• Reis zonder bestemming

    Reis zonder bestemming

    Mercier en Camier zijn twee vrienden die, om niet genoemde redenen, de stad uit willen en doelloos wat rondwandelen met een fiets, een paraplu en een rugzak om uiteindelijk weer terug te keren naar waar ze vandaan kwamen. 

    De Ierse schrijver Samuel Beckett (1906 – 1989) won in 1969 de Nobelprijs voor literatuur. Daarna wilde zijn uitgever natuurlijk snel nieuw werk van hem publiceren. Hij had alleen niets liggen, behalve een jeugdwerk uit 1946, dat hij in het Frans had geschreven, maar waarin geen uitgever geïnteresseerd was geweest. Hij bewerkte dit jeugdwerk, Mercier et Camier, en versimpelde en schrapte enorm. In 1970 verscheen de Franse versie. Becket had Frans, Italiaans en Engels gestudeerd en was leraar in Parijs. Hij schreef vooral in het Frans, omdat hij dan “stijllozer” kon schrijven, daarna vertaalde hij zijn werk naar het Engels. 

    Eerder aftrekken dan optellen

    Tijdens de oorlogsjaren woonde hij op het Franse platteland en voor de natuurbeschrijvingen liet hij zich graag inspireren door zijn omgeving. De novelle Mercier en Camier was zijn eerste poging tot uitgebreider proza. In 1974 kwam pas zijn Engelse versie uit, waarin hij nog veel meer had  weggelaten en versimpeld, zoals citaten en dialogen.

    ‘Ze gingen naar buiten. Het waaide.
    Regent het nog steeds? zei Mercier.
    Op het moment niet, lijkt me, zei Camier.
    En toch zit er vocht in de lucht, zei Mercier.
    Als we niets te zeggen hebben, zei Camier, laten we dan niets zeggen.
    We hebben dingen te zeggen, zei Mercier.
    Waarom zeggen we ze dan niet, zei Camier.
    Dat kunnen we niet, zei Mercier.
    Laten we dan zwijgen, zei Camier.’

    Beckett was een groot bewonderaar van tijd- en landgenoot James Joyce. Toch probeerde hij naarstig zijn eigen stijl te vinden. Waar Joyce bezig was met ‘meer weten, je materiaal beheersen en toevoegen’ realiseerde Beckett zich dat zijn eigen weg in de verarming lag, ‘in het ontbreken van kennis en in het weghalen, eerder in aftrekken dan in optellen’ zo schrijft hij aan zijn biograaf James Knowlson.

    Herenleed

    In Becketts latere werk zijn de personages zielige wezens met weinig bezittingen, hij reduceert ze tot stemmen met innerlijke kwellingen uit hun vorige leven, zodat ze zich in hun huidige bestaan ​​staande kunnen houden. Ze herhalen zichzelf totdat uiteindelijk ook hun stem, hun laatste overblijfsel van menselijkheid, verstomd is. Er is nauwelijks een waarneembare setting, geen verband met een echt bestaan, en schijnbaar geen plot. In Mercier en Camier is dat nauwelijks anders. De vrienden reizen en zijn op zoek naar iets wat ze niet weten te duiden. De sfeer is bizar, maar ook somber en soms sarcastisch. En uiteindelijk komisch met een hoog “Herenleed” gehalte. Het zou me niet verbazen als Armando en Cherry Duyns beïnvloed waren door Beckett. 

    Interessant is dat er een derde persoon met de heren lijkt mee te reizen. Een zeer onbetrouwbare verteller, die het verhaal opent met: ‘De reis van Mercier en Camier is er een waarover ik vertellen kan, als ik wil, want ik was de hele tijd bij ze.’ Deze ik komt niet meer terug, maar sluimert wel op de achtergrond en zou heel goed Becket zelf kunnen zijn. Of misschien is het Watt, het hoofdpersonage uit Becketts gelijknamige roman, of een ander personage uit zijn boeken. Na die eerste zin trekt de ik zich terug en gaat het verhaal verder in de derde persoon. Steeds na twee hoofdstukken geeft de verteller met steekwoorden een samenvatting van de gebeurtenissen, wat bijdraagt aan de stijlloosheid en de versimpeling van het verhaal, waarbij ook de kracht van de herhaling speelt.

    Het geluid dat overblijft in het duister

    Eerst is er de tamelijk hilarische poging van Mercier en Camier om elkaar te ontmoeten. Ze lopen elkaar steeds net een paar minuten mis. Als ze elkaar eindelijk hebben gevonden – ‘Ze bevonden zich nog in elkaars armen toen de eerste regendruppels met een oriëntaalse abruptheid neerkwamen’ – schuilen ze onder een pagode in een stadsparkje, naast copulerende honden, wat een verwijzing is naar Dante’s Goddelijke Komedie. De volgende dag wordt de reis dan echt aangevangen. Ze nemen een fiets, een paraplu en een rugzak met eten mee. Ze converseren, ruziën, wandelen hand in hand, ergeren en verbazen zich. Prostituee Helen, met de sprekende papegaai, is een thuishaven, maar is nauwelijks een personage te noemen. Ze heeft geen stem, zoals vrouwen nooit een sprekende rol hebben in de romans van Beckett. De fiets blijft achter bij de eerste pub die ze onderweg tegenkomen. Als ze er na hun reis weer terugkomen is alleen de fietspomp nog over. De rugzak verdwijnt en de paraplu speelt nog een aanzienlijke rol vooraleer hij onbruikbaar wordt weggesmeten.

    Om dit boek op waarde te kunnen schatten, verdient het aanbeveling om met het nawoord van vertaalster Jona Hoek te beginnen. Beckett zou voor dit verhaal geïnspireerd zijn geweest door De Goddelijke Komedie van Dante. Heel losjes en willekeurig beschrijft hij Mercier en Camiers reis tussen hemel, hel en vagevuur, met dit verschil dat waar Dante en Vergilius bewust op zoek waren, Mercier en Camier geen idee hebben van hun doel en bestemming.  

    Waar Dante in De Goddelijke Komedie een lofzang uit op het eeuwige licht, beschrijft Beckett juist het geluid dat overblijft in het duister, zoals de laatste zin zegt: ‘En in het donker kon hij ook beter horen, hij kon de geluiden horen die de lange dag voor hem verborgen had gehouden, het gemurmel van mensen bijvoorbeeld, en de regen op het water.’ 

    Beckett was een zonderlinge eenling, wat ook sterk terugkomt in zijn boeken. Hij hield niet van publiciteit en creëerde een mysterie rond zijn persoon. Hij is vooral bekend van Wachten op Godot en Watt. Mercier en Camier is wellicht niet zijn beste werk maar wel zijn meest toegankelijke. Waarmee deze onlangs vertaalde novelle een uitstekende kennismaking is met de eigenzinnige en tijdloze schrijver.  

     

  • Hoeders van El Hacho

    Hoeders van El Hacho

    De berg El Hacho maakt onderdeel uit van de Sierra de Grazalema, een bergketen in Andalusië in Zuid-Spanje. Het is een ruig gebied waar het zomers heel heet kan zijn en waar in het najaar veel regen valt. De dunbevolkte streek met amandel- en olijfboomgaarden ligt ten noorden van Malaga. Luis Carrasco situeert hier zijn debuutroman El Hacho die in 2018 in het Engels verscheen. Jona Hoek maakte voor Uitgeverij Koppernik een prima vertaling en gaf het de titel Het hellen van een leven mee. Anna Raspopova voorzag de roman van een mooi omslag met een gestileerde olijfboom.

    De korte roman beschrijft in zestien hoofdstukken hoe twee broers Curro en Jose-Marie (Marie) met de erfenis van hun voorouders omgaan: een olijfboomgaard tegen de helling van de berg El Hacho. Samen bewerken zij het land van hun ouders in de verzengende hitte van de zomerzon. Zij kunnen leven van de opbrengst van de boomgaard. Curro woont met zijn vrouw in het voorouderlijk huis en Jose-Marie in een dorpje verderop.
    Het boek opent met een herinnering van Curro aan het bezoek van een man uit Malaga, in het boek omschreven als de Malagueño, die bij de vader van de broers langskomt met een bod op de olijfboomgaard op El Hacho. In de woorden van de man: ‘De berg is voor ons meer waard in steen dat het u ooit aan vruchten zal opleveren.’ Maar de vader wijst het bod af.  ‘Zou u een slager vragen om zijn hakblok te verkopen, zei hij, of een timmerman zijn beitel en schaaf? Zonder die bomen ben ik alleen maar een man, en dat stelt niet veel voor.’ De vader vertelt dat hij nergens anders gelukkiger kan werken dan op zijn berg. En hij ‘zei hem niet terug te keren tenzij het was om samen een beker wijn te drinken en het niet over geld te hebben.’ Curro was toen nog klein; hij reikte ‘niet hoger dan de lusjes van zijn vaders riem’.

    In het begin van het boek zijn de broers samen aan het werk in de boomgaard. De omstandigheden zijn zwaar. Het heeft al lange tijd niet geregend en de zon brandt op de olijfbomen. De vruchten blijven klein en de wind waait het zand weg tussen de wortels van de bomen zodat ze dreigen om te vallen. Hun ouders zijn inmiddels overleden en begraven op El Hacho. Curro zorgt voor bloemen op hun graf. Hij herinnert zich de woorden van zijn vader: ‘dat het beter is een kaars aan te steken dan te klagen over het duister.’ Curro: ‘Ik weet dat jíj niet zou klagen. Daarom breng ik nog steeds de bloemen. Dit is mijn kaars.’
    Net als zijn vader voelt Curro zich sterk verbonden met zijn geboortegrond.  Zijn jongere broertje Jose-Marie heeft dat veel minder. Hij komt steeds minder vaak naar de boerderij om zijn broer te helpen. In het dorp zit hij in de kroeg en in het weekend werkt hij als taxichauffeur in Ronda.

    Spaken in hetzelfde wiel

    Curro lijkt op zijn vader als het over geld gaat. Een herder uit de buurt laat zijn geiten in de olijfboomgaard grazen. En geeft Curro daar dan af en toe een kaasje voor. Broer Jose-Marie wil voor het laten grazen van de geiten geld vragen, maar Curro ziet daar het nut niet van in: ‘Waarom zijn geld aannemen om kaas te kopen als hij ons liever kaas geeft?’ De broers hebben verschillende opvattingen over de manier waarop de olijfboomgaard gerund moet worden. Curro knapt liever het oude pad in de boomgaard op dan dat hij geld leent om een tractor te kopen. Ook de oude netten waarmee de olijven onder de bomen worden opgevangen repareert hij ieder jaar weer in plaats van krediet aan te vragen om nieuwe te kopen. Het levert interessante gesprekken op tussen de twee broers, over geld en over de verschillende manieren waarop zij naar andere mensen kijken. Curro haalt graag aan wat hun papa zei als ze een beetje krap zaten: ‘Betaal als je het geld hebt en werk als je de tijd hebt.’ Ook al is Curro het niet eens met zijn broer, hij klopt hem liefkozend op zijn buik en zegt dat hij zijn verlangen naar een ander leven wel begrijpt.

    Keuzes maken

    Er komt een nieuw bod op de olijfboomgaard, maar Curro legt zijn broer uit waarom hij geen afstand kan doen van de familiegrond. Voor hem voelt het land als een verlengstuk van zijn eigen lichaam. Het land ‘in de steek laten zou betekenen dat ik mezelf in de steek liet.’
    Curro houdt van zijn broer en stemt ermee in dat zijn broer het bedrijf verlaat. ‘De erfenis houdt een verantwoordelijkheid in die je nooit begrepen hebt, maar dat neem ik je niet kwalijk. Ik heb een paar dagen gehad om hierover na te denken en als je het land niet wilt hebben om te bewerken, dan moet je gecompenseerd worden /…/.’

    Nu heeft Curro voor het eerst een schuld, maar de opbrengst van de olijfboomgaard hoeft hij niet meer met hem te delen. Zijn vrouw maakt van de konijnen die hij vangt handschoenen die verkocht kunnen worden aan toeristen in het dorp. Zo kiezen de broers allebei een eigen levenspad. Curro: ‘Een man kan zich niet echt vrij voelen totdat zijn leven is gevormd naar zijn eigen keuzes. Dat heeft Marie nu en hij zal er even gelukkig mee zijn. Mijn angst is dat de keuzes de verkeerde zijn. Voor hem.’ Curro is gelukkig met zijn eigen keuze: ‘Ik heb nooit meer gewild dan de gezondheid om met mijn olijfbomen in de weer te zijn met de zon in mijn nek en het gekwetter van de alpenkraaien in mijn oren. Geef me dat en de kans om met mijn geliefde een beker wijn te drinken op het terras terwijl we naar de sterren kijken en ik ben tevreden. Dat is pas rijkdom.’

    Hitte en regen

    Curro staat er alleen voor in de olijfboomgaard. Hij werkt op het land als de zon nog niet op is, ‘voordat de engel van leven en dood zich onverbiddelijk boven de vallei zou verheffen en de dunne bladeren zou verschroeien.’  Het wordt heter en heter en Curro verzucht over de brandende zon: ‘Eén dag zonder jou op mijn nek, kreng.’ De zon is bijna een personage in het boek geworden; een ‘meedogenloze gele bol’, ‘de grote woedende bol’, de ‘withete toorn van de zon’, de ‘zon scheen verbolgen.’ De olijfbomen en de vruchtjes lijden zwaar onder de hitte.

    Als het november is, komt er eindelijk de regen, in de vorm van een enorme onweersbui: ‘hij zag de oprukkende paarse en antracietgrijze leviathans zich verstrengelen en hun razernij uitbrullen /…/.’ De regen doet de oogst goed. De vruchtjes zwellen op en Curro kan gaan oogsten. De olijfboomgaard is veranderd in een modderpoel en Curro glijdt uit in de kletsnatte blubber. Bevend van ellende en woede schreeuwt Curro tegen El Hacho: ‘Wat wil je van me? Heb ik niet van je gehouden? Heb ik je niet beschermd toen ze je wilden afbreken?’ El Hacho antwoordt niet. Uiteindelijk klaart het op en Curro voelt de warmte van de zon op zijn nek en rug. Hij krabbelt overeind en gaat verder met het oogsten van de olijven.

    Het hellen van een leven is een verhaal over trouw aan familie en tradities, over gehechtheid aan geboortegrond en liefde voor de natuur; een verhaal over economische verandering, over wijsheid, maar bovenal over de liefde tussen twee broers. Carrasco heeft in een soepele stijl met originele beeldspraak een prachtige roman geschreven.

     

     

  • Als een doorlopend druppen van water

    Als een doorlopend druppen van water

    Cynan Jones begint een naam te worden in de literaire wereld. De Welsche schrijver heeft een patent op zeer poëtisch taalgebruik en zegt nog meer met zijn witregels dan met wat hij wel beschrijft. Wie een spannend, wervelend verhaal verwacht, kan hier beter aan voorbij gaan. Een roman van Cynan Jones moet je savoureren. Lezen, herkauwen, overpeinzen. Eerder verschenen al De Lange Droogte  en Inham bij Koppernik, twee werken waarmee hij heel wat literaire prijzen won. Met De wetten van Water gaat Cynan Jones verder op zijn beproefde elan. 

    Verontrustend toekomstbeeld

    Het is een dystopische en verontrustende roman die helemaal past in het toekomstbeeld dat ons vandaag de dag wordt voorgeschoteld. Door klimaatverandering is drinkwater schaars geworden, het wordt beschouwd als het nieuwe goud. De stad – niet nader genoemd, maar tussen de regels door is Londen te herkennen – wordt voorzien van water door de Watertrein, die het doelwit is geworden van sabotage en overvallen. Zware bewaking is dan ook noodzakelijk. Om een oplossing te bieden voor het waterprobleem zal een gigantische ijsberg naar de stad worden gesleept. Daartoe wordt een ijsdok gebouwd, waardoor talloze woningen worden onteigend. Dat is zo’n ingrijpende maatregel voor veel burgers dat er talloze demonstraties volgen. Cynan Jones vertelt het verhaal van verschillende mensen die aan de zijlijn staan of wier levens op een of andere manier verstrengeld zijn met het watertekort en leren om te gaan met de gevolgen van een veranderde maatschappij, zowel de positieve als de negatieve aspecten daarvan. 

    De wetten van Water werd oorspronkelijk gebracht als twaalf luisterverhalen voor BBC-radio. Ze duurden elk vijftien minuten en gingen over het leven van verschillende mensen in de stad van de toekomst. Jones adapteerde de verhalen en maakte er een roman van. Het geheel is dus eigenlijk een verzameling van twaalf verhalen, ongeveer gelijk van lengte, waarin beschreven wordt welke rol het water speelt in het leven van de mens. In eerste instantie lijken de verhalen los van elkaar te staan. Maar of het nu gaat om een bewaker van de Watertrein, een professor die nieuw leven ontdekt in het ijs, een ouder wordende man die beseft dat hij zijn huis zal moeten verlaten of een journalist die alles verslaat, het water is de bindende kracht. 

    Minimalistische stijl 

    De stijl van Jones is minimalistisch te noemen, wat natuurlijk zijn handelsmerk is. Hij gebruikt opvallend veel witregels en probeert al het overbodige weg te laten zodat enkel de essentie bewaard blijft. Waar dat in zijn vorige romans uitstekend lukte, blijft de lezer hier af en toe met een leeg en verweesd gevoel achter. Stillicide is de Engels titel van het verhaal. Stillicidum, een doorlopend druppen van water, lijkt zich ook in zijn stijl te manifesteren. Druppelsgewijs stuurt hij poëtische zinnen op de lezer af. Maar er moeten natuurlijk genoeg druppels zijn om een plas te vormen. Het lijkt alsof Jones te veel heeft geschrapt, waardoor het ook veel vergt van de lezer. Het resultaat is een warrig amalgaam van poëtische zinnen waarbij het moeilijk wordt door de bomen het bos te zien. Daarnaast gebruikt hij nogal wat moeilijke en technische woorden (verwijzend naar verschillende chemische en biologische processen) waardoor de lezer opnieuw naar adem hapt. 

    Het is een negatief en pessimistisch toekomstbeeld dat Jones schetst. Uiteindelijk heeft de mens de aarde kapot gekregen en moet de gevolgen daarvan onder ogen zien. Het werk is fascinerend en zet zeker aan tot nadenken, maar het verhaal had meer kracht gehad met iets meer body. Toegegeven, de karakters zijn mooi in hun eenvoud en sterk in hun strijd met de natuur, hun strijd om te overleven, om liefde en verdriet een plaats te geven. Maar de combinatie van te veel suggesties en te weinig verbindende factoren, werkt niet overtuigend genoeg om aan De wetten van water dezelfde kracht en inhoud te geven als zijn vorige werken. Een lezer echt overtuigen kan alleen door de balans te vinden tussen vertellen, suggestie en schrappen. In De Wetten van water is iets te veel gesneden waardoor de lezer weliswaar gefascineerd achterblijft maar met een wrange nasmaak.

     

  • Oogst week 42 – 2019

    Nacht en dag

    Deze week in de oogst twaalf verhalen van de Britse schrijver Cynan Jones in vertaling van Jona Hoek, gedichten uit het nest geroofd in Het Liegend Konijn onder redactie van Jozef Deleu en een nog niet eerder vertaald werk van Virginia Woolf door Barbara de Lange.

    De laatste roman die Barbara de Lange van Virginia Woolf (1882-1941) vertaalde was De jaren, die Woolfs omvangrijkste roman werd genoemd. Naar blijkt kan het nog omvangrijker. Nacht en dag,  verschenen in 1919 is de tweede roman van Woolf, en nog omvangrijker dan De jaren. Hoewel Woolf werd gezien als modernist was de kritiek op Night and Day dat niet vernieuwend was maar volledig in de Engels romantraditie stond. Een roman waarmme Woolf in de voetsproren trad van  door haar bewonderde Engelse schrijfster, met name Jan Austen. De openingszin is dan ook een Engelse klassieker: ‘Het was een zondagmiddag in oktober, en net als veel andere jonge dames uit haar kringen was Katherina Hilbery bezig thee te schenken.’ Na die eerste zin wil je verder, duik je onder in ontmoetingen tijdens theevisites en diners en loop je mee op de vele omzwervingen door de straten van Londen.

    Nacht en dag
    Auteur: Virginia Woolf
    Uitgeverij: Athenaeum

    Het Liegend Konijn 2019/2

    Twee edities per jaar verschijnen er van Het Liegend Konijn, een compact boekwerk waarin vele dichters geregeld nieuw werk presenteren. In de oktober uitgave zijn honderdvijfennegentig nieuwe gedichten, uit het nest van negenendertig dichter geroofd, waaronder vier gedichten van Anneke Brassinga, Demetercyclus in tien afdelingen van  Anna Enquist, Heidi Koren met twee gedichten, Delphine Lecompte met drie gedichten, Maarten Buser met vijf gedichten, Paul Demets met Plattelandgedichten in acht delen en Willem van Zadelhoff, enkel om alfabetische volgorde, sluit af met een reeks gedenkgedichten getiteld: Zonder aanzien des persoons, waarin onder meer Menno Wigman, Wim Brands en Jan elemans herdacht worden. Met een ware slotrede: ‘envoi’ waarvan hier het eerste couplet: aan het graf geen eenzame dichter / laat zijn hei elders zoeken /naar levenden om te wekken / met verzen en veerkracht’.

     

    Het Liegend Konijn 2019/2
    Auteur: Jozef Deleu
    Uitgeverij: Pelckmans

    De wetten van water

    Natuurelementen spelen een rol in het werk van de uit Wales afkomstige schrijver Cynan Jones (1975). In de novelle Inham vecht een man tegen de zee en wordt een man door de bliksem getroffen, bij De lange droogte is het een boer die de droogte van het land moet ondergaan. In De wetten van water, hebben de inwoners van een stad te maken met waterschaarste. De trein die de stad van water moet voorzien loopt het risico gesaboteerd te worden en mensen gaan de straat op om te demonstreren tegen het feit dat ze hun huizen moeten verlaten voor de bouw van een IJsdok. Een gebeurtenis waarbij veel emoties vrijkomen en raakt aan de tijd waarin we nu leven: die van de klimaatcrisis.

     

    De wetten van water
    Auteur: Cynan Jones
    Uitgeverij: Koppernik
  • Zwanger van dood

    Zwanger van dood

    Een gesprek met Tommy Wieringa op het Crossing Borderfestival, een verhaal in The New Yorker, de BBC National Short Story Award; de Welshe Cynan Jones (1975) is internationaal aan het doorbreken. Nu is ook zijn debuut uit 2006 vertaald: de novelle De lange droogte (The Long Dry).

    De lange droogte beschrijft een dag uit het leven van de Welshe boer Gareth en zijn gezin. De rode draad van het verhaal is Gareths zoektocht naar een weggelopen, hoog drachtige koe. Vlucht en zoektocht symboliseren de relatie tussen Gareth en zijn vrouw, de aanhoudende meteorologische droogte van de titel is een metafoor voor haar dorre schoot.

    Het verhaal schiet alle kanten uit: het leven van Gareths vader, de migraine van de depressieve echtgenote Kate, de oorzaken van die depressie, de dierenarts die Gareths hond een spuitje geeft, Gareths getob over zijn huwelijk, zijn toekomstplannen, vooruitwijzingen naar naderend noodlot. Op het eerste gezicht lijkt niet alles altijd even relevant.

    Bovendien zijn er veel perspectiefwisselingen: in nauwelijks 100 pagina’s kruipen we in de huid van een vijftal personages en een koe. Aanvankelijk was niet duidelijk waarom dit is: is het een modieuze gril, heeft Jones te veel literaire thrillers gelezen of is er überhaupt niet over nagedacht? Het gros van deze personages komt psychologisch nauwelijks uit de verf, maar na zorgvuldige lezing blijkt dat ook niet de bedoeling: de gedachtes en gevoelens van de verschillende personages blijken leidmotieven die de thematiek telkens op een andere manier tot uitdrukking brengen.

    Het conflict tussen Gareth en Kate bevat de sleutel tot de thematiek. Gareth bedenkt dat Kate niet gemaakt is voor de boerderij. Waarom hij dat vindt blijft ongedacht. Maar wanneer Kate de geboorte van een kalf en de euthanasie op de hond overlaat aan hun dochtertje, maakt Gareths woede duidelijk dat volgens hem het boerenbestaan bestaat uit een voortdurend gedragen verantwoordelijkheid voor dood en leven; levens kunnen weliswaar niet altijd verwekt of gered worden en de dood is onvermijdelijk, maar de boer moet altijd zijn best doen om er het beste van te maken.

    Dan blijkt dat zelfs een ogenschijnlijk potsierlijke passage waarin we de zielenroerselen van de verdwaalde koe krijgen voorgeschoteld, bijdraagt aan deze thematiek: ’Vogels hipten en pikten om haar heen. Ze voelde zich bekeken’. Wanneer de koe vervolgens opstaat en botten van omgekomen soortgenoten ziet, weten we opeens niet wat de koe denkt: ‘Het was niet vast te stellen of de koe aan haar eigen sterfelijkheid dacht toen ze de botten zag.’ Maar wel aan de sterfelijkheid van haar ongeboren kalf mag de lezer aanvullen, waarna de koe ‘achteloos’ en ‘zonder reden’ verder loopt. Het is aan Gareth om de boel in goede banen te leiden. Maar Gareth loopt voortdurend achter de feiten aan.

    Deze onbeholpenheid zien we terug in de stijl die op zijn best ongepolijst is, maar meestal ronduit lelijk. Jones laat de werkwoordtijd binnen zinnen veranderen, maakt gebruik van heel veel witregels en op de eerste pagina krijgt de lezer meteen al een zin als deze: ‘[…] hoewel het nog vroeg is, zit er een belofte van hitte in de zon’. Vertaler Jona Hoek heeft het aangedurfd om alle vreemde woordkeuzes (een excentriek oud vrouwtje wordt door de postbode niet aangetroffen maar ‘ontdekt’), slordigheden (‘hoe ook zij, niemand heeft zoiets ooit gedaan’), onbegrijpelijke zinnen (‘Ze maken de grap dat de hond haar heeft leren lopen in plaats van zij’) en absurditeiten (‘voortdurend gegapte koekjes’) te handhaven in zijn vertaling, omdat het volgens hem bewuste keuzes zijn. Jones denkt zijn verhalen eerst helemaal uit, zet ze dan in één keer op papier, maar weegt vervolgens elk woord op een goudschaaltje om het verhaal zo beeldend mogelijk te laten zijn.

    Je kunt je afvragen of hij daar helemaal in slaagt, maar hoewel die ogenschijnlijk onbeholpen taal niet altijd even plezierig is, past die wel bij een schildering van het leven op het -Welshe- platteland waarin het stedelijk-romantische perspectief (idyllische wijkplaats voor het drukke, moderne leven) geen ruimte krijgt. Het resultaat: een oorspronkelijk en knap gecomponeerd verhaal waarin alle gebeurtenissen, herinneringen en gedachtes gaan over de onlosmakelijke verbintenis tussen dood en leven- zwanger zijn van de dood in de woorden van J.C. Bloem. Maar Jones zou waarschijnlijk zeggen dat er een belofte van dood in zwangerschap zit.

     

     

  • Niemand in Knockemstiff wil daar zijn

    Niemand in Knockemstiff wil daar zijn

    Denk je de meest naargeestige, zielloze plek in en je bent in Knockemstiff. Knockemstiff is een plaats in de Amerikaanse staat Ohio. Het stadje zou zijn naam hebben overgehouden aan een ruzie tussen twee vrouwen over dezelfde man. De een was zijn vrouw, de ander zijn vriendin. De predikant hoorde een van beide vrouwen zweren dat ze de ander ‘stijf zou slaan’ en zo zou het stadje zijn charmante naam hebben gekregen.

    Het boek geeft in achttien verhalen een sfeerportret van het stadje. Al is er daar weinig sfeer te vinden. Het ene verhaal is nog zwarter dan het andere. In elk verhaal komen er weer andere ‘rednecks‘ voor die moorden, vechten en incest plegen. Niemand is er echt gelukkig en niemand gunt elkaar geluk. De dagen zijn er lang, helemaal voor degene die zonder baan zitten, en worden draaglijk gemaakt door een goede hoeveelheid alcohol en drugs.

    Het boek begint bij het verhaal van Bobby. ‘Toen ik zeven was, leerde mijn vader me op een augustusavond in de Torch Drive-in hoe je een man aan gort moet slaan.’ De vader van Bobby is zwaar aan de drank, zoals iedereen in het boek, en is er ook niet vies van zijn vrouw een corrigerend pak slaag te verkopen. Hij vindt Bobby maar een watje en zal hem die avond leren hoe hij voor zichzelf op moet komen. De ongelukkige man die die avond de vader van Bobby treft, komt er niet goed vanaf. Terwijl de sirenes van de ambulance in de verte al klinken, zit Bobby met zijn ouders alweer in de auto terug om er zo snel mogelijk vandoor te gaan.

    De hoofdstukken van het boek zijn op zichzelf staande verhalen. Hier en daar kom je dezelfde naam tegen van iemand die ook in het stadje woont, waardoor je weer weet dat al die nare verhalen zich op dezelfde nare plek afspelen. Het laatste verhaal in het boek gaat ook weer over Bobby. Zijn ‘stoere’ vader is inmiddels een oude, zieke man, maar het gevecht tussen de twee is nog steeds niet afgelopen. Bobby is op dit punt al vijf maanden nuchter, maar wanneer hij zijn ouderlijk huis betreedt, krijgt hij spontaan zin in een borrel. Ondanks alles vindt hij het toch jammer dat hij zijn vader nooit echt zal leren kennen voor hij zal overlijden.

    Knockemstiff is erg knap geschreven. Een hoofdstuk is maar tussen de tien en twintig pagina’s lang, maar na de eerste bladzijde zit je al vol in het verhaal. De algemene sfeer in de verhalen blijft hetzelfde, maar voor het ene personage voel je sympathie terwijl je van de volgende hoofdpersoon alleen maar kan walgen. Elk verhaal heeft iets triest en er is een totaal gebrek aan hoop in het boek, maar je blijft de pagina’s gretig omslaan. Misschien door het besef dat dit echt de werkelijkheid is in sommige plaatsen en door het ongeloof dat dit echt iemands verhaal kan zijn. Elk hoofdstuk heeft een open einde, wat je even de illusie geeft dat het verhaal voor deze persoon nog een positieve wending kan nemen, maar tegelijkertijd weet je dat dit niet zo zal zijn.

    . ‘Ik droom er ’s nachts van, opnieuw beginnen.’ ‘Ik was hier opgegroeid, maar ik had me er nooit thuis gevoeld.’ Iedereen droomt ervan in de auto te stappen, weg te rijden en nooit meer aan Knockemstiff te hoeven denken. Sommige krijgen deze kans en andere durven de mogelijkheid niet eens te overwegen. Maar of je je nu bij de eerste of de tweede groep kan scharen, maakt niet uit. Uiteindelijk durft niemand uit Knockemstiff te vertrekken. Niemand durft zich in het onbekende te storten en dus eindigt het verhaal voor iedereen hetzelfde: ‘Het deed er niet toe hoeveel kilometer we per dag aflegden, we eindigden ’s avonds altijd weer in de vallei…’

    Donald Ray Pollock werd in 1954 geboren in Knockemstiff en heeft daar tot zijn vijftigste in de Mead Paper Mill gewerkt. Na zijn werk in de papierfabriek heeft hij zich aan de Ohio State University ingeschreven voor een cursus Engels. Zijn eerste roman, The Devil All the Time, werd heel goed ontvangen en met verschillende prijzen bekroond. Ook Knockemstiff  kreeg positieve reacties. Het boek heeft de PEN/Robert W. Bingham Prize ontvangen en ook de Devil’s Kitchen Award gewonnen. Is Donald Ray Pollock dan de eerste in het verhaal die zich wel uit Knockemstiff heeft kunnen redden?

    Knockemstiff
    Roman in achttien verhalen

    Auteur: Donald Ray Pollock
    Vertaald door: Charles Bors, Mon Faber, Jona Hoek en Stefanie Liebreks
    Aantal pagina’s: 224
    Prijs: € 18,95