• Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Onverwerkte tragedie van Babi Jar

    Ruim een half jaar voor de Russische inval in Oekraïne namen schrijver Jonathan Littell en Antoine d’Agata in Kiev de metro naar Babi Jar, de plek waar in de Tweede Wereldoorlog rond de honderdduizend slachtoffers door de nazi’s zijn vermoord. Zij deden onderzoek voor een boek, geïllustreerd met zwart-wit foto’s. Als de Russen  Oekraïne binnenvallen is het manuscript af, maar door de gruwelijke werkelijkheid achterhaald. Littell begint opnieuw, vanuit ‘een heel ander perspectief’. Het vorig jaar verschenen boek is onlangs uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek, die meerdere boeken van Littell heeft vertaald.
    Jonathan Littell schreef eerder een boek over de Tweede Wereldoorlog in Oost-Europa. De roman Les Bienveillantes (De Welwillenden) (2008) kreeg onder meer de Prix Goncourt. Een ongemakkelijke plek is geen roman, maar een duizelingwekkend boek samengesteld uit 222 genummerde, caleidoscopische prozateksten en zo’n tachtig indrukwekkende zwart-wit foto’s.

    Plattegrond van slachtingen

    Jonathan Littell ging met fotograaf Antoine d’Agata op zoek naar de overblijfselen van Babi Jar. Kort na het bloedbad in september 1941, toen in twee dagen tijd meer dan 33.000 joden werden gefusilleerd, lieten de nazi’s de lijken met zand bedekken door Sovjet gevangenen. In het boek staat een foto die er indertijd van is gemaakt. En twee jaar later, vlak voor de komst van het Rode Leger, werden gevangenen uit het nabijgelegen concentratiekamp Syrets gedwongen de overblijfselen van de slachtoffers op te graven en te verbranden. ‘De Sovjetmacht zette het karwei voort en bracht het tot een einde. In 1950 besloot een commissie tot een volledige nivellering van Babi Jar.’ Daarna ging het dichtgooien van de ravijnen door. ‘De herinnering aan Babi Jar ligt ondergronds, net als de resten van de lichamen.’

    Littell somt een lijst van monumenten op die tegenwoordig op de plek van Babi Yar staan. Daterend van 1976 tot 2022, daarna is de bouw van nieuwe monumenten stilgelegd door de inval van Rusland. ‘Een warboel van monumenten’, noemt Littell het. ‘De herinnering aan Babi Jar (blijkt) volledig gefragmenteerd, als een caleidoscoop waarin iedereen zijn of haar eigen doden waarneemt.’ Littell beschrijft hoe ze door de omgeving wandelen, ze bezoeken de pope van een kerk, ontmoeten wat pubers in een bos en bezoeken een psychiatrisch ziekenhuis met bijbehorend mortuarium en kerk. De teksten vormen geen doorlopend verhaal, maar springen heen en weer.
    Littell en D’Agata bezoeken Boetsja aan de hand van een plattegrond van de slachtingen uit de New York Times van 11 april 2022. Het resultaat is zo’n vijftig pagina’s van hun eigen onderzoek op die plekken, gesprekken van ooggetuigen als een soort ‘evidence-based journalism’ of ‘oral history’. De gruwelijke verhalen zijn per huisnummer in de Vokzalna- en Iabloenskastraat opgeschreven. De slachtoffers zijn maar een deel van de ruim 600 vermoorde inwoners. Het verschil tussen Babi Jar en Boetsja is volgens Littell dat in Boetsja ‘de hele stad was getransformeerd tot lijkenhuis.’

    Systeem van strategisch geweld

    Na Boetsja ‘zoomen ze uit’ en bezoeken het dorpje Motyzjyn, waar dominee Oleh Bondarenko de leiding had over een centrum voor alcohol- en drugsverslaafden. Hij werd gemarteld door Russische troepen omdat ze door een misverstand bij de Russische militaire inlichtingendienst dachten dat hij wist waar Oekraïense commando’s zich verborgen hielden. Een actie die  deel uitmaakt van het systeem van strategisch geweld om tegenstanders uit te schakelen. De Russische soldaten kregen opdracht ‘niemand gevangen te nemen maar ze meteen neer te schieten’ en ‘het maakt niet uit of het burgers zijn of niet, schiet iedereen dood.’ Het geweld door de Russen in de bevrijde Oekraïense steden was volgens Littell gebaseerd op deze logica.

    De inwoners van Boetsja geven de schuld van deze wreedheden aan de Boerjaten, een berooide Siberische bevolkingsgroepen die zijn gerekruteerd voor de brigade in de Kiev regio en uit klassenrancune hun woede zouden uiten. Een Russische soldaat vertelt aan zijn moeder in een telefoongesprek: ‘Niet te geloven! Ze hebben hier warm water, wc-potten van porselein.’
    Op een muur in de buurt van Kiev staat een Russische grafitto: ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven het er zo goed van te nemen?’ Duizenden computers, televisies, fietsen en huishoudelijke apparaten werden in vrachtwagens van het leger getransporteerd naar Belarus en vervolgens naar Rusland. Bij de plunderingen en andere wreedheden wordt Littell bevangen door een ‘een zwart gat in zijn denken’, maar ook weet hij, ‘het zijn normale mensen die dit hebben gedaan.’ Om te kunnen bevatten wat er is gebeurd, leest en citeert hij John Steinbeck en Paul Celan die over de Tweede Wereldoorlog schreven.

    In het fragment ‘Geschiedenisles’ laat Littell zien dat eind 19e eeuw iedere Oekraïenstalige publicatie in het Russische rijk al was verboden. En Poetin hield drie dagen voor de inval een tv-toespraak waarin hij beweerde: ‘Oekraïne is niet gewoon een aangrenzend land, het is een onvervreemdbaar deel van onze eigen geschiedenis, cultuur en spirituele ruimte.’ Ook noemde hij ‘denazificering’ als doel van zijn ‘speciale operatie’. Littell haalt hier de woorden aan van historicus Timothy Snyder: ‘In het denken van Poetin  en zijn regime is een nazi een Oekraïener die weigert toe te geven dat hij een Rus is.’

    Tweede Wereldoorlog en de huidige oorlog

    Bij ‘Nr 134’ staat weer een korte tekst:’We waren nog niet klaar met Babi Jar, we moesten opnieuw. Niet alles kan in één dag.’ In 2002 was Littell hier al geweest voor een ander boek en hij ontmoette Roevin Sjteyn, een overlevende van Babi Jar. Sjteyn is intussen overleden, maar zijn verhaal is te zien in een film in het Spielberg Project van de Shoah Foundation. Als vijftienjarige wist hij te ontsnappen aan zijn groep door een buis in te glippen die onder de weg doorgaat. Door dat verhaal komen Littell en D’Agata terecht bij een restant van een Joodse begraafplaats en Mortuarium nr 1, de hoofdvestiging voor gerechtelijke-geneeskundige expertise van de stad Kiev. Na de inval van Rusland zat de kelder vol mensen met langs de muren opgestapelde lijken. Na een lijkenruil met Rusland kwamen er 120 lijken binnen van de Azovstalfabriek die geïdentificeerd moesten worden. Hier lopen de verhalen van de Tweede wereldoorlog en de huidige weer door elkaar.

    In de laatste prozastukken veel verhalen over bijvoorbeeld Russisch en Oekraïens antisemitisme. Over de OOeN (Organisatie van Oekraïense Nationalisten), een ‘racistische, antisemitische en weldra fascistoïde groep’ schrijft Littel. De OOeN wilde weliswaar een onafhankelijk Oekraïne, maar voerden pogroms uit tegen de Joden waarbij zo’n twintigduizend slachtoffers vielen. Verhalen over Olena Teliha, een bekende dichteres die een vurig bewonderaar van Mussolini en Hitler was, over een andere nationalistengroep, de Oekrajinska Povstanska Armia (OePA) die in Volhynië tussen de veertig- en zestigduizend Polen heeft vermoord en in Galicië nog eens vijfentwintigduizend. Over Stepan Bandera, één van de leiders van de OePA (Oekraïense Opstandelingenleger 1942-1956), wordt in Oekraïne nog steeds een cultus gewijd. Veel Oekraïeners kennen de geschiedenis van Bandera en zijn organisatie slecht. Littell ontmoette voormalig ultra-nationalist Dmytro Reznitsjenko voor de Russische inval. Reznitsjenko vertelt over zijn bizarre ervaringen vanaf de Oranje revolutie (2004) met nationalistische groeperingen, maar heeft uiteindelijk ‘de progressieve waarden erkend’.

    Littell sprak ook met een priester van een buurtkerk die hem vertelde dat het zelfmoordcijfer in de wijk het hoogste in de stad is. Hij denkt dat het komt doordat de tragedie van Babi Jar niet is verwerkt. ‘We dachten niet dat er een oorlog zou komen… de landen van de Sovjet-Unie zijn niet door een fase van berouw gegaan. En dus moest het vroeg of laat tot een uitbarsting komen.’ Op het laatst geeft Littell aan de hand van wandelingen in de omgeving een beeld van het ravijnengebied van Babi Jar en schrijft als een variant op een de werken van Heraclites, over de betonnen afvoerbuizen die door de gemeente zijn geplaatst om het water onder controle te houden: ‘De afvoerbuizen bestaan nog steeds, de beek van Babi Jar stroomt nog steeds: het is nooit hetzelfde water , maar nog altijd dezelfde beek’.

  • Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Duistere kanten van het menselijk bestaan

    Om de zoveel tijd komt  een ervaren lezer wel eens een boek tegen waarvan de bedoeling hem niet helemaal duidelijk is. Ofwel heeft hij er niets van begrepen, ofwel is het precies de bedoeling van de auteur om verwarring te scheppen en de lezer aan het denken te zetten. Dat laatste is waarschijnlijk de opzet van het nieuwste boek van de Amerikaans-Franse schrijver Jonathan Littell. Een oude geschiedenis liet lang op zich wachten. Littell teerde nog voort op het gigantische succes van zijn controversiële De Welwillenden, winnaar van de Prix Goncourt in 2006, wat hem meteen een plaats bezorgde bij de nieuwste generatie van topauteurs.

    Littell zat de voorbije twaalf jaar echter niet stil, maar schreef vooral non-fictiewerk over zijn ervaringen in oorlogsgebieden als de Balkan, Tsjetsjenië en Syrië. In De Welwillenden voerde Littell de perverse Max Aue op, de SS-officier die de grootste gruwelen niet uit de weg ging. Tegen wil en dank ging de lezer zich identificeren met deze verdorven geest. Dat kon omdat Littell, ondanks alle ziekelijke gebeurtenissen, de lezer meenam in een verhaal waarin hij duidelijk wilde maken tot wat de mens, in de persoon van een nazi, in staat is.

    Verontrustende leeservaring

    In Een oude geschiedenis gaat Littell een stapje verder. Hij schreef een eerste versie van het boek in 2012 die bestond uit twee hoofdstukken. In deze Nieuwe versie, de subtitel van zijn roman, breidt hij het uit tot zeven hoofdstukken, omdat hij ‘op een dag merkte dat de tekst, als een geest, op raadselachtige wijze door bleef werken. Ik moest dus opnieuw beginnen met schrijven, alsof er nog geen boek was. Vreemde ervaring.’ Vreemd is het ongetwijfeld ook voor de lezer die geconfronteerd wordt met een verontrustende en onrustige leeservaring waarin alle donkere kanten van het menselijk bestaan naar boven gehaald worden.

    De zeven hoofdstukken volgen allemaal dezelfde structuur. Elk hoofdstuk bestaat nog eens uit vijf al dan niet geconnecteerde onderdelen waardoor je een soort van muzikale compositie krijgt van vijfendertig stukjes die eigenlijk variaties zijn op hetzelfde thema. Veel ingrediënten komen telkens terug: een elektrische stroomstoring, een reproductie van De dame met de hermelijn, appels, dekbedovertrek met een afbeelding van groen gras, borden vol rauwe vis en gekonfijte groenten, een groen-met-goudgeel deken, en zo kunnen we nog even doorgaan. Elk hoofdstuk begint en eindigt ook op dezelfde manier. Het ik-personage komt uit het zwembad, dwaalt in een lange, kromme gang en ontwaart plots een blinkende deurklink waardoor hij in een heel andere ruimte komt. De 35 stukjes spelen zich telkens af in een andere ruimte na het openen van een deur. Op het einde van elk hoofdstuk belandt het personage opnieuw in het zwembad, wat gerust gezien mag worden als een vorm van loutering na de ‘avonturen’ die hij heeft meegemaakt.

    Machtswellust

    Het hoofdpersonage wisselt ook telkens: nu eens een man, dan weer een vrouw, dan een kind, verschillende genderfluïde personages, maar telkens worden ze geconfronteerd met hetzelfde: ze komen in een wereld terecht waar de chaos overheerst en worden het slachtoffer van de manipulaties van anderen (of van de schrijver?) en hun eigen onzekere seksuele identiteit. De ruimtes lijken gevuld met psychopaten die het beste van zichzelf geven. Het is alsof Littell ‘la condition humaine’ in zijn meest duistere vorm tracht vast te leggen en de lezer om de oren wil slaan met zijn visie over het menselijk bestaan. De mens is een verdorven machtswellusteling, lijkt hij te willen zeggen. Alles draait om macht en wellust en de personages bevinden zich ofwel in  een machtspositie of in een onderdanige positie, al toont hij ook aan dat dit snel kan wisselen.

    Identificatie onmogelijk

    Seksscènes verworden tot gewelddadige pornoscènes, het seksuele genot draait uit op sadistische machtspelletjes waarbij hij het grove geweld niet uit de weg gaat. Bloed, sperma en stront spatten van de pagina’s om de lezer niet tot identificatie te laten komen, maar om hem eerder een gevoel van afschuw en walging te geven, alsof hij daarmee zijn grote gelijk wil halen. Identificatie is dus niet mogelijk, en dat maakt het zo moeilijk om in dit boek te geraken. De vervreemding zorgt ervoor dat de lezer af en toe, toegegeven ook uit misprijzen, het werk aan de kant moet leggen, maar toch is er iets wat hem ertoe dwingt het weer op te nemen. Ook de stijl draagt bij tot die vreemde leeservaring: Littell gebruikt een uiterst koele, zakelijke stijl die zeer precies en gedetailleerd is en waar alle emoties nauwkeurig uitgefilterd zijn. Deze klinische, zintuiglijke vorm van schrijven maakt het geheel nog afstandelijker waardoor de lezer geen kans krijgt om zich betrokken te voelen. De vele avonturen vol seks en geweld zijn vooral gericht op een mix tussen lust en afschuw, al lijkt het laatste absoluut de overhand te krijgen. Littell drukt de lezer met de neus op de feiten of liever: lijkt zelf een neus te zetten naar de lezer.

     

  • Een indringende ervaring

    Een indringende ervaring

    Een paar jaar geleden bracht ik, samen met mijn dochter, een bezoek aan het Memorial Museum of Paneriai, zo’n 10 km van Vilnius in Litouwen. Daar zijn tussen 1941 en 1944 ongeveer 100.000 mensen in koelen bloede vermoord door Duitsers en Litouwers gezamenlijk, waaronder zo’n 70.000 Joden. De gedenkplaats ligt verscholen in het bos en bestaat, naast een aangrijpend museumpje en wat smakeloos protserige sovjetgedenkzuilen, uit een serie eenvoudige betonnen cirkels in het gras. Dit waren de kuilen op de randen waarvan de joden dagelijks moesten plaatsnemen om gefusilleerd te worden. Iemand heeft, verscholen in een hut in het bos, in een dagboek dagelijks het aantal transporten bijgehouden en genoteerd hoe lang het schieten elke dag duurde. Soms ontsnapten er mensen. Ze vluchtten opzettelijk alle kanten uit. Dan volgde er een wilde achtervolging door het bos. Misschien dat er één was die het haalde. In zijn roman Steen op Steen maakt de Poolse schrijver Wiesław Myśliwski gewag van zo’n ontsnapping elders. Bij één van de cirkels staat vermeld dat deze gebruikt werd om, na de slag bij Stalingrad, de weer opgegraven restanten van de lijken te verbranden om elk bewijs van de gruweldaden uit te wissen. Schuldig??? Daar moeten gezichten bij passen!!!

    Doodgewone mensen
    Nadat Hannah Ahrendt zich al beziggehouden heeft met de opmerkelijke gewoonheid, saaiheid en geborneerdheid van de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann, behoort de indrukwekkende studie Ordinary Men van Christopher Browning over de leden van het Reserve Police Battalion 101 inmiddels tot de klassiekers op het gebied van de psychologische analyse van de holocausters. Hierin wordt beschreven hoe doodgewone Duitse politiemannen van middelbare leeftijd, die nog nooit een kogel hadden afgevuurd op enig levend wezen, uitgroeiden tot koelbloedige massamoordenaars. Hier ligt de band met het boek van Jonathan Littell,  De Welwillenden: Net als bij Littell begint ook de Max Aue van Guy Cassiers, gespeeld door Hans Kesting, met de mededeling dat iedereen die dit niet gelooft, beter de zaal kan verlaten.

    Iedereen had Obersturmführer Max Aue kunnen zijn
    Net als bij Littell begint ook de Max Aue van Guy Cassiers, gespeeld door Hans Kesting, met de mededeling dat iedereen die dit niet gelooft, beter de zaal kan verlaten. Alles draait natuurlijk om deze vragen: Zou ik ook zo hebben gehandeld in dat soort omstandigheden? Kan ik dientengevolge begrip opbrengen voor Max Aue? Voor je eigen daden kan je waarschijnlijk altijd wel begrip opbrengen. Als je voor iemands daden begrip op kunt brengen, ben je dan ook al niet bezig die daden een beetje te vergoelijken en, wil je dat eigenlijk wel? Moet je dat eigenlijk willen? Had ik dan toch de zaal moeten verlaten? Max Aue is tenslotte geen gepatenteerde psychopaat. Hij is ook zeker niet gewetenloos. Nee, Max Aue is een gewone man met eigenschappen die doorgaans in elke samenleving kunnen rekenen op veel waardering. Hij is verstandig, loyaal aan zijn omgeving, gezagsgetrouw maar houdt er wel degelijk ook eigen principes op na en toch is hij ook een massamoordenaar. Hans Kesting zet een prachtig indrukwekkende Max Aue neer, voortdurend worstelend met zichzelf, waardoor de inleving optimaal is. Dat is toch het hoogst haalbare wat je als acteur wilt bereiken, maar…., wil ik dat wel? Dit is precies wat Guy Cassiers voor ogen stond in zijn regie toen hij dit boek voor een toneelbewerking op de rol zette: de angst voor het antwoord.

    Toch is Max Aue, getuige de studie van Christopher Browning, beslist geen representatieve figuur. De meeste massamoordenaars waren gewone, brave huisvaders, met maar één principe: zelf proberen te overleven in moeilijke tijden. Juist de voortdurende worsteling met gewetensvragen maakt Max Aue intellectueel wel interessant, maar minder representatief en dus voor een antwoord op de vraag; ‘Wat zou ik zelf hebben gedaan?’ extra gecompliceerd. Ben ik eigenlijk zelf ook zo’n gecompliceerde man of toch meer die gewone, brave huisvader?

    Hans Kesting
    Hoewel Hans Kesting in zijn rol tot superbe hoogten stijgt, lijkt dit op het eerste gezicht minder te gelden voor zijn medespelers. Toch lijkt er hier sprake van opzet van Cassiers. Zij zijn eigenlijk decor, meer niet. Dit wordt nog geaccentueerd door de soms wat karikaturale weergave van personen, bijvoorbeeld van de ‘Schreibtischmörderer’ Adolf Eichmann, maar ook door de gehandicapte kwade genius dr. Mandelbrod die een beetje doet denken aan dr. Strangelove uit de gelijknamige film. Dit licht karikaturale element maakt de hele setting nog absurdistischer. Gelukkig blijft dit binnen aanvaardbare grenzen en is het erg knap bedacht en uitgevoerd. Dit geldt ook voor het echte decor, een wand vullende archiefkast als symbool van de ‘Schreibtischmörderer’. Ik moest onwillekeurig denken aan de kampcommandant van Westerbork die keurige statistieken bijhield van de input en output van zijn kamp in de vorm van staafdiagrammen, maar ook aan de behulpzame Nederlandse ambtenaar, die, om verwarring te voorkomen, bij de lijst van de bij een op transport gestelde Joodse familie in beslag genomen goederen af en toe de Duitse benaming van een object toevoegde.

    Guy Cassiers heeft vorm gegeven aan een van de meest indrukwekkende stukken van de laatste jaren. Klasse!

     

    Gezien: Stadsschouwburg Utrecht
    De Welwillenden door Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam
    Naar het boek van Jonathan Littell, regie Guy Cassiers
    Nog te zien tot 22 juni in o.a. Rotterdam en Breda.
    Daarna in theaters en op festivals in Istanbul, Rome, Montreuil, Girona en Amiens

     

  • Overwegingen halverwege een boek – deel 2

    Meer dan duizend bladzijden telt de veelgeprezen biografie van Hitler geschreven door de Engelse historicus Ian Kershaw. Ik ben nu over de helft en hoewel ik bekend was met de grote en minder grote lijnen van de Tweede Wereldoorlog met al zijn gruwelijkheden, sla ik toch soms met verbijstering het boek tijdelijk even dicht.

     

    Hitler

    Meer dan duizend bladzijden telt de veelgeprezen biografie van Hitler geschreven door de Engelse historicus Ian Kershaw. Ik ben nu over de helft en hoewel ik bekend was met de grote en minder grote lijnen van de Tweede Wereldoorlog met al zijn gruwelijkheden, sla ik toch soms met verbijstering het boek tijdelijk even dicht

    Kershaw vertelt indringend, feitelijk en met een oog voor details die er toe doen. Hij staat niet langer bij gebeurtenissen stil dan strikt noodzakelijk en klopt nergens het drama op. Aan psychologie, of wat daar voor door moet gaan, doet hij gelukkig niet. De frustraties, de woede, de haat waaruit Hitler voor een groot deel lijkt te bestaan, blijft voor een groot deel onbegrijpelijk en zal dat ook altijd blijven. Onbegrip maakt nu eenmaal onderdeel uit van verontwaardiging, afschuw en verbijstering.

    Ik begon aan Kershaws biografie nadat ik de roman HhhH van Laurent Binet had gelezen die momenteel erg in de belangstelling staat. HhhH staat voor Himmlers hersenen heten Heydrich een zinnetje dat in het oorspronkelijke Duits ook vier H’s oplevert.

    Reinhard(t) Heydrich (de ‘t’ wordt in de loop van zijn leven uit zijn voornaam geëlimineerd) was de gevreesde leider van de Duitse geheime politie, de SD, en vanaf 1942 ook Reichsprotektor van het protectoraat Bohemen en Moravië, zoals het bezette Tsjechië genoemd werd. Binet vertelt in korte paragrafen het levensverhaal van Heydrich die in de oorlog uitgroeide tot één van de machtigste Nazi’s. Parallel daaraan vertelt hij hoe vanuit Londen de Tsjechische regering in ballingschap een aanslag op de Reichsprotektor beraamt. Twee mannen, een Tsjech en een Slowaak worden voor deze missie getraind en in hun vaderland gedropt. Deze twee verhalen komen bij elkaar in een bloedstollende beschrijving van de aanslag die heel anders loopt dan iemand voor mogelijk had gehouden.

    Binet voorziet zijn verhaal over de moordaanslag op Heydrich van allerlei commentaar. Hij probeert een roman te schrijven maar wil daarbij ten koste van alles fictie vermijden. Alles moet zo dicht mogelijk bij de feiten blijven en daar heeft hij het moeilijk mee. Fictie en werkelijkheid bijten elkaar. Binet maakt zich druk om tal van kleinigheden. Dialogen die hij eerst opschrijft verwerpt hij even later weer omdat hij niet met zekerheid kan zeggen of die woorden in werkelijkheid wel uitgesproken zijn. Hij betrekt andere romans, films en allerlei historisch materiaal bij het becommentariëren van zijn zojuist opgeschreven verhaal. Binet wil over de jaren heen springen er alsnog bij zijn. Hij wil getuige zijn van een moment in de geschiedenis dat hem al jaren bezig houdt. Verbeelding mag hem daarbij niet helpen.

    Van deze worsteling tussen feit en fictie doet Binet voortdurend verslag en ondertussen vertelt hij met horten en stoten een verhaal dat uitermate spannend en onderhoudend blijkt te zijn. Door al die onderbrekingen is het een onorthodoxe manier van vertellen die vreemd genoeg werkt. Het boek verliest nergens tempo en leest als de spreekwoordelijke trein.

    Kershaws verhaal over Hitler is puur feitelijke geschiedenis. Bij hem geen opmerkingen over de zoektocht naar historische feiten en de moeilijkheden van fictieve dialogen en gebaren. Maand voor maand loop je aan Kershaws schrijvende hand mee door de waanzin van Hitlers leven. De fascinatie die je ondergaat bij het lezen over Heydrich in HhhH ervaar je af en toe ook bij Kershaws Hitler. Hoe meer je te weten komt over de drijfveren van deze twee Nazi’s hoe minder je ze lijkt te begrijpen. Eigenlijk moet je rationeel begrip gewoon tijdelijk achterlaten als je dergelijke boeken leest.

     

    Hitler
    Auteur: Ian Kershaw
    Uitgeverij: Spectrum (2011)

    HhhH

    Lezende in Kershaw viel het me op hoezeer Binet zijn geschiedenis manipuleert. Zijn pogingen om bij de feiten te blijven, blijken toch wel degelijk een vorm van fictie te zijn. Niet dat hij onwaarheden vertelt, of zaken verzint. Maar hij benadrukt sommige feiten en kiest er voor anderen niet te vertellen. Natuurlijk, dat doet elke schrijver in meer of mindere mate, maar in Binets roman is het wel heel effectief. Het resultaat is namelijk een epos in de klassieke zin van het woord; een verhaal tussen goed en kwaad.

    Het kwaad in HhhH is samengebald in de figuur van ‘het blonde monster’ Heydrich. Het goede wordt vertegenwoordigd door de verzetshelden die het monster moeten doden. Wat Binet met al zijn commentaar voortdurend benadrukt is dat dit een waar gebeurd verhaal is. Over het epische karakter van deze geschiedenis zwijgt hij en dat is merkwaardig omdat juist zijn verhaal een draai geeft die aan fictie doet denken. Geen enkele keer maakt hij zich zorgen of hij het goed niet teveel bewierookt en het kwaad niet teveel ontmenselijkt. Binet maakt zich wel druk om de kleur van een auto in Jonathan Littels De welwillenden maar reflecteert niet over de heldenverering van zijn verzetsmensen en de vergelijking tussen Heydrich en het monster van Frankenstein.

    Nu valt er niets te overdrijven aan de gruwelijkheden van Heydrichs terreurbewind en ook aan de moed van de verzetsstrijders kun je weinig afdoen. Maar toch bekroop me tijdens het lezen van Kershaws biografie het idee dat Binet hier iets had laten liggen.

    Binet en Kershaw beschrijven allebei de eerste uitbreidingen van het Derde Rijk: de Anschluß met Oostenrijk, de bezetting van Sudetenland en het binnenvallen van Tsjechië. In HhhH is Tsjechië een slachtoffer dat in de steek gelaten wordt door Frankrijk en Engeland, dat de kracht niet heeft om ook maar iets tegen de Duitsers te beginnen. Aan dat beeld kun je weinig afdoen maar het is duidelijk dat Binets sympathie bij de Tsjechen ligt. Hij benadrukt zijn liefde voor de Tsjechen herhaaldelijk in zijn persoonlijke commentaren. Zo wordt Praag de mooiste stad van de wereld genoemd en weten we dat Binet als leraar een tijdje in Tsjechië gewerkt heeft. Tsjechië wil ‘niets meer zijn dan een kleine, vredelievende natie’ en het Slowaakse Koŝice heeft de hoogste concentratie mooie meisjes ter wereld.

    Kershaw vertelt een aantal details dat het zuivere beeld van Tsjechië wat doet verkleuren. Als de Duitsers Oostenrijk binnen trekken proberen de Joden de grens met Tsjecho-Slowakije over te steken. Een trein vol doodsbange joden (op de Oostenrijkse stations waren ze door Hitler-aanhangers gemolesteerd) wordt door de Tsjechen zonder pardon terug gestuurd.

    Na Oostenrijk was Hitlers volgende stap om Sudetenland bij Duitsland in te lijven. Hij krijgt het uiteindelijk in 1938 van Engeland, Frankrijk en Italië cadeau, zonder dat Tsjechië, waar het onderdeel van uitmaakt, er iets over te zeggen heeft. De Engelse premier Chamberlain maakt zich na deze historische blunder aan Hitler onsterfelijk belachelijk door zijn Peace-in-our time-toespraak. Binets verontwaardiging over deze affaire kun je dan ook gemakkelijk navoelen.

    Maar opnieuw merkt Kershaw iets op dat je aan het denken zet. De Joden proberen nu massaal Sudetenland te ontvluchten en de Tsjechische grens over te steken en ook zij worden door de Tsjechen tegen gehouden. Waren ze tot voor kort nog gewoon burgers van Tsjechië, na de overdracht van Sudetenland aan Duitsland zijn ze daar niet meer welkom.

    Dat was voor mij aanleiding eens op het internet te zoeken om te kijken hoe het nu precies ook al weer zat met Sudetenland vlak na de oorlog. Ik vond een artikel dat nauwkeurig de de uitzetting van de Duitse bevolking door de Tsjechen beschrijft. Daarin is te lezen hoe naar aanleiding van de terreurdaden van Heydrich het Tsjechische verzet ook ernstig radicaliseerde. Vanaf 1941 begon de Tsjechische regering in ballingschap plannen te maken om na de bezetting alle Duitsers het land uit te gooien. De Britten en Amerikanen verzetten zich eerst tegen dat idee maar gaven na druk van Stalin in 1943 toe. Aan het eind van de oorlog verkondigde de Tsjecho-Slowaakse regering dat alle Duitsers in principe verantwoordelijk worden gehouden voor alle begane oorlogsmisdaden door de bezetter. Uitzonderingen werden alleen gemaakt voor Duitse Tsjechen die zich hadden verzet tegen de Nazi’s.

    Bedenker van die maatregelen was de Tsjecho-Slowaakse president in ballingschap Edvard Beneŝ. Het waren de naar hem genoemde Beneŝ-decreten die de wettelijke basis vormden voor een gruwelijke, etnische zuivering die in mei 1945 werkelijkheid werd. Ongeveer drie miljoen Duitsers en Hongarije waren het slachtoffer. Duizenden, waaronder jongens en meisjes vanaf 14 jaar, kwamen in werkkampen terecht. Meer dan drie miljoen Duitsers werden zonder pardon de hernieuwde Tsjecho-Slowaakse republiek uitgezet. Pas in 1990 bood de Tsjechische Václav Havel excuses aan voor de begane gruweldaden.

    In HhhH is Beneŝ de grote man achter de aanslag op Heydrich, een eenzame strijder die machteloos toe ziet hoe zijn volk geterroriseerd wordt. De nietsontziende wraak van de Tsjechen is buiten het verhaal gehouden en het zou ook het epische karakter van de roman verstoren. Wat smetteloos wit is in HhhH blijkt in werkelijkheid minstens een grijs randje te hebben.

    Had Binet dan al deze gebeurtenissen moeten noemen? Misschien wel, misschien niet. Ik ben er nog niet uit. Natuurlijk heeft Binet zich beperkt tot een verhaal dat hem fascineerde en daarbij hoort nu eenmaal het weglaten van tal van feiten. Maar juist omdat hij zich ook zo druk maakt om de relatie tussen fictie en werkelijkheid doen deze verzwegen feiten er wel degelijk toe. Is het kwaad dat door het goede wordt verslagen een werkelijke geschiedenis of is het toch een vorm van fictie? Is de feitelijke geschiedenis zelf niet veel grijzer dan wij hem graag zouden willen zien? Is het vertellen van een geschiedenis niet het vertellen van een verhaal en kunnen we dat niet zonder verbeelding doen?

    Hoewel ik ademloos zijn roman heb uitgelezen, nu ik Kershaw lees en mij dieper in de geschiedenis ingraaf, raak ik er van overtuigd dat Binet aan de oppervlakte is blijven hangen en iets wezenlijks heeft gemist. Ik neig ernaar te zeggen dat de roman is mislukt, maar vol overtuiging durf ik dat nog niet te zeggen.

    Die andere grote Franse roman over de Tweede Wereld Oorlog, De Welwillenden (2006) van Jonathan Littell is van een geheel andere orde dan HhhH. De twee zijn vaak vergeleken en Binet maakt in HhhH ook kritische opmerkingen over Littels roman, die uitkwam toen hij ermee bezig was. Ook van Littels roman kun je beweren dat deze is mislukt, maar dan wel op een grandioze manier. Littell probeert de verschrikking te beschrijven vanuit het perspectief van een fictieve dader. Hij laat de lezer door de ogen van een dader kijken en probeert zijn vinger achter het onbegrijpelijke kwaad te krijgen. Bij Binet is het kwaad een echt bestaand monster dat door een waar gebeurde aanslag aan zijn einde komt. Littell probeert met allerlei kunstgrepen het enorme kwaad menselijk te maken, Binet probeert het niet eens.

    Littels poging is blij vlagen ongemakkelijk, vreemd, onbegrijpelijk en onbehaaglijk. Het is een roman die geprezen en vervloekt is, waar mensen bewonderend naar opkijken en woedend over hebben geschreven. Dat alles kun je van HhhH niet zeggen. Het is geprezen en bewierookt en voelt naar mijn weten bij niemand ongemakkelijk. Desondanks lees ik liever nog een keer een mislukte Littell dan een spannende Binet. Maar eerst verder met een tot dusver erg goed gelukte biografie van Kershaw.

     

     

    HhhH
    Auteur: Laurent Binet
    Uitgeverij: J.M. Meulenhoff