• Oogst week 8 – 2022

    De ploegscharen van Deik

    De ploegscharen van Deik is de nagelaten debuutroman van Scotty Gravenberch (1970-2020). Gravenberch was op de eerste plaats schrijver, meldt zijn broer in de Volkskrant van 9 september 2020 na Gravenberchs overlijden. Hij schreef gedichten, raps en verhalen. Geboren in Den Bosch uit een Nederlandse vader en Surinaamse moeder ging hij na de middelbare school in militaire dienst, waarna hij besloot filosofie te gaan studeren en had vervolgens allerlei banen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij werkte bij verschillende culturele instellingen, was onder meer redacteur bij het televisieprogramma Het Blauwe Licht en daarna presentator van het programma Propaganda.
    In 1998 publiceerde hij Sinterklaasje kom maar binnen zonder knecht samen met activiste Lulu Helder en stond daarmee aan de wieg van de huidige zwartepietendiscussie.

    In 2018 verscheen een voorstudie van De ploegscharen van Deik in de Revisor. Nu heeft uitgeverij Jurgen Maas de roman uitgegeven. De hoofdpersoon is een televisiepresentator van het ochtendjournaal. Zich bewust van zijn eigen paranoïde trekjes begrijpt hij nauwelijks dat mensen alles geloven wat hij als journalist voorleest. Als hij dronken fulmineert tegen doofpotten, complottheorieën, politiegeweld en opgejaagde journalisten en uiteraard de zwartenpietendiscussie gaat deze opname viral en wordt Deik het middelpunt van maatschappelijke polarisatie. Hij vlucht weg van de wereld en wil zich bevrijden van hypocrisie en leugens. Vanuit een kelder schrijft hij over uitsluiting en verzet. ‘De geschiedenis mept ons allemaal in het rond, sommigen harder dan anderen,’ zegt Gravenberch bij monde van Deik.

    De ploegscharen van Deik
    Auteur: Scotty Gravenberch
    Uitgeverij: Jurgen Maas

    Geluksvogels

    In 1922 stelde Luigi Pirandello zich ten taak één verhaal voor elke dag van het jaar te schrijven. De eerste novelle ging terug tot 1894, het jaar waarin hij trouwde. Toen hij stierf in 1936 had hij voor dit project 246 verhalen geschreven. In Geluksvogels is een aantal van deze novellen samengebracht.

    Pirandello had een groot psychologisch inzicht. Dat, gepaard aan – soms donkere – humor en mededogen met de mens, maakt hem tot een veelzijdige schrijver. Die veelzijdigheid is terug te vinden in Geluksvogels. De verhalen zijn onder te verdelen in surrealistisch, Romeins en Siciliaans. Zo laat hij een geëxalteerde actrice het tegen een vleermuis opnemen, toont hij Romeinse saaiheid en  kleinburgerlijkheid en maakt hij van Siciliaanse boeren groteske personages die tegen de kerk strijden. Zijn beschrijvingen van het landschap grenzen soms aan het hallucinerende.

    Pirandello schreef toneel, poëzie, romans en verhalen. Hij is vooral bekend om zijn roman Iemand, niemand en honderdduizend, een ironisch maar ook humoristisch boek. In 1934 ontving hij de Nobelprijs voor literatuur. Hij is nog steeds actueel. Onderzoek naar Pirandello en zijn werk wordt onder meer gedaan door Studio di Luigi Pirandello in Rome en de Luigi Pirandello Stichting aan de KU Leuven.

     

    Geluksvogels
    Auteur: Luigi Pirandello
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Jouw afwezigheid is duisternis

    De IJslandse schrijver Jón Kalman Stefánsson wordt een unieke vertelstem toegedicht, een die zweeft tussen poëzie en proza. Maar hij is meer dan dat, de stem getuigt ook van groot realisme, met details die de gebeurtenissen zich voor je ogen doen afspelen. En hij beschikt over een laconiek gevoel voor humor:
    Als de hoofdpersoon van Jouw afwezigheid is duisternis in een plattelandskerk naast een kleine fjord in IJsland wakker wordt, kan hij zich niets van zichzelf herinneren en weet hij niet wie hij is. Omkijkend ontdekt hij achter zich een man, aan wie hij vraagt: ‘Bent u soms de predikant van deze kerk?’ waarop de man antwoordt: ‘Alleen maar dat ik hier zit, maakt dat mij tot predikant? Ben je dan een bisschop omdat je dicht bij het altaarstuk zit? Ben ik een buschauffeur als ik naast de bus sta, een dokter als deze kerk een ziekenhuis zou zijn, een misdadiger of een bankdirecteur als we elkaar in een bank waren tegengekomen? En als ik dit allemaal zou zijn, hoelang ben je wat je bent, want verandert het leven niet constant wat je bent, dat wil zeggen, als je redelijk in leven bent – wanneer hou je op predikant of misdadiger te zijn en word je iets totaal anders? […] Wanneer heet iemand Dingdong of Snuffel en wat is een betere naam?’ Daarna gaat hij nog even filosofisch door.

    Even later wordt deze man de gids van de hoofdpersoon met wie hij op zoek gaat naar diens verleden. Tijdens de reis ontvouwt zich de wonderbaarlijke wereld van een fjord in IJsland. Onderweg ontmoeten ze opmerkelijke personages. Een kapitein is gefascineerd door Kierkegaard en weet alles over de filosoof, een dominee correspondeert met een Duitse dichter die allang is overleden en een vrouw op het platteland schrijft een artikel over regenwormen. Bij Stefánsson zijn gewone mensen veel interessanter en ook complexer dan ze op het eerste gezicht lijken.

     

    Jouw afwezigheid is duisternis
    Auteur: Jón Kalman Stefánsson
    Uitgeverij: Ambo Anthos
  • Vergeet niet naar de sterren te kijken

    Vergeet niet naar de sterren te kijken

    Er zijn boeken die je meteen het verhaal inslepen en je bij de strot grijpen. Er zijn er die je vanaf het begin een duidelijke verhaallijn in handen geven. Niets daarvan bij Iets ter grootte van het universum van de IJslander Jón Kalman Stefánsson. Dit is een boek dat je denkt te moeten veroveren, tot je het heft uit handen geeft en het ineens jou verovert.

    Al snel is duidelijk dat de roman een IJslandse familiegeschiedenis over meerdere generaties is. Maar Stefánsson maakt het je niet gemakkelijk om grip te krijgen op de gebeurtenissen en zijn personages. Ja, er is een stamboom achterin die enig houvast geeft voor de dramatis personae, maar die zegt niets over de onderlinge relaties en verwikkelingen. Hij roept zelfs al de eerste vragen op: waarom hebben Ari’s biologische moeder en zijn stiefmoeder geen naam? Waarom staat Ari’s grootmoeder van moeders kant als n.n. aangegeven?

    Stenmark
    In de roman springt Stefánsson heen en weer door de 20ste eeuw, met als vaste aanlegplaatsen de ‘oude tijd’, de jaren ’60, de jaren ’80 en ‘nu’. Verhaallijnen worden ineens onderbroken door andere of zelfs voortgezet in een heel andere tijd, als wordt voortgeborduurd op een herinnering. Onooglijke feitjes krijgen later ineens een betekenis die je eerder niet had vermoed.

    Stefánsson gebruikt daarnaast nauwelijks aanhalingstekens waardoor je af en toe niet meer goed weet wie er eigenlijk aan het woord is: lees ik hier wat de betrokkene zelf vertelt of is het de verteller die het verhaal doet over die eerste persoon? Die verteller…: hij staat dicht bij één van de hoofdpersonen en kent hem al dertig jaar, blijkt ergens. Maar we zien vrijwel niets van die ik-figuur. We weten zelfs niet of het een man of vrouw is.

    En tenslotte zijn er de raadselachtige hoofdstuktitels als ‘God is een oude teddybeer’, ‘Hebben Ian Rush en Ingemar Stenmark de sterren bereikt?’en ‘Hij leest cognac, drinkt verhalen – nacht’.

    Maar verdorie – wat is het een wondermooi boek!

    Hoe de feiten en feitjes, waarin je lezersantenne aanvankelijk vastigheid zoekt, precies liggen, wordt steeds minder belangrijk. Stefánsson is geen schrijver van belevenissen, maar van belevingen. Hij tekent sferen, gedachten, innerlijke worstelingen, de pijn van een relatie tussen vader en zoon waarin vooral wordt gezwegen (en af en toe een ferme klap wordt uitgedeeld), de vervreemding tussen een visser en zijn vrouw die in het geheim gedichten schrijft en publiceert, het verdriet van een moeder die haar kind verliest, een man die zijn grote liefde, de visserij, niet kan overbrengen op zijn kinderen. En dat alles in prachtig poëtische zinnen en aangrijpende scènes.

    Teddybeer
    Zoals het bezoek van Ari aan zijn vader Jacob in het ziekenhuis. Vader en zoon hebben elkaar drie jaar niet gezien.

    Ze hebben allebei behoorlijk lang geleefd, ze hebben het een en ander gelezen, Ari is redelijk goed thuis in Kierkegaard, heeft een enorme hoeveelheid romans gelezen, hij weet hoe ver het naar Pluto is, hoe een zwart gat ontstaat, en Jakob weet het zijne, hij heeft ruim zeventig jaar geleefd, heeft de wereld zien veranderen, mannen de maan zien veroveren, en toch staan ze daar, tegenover elkaar, en ze hebben geen idee wat ze moeten zeggen, hun valt niets in, alsof ze beiden experts in het zwijgen zijn, gekomen om elkaars boeken te vergelijken.

    De herinnering van Ari gaat terug naar de tijd dat zijn (biologische) moeder stierf. Toen had hij, 5 jaar oud, met haar en zijn vader, nauwelijks 30, zij aan zij voor het ziekenhuisraam naar de maan staan kijken ‘twee maanden voordat Neil Armstrong en Buzz Aldrin op haar oppervlak hupten, alsof ze bang waren dat de maankorst zou barsten’. Een van de weinige dingen die Ari zich van zijn moeder herinnert is dat zij daar voor dat raam zei: ‘Nu gaat het universum door ons drieën heen en daarom zullen we altijd één zijn.’ Het zijn

    de enige woorden van haar die hier op het aardoppervlak zijn achtergebleven, en vijfenvijftig jaar lang heeft hij ze op een veilig plekje in zijn geheugen bewaard, ze er ontelbare malen uit gehaald als kostbare robijnen of als een oude teddybeer om mee te slapen.

    Deken
    Er is veel kosmos aanwezig in deze roman – zie ook de titel. Dat biedt een ander prachtig tafereel waarin het dagelijkse leven op IJsland, vol van hard werken, gefnuikte idealen, liefde, eenzaamheid, dood, op een volkomen natuurlijke manier wordt doorgetrokken naar de bescheiden plek die we in het universum innemen.

    De sterren vormen ontelbare sterrenbeelden en hun namen hebben hun wortels in de oude beschaving van de mensheid, in oude verhalen, en voor degene die de verhalen kent verandert de nachthemel in een reuzegroot boek. Daarom keek de moeder van Ari’s stiefmoeder vaak naar de sterren toen ze er nog de ogen voor had, toen ze beduidend meer van de hemel zag dan haar eigen vingers.

    De moeder van Ari’s stiefmoeder deed haar leven lang haar werk. Maar als ze ’s avonds in de deuropening haar broodmagere armen over elkaar sloeg om naar de sterren te kijken, vergat ze alles om haar heen. Ze kwam pas weer bij zinnen als iemand haar een duw gaf. Maar soms werd ze zo door de sterrenhemel overweldigd dat ze het huis verliet en in de velden ging zitten kijken.

    Ze vergat dat het koud was, dat de koude poolwind door haar heen ademde, zonder overjas, blootshoofds, zonder handschoenen, zo mager dat de kou niet veel tijd nodig had om haar te doorboren. Mama is buiten, zei iemand als haar afwezigheid werd ontdekt (…) en haar man, een gezette, zwijgzame man, mompelde dan iets wat klonk als ‘alweer dat stompzinnige gedoe’, en hij pakte een wollen deken, een muts, ging naar buiten om haar te zoeken, vond haar in de duisternis, onder de sterrenhemel, legde de deken over haar magere schouders, streek heel eventjes over haar hoofd, zo snel dat je het misschien verkeerd had gezien, voordat hij de muts over hoofd trok. Dan stond hij een ogenblik naast haar en keek ook. Vervolgens ging hij weer naar binnen.

    Zachtjes
    Iets ter grootte van het universum is een vervolg op Vissen hebben geen voeten (op Literair Nederland besproken door Vic Veldheer). Hoewel het op dat eerste deel aansluit is het zeer goed afzonderlijk te lezen.

    In het Nederlands verscheen van Stefánsson eerder al de IJslandtrilogie bestaande uit Hemel en hel, Het verdriet van de engelen en Het hart van de mens (waarin de hoofdfiguur ook al naamloos blijft).

    Menig lezer zal niet alle touwtjes aan elkaar kunnen knopen als hij Iets ter grootte van het universum dichtslaat, maar dat doet niets af aan de werking ervan – dichtslaat is trouwens niet het goede woord. Dit boek vouw je dicht. Zachtjes. Je strijkt nog eens over de kaft. En blijft even verwijlen in de dromerige poëzie van een groot schrijver.

  • Het leven is zware bagage

    Het leven is zware bagage

    ‘Niemand kan op water lopen en daarom hebben de vissen ook geen voeten’.

    Wanneer Sigga de zee inloopt om zichzelf te verdrinken, redt de stiefmoeder van Ari haar. ‘Niemand gaat zichzelf verdrinken terwijl ik toekijk’.

    In deze poëtisch geschreven familiesaga staat het leven van Ari centraal. Hij groeit op in Keflavik, ‘de zwartste stad van IJsland’, trouwt en blijft daar wonen. Wanneer hij twee dichtbundels en romans heeft gepubliceerd, houdt hij op met schrijven –anderen zijn in zijn ogen veel beter- en wordt uitgever. Dan verlaat hij zijn vrouw en drie dochters en verhuist naar Denemarken. Hij sms’t aan zijn vriend: ‘het is niet altijd goed in een kleine gemeenschap adem te halen, het gebrek aan lucht kan benauwend werken en ik ga voordat ik stik’.
    Twee jaar na zijn vertrek is hij weer terug, zijn vader ligt op sterven. Daar begint het verhaal van zijn jeugd, van zijn familie, van de liefdesgeschiedenis van zijn grootouders, zijn vriendschap met de ik-verteller (wiens identiteit in nevelen blijft gehuld), zijn verhouding tot zijn vader en stiefmoeder, het gemis van zijn op jonge leeftijd verongelukte moeder, zijn spijt zijn gezin in de steek te hebben gelaten, zijn verliefdheid op Sigga die hij haar nooit heeft laten blijken.

    Deze familiekroniek die drie generaties omvat, is rijk aan mooie verhalen, verweeft de belevenissen van de familieleden met wat er in de wereld gebeurt (de dood van Ari’s vader en de dood van Tito), en dat alles tegen de achtergrond van het onherbergzame, zwarte, depressief aandoende IJsland. Het is ook een zoektocht naar de zin van het leven in het kille, koude land, een leven dat alleen maar bestaat uit vissen op zee en uit werken in de visindustrie. Dan is er ook nog de Amerikaanse legerbasis die de inwoners het gevoel geeft mee te kunnen profiteren van de rijkdom van de Amerikanen en in de jonge jaren van Ari voor de nodige levendigheid zorgt in Keflavik.

    Het boek heeft een sombere (onder)toon, het leven valt niet mee. ‘Vergeet net zoals ik niet dat de mens twee dingen moet bezitten om de last het hoofd te bieden, redelijk rechtop te kunnen staan, de glans van zijn ogen te kunnen behouden, de energie van zijn hart, de muziek van zijn bloed: een krachtige rug en tranen.’

    Stefánssons familiekroniek is heel mooi geschreven, op elke bladzijde staat wel een mooie zin, zoals: ‘Maar de sterren glinsteren aan de zwarte hemel, licht in de eindeloze verte dat boven ons fonkelt als licht van een leven dat wij nooit krijgen te leven’. Of: ‘Dicht bij de zee wordt al het verdriet verzacht’.
    Stefánsson weet de sfeer van het leven op IJsland heel goed te treffen en de onderlinge verhouding tussen de familieleden en vrienden trefzeker te karakteriseren.

    De roman is echter niet zo gemakkelijk toegankelijk door de structuur die de schrijver heeft gekozen. Hij wisselt nogal vaak van plaats en tijd waardoor je als lezer even de draad kwijt raakt, ook omdat deze familiegeschiedenis een hele eeuw omvat. Zo wordt de liefde tussen de grootouders van Ari breed uitgemeten en door het hele boek verspreid beschreven.

    Maar wanneer je de zinnen op je in laat werken en je laat meeslepen door wat er in deze familie gebeurt, ben je een hele mooie leeservaring rijker.

     

    Vissen hebben geen voeten

    Auteur: Jon Kalman Stefansson
    Vertaald door: Marcel Otten
    Uitgegeven door Ambo|Anthos
    Aantal pagina’s: 344
    Prijs: € 21,99