? Een ongeluk? Is het verslag van Van Casteren, dat in 2013 verscheen, een reisboek? Het ligt niet voor de hand het zo te categoriseren, maar ik doe het wel. Het is het zelfs in dubbel opzicht. Van Casteren achterhaalt de weg die het been stroomafwaarts heeft afgelegd en maakt in de tweede helft van het boek een wandeltocht een tegengestelde richting. Prachtig.
    Verschenen bij Uitgeverij Prometheus