• Een zelfhulpboek uit het jaar nul

    Marcus Aurelius was heerser over het Romeinse rijk van 161 tot 180 na Christus. Hij ging de geschiedenis in als de keizer-filosoof, omdat hij stoïcijnse diepzinnigheden optekende en brieven vol wijsheid wisselde met zijn vrienden. Onlangs verscheen de 12e druk van zijn Persoonlijke notities, uit het Grieks vertaald en toegelicht door Simone Mooij-Valk. Dankzij de buitengewoon informatieve inleiding en toelichting kun je je verplaatsen in het denken en voelen van een Romeins keizer van tweeduizend jaar geleden. De vraag is: wat heeft die ons te melden?

    Hij schreef voor één lezer en dat was hij zelf. Letterlijk heette zijn boek De tot zichzelf gerichte dingen, of zoals J.H. Leopold een dikke eeuw geleden trefzeker schreef: ‘Marcus Aurelius tot zich zelven’. De Persoonlijke notities bestaan uit twaalf ‘boeken’ van tussen de 8 en 15 pagina’s met korte notities. Daarin spreekt de auteur zichzelf vermanend, bemoedigend en bespiegelend toe, om zichzelf op het spoor te houden van de enige echte Stoïcijnse leer. Die Grieks-Romeinse filosofie (onder meer overgeleverd in fragmenten van Zeno, het zakboekje van Epictetus en de Brieven van Seneca) leert dat de mens zich ‘onaandoenlijk’ moet zien te maken voor de waan van de dag, de hijgerigheid van de publieke opinie en de verleidingen van het genot. Alleen zo kan de mens zich bevrijden van alles wat voorbij gaat, en een ‘goed’ leven leiden in overeenstemming met de ´Universele Natuur’ en zijn bestemming daarin. Dat de bestemming van Aurelius was om keizer te zijn van een wereldrijk zet de zaak daarbij aangenaam op scherp. Aurelius was een ‘goede’ keizer overigens: geen wreedheden (een paar in de arena geofferde Christenen daargelaten), verzoeningsgezind tegenover lieden die tegen hem in opstand kwamen, en volhardend in de strijd tegen barbaarse stammen die zijn rijk binnenvielen. Plichtsgetrouw, en tussen alle besognes door ook nog in staat filosofie te bedrijven en diepzinnigheden te noteren. Weer heel wat anders dan Nero, die bij nacht als hooligan de Romeinse straten onveilig maakte.

    Doodsverachting en plichtsbetrachting
    Steeds weer keren bepaalde noties terug in Aurelius’ aantekeningen. Het leven is kort. Iedereen sterft: je vijanden, je geliefden en jijzelf. Je druk maken heeft (dus) niet zoveel zin. De natuur wordt geordend en voortgedreven door de ‘universele natuur’ en de menselijke rede is daarvan een afspiegeling. Wees (dus) vooral redelijk, beheers je, accepteer de tekortkomingen van anderen, jaag geen genot na en negeer lichamelijke ongemakken. Al met al geen feestelijk dieet: een scheut ascese, een wolkje mindfulness, een snuifje doodsverachting en een eetlepel plichtbetrachting.

    Wie de stoïcijnse filosofie als denksysteem wil omarmen kan misschien beter terecht bij Seneca en Epictetus. Maar juist de fragmentarische vorm, de kernachtige formuleringen en het feit dat het hier gaat om ‘filosofie in actie’ maken de Persoonlijke notities de moeite waard. Ook nu nog. Zo verwijst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in Je moet je leven veranderen geregeld naar Marcus Aurelius (om nog maar te zwijgen van de 16e-eeuwer Montaigne in zijn Essays). Sloterdijk citeert uit het Negende Boek om te bewijzen dat Aurelius een belangrijke stap zette in de vorming van het moderne bewustzijn door de ‘uitvinding’ van de scheiding tussen binnen- en buitenwereld: ‘De omstandigheden staan buiten de deur, helemaal op zichzelf. Ze weten niets van zichzelf en doen over zichzelf geen uitspraak. Wie doet dan wel een uitspraak over hen? Ons innerlijk kompas.’

    Filosofie als sprong van Münchhausen
    De Persoonlijke notities zijn een zelfhulpboek, maar alleen in letterlijke zin: de auteur probeert zichzelf te helpen, niet de lezer. Daardoor juist zijn de Persoonlijke notities een spannend verslag van de worsteling van de auteur met tekortkomingen en tegenslagen. Soms probeert Aurelius zich al filosoferend uit het moeras van zijn wanhoop te trekken: ‘De voorstellingen die je vaak hebt zullen ook de kwaliteit van je denken bepalen, want de ziel wordt door de voorstellingen gekleurd. Kleur haar dus onafgebroken door een reeks van voorstellingen bijvoorbeeld de volgende: Waar je kunt leven, kun je ook goed leven. Welnu, aan het hof kun je leven, dus kun je aan het hof ook goed leven.’ Af en toe lijkt zijn wereld te versplinteren onder zijn bespiegelingen. Hij roept zichzelf dan (letterlijk) tot de orde en zet zich af tegen genotzuchtige Epicuristen, die de wereld zien als een verzameling losse atomen. Het angstbeeld van een zinledig universum moet hem meer dan eens hebben bekropen –niet zo vreemd gezien de tijd waarin hij leefde: ‘Er is ofwel een mengelmoes van atomen die aan elkaar blijven haken en weer verstrooid worden, of eenheid, ordening en Voorzienigheid. Als het eerste het geval is, waarom verlang ik dan nog mijn leven te slijten in zo’n toevallig samengestelde wereld en zo’n warboel? Waarom maak ik me nog druk over iets anders dan er, hoe dan ook, doorheen komen?’ Zijn lotsbestemming als keizer botst meer dan eens met zijn wens om als filosoof te leven, maar al filosoferend dwingt hij zichzelf dat juk te blijven dragen. ‘Over wat er niet is, moet je niet fantaseren,’ zegt hij, en ‘Je hebt geen gelegenheid om te lezen, maar wel om je arrogantie in te perken, wel om de lusten en lasten de baas te worden, wel om je boven je verlangen naar roem te verheffen, wel om je niet kwaad te maken op botte en ondankbare lieden en bovendien voor hen te zorgen. Laat niemand je nog aanmerkingen horen maken op het leven aan het hof, ook jijzelf niet.’  Sommige wijsheden zouden het goed doen op een geglazuurde tegel, zoals ‘Bedenk dat het ook een uiting van onafhankelijkheid is van mening te veranderen. Aurelius’ wezenlijke wijsheid schuilde erin dat hij de enige persoon toesprak die hij al denkend en schrijvend tot een beter mens kon maken: zichzelf.

    [bedelbrief]

     

     

  • ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    ‘Het was alsof hij een muur kuste’

    Componist en schrijver Paul Bowles (1910 – 1999) werd wereldberoemd toen Bertolucci zijn roman The sheltering sky verfilmde. Hij speelde zelf een klein rolletje, als zichzelf: een oude westerling in Tanger. Naast zijn eigen werk legde hij in meer dan tien boeken de verhalen vast van de Marokkaanse verteller (en kunstschilder) Mohammed Mrabet (1936). Liefde met een lok haar (1967) was het eerste daarvan: een moderne roman gevoed door de orale traditie.

    Ooit werden verhalen verteld, door mensen van vlees en bloed, die ze uit hun geheugen opdiepten en op smaak brachten met fantasie en actualiteit. Literatuur was een verzameling gedeelde ervaringen. Dat is het soms nog, maar meestal gaat het om vastgelegde teksten, gestold op papier en bijgezet in boeken. En soms denken we dat daarmee iets verloren is gegaan, dat we willen terugvinden in culturen waar de orale traditie nog leeft. Bijvoorbeeld in Marokko. Bowles was een tamelijk ideale figuur om een brug te slaan tussen stem en schrift, oost en west. Hij woonde vanaf 1947 in Tanger, was geschoold componist en had dus oor voor verhalen. Bovendien keek en luisterde hij onbevooroordeeld naar uitingen van andere culturen – hij beschouwde zichzelf als reiziger: ‘Een belangrijk verschil tussen toerist en reiziger is dat de eerste zijn eigen beschaving accepteert zonder vragen; maar zo niet de reiziger, die hem vergelijkt met andere, en die elementen die hem niet bevallen verwerpt.’

    Tovervrouw
    Liefde met een lok haar is een roman, door Mohammed Mrabet verteld aan Paul Bowles en door hem opgetekend. Bowles was, geheel in lijn met zijn eigen werk, meer gefascineerd door het karige leven en de leegte van de woestijn, dan door Duizend-en-een-nacht-achtige sensualiteit en exotisme. Liefde met een lok haar is een sober verteld verhaal. Het speelt in Tanger en gaat over de 17-jarige Mohammed, die als barman werkt en woont in het hotel van de Engelsman Mr. David, met wie hij ook het bed deelt. Mohammed wordt echter verliefd op zijn overbuurmeisje Mina. Omdat hij er van overtuigd is dat de gevoelens niet wederzijds zijn, neemt hij zijn toevlucht tot een tovervrouw, die een haarlok van de aanbedene verwerkt tot een magisch middel dat de liefde ook van de andere kant op gang brengt. De twee betrekken een huisje en sluiten een huwelijkscontract bij de notaris. De wederzijdse families en Mr. David plus vriendenkring vieren het feest mee, maar tot een echt huwelijk komt het niet. Maar Mohammed betwijfelt of de met toverij verworven liefde wel echt kan zijn en Mr. David adviseert hem keer op keer om bij Mina weg te gaan voordat hij er gek van wordt. Drankmisbruik, achterdocht, overspel en valse beschuldigingen zijn het gevolg, en een scheiding is het resultaat. Mina vertrekt met haar kind en ‘Mohammed bleef bij Mr. David in het hotel, waar hij in de bar hielp, en ze waren allebei gelukkig’. Zo begint het laatste hoofdstuk, dat eindigt met de beschrijving van een ontmoeting, jaren later, tussen Mohammed en Mina. Een wrang slot.

    Bioscoop
    Liefde met een lok haar wordt verteld in kort aangebonden taal, verdeeld over 61 scenische hoofdstukken. Geen melodrama of talige arabesken, maar karige zinnen en stugge dialogen. Terwijl ze bij voorbeeld in de bioscoop zitten realiseert Mohammed zich hoeveel hij van Mina houdt, maar ook ‘dat ze nooit echte liefde voor hem kon voelen, omdat de toverspreuk die had vervangen door nepliefde.’ Als Mina later op de avond zegt: ‘Mijn hart houdt van jouw hart, Mohammed, en ik weet niet waarom,’ ziet hij daarin een bevestiging van zijn angst. Hoe hij dat ter sprake brengt? ‘Denk er niet over na, zei hij. Ze kusten elkaar en hielden elkaar stevig vast. Mohammed deed het groenige licht uit, waarna ze gingen slapen.’ Zo dus. Soms is de tekst zo droog dat het komisch wordt. ‘Die avond, toen Mohammed thuis kwam, kuste hij Mina, maar het was alsof hij een muur kuste.’

    Geest of handlanger
    Op één plek wekt de auteur de suggestie dat Mr. David probeert de werking van de toverij teniet te doen. Als Mohammed na de geboorte van zijn zoon dronken bij zijn hotel aankomt en uitgeput in bed valt, vertoont zich aan hem een verschijning – en of dat een geest is of een handlanger van Mr. David wordt in het midden gelaten: ‘Een helemaal in het wit geklede figuur kwam naar hem toe en zei: dat je altijd gezond moge blijven, Mohammed. Allah heeft je behoed voor veel kwaad. Binnenkort zul je een ander leven hebben.’

    Je kunt Liefde met een lok haar lezen als een verhaal over liefdespaniek in een samenleving die met liefde en hartstochten niet goed weg weet en veel bedekt met zwijgen. Je kunt het lezen als het verslag van een loyaliteitsconflict: trouw aan de westerse rijke relaxte Mr. David of de Oosterse arme verwarde Mina. Of je leest het als een tegenhanger voor alle rijk gestoffeerde exotische liefdesverhalen waar westerlingen zo graag bij weg zwijmelen: betaalde toverij brengt de magie van de liefde om zeep. Maar misschien kun je Liefde met een lok haar het beste lezen als een moderne roman, waarin de premoderne magische opvatting van liefde als een fatale macht in het hoofd van de hoofdfiguur botst met de moderne visie op liefde als een economische uitruil van geld, genegenheid en genot tussen weldenkende en calculerende burgers. In dat boek geeft de auteur Paul Bowles het woord aan vertelinstantie Mohamed Mrabet, die toevallig ook in de werkelijkheid rondliep en deels samenviel met zijn eigen hoofdpersoon. Ooit dan toch.

     

    Liefde met een lok haar

    Verteld door: Mohammed Mrabet
    Opgetekend door: Paul Bowles
    Vertaald door: Hester Tollenaar
    Voorwoord door: Asis Aynan
    Verschenen bij: Uitgeverij Jurgen Maas (2014)
    Aantal pagina’s: 176
    Prijs: € 14,95 (deel 5 in de Berberbibliotheek, onderdeel van de Schwob-reeks)

  • Terecht herontdekte roman

    Terecht herontdekte roman

    In 1922 publiceerde Sinclair Lewis Babbit. Het werd een bestseller, het werd tweemaal verfilmd en in 1930 won Lewis er als eerste Amerikaan de Nobelprijs voor literatuur mee. Hoofdpersoon George Babbitt  werd het schoolvoorbeeld van de Amerikaanse materialistische conformist. De man zonder visie en standpunten, meewaaiend met alles wat gewin en status oplevert, hoofd van een modelgezin in een Amerikaanse suburb, blakend van oppervlakkigheid en levenslust.

    Bijna honderd jaar later is de reputatie van Lewis’ boek verbleekt. Babbit werd een lemma in een woordenboek en de roman zakte langzaam weg uit de literaire canon. Onlangs verscheen in een prachtig omslag een nieuwe Nederlandse uitgave in het kader van de Schwob-campagne rond ‘de beste onbekende boeken uit de wereldliteratuur’. Het megasucces van Stoner heeft boekenland op ideeën gebracht. Hoe dan ook: tijd voor een herontdekking.

    Drooglegging
    George F. Babbit  woont met vrouw en drie kinderen in het fictieve Amerikaanse stadje Zenith, in de wijk Floral Heights, een stralend voorbeeld van suburbia zoals dat een eeuw geleden gestalte begon te krijgen dankzij een groeiende middenklasse, voortgezweept door modernisering en industrialisatie. Een nieuwe wereld met keurige tuinen, geasfalteerde highways, houten carports, slaapveranda´s met eersteklas kwaliteitswekkers en gestroomlijnde automobielen met verzilverde sigarettenaanstekers: materialisme maakt gelukkig en houdt de economie gezond. Welvaart, blikvoer, wasmachine en vaatwasser brengen vrije tijd, en die wordt doorgebracht in de bioscoop, op de golfbaan of in de danszaal – inclusief jazz maar zonder drank (want de drooglegging heerst).

    George heeft met zijn schoonvader een succesvol makelaarskantoor opgebouwd, is getrouwd met een degelijk ‘vrouwtje’ waar hij nooit echt van gehouden heeft, en zijn kinderen ontpoppen zich tot, de een na de ander, lastige pubers. George luncht op de Athletes Club en is lid van de Boosters, een Roteray-achtig old-boys network waar ondernemers en zakenlieden elkaar erefuncties en zakelijke voordeeltjes toeschuiven. Hij verwerft enig aanzien met even oppervlakkige als meeslepende redevoeringen pro een gezonde ondernemersgeest en contra socialistische arbeidersknuffelarij. Zijn prestige stijgt verder als hij zitting neemt in het kerkbestuur, en de zondagsschool nieuw leven in blaast, onder meer door een public relations manager in te huren. Belangrijke bijvangst: de sociale netwerken waar hij zich in beweegt leveren hem de geldschieters en voorkennis op voor lucratieve deals.

    Van Almere tot Zoetermeer
    Babbit werd met reporterachtige vaart en zakelijkheid opgetekend door Lewis. Soms duiken we in George´s gedachten en zielenroerselen, maar zeker zo vaak is de auteur een camera die alleen de buitenkant registreert, of een commentator die sarcastisch commentaar levert op alle kleinburgerlijke oppervlakkigheid. Lewis is beslist scherpzinnig: feilloos fileert hij de zielloosheid van de opkomende nieuwe samenleving. Heel raak schetst hij een wereld die ons al te vertrouwd voorkomt – van Almere tot Zoetermeer: één groot veramerikaniseerd suburbia. Vlak en plat, gekenmerkt door veel actie en weinig drama, groeiende welvaart en een schrijnende leegte. Die sociologische dimensie is het beste van Babbitt en levert fascinerend leesvoer op.

    Scènes en schakels
    Minder geslaagd is het boek als roman. Babbit ontrolt zich als een reeks scènes – een dag uit het leven van een makelaar, een natuurvakantie in Maine, een lunch op de club, een spreekbeurt op een congres, een dinertje thuis, een schimmige grondtransactie, en een lunch op de Atletes Club met hoog oplopende discussie over de verfoeilijkheid van stakingen. Om maar wat te noemen. De lezer ontmoet een nieuwe mensensoort in zijn nieuwe biotoop en ieder hoofdstuk is eerder een minirapportage dan een noodzakelijke schakel in een voortschrijdende ontwikkeling – van wat of wie dan ook.

    Een paar hoofdstukken doorbreken dat patroon. De auteur zoomt uit en beschrijft de stad in ‘poëtischer’ expressionistisch proza dat contrasteert met de zakelijke stijl in de rest van het boek. Zoals in paragraaf 3 en 4 van hoofdstuk 7, waar een aantal beelden en momentopnamen nevengeschikt worden gepresenteerd als een caleidoscopische fotomontage. ‘Precies op dat moment zaten een cocaïnedealer en een prostituee cocktails te drinken in Healy Hansons Saloon in Fleet Street. […] Precies op dat moment zaten in Zenith twee mannen in een laboratorium. Ze hadden zevenendertig uur achtereen gewerkt aan het verslag van hun onderzoek naar synthetisch rubber. Precies op dat moment zaten in Zenith vier vakbondsmannen te vergaderen over de vaag of de twaalfduizend mijnwerkers die binnen een straal van honderd vijftig kilometer van de stad werkzaam waren moesten gaan staken. […]   Precies op dat moment overleed er een veteraan. […].’ Op dergelijke momenten loopt Lewis vooruit op latere grotestadsromans als Manhattan Transfer van John dos Passos of Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Interessant, maar ook een tikkie bevreemdend, die schakelingen tussen reportage over een zakenman en poëtisch portret van de ziel van een stad.

    Ontsporing
    Er zit voor wie wil wel degelijk drama onder de oppervlakte van het verhaal. Babbitt is vaak gespannen, ontevreden en onzeker, en dat wordt verdiept door zijn contacten met oude studievriend Paul Riesling, een ongelukkige groothandelaar in dakpapier die de juiste braltoon niet weet te vinden in contacten met collega’s, melancholieke muziek speelt op zijn viool en lijdt onder zijn huwelijk met een chagrijnige en treiterige vrouw. Paul roept in George oude idealen wakker: zijn afgebroken studie voltooien, advocaat worden en de onderdrukte medemens aan zijn recht helpen. In reactie op een wanhoopsdaad van Paul laat George op een gegeven moment zijn leven welbewust ontsporen – terwijl hij zichzelf probeert wijs te maken dat dat de ware vrijheid is. Hij vergooit zich aan illegale drank en een lustige weduwe, en zijn ideeën krijgen ineens verdacht socialistische trekjes, constateren zijn zakenvrinden vol afschuw. Maar tegen het einde van het boek heeft Babitt het juiste spoor weer gevonden.

    Als wegbereider en bruggenbouwer van expressionistisch proza heeft Lewis zijn verdienste. Als socioloog en commentator van een nieuw tijdperk is hij fenomenaal. Maar Babbitt is als roman te hybride om geslaagd te zijn. Geen meesterwerk, wel terecht herontdekt.

     

     

  • Leestips voor de decembermaand – Joost van der Vleuten

    Lijstje van verlangen

    Wat je ook wel eens hoort, zo rond de feestdagen: ‘Ik wil een boek wat echt gebeurd is, weet je, dat ergens over gaat.’ Dat kan, hoewel een boek dat nergens over gaat een verademing zou zijn, maar veel interessanter zijn de boeken die gaan over dingen voordat die dingen er zijn. Nature imitates art (Oscar Wilde).

    Bericht op Nu.nl: het leger van Irak telt 50.000 spooksoldaten, deels omgekomen militairen, deels deserteurs, deels verzonnen namen. Daarmee blijkt het lastig strijden tegen IS. De soldij van de fictieve militairen wordt wél echt uitbetaald, maar dan aan de corrupte ambtenaren die dit hebben verzonnen. Ze hebben het idee gestolen uit de roman Dode zielen van de Oekraïner Gogol. Een meesterwerk in nieuwe prachtvertaling van Aai Prins. Over een negentiende-eeuwse slimmerik die de papieren van overleden lijfeigenen opkoopt om daar een imaginair megalandgoed mee te bevolken – en daar dan een fijne hypotheek op af te sluiten. ‘Ruim 400 bladzijden glanzend en tintelend proza, doorschoten met verrassende beelden die soms een eigen leven gaan leiden: Krimchampagne voor de ziel.’

    De rode ruiterijOok actueel: soldateske barbarij, inclusief warlords en groot-russische visioenen op de Krim, in de Oekraïne. Al bijna een eeuw geleden onuitwisbaar in verhalen vertaald door Isaak Babel in zijn Rode ruiterij en alle andere verhalen. Prachtvertaling. Zo kernachtig en lichtvoetig, dat je steeds weer terugbladert om te zien welke mokerslag je nu weer heeft getroffen. Een voortzetting van Gogols nietsontziende blik en stilistische brille met andere middelen, in een andere tijd, maar even tijdloos. ‘De verhalen ademen, ondanks of dankzij hun romantisch-expressionistische stilering van de natuur, de sfeer van een nachtmerrie. ‘Een oranje zon rolt langs de hemel als een afgeslagen hoofd.’ ‘De dreiging kiert door de zinnen heen”, schreef Literair Nederland erover.

    De cirkelAnder bericht op Nu.nl. Onlangs nam het Europees parlement een motie aan om Google op te splitsen: de zoekmachine losweken van de overige Google-activiteiten met brillen, auto’s en wat dies meer zij. Doel: privacybescherming en het bestrijden van de alwetendheid van Google. ‘Zal in de praktijk weinig effect hebben’, aldus deskundigen. Een jaar daarvoor verscheen De Cirkel van Dave Eggers over ‘de toenemende privacyloosheid door het internet.’ Op p. 161 dient een Amerikaanse senator een motie in om… ‘De Cirkel’ (het Eggeriaanse Google) op te splitsen, langs diezelfde lijn en om dezelfde redenen als het Europarlement. Eigentijds leesvoer waar je van opkijkt.

    Oorlog en terpentijnHerdenken was onlangs ook actueel, en dan vooral de Eerste Wereldoorlog. Stefan Hertmans won de AKO-literatuurprijs met Oorlog en terpentijn, gebaseerd op grootvaders dagboeken van voor, tijdens en na die oorlog. Zegt hij, maar ik ben niet helemaal overtuigd. Desondanks door de kritiek gelabeld als een ‘meesterproef, die nu al de status van een klassieker heeft.’ 

     

    Gissingen,Zeker zo goed vond ik Gissingen, gebeurtenissen van Hans Tentije. Prachtpoëzie vol onsentimentele nostalgie. Er wordt veel opgeroepen en weinig gemijmerd. ‘Nog geen pc of tv in zicht, maar wel archiefkasten, uitgelopen inkt, kleiputten, tichelovens, bediendenknoppen, rijstvloei, fondantkleurige neonreclame en een penetrante melange van Oost-Europese tabak en dieselolie. […] Fonkelende taal die de wonderbare sensatie oproept van een actueel gemaakt verleden.’ Wie verlangt daar nou niet naar?

     

    Door Joost van der Vleuten

     

  • ‘Nieuwe’ novelle van Simone de Beauvoir

    ‘Nieuwe’ novelle van Simone de Beauvoir

    Misverstand of vertwijfeling
    Toen was er ineens, 28 jaar na haar dood, een nieuw boek van Simone de Beauvoir, de grande dame van het existentialisme en aanstichtster van de Tweede Feministische Golf. De schrijfster verwijderde ‘Misverstand in Moskou’ uit de kopij van haar verhalenbundel De gebroken vrouw (1969). In 1992 verscheen het postuum in een Amerikaans tijdschrift en nu is er een Nederlandse vertaling. Misverstand in Moskou is vintage De Beauvoir, maar niet De Beauvoir op haar best.

    De jaren zestig van de twintigste eeuw. De gepensioneerde André reist met zijn vrouw Nicole van Parijs naar Moskou voor een bezoek aan Masja, zijn dochter uit een eerder huwelijk. Ze ‘doen’ de geijkte bezienswaardigheden die ze vaak al kennen van eerdere gelegenheden, maken uitstapjes voor zover het bureau voor buitenlanders dat toestaat, en vangen hier en daar een glimp op van het dagelijks leven onder communistisch bewind. André helpt Masja met redigeer- en vertaalwerk, en Masja geeft André Russische les. Nicole zakt weg in een soort depressie; voelt zich ongeliefd, buitengesloten en oud: ‘Masja had gezegd: u bent nog jong, toch had ze Nicole bij de arm genomen. Eigenlijk kwam het door haar dat Nicole sinds ze hier was haar leeftijd zo sterk voelde. Het drong tot haar door dat ze was blijven vasthouden aan het beeld dat ze van zichzelf had toen ze veertig was; ze herkende zichzelf in de sterke jonge vouw die Masja was; temeer omdat ze ervaring en gezag uitstraalde, even rijp was als Nicole; ze waren gelijkwaardig. Vervolgens herinnerde een gebaar, een stembuiging, een voorkomendheid haar er opeens aan dat er tussen hen een leeftijdsverschil bestond van twintig jaar – dat ze zestig was.’ En Nicole verveelt zich. Als André dan ook nog voorstelt langer te blijven zodat hij kan doorpakken met zijn Russisch, schopt Nicole een scène en loopt zelfs weg, Moskou in. Maar de twee vinden elkaar weer in een expat-bar en alles komt goed. ‘Het is een groot geluk met elkaar te kunnen praten, dacht ze. Als een paar niet in staat is zich van woorden te bedienen, is het begrijpelijk dat de misverstanden zich opstapelen en ten slotte alles tussen hen bederven.’

    Kamerspel
    In het verhaal springt het perspectief heen en weer tussen Nicole en André, zodat de lezer eerder dan de hoofdpersonen doorheeft welk misverstand uitdraait op een relatiecrisis. Ook André voelt zich oud en afgedaan. Hij worstelt met zijn gebrek aan ambitie (er is sprake van artikelen die hij ooit van plan was te schrijven), ervaart een groeiende afstand tot Nicole en drinkt om dat te verdringen. Misverstand in Moskou is een verhaal in grijstinten; een ‘Kammerspiel‘ over verdorrende liefde tegen een grauwe Sovjet-achtergrond. En dan is er nog het motief van desillusie in het politieke systeem – het Sovjetleven dat ‘zeker voor buitenlanders’ minder zegenrijk heeft uitgepakt als verhoopt. Het is ook een ‘redeneerderig’ verhaal. Dat is niets nieuws bij De Beauvoir, maar hier stoort het. Zie het lange citaat hierboven. Niets kan worden gezegd of gedaan zonder de begeleidende gedachten van Nicole of André daarbij uit te serveren. Als Nicole in de trein naar buiten staart, bij voorbeeld: ‘Ze had net vier mooie dagen achter de rug, Moskou was wel wat veranderd; het was vooral lelijker geworden. (Jammer dat veranderingen bijna altijd negatief uitpakken, wat zowel voor plaatsen als voor mensen geldt.)’ En dan is er dat plotse halfzachte einde, inclusief het belang van ‘met elkaar in gesprek blijven.’

    Persoonlijk en politiek
    Blijft de vraag: waarom heeft De Beauvoir Misverstand in Moskou niet gepubliceerd tijdens haar leven? Vond ze het niet goed genoeg in literair opzicht, of speelden andere factoren mee? Het existentialisme was in de jaren vijftig voor velen een complete levensstijl. De mens was in de wereld geworpen, het bestaan zinloos (zo had de Tweede Wereldoorlog nog eens aangetoond), en dus moest je actief werken aan het verwezenlijken van je authentieke essentie en je intermenselijke solidariteit. Dat vereiste dat je je onttrok aan de ‘bourgeois’-normen, waarden en instituties als huwelijk, geloof en beroep. Het persoonlijke werd politiek: vrije liefde, geestverruimend roken en drinken, en diepe gedachten uitwisselen in een keldercafé bij jazzmuziek en druipkaarslicht. Outfit: een zwarte coltrui en een zonnebril, óók na zonsondergang.

    Ook de Beauvoir en Sartre besloten al in de jaren dertig dat trouwen enorm bourgeois zou zijn en dus uitgesloten. Zij sloten een pact: een open relatie moest het zijn, met onvoorwaardelijke eerlijkheid, trouw aan elkaar en ruimte voor anderen. Niets voor elkaar verzwijgen, dan mocht alles. En daar werd het politieke persoonlijk, in hun leven. De Beauvoir schreef openhartig over haar relaties met bij voorbeeld schrijver Boris Vian, cineast Claude Lanzmann en uitgever Nelson Algren. Maar pas na haar dood werd duidelijk, uit biografieën en briefwisselingen, hoe complex het netwerk van verhoudingen was waarin Sartre en De Beauvoir elkaar insponnen. Liaisons dangereuses is er niets bij. De Beauvoir ‘deed’ niet alleen medewerkers, tijdschriftsecretarissen en veelbelovende nieuwelingen, ze knoopte ook relaties aan met (veelal jongere) vrouwen, die ze ‘overdeed’ aan Sartre. Of Sartre legde het aan met een zus of nicht van De Beauvoirs liefdespartners. En dat wisten ze dan allemaal van elkaar. Het klinkt incestueus, maar het werkte, totdat De Beauvoir zich oud voelde worden, in de jaren zestig. In een interview met The Paris Review in 1965 zei ze: ‘Ik was altijd al geobsedeerd door het verstrijken van de tijd en door de dood die ons onvermijdelijk insluit.’ In De ouderdom (1971) zou ze analyseren hoe de westerse maatschappij ouderen tot object maakt en onderdrukt. Maar dat was voor haar zelf te laat.

    In een vreemde huid
    In haar nawoord stipt Éliane Lecarme-Tabone parallellen aan tussen Misverstand in Moskou en het leven van de auteur: geregelde bezoeken aan Moskou met Sartre in de jaren zestig (uitgenodigd door de Schrijversbond), en groeiend onbehagen met het ooit bewonderde communistisch systeem. André’s dochter Masja blijkt geïnspireerd op Sartres Russische minnares Lena Zonina. Als we De Beauvoirs leven en werken zo met elkaar in verband gebracht zien (wat streng verboden is, zoals wij allen weten), wordt Nicole’s gevoel van afwijzing invoelbaarder en wordt het volgende citaat veelzeggender: ‘En toen was die onbekende jongen – een heel knappe knul – met André meegekomen; hij had haar met ongeïnteresseerde beleefdheid de hand gedrukt en opeens was er iets in haar veranderd. Voor haar was hij een man, jong en aantrekkelijk; voor hem was zij even seksloos als een oude vrouw van tachtig. Ze was die blik nooit meer te boven gekomen; ze was opgehouden met haar lichaam samen te vallen: ze zat voortaan in een vreemde huid, een treurigmakende vermomming.’ De vertwijfeling over het ouder worden, machtsverlies in de seksuele arena is, veel meer dan een relatie-communicatieprobleem, het onderliggende thema van Misverstand in Moskou. Happy end uitgesloten. Het lijkt erop dat de camouflage daarvan in dit verhaal te bangig en bleek uitpakte om te voldoen aan De Beauvoirs eisen wat betreft strijdbaarheid en onburgerlijkheid. Zo bezien wordt het toch nog een aangrijpend verhaal.

     

     

  • Alledaagse openbaringen

    Alledaagse openbaringen

     In Victoria, Canada, woont Alice Munro. Ze dreef er een boekhandel met haar man, voedde haar kinderen op en schreef verhalen, tussen de bedrijven door. Ze is 83 jaar en won een jaar geleden de Nobelprijs. Uitgeverij De Geus bracht een reeks vertalingen opnieuw uit, waaronder een van Munro’s eerste boeken, Levens van meisjes en vrouwen uit 1971. Het verhaalt de gang naar volwassenheid van een meisje op het Canadese platteland, die eindigt met de bewustwording van een schrijverschap.

    De acht verhalen in Levens van meisjes en vrouwen draaien om Del Jordan, opgroeiend in de jaren 40 en 50 in Jubilee, een gat in zuid-Canada. Ze woont in een huis aan de zelfkantige Flats Road. Vader fokt zilvervossen en later kippen, moeder is huisvrouw en later encyclopedieverkoopster. Onproblematische armoede. Del is slim, avontuurlijk en eigenwijs – en als ik zo doorga lijkt het een kruising tussen Het kleine huis op de prairie en Cissy van Marxveld. Nee dus. De zinnen van Munro proberen niet te behagen en haar verhalen huppelen niet voort naar een happy end. Ze draaien niet om de plot of de ontknoping, maar om onspectaculaire dingen die ons soms overkomen en die – achteraf – betekenis geven aan ons leven. , die Munro tevoorschijn zeeft uit het losse zand waaruit haar verhalen lijken opgebouwd. Geen romantische gevoeligheid of grootse concepties. En als enige moraal: het leven is wat het is en daardoor de moeite waard.

    Zo vertrouwd als adem
    In het eerste verhaal bijvoorbeeld reageert de Del Jordan (dan nog 10 jaar oud) namens de slonzig levende oom Benny, die geen oom is maar de knecht van haar vader, op een advertentie waarin een huishoudster (met kind) zich aanbiedt. Een week later is hij tot zijn verbijstering getrouwd met een agressieve vrouw die kankert op de troep in huis, het halve dorp bedreigt, haar man slaat en haar kind verwaarloost. Tot ze met de Noorderzon vertrekt, baby incluis. Met gretige verbijstering neemt Del kennis van de onthutsende wereld van de grote mensen. En ze ontdekt hoe die wereld een tegengif vindt in het huis en het gezin waarvan ze deel uitmaakt. Die ontdekking doet ze als ze in bed ligt, terwijl haar ouders in de keuken het nieuws van tien uur afwachten: ‘Ze zaten daar beneden, ver weg, in een kleine poel van licht te praten en te kaarten alsof het er niet toe deed: maar het was deze gedachte aan hen, zo prozaïsch als de hik, zo vertrouwd als adem, die me omarmde, die van de bodem van de put naar me knipoogde terwijl ik in slaap viel.’

    Er worden meer werelden verkend: de microkosmos van de dorpsschool, inclusief de jaarlijkse opwinding rond de musicalopvoering. Er is de wereld van de familie, inclusief een rijk geworden oom en twee vrijgezelle tantes die alles misprijzend bekijken, maar zorgen voor excentrieke oom Craig. Die doet in hun ogen belangrijk werk in het districtsbestuur en schrijft aan een gestaag uitdijende dorpsgeschiedenis. Daar valt hij op een dag dood bij neer. Dan is er de wereld van het geloof en de kerk (het dorp heeft er vijf). En die van de jongens en mannen, die ook de wereld is van liefde en seks. En uiteindelijk is er de wereld van de literatuur en het schrijven.

    Moeizaam vrouwelijk gedoe
    De verhalen in Levens van meisjes en vrouwen zijn chronologisch geordend, maar vallen uiteen in losse scènes, die zich weinig van die ordening aantrekken. Ze spiegelen elkaar op allerlei manieren, waardoor thema’s en motieven oplichten. Dat van de liefde bij voorbeeld: de band tussen haar ouders, de wanhopige passie van de schooljuf voor de operettedirigent, de gewenste onbehouwen handtastelijkheden van een kostganger, de pornografische versjes van een nette vriendin van moeder, de kalverliefde met die andere ‘onbeschaamd slimme’ leerling Jerry Storey. Ze troeven elkaar af in sarcasmen over de domheid van de hele wereld, maar weten geen weg met elkaar. ‘We hielden elkaars vochtige hand vast en vroegen ons ongetwijfeld af hoelang de beleefdheid vereiste dat we daarmee doorgingen. Onze monden openden zich in elkaar zoals we daarover gelezen en gehoord hadden, maar bleven koud, onze tongen rauw, als miserabele lappen vlees.’ En dan de vriendin Naomi, die beter overweg kan met de jongens en dan ook binnen een paar maanden verloofd, getrouwd en van school af is, om de rest van haar leven te slijten achter kantoorbalie en kinderwagen.

    Wanhopige waardigheid
    Een andere draad is die van de kerk en het geloof. Del bidt zoals kinderen kunnen bidden: dagelijks en veel. Haar broertje Owen spot daarmee, tot vader zijn hond moet afmaken. Dan moet zij hem leren bidden. Volgt een adembenemende scène met ongelovige Owen die op zijn knieën gaat om een niet-bestaande god te vermurwen. Del verkent de verschillende kerken en is verrukt van het Anglicaanse dorpskerkje met 12 verspreide gelovigen. ‘Ik vond veel dingen mooi: het knielen op de harde bank, het opstaan en weer knielen en je hoofd naar het altaar neigen bij het horen van Jezus’ naam, het opzeggen van de geloofsbelijdenis, die ik prachtig vond vanwege de opsomming van de vreemde, schitterende dingen waarin je moest geloven.’ En ze geniet ook van het contrast van dat alles met de sjofelheid van de kerk en de poverheid van de kerkgangers: ‘Als zij hier zijn, dacht ik, dan moet het allemaal waar zijn. Een ritueel dat in andere omstandigheden misschien kunstmatig en levenloos zou hebben geleken had hier een zekere wanhopige waardigheid. De rijkdom van de woorden die de armoedigheid van de plek logenstraften.’

    In het laatste verhaal ‘De doop’ komen liefde en geloof bij elkaar. Del ruilt Jerry in voor een bekeerde ex-bajesklant. Met hem bedrijft ze vaak en wellustig de liefde. Hij wil haar trouwen maar daarvoor moet ze eerst tot het geloof toetreden. Tijdens een zwempartij in de plaatselijke rivier eindigt de relatie, als hij Del spelenderwijs probeert te dopen en zij ontdekt dat alles in haar zich daartegen verzet. Zoveelste onuitwisbare scène.

    Zelfgemaakte limonade
    Treurend over haar verloren liefde ontwikkelt Del een nieuwe ambitie. ‘Er kwam een tijd dat de boeken in de bibliotheek niet meer genoeg voor me waren, en ik mijn eigen boek wilde. Het schrijven van een roman werd mijn levensdoel.’ Ze besluit te schrijven over de echt bestaande familie Sherrif, omdat daar gezien de dorpsroddels veel tragiek omheen hing: een dochter had zich (zwanger?) in de rivier verdronken, de ene broer was alcoholist en de andere zwakzinnig. De contouren van een felrealistisch boek vol inteelt, degeneratie en verloedering tekenen zich af, maar dan keert de zwakzinnige zoon Bobby terug in het dorp, ontslagen uit het gesticht. Op een dag nodigt hij – goed verzorgd, welbespraakt en zachtmoedig – Del uit voor zelfgemaakte limonade en cake. In plaats van ziendende gekte volgt brave conversatie, in een decor van kanten kleedjes, bijzettafeltjes en gebaksvorkjes. ‘Het was hier zo normaal dat ik met een schok besefte: dit is het huis van de Sherrifs.’ Haar woeste fantasieën lijden schipbreuk op de werkelijkheid. Later herneemt Del de schrijverij, maar anders. Ze begint met het aanleggen van lange lijsten met namen en feiten over Jubilee, net als oom Craig. Maar voor het zover is zorgt Bobby nog voor een laatste openbaring. Aan het eind van het bezoek verheft hij zich, met alle servies in zijn handen, sierlijk op zijn tenen ‘en het leek een bepaalde betekenis te hebben, een gestileerde betekenis – een letter, of een heel woord, in een alfabet dat ik niet kende.’ Nòg niet, weten we nu.

     

     

  • Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Gedichten die niet poëtisch willen zijn – masterclass K. Schippers

    Passa Porta is een Brusselse boekhandel en cultureel centrum dat er een writers in residence op nahoudt. Zo kwam het dat K. Schippers (1936) nu al twee maanden in Brussel verblijft, om te schrijven en om werken met studenten aan de universiteit. Ter afsluiting geeft hij een openbare masterclass in Passa Porta. Schippers gedraagt zich niet als een operadiva die haar masterclass misbruikt om het ego van de discipelen te verpletteren. Wel was hij dwars, bruusk en knorrig, maar vooral geestig, vitaal en verrassend.

    Schippers leest en parafraseert gedichten en prozafragmenten. De gespreksleider stelt vragen en moedigt het publiek aan een bijdrage te leveren. Dat publiek (veel studenten) zoekt naar betekenis, diepgang en poëzie, naar de grens tussen poëtisch en banaal, naar het verband met conceptuele beeldende kunst. Maar daar wil Schippers eigenlijk niet van weten. Nee, geen poëzie, wat is dat, poëtisch? Misschien zelfs geen gedicht. Noem het teksten. Het gaat vaak over de werkelijkheid, en het kijken ernaar. Vooral die stukjes realiteit die zo vanzelfsprekend zijn geworden dat geen mens ze meer ziet zoals ze zijn. Zoals het gedicht met de bevreemdende titel ‘Correctie om wat’ en de materiaalaanduiding ‘Lucht en glas’ (alsof het om een schilderij gaat, ‘ olieverf en mixed media’):

    ‘Een neveltje zien dat er niet is,
    komt door een minieme oogafwijking
    Maar niet merken dat het weg is,
    als je ter correctie een bril draagt.’

    Teksten moeten nauwkeurig zijn, analytisch, dat vindt hij prettig, bijna meetkundig exact. Neem zijn gedicht van zes woorden (waar één woord teveel in staat). Bezie de onverbiddelijke logica van ‘Trage start bij een rantsoen van twee zinnen’: “ Kan ik zeggen ‘Na deze zin /  komt nog een zin’ of lieg ik dan? // Ik had het kunnen zeggen, / maar hier niet meer.” Of neem ‘Een leeuwerik boven een weiland’, dat lange gedicht over een gedicht, waarin heel zorgvuldig wordt uitgelegd welke rommeligheid buiten het gedicht wordt gehouden – die er daardoor juist in komt:

    ‘En dat wat beoogd wordt of waar
    het om gaat is zeker aanwezig
    in een sterke concentratie: dit is
    het, wat hier staat, nee, niet de
    woorden die ontbreken, die zijn er
    met opzet niet bij gezet, precies,
    de aandacht ligt veilig in de rails.

    Want in een gedicht horen geen
    dode plekken als lange straten of
    eindeloze weilanden, die in ’t echt
    wel ruimte bieden aan een kapotte melkfles of een leeuwerik,
    maar op papier te veel nummers hebben
    of te breed, te ver zijn: ze bestaan wel,
    maar alleen buiten mogen ze
    volop, dubbeldik, mat en saai zijn.
    Daar is geen plaats voor in een gedicht.’

    Declamerend en grasduinend in eigen werk maakt Schippers het zijn ondervragers knap lastig: Ik ben niet zo van de interpretatie. Waarom staat er wat er staat? Toeval? Ik geloof daar niet zo in, wil het toeval graag beentje lichten. Soms lees ik diepzinnig commentaren op mijn werk. Alsof iemand een positie betrekt en zegt: “Ik lees het alsof er een betekenis in zit.” Prima, ze doen maar, maar vraag mij niet wat ik daar nu weer van moet vinden.

    Hij leest voor uit ‘ Wat je maar kort hoeft te onthouden’. Een opsomming, meer niet.

    ‘[…]
    Schoenen die je niet meer draagt
    Voorbijgangers op een zebrapad
    De stem van een vrouw die verkeerd is verbonden
    Wolken
    Het gewicht van een tas
    Adres van een opgeheven stomerij
    […]’

    ‘Nee, in zo’n tekst zit geen melancholie,’ reageert hij op een suggestie van een toeschouwer. Misschien zit die melancholie in de lezer. ‘Wie weet, maar wat moet ik daar van vinden?’ Interpretaties, zo die al bestaan, daar maakt hij zich niet druk om. En nee, zijn teksten zij niet mild. Of we dat zeker niet meer willen zeggen. Na enig aandringen bekent hij: ‘Gedichten komen voort uit de manier waarop je je verhoudt tot je bestaan. De dingen zien zoals ze zijn, zoals ze echt zijn.’ Mensen doen de werkelijkheid, ‘de dingen’ tekort, lijkt Schippers te zeggen, doordat ze verblind zijn door verwachtingspatronen, concepten en gevoelens. Zie ‘Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was, zou ik beter kijken.’

    ‘Wat er overblijft? Verhevigde observaties’, meent Schippers. ‘Maar ook daar neem je uiteindelijk geen genoegen mee. Je probeert tegelijk het gedicht onderuit te halen.’ Om de taal onschadelijk te maken, die dicteert wat we kunnen zien. Zie bij voorbeeld ‘Doos in vijf verschillende standen op tafel’:

    ‘Een doos op tafel
    Tafel waarop doos
    Een doos op de tafel
    Doos op tafel
    Tafel met doos”

    ‘In de taal zitten alle standen van de doos vervat,’ zegt hij. ‘Meer lijkt niet mogelijk. ‘ En humor, iets lichtvoetigs, okay. Dat kan de poëzie wel gebruiken. Maar geen metafysica of maatschappijkritiek. Of een gedicht nou een verpakking is van iets, of juist een ding op zich? Die vraag wil hij niet beantwoorden. Maar een doos bijvoorbeeld, dat is toch een verpakking?, dringt een toehoorder aan. ‘Nee, juist niet. Die doos, die staat op tafel, da’s een ding op zich en daar kun je op verschillende manieren naar kijken.’

    Dan vraagt iemand of hij vindt dat hij beter is geworden in zijn métier. Schippers verzet zich zeer tegen het idee dat er één metier zou zijn, dat maatgevend is voor hoe je te werk moet gaan. ‘Dat metier moet je steeds opnieuw uitvinden, iedere keer opnieuw.’ Daarmee geeft hij een adequate beschrijving van zijn werk: steeds weer opnieuw. Tussen herhaling en repetitie enerzijds, en steeds weer het wiel uitvinden anderzijds. Van laconieke observatie: ‘Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is.’ Tot betekenisloze taalbouwsel (naar het lijkt): steeds weer worden de zintuigen gescherpt en de hersenen geprikkeld. Zeker als hij het voordraagt, terwijl hij door de winkelruimte beent, blijkt het allemaal nog fris alsof het gisteren is geschreven. Nog geen streep verouderd, en toch al klassiek, moet de conclusie luiden.

    Hij draagt het gedicht ‘Met van’ voor, dat bestaat uit louter voegwoorden, die toch nog een heel verhaal vertellen:

    ‘achter toe wel uit
    Zo toe met van uit zo
    Toe met van wat

    Of op ter nog
    Tussen tot om
    In te met ook’

    Vierendertig strofen lang. Nee, die tekst gaat niet ergens over, zegt hij. Hij heeft gewoon een tekst gemaakt van korte woordjes, het soort waar hij gek op is. Taal op zijn mooist, ontdaan van alle overbodigs. Het hart van de taal, zelfs, vindt hij. ‘Je ruikt aan betekenis, aan wat het kan zijn. Maar het is het niet. Eigenlijk zou er muziek bij moeten. Theo Loevendie, die zou dat kunnen. Het zou een madrigaal moeten worden, waarin je de woorden bijna niet meer hoort, enkel de klank.’ Hij zingt een stukje voor, hoe het zou klinken: plechtig, gedragen.

    Schippers sluit af met een toelichting op zijn laatste boek Op de foto: een vrouw gaat op zoek naar de zevenentwintigste letter van het alfabet, daartoe aangezet door een dode fotograaf – uiteindelijk blijkt ze zelf die letter te zijn. ‘Taal moet je steeds opnieuw proberen te verleiden, alsof het een vrouw is. Meer heb ik daar niet over te melden,’ bast Schippers, toch nog poëtisch. En met een stevig: ‘Zo, ik heb gezegd’, wordt de masterclass ontbonden.

     

    De boeken van K. Schippers verschijnen bij Querido. Leeuwerik boven een weiland (2009) is een stevige bloemlezing uit zijn poëzie. In 2011 verscheen de bundel Tellen en wegen. Laatste publicaties: De bruid van Marcel Duchamp, (2011) en Op de foto (2012).

     

  • Biografie van een avontuurlijk leven

    Biografie van een avontuurlijk leven

    Schrijver en journalist A. den Doolaard (1901 – 1994) was een opmerkelijke verschijning in de Nederlandse letteren. Geen navelstaarderij of getob in de binnenkamers van zijn ziel, maar een leven van zwerven, actie en avontuur. Dat vroeg om een biografie. Die is er nu, van de hand van Hans Olink, onder de veelzeggende titel Dronken van het leven.

    In 29 hoofdstukken verdeeld over 400 bladzijden trekt het leven van Den Doolaard aan de lezer voorbij. Hij werd geboren in Zuid-Afrika als Cornelis Spoelstra, zoon van een bevindelijke dominee. Na een jaar repatrieerde het gezin naar Den Haag. Vader keerde terug naar Afrika, werkte als onderzoeker en prediker, en keerde zenuwziek terug naar Nederland, waar hij overleed aan Parkinson in 1918. Den Doolaard groeide op in ´nette armoede´, en werd gegrepen door boeken (Robinson Crusoë), sport en zwerven. Tijdens schoolvakanties wandelde hij in zijn eentje half Nederland door en hij schaatste de Elfstedentocht toen hij nog maar 15 was. Na de middelbare school leek het avontuurlijke leven voorbij. Er was geen geld voor de universiteit en dus nam hij een baan op kantoor bij de Bataafse Petroleummaatschappij. Maar diep van binnen voelde hij zich dichter. Met het pseudoniem Den Doolaard verhulde hij voor zijn boekhoudende collega’s dat hij verzen en artikelen publiceerde in onder andere de Vrije Bladen, het tijdschrift van het vitalisme. Hij werd onthaald als een talent, maar dan een in de categorie ruwe diamant. De grote vitalist Marsman vond de gedichten van Den Doolaard ‘te opgewonden’ en ‘bicepspoëzie’: ‘De ziel, schrik niet, ontbreekt!’

    Zwerven om te schrijven

    Den Doolaard stapte over naar het progressief-katholieke De Gemeenschap, en volgde zijn vriend en redacteur Albert Kuyle naar de Nieuwe Gemeenschap, totdat dat al te fascistisch en antisemitisch werd. Maar toen had Den Doolaard zijn leven van boekhouden, sporten en schrijven in de avonduren al omgegooid. Hij nam ontslag bij ´de Bataafsche´ en joeg zijn gouden handdruk van 7000 gulden er doorheen in een jaar van feesten en nietsdoen. Toen trok hij naar Frankrijk, waar hij een halsbrekende winterbeklimming van de Mont Blanc overleefde en de Franse schaatskampioen op de 1500 meter versloeg. Hij ontdekte de skisport en schreef er als eerste Nederlander een boek over.

    Voort trok hij naar de Provence, waar hij druiven plukte met rondzwervende seizoensarbeiders (roman: De druivenplukkers) en mee reisde met nomadische herders en de cowboys van de Camargue (boek: De laatste wilden). Tussen de bedrijven door leidde hij in Nederland een vrouwenverslindend feestleven. Onder zijn veroveringen waren de danseres Darja Collin (die met Slauerhoff trouwde) en actrice Eline Pisuisse. In een berghut op de Mont Blanc belandde hij zelfs tussen de paardendekens met Leni Riefenstahl, de filmster en latere regisseuse van de nazi-film Triumf des Willens. Hij stootte door naar de Balkan waar hij decennia lang zou reizen en zelfs wonen, gefascineerd als hij was door het primitieve, tribale leven, waar de gastvrijheid geen grenzen kende en de bloedwraak het leven spannend hield. Hij zou er zijn meest succesvolle reportages en romans over publiceren. Classics als De herberg met het hoefijzer, Het land achter Gods rug, Oriënt-Express en De Bruiloft der zeven zigeuners. Nog in de jaren zeventig stond Den Doolaard in de top tien van meest verkochte auteurs, tussen de nieuwe goden Wolkers, Cremer en Hermans.

    Het juiste moment, de juiste plaats

    De romantiek van het zwerversleven verwerkte Doolaard in zijn romans en in sommige van zijn lyrische reportages. Maar zijn journalistieke werk en pamfletten signaleerden sociale misstanden en politieke dreigementen. Hij had er een haarscherp oog voor. In 1930 maakte Den Doolaard zich nog belachelijk door te verklaren dat Hitler de gevaarlijkste man van Europa was. In 1938 publiceerde hij een pamflet tegen de wapenindustrie en publiceerde hij over de listen en lagen van het nazisme. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak vluchtte hij via Frankrijk, Spanje en Portugal naar Londen. Daar dronk hij thee met koningin Wilhelmina en borrels met premier in ballingschap De Geer. Hij werd de stem van radio Oranje en sprak de Nederlandse burgers in nood moed in. Na de oorlog vond Den Doolaard meer vastigheid: met zijn tweede vrouw `Wampie´ (Erie Meijer) en dochters woonde hij in Hoenderlo op de Veluwe. Van daaruit ondernam hij ieder jaar weer lange reizen. Met een vast contract van De Gelderlander trok hij door Europa, Noord-Afrika en India – toen de eerste hippies de weg naar dat land nog niet gevonden hadden. Hij schreef over de verwoesting en ontreddering in het naoorlogse Duitsland, over de coupe van de kolonels in Griekenland, en protesteerde tegen de wapenwedloop, tegen milieuvervuiling en overbevolking. Als secretaris van de Nederlandse PEN deed hij ´illegaal´ werk ten behoeve van verdrukte schrijvers in het Oostblok. Hij was verbazingwekkend vaak op het juiste moment op de juiste plaats, en deed daar vaak ook nog goede dingen.

    Fatale omkering

    Een biografie over zo’n avontuurlijk leven kan haast niet mislukken, en Olink weet er een meeslepend verhaal van te maken. Maar daarmee is het nog geen volmaakte biografie. Olink blijft te dicht bij zijn bronnen en dat zijn maar al te vaak de boeken van Den Doolaard zelf, zoals diens memoires Ogen op de rug en Leven van een landloper. Dat leidt tot naverteld proza dat de tekst vlak maakt en bovendien niet de afstand creëert die een biograaf tot zijn onderwerp moet hebben. Erger wordt het als Olink ingaat op een van de drama´s in Den Doolaards leven. Zijn eerste vrouw, de Franse Daisy Roulot, gaat tijdens hun reizen vreemd. Eerst met een Bulgaarse bendeleider en later met een agent van de Roemeense geheime dienst. Die sterft door een kogel uit Den Doolaards pistool. Een ongeluk, volgens de politieverslagen. Een crime passionel, zegt Olink. Dat doet hij op grond van de roman Samen is twee keer alleen, die Den Doolaard 34 jaar na dato schreef.

    Hier draait Olink de verhouding tussen fictie en werkelijkheid op een fatale manier om. Waarom zou Den Doolaard de waarheid veranderen, als het Nederlandse publiek hier toch niets vanaf weet?, vraagt Olink retorisch. Het antwoord is ligt voor de hand: omdat bloedwraak en crime passionel een beter verhaal opleveren dan een lullig ongeluk met een pistool. En omdat die motieven naadloos passen binnen de thematiek van Den Doolaards werk. Wat ik daarnaast miste is een duidelijker plaatsing van Den Doolaard in het literaire klimaat. Je wilt meer weten over het vitalisme als literaire stroming en over Den Doolaards polemiek en breuk met Marsman. Meer ook over zijn loyaliteit aan ‘de foute’ Albert Kuyle, en ‘stalinist’ Theun de Vries.

    In 1949 schreef Den Doolaard een artikel waarin hij fel protesteerde tegen het naoorlogse publicatieverbod voor Kuyle. Nota bene in de uiterst rechts-katholieke Linie, een blad dat er in slaagde fout te zijn na de oorlog. Hoe zat dat? En hoe zat het met de depressies en crises van den Doolaard, die frequenter werden naarmate hij ouder werd? Hadden die iets te maken met de zenuwziekte van zijn vader? En wat had zijn panische zwerflust en roekeloosheid daarmee van doen? Wat meer eigen visie en wat minder navertellen van Ogen op de rug. Wat meer culturele en maatschappelijke context, en wat meer turen in de ziel van Den Doolaard – het had een betere biografie opgeleverd. Dat neemt niet weg dat Dronken van het leven leest als een Oriënt Express.