• Generaliseren

    Generaliseren

    Generaliseren, ik hou er niet van. Toch betrap ik me zelf er ook geregeld op. Ik dacht eraan toen ik deze week het boek Ontmoetingen met Syriërs van Eveline van der Sande en anderen doorlas. De schrijvers geven een beeld van het leven van Syriërs in hun land en hun ervaringen in Nederland. Dat allemaal aan de hand van een soort keukentafelgesprekken. Hoewel het aardige literatuur is, stoorde me iets in dit boek. De schrijvers zullen niet gekozen hebben voor een titel als Ontmoetingen met de Syriër. Toch voelde ik bij lezing dat me gemeenplaatsen opgedrongen werden die ik vanuit mijn persoonlijke contacten met Syriërs niet herkende. Ik praatte veel met Syriërs en leerde ze niet alleen te zien als lid van een bepaalde bevolkingsgroep of als vluchteling, maar als dorpsgenoot. Waarbij de een me sympathieker was dan de ander.

    Ik ben geneigd te concluderen dat mijn contacten met Syriërs gemakkelijker wederkerig worden dan met Eritreeërs. En hup: daar heb ik weer een generaliserende opmerking gemaakt. Eritreeërs verschillen evenzeer van elkaar als Syriërs en Nederlanders. Het is een gedachte die ik al veel langer koester. Sinds Het zijn net mensen van Joris Luyendijk verscheen. Toen ik dat boek las kon ik niet meer vol vertrouwen kijken naar bijvoorbeeld Marieke de Vries, die vanuit Bejing bericht over gebeurtenissen in Zuid-Korea. Hoe zou ik vanuit Limburg moeten berichten over een incident in Friesland? Als me dat al niet lukt met een afstand van een paar honderd kilometer, hoe veel moeilijker kan dat zijn over hemelsbreed duizend kilometer? En op microniveau: wat mag ik voor conclusies trekken uit één gesprek met een Syriër, of met twee, of meer?

    Dat wringt voor mij aan Ontmoetingen met Syriërs. Vrijwel alle gesprekken in het boek zijn gevoerd met mensen die goed opgeleid zijn én in Nederland een plek hebben verworven als muzikant, filmer, rechter, sociologe of als architect.
    Het is een informatief boek, maar ik vraag me tijdens het lezen voortdurend af wat ik er mee kan. De Syriërs met wie ik omga, zijn vaak al twee jaar in Nederland. Ze zijn aan het inburgeren, hebben geen baan en zitten soms nog op gezinshereniging te wachten. Ze hebben wel wat anders aan hun hoofd dan koketteren met cultuurverschillen. Het gebeurt wel, maar mondjesmaat.

    Het boek past wel in ons geknuffel met Syriërs. Hoeveel boeken zijn er verschenen over Eritreeërs en hun omgang met onze cultuur en die van ons met de hunne? Ik zocht het op in de catalogus van de landelijke bibliotheken Picarta. Eén treffer in het Nederlands. Een onderzoeksrapport uit 1993. Gelukkig schoot Google te hulp om aan te tonen dat het zo triest nu ook weer niet is. Daar vond ik ook nog Wachtkamer Havenstraat van Tanja te Beek. Een recensie op ‘www.Majella.nl’ heeft als kop De Eritreeërs waren er ook. Het generaliserende ‘De’ vergeef ik ze. De titel is heel toepasselijk: alsof de auteur zich verontschuldigt vanwege de aandacht voor een minder geknuffelde groep. Ik moet het maar eens gaan lezen.

     

     

  • Deukje

    Deukje

    Soms word je zo meegesleept door de maalstroom aan berichten en beelden dat je met verbazing aanhoort dat iemand niet in ‘het schema’ past. Het overkwam me vorige week. Ik was in gesprek met een groepje statushouders, waaronder een jonge Syriër die ik zeer bewonder. Hij is amper twee jaar in Nederland en spreekt haast perfect Nederlands, ook in grammaticale zin. Hij is ambitieus op zoek naar werk in de telecommunicatie, een baan die hij ook in Syrië had. Hij steekt de handen uit de mouwen om zich klaar te stomen voor de Nederlandse arbeidsmarkt, niet alleen door de taal te leren, maar ook door ervaring op te doen als vrijwilliger in zijn sector. Hij heeft zich elke luxe ontzegd om zo de voorwaarden te kunnen scheppen kansrijk te zijn. Zo behaalde hij, levend van een uitkering, zijn rijbewijs. Een vereiste in zijn vakgebied, weet hij.

    Al pratend daarover kwamen we op de ontberingen in de rubberen bootjes van Turkije naar Griekenland. ‘Zo ben ik niet gekomen’, zei hij corrigerend. Hij bleek bij een groot internationaal bedrijf te hebben gewerkt met vestigingen in verschillende landen in Zuid-Europa en het Midden-Oosten. Hij was als Arabisch en Engels sprekende gestationeerd in Griekenland, voor de buitenlandse contacten van zijn bedrijf aldaar, toen de burgeroorlog uitbrak. Op verzoek van zijn werkgever keerde hij terug en raakte kort daarna verzeild in de strijd om Aleppo, waar hij geboren was en woonde. Omdat hij gedwongen dreigde te worden in het leger van Assad te vechten tegen zijn eigen stad, vluchtte hij.
    Maar niet over zee. Hij had de ‘luxe’ dat hij via zijn internationale werkgever naar Europa kon. Per vliegtuig. Gewoon met een uitreisvisum. Hoe blij ik daarover ook was voor hem, hij drukte toch een klein deukje in mijn beeld van ‘de’ Syriërs die hier worden opgevangen.

    Hij vertelde over de toestand in Aleppo en hoe hij op de hoogte blijft. Het nieuws op Nederlandse of buitenlandse zenders volgt hij nauwelijks. Ook niet op Al Jazeera of el Arabia, die hij wel kan ontvangen. In amper tien minuten slaagde hij er in om mijn laatste restje vertrouwen in de berichtgeving die we dagelijks voorgeschoteld krijgen onder druk te zetten met een verhaal over beeldmanipulatie en propaganda waarvan ik me half bewust was.
    Zelf blijft hij op de hoogte door contacten met zijn familie via telefoon, Whatsapp en Facebook. Velen van hen wonen in Idlib en Aleppo en doen hem verslag vanuit de brandhaarden zelf.

    Zijn verhaal deed me sterk denken aan Het zijn net mensen van Joris Luyendijk. Een boek dat je moet lezen als je wilt weten hoe ons nieuws over het Midden-Oosten wordt gemaakt. Dit geldt ook voor Syrië.

     

     

  • Kuifje bij de Bankiers

    Kuifje bij de Bankiers

    Ongeveer halverwege Dit kan niet waar zijn haalt Joris Luyendijk Greg Smith aan, die in 2012 in The New York Times een artikel schreef onder de titel Why I left Goldman Sachs (later in boekvorm uitgediept). Smith kon niet meer tegen de cultuur bij de bank: ‘Jaren geleden hadden we Griekenland geadviseerd hoe het land met derivaten de eigen schuldenlast kon verbergen. Nu waren de rapen gaar en adviseerden we hedgefunds hoe ze munt konden slaan uit de chaos in Griekenland. Aan de andere kant van de Chinese Muur probeerden intussen onze zakenbankiers contracten binnen te halen bij Europese overheden om hun te adviseren hoe de rotzooi kon worden opgeruimd.’

    Ter voorkoming van een misverstand: de Chinese Muur uit het citaat staat niet in Azië, maar in de bank zelf. Hij moet voorkomen dat koersgevoelige informatie van de ene afdeling van de bank doorlekt naar een andere afdeling binnen diezelfde bank. Met als gevolg dat bijvoorbeeld een afdeling die overnames van bedrijven regelt informatie achterhoudt voor de afdeling die juist klanten probeert over te halen om aandelen voor zo’n bedrijf te kopen.

    Balans van een onderzoek

    Is die Chinese Muur op zichzelf al een verontrustend gegeven, de verbazing van Luyendijk geldt vooral de verveelde reacties uit de financiële wereld op het boek van Smith. Wat de bank deed was toch legaal? En dat illustreert weer een ander verontrustend punt uit Luyendijks boek: de banken vragen zich niet af of hun gedrag immoreel is; ze bewaken slechts het amorele gedrag ervan. ‘Goed’ en ‘kwaad’ worden buiten de discussie gehouden; dat soort discussie moet vermeden worden. Er wordt niet gekeken of een plan moreel deugt, maar of het ‘reputatieschade’ meebrengt. In extremis leidt dat er toe dat belastingontduiking mag, als je maar binnen de marges van de wet blijft. Om de morele vraag te ontlopen noem je het ‘belastingoptimalisatie’.

    Wie moet hierbij niet denken aan de discussie van de afgelopen weken over de salarisverhogingen van een ton in de top van ABN/AMRO? Politici en burgers repten van onethisch gedrag, maar topman Zalm presenteerde de beloning als ‘inleveren’: de bank bleef binnen de wettelijke marges en had zelfs nog hogere beloningen mogen toekennen (zelfs toen de verhoging werd teruggedraaid, werd daaraan opnieuw toegevoegd dat er eigenlijk wel recht op bestond; alsof het goodwill was, maar geen moreel punt).

    Joris Luyendijk stortte zich in 2011 in de Londense bankwereld. Hij wist weinig van financiën, maar dat stelde hem juist in de gelegenheid beginnersvragen te stellen die de gewone burger ook heeft. Hij beschreef zijn ervaringen op een online blog van The Guardian (als columns in NRC Handelsblad). Nu is er het boek met de balans van zijn onderzoek.

    Luyendijk beschrijft de financiële wereld van binnen uit als antropoloog en journalist op zoek naar omgangsvormen, cultuur en denkwereld van medewerkers van hoog tot laag in de sector. Zijn werkgebied is de City, het financiële hart van Londen. Hij heeft het daar niet gemakkelijk, want aanvankelijk krijgt hij niemand te spreken. Als dat uiteindelijk wel lukt en zijn eerste blogs verschijnen komen er reacties los die tot nieuwe gesprekken (uiteindelijk 200 in zo’n twee jaar) leiden.

    Banken wisten van niets

    Al snel brengen die hem op een essentieel punt. In het bankwezen blijken de meesten de crash van 2008 niet te hebben zien aankomen. Dat zou je een gerust gevoel kunnen bezorgen omdat het dus geen complot of samenzwering was. En die geruststelling stralen de banken uit: het was een fout, maar die is bezworen, dus alles is weer in orde: het is weer business as usual. Maar voor Luyendijk is juist dat gegeven dat niemand het zag aankomen het angstwekkende. Met andere woorden: kent de financiële wereld de risico’s van haar eigen gedrag wel? Weten ze wel waar business as usual toe kan leiden?

    Een eerste verdienste van het boek is dat de auteur duidelijk maakt dat we geneigd zijn ‘de banken’ de schuld van veel problemen te geven, maar dat de organisatie van de financiële wereld veel ingewikkelder is. Naast banken spelen ook verzekeraars en vermogensbeheerders een grote rol. En binnen de bankenwereld maakt het een groot verschil of je het over consumentenbanken hebt of over zakenbanken (Luyendijk beweegt zich vooral in de laatste).

    Planet Finance, zoals hij de financiële wereld noemt, is dus niet één pot nat; zelfs de banken zijn dat niet. Een bank is geen samenhangende organisatie, ontdekt Luyendijk, maar een verzameling individuen in machtsposities, die ze gedecideerd afschermen. Er worden hoge beloningen betaald, maar daar staat tegenover dat er geen ontslagbescherming geldt. Bij een hoog inkomen hoort een hoge levensstandaard met dure huizen in de Londense City en duur particulier onderwijs voor je kinderen. Loop dan maar eens het risico van ontslag op staande voet, omdat je je targets niet haalt.  Je hoort ook niet veel kritiek over je wijze van leven want je sociale omgeving vernauwt zich door de stress en prestatiedrang steeds meer tot een wereld van louter collega’s.

    Het stimuleert om financiële producten te bedenken die op korte termijn hoge winsten opleveren; of die producten risicovol zijn moet de klant zelf maar beoordelen (opvallend genoeg komt het woord zorgplicht in het hele boek niet voor). Maar het houdt de interne controleurs er ook vanaf om zwakke punten in de producten te signaleren. Kritiek op een risicovol product dat een hoog rendement voor de bank heeft kan tot onmiddellijk ontslag leiden.

    Gebrek aan inzicht

    Daar komt bij dat sommige producten en diensten van de bank zo complex zijn dat zelfs binnen de bank niemand ze nog snapt. Dat leidt tot misverstanden, misrekeningen en de mogelijkheid van misbruik. Als Luyendijk iets duidelijk maakt, is het dat de problemen zoals in 2008 niet moedwillig werden veroorzaakt, maar juist – overdreven gezegd –  door gebrek aan inzicht. Het grote risico zit daarom niet in de mensen, maar in het systeem dat de financiële wereld overeind houdt.

    ‘De sector is immuun voor ontmaskering’, concludeert de auteur. Als het misgaat worden maatregelen genomen om de gaten te dichten en de banken worden gered door de belastingbetaler omdat we ons met zijn allen niet kunnen veroorloven dat grote banken omvallen. Ze zijn ‘too big to fail’, want dan dondert alles in elkaar. Daarna gaat de sector op de oude voet door.

    Maar met al die ingrepen blijft het systeem overeind. Een systeem met teveel belangenconflicten en perverse prikkels. Alles woekert gewoon door: banken blijven net zo lang fuseren tot ze te groot worden om nog failliet te kunnen laten gaan; zakenbanken gaan naar de beurs waardoor de winst belangrijker wordt dan de betrouwbaarheid van zijn producten voor de klant; opnieuw worden hypercomplexe producten gecreëerd die zelfs niemand binnen de bank nog kan volgen; maar ook: nog steeds wordt geaccepteerd dat kredietbeoordelaars worden betaald door de banken waarvan ze de producten moeten beoordelen en dat accountantskantoren mogen bijklussen als consultant voor dezelfde bank waarvan ze de boekhouding moeten controleren.

    Het is een gigantisch probleem om dat stelsel te veranderen. Dat vereist internationale politieke samenwerking. Een bescheiden journalist kan alleen maar laten zien hoe gevaarlijk de sector is geworden. Daarin is Luyendijk met lof geslaagd. ‘Het kan zo weer gebeuren.’