‘Ik verzin levens’ zegt beeldend kunstenaar en schrijfster Joke van Vliet in een interview. Dat wil niet zeggen dat niets echt gebeurd is in haar eerste roman Niets is echt gebeurd, integendeel. Een bezinksel van zoekende mensen vormt de klei waarmee haar fictieve personages gekneed zijn. Dat levert een duizelingwekkend verhaal op dat start met de traumatische jeugdervaring van hoofdpersoon Daan en dat een zoektocht is naar een eigen weg in het leven. Een weg die bezaaid ligt met onzekerheid en vragen over moederschap en talent, kunst en schoonheid en met gemis, pijn, verdriet en eenzaamheid.
De fabel van het verhaal is de volgende: Daan, eigenlijk Danaë, den Dolen woont in een rijtjeshuis met haar vader en moeder. Moeder is professioneel fluitiste, vader werkt als modelfotograaf in een eigen studio. Als Daan negen jaar jong is verlaat moeder het gezin. Daan denkt dat dat haar schuld is. Vader verkoopt het huis en Daan en vader gaan in de fotostudio wonen waar Daan al gauw bij zijn werk betrokken wordt. Ze gaat later naar de fotovakschool. Als haar vader jaren later in een verpleeghuis overlijdt, trekt Daan in bij zijn laatste verpleger Don. Daan wordt min of meer tegen haar wil moeder en huisvrouw. Het dochtertje wordt in de roman consequent enigszins afstandelijk ‘de baby’ en ‘het kind’ genoemd. Daan en Don raken steeds verder van elkaar verwijderd. Als ‘het kind’ negen jaar is, verlaat Don na verwijten van Daan en een knallende ruzie het gezin. Hij laat een afscheidsbriefje na: ‘Zeg Finne dat ik van haar houd’. Daan raakt de weg kwijt, verwaarloost zichzelf en haar kind. Het boek begint als Daan zich in die deplorabele toestand bevindt. Ze maakt al snel duidelijk dat ze een afschuwelijke daad heeft begaan die ze niet meer ongedaan kan maken.
Verstikkende kinderliefde
De 25 korte hoofdstukken van de roman beschrijven vanuit Daans huidige hallucinante perspectief fragmentarisch en niet-chronologisch het thema moederschap. Daan bevraagt haar eigen schuldig leven en zoekt naar waarheid en betekenis. Moeder maakte thuis altijd muziek en wilde niet gestoord worden, alleen poes Babushka mocht even langskomen. Dat de poes zo heet, is overigens niet zonder betekenis, zoals niets in deze roman. Babushka is Russisch voor grootmoeder en is de benaming die in Nederland gebruikt wordt voor de matroesjkagelukspoppetjes. Moeder, Daan en Finne zijn in feite ook drie van die poppetjes. In Daans beleving en herinnering is haar ‘slechtheid’ de oorzaak van haar moeders vertrek, zij heeft bijvoorbeeld een keer de gaatjes en het mondstuk van haar moeders fluit vol met klei gestopt. ‘Ze was een manipulatief diertje dat alles opeiste’ overdenkt ze nu. Vader zegt op zijn sterfbed dat moeder heeft gekozen voor haar talent en haar carrière, voor haarzelf dus, omdat zij sinds Daans geboorte niet meer kon fluiten zoals ze wilde en het niveau niet meer haalde. ‘Een kind zonder haar ouders gaat dood,’ zegt Daan later tegen een buurvrouw, om vervolgens met haar dochtertje in een soortgelijke spagaat tussen een eigen leven en een leven in dienst van een kind te belanden. Ze voelt zich na de geboorte van haar dochter zowel een gekooide tijger als een parkietje dat op een stokje zit te wachten tot het jong groot genoeg is. Het loopt niet goed af met moeder en dochter.
Van Vliet snijdt een belangrijk en actueel thema aan met het moederschapsjuk. Het is een gegeven waar veel vrouwen die een eigen (werkzaam) leven willen leiden mee te maken hebben. Sommigen, zoals Charley Toorop of Andreas Burnier besteedden hun kinderen als ‘ontaarde moeders’ uit om te kunnen werken, anderen, zoals de vroegtwintigste-eeuwse Amsterdamse Joffers als Coba Ritsema en de latere Jeanne Bieruma Oosting kozen er bewust en nadrukkelijk voor alleenstaand en kinderloos te blijven. En niet alleen kunstenaarsvrouwen hebben hiermee te maken. Teddy Tops recent verschenen roman Egelskop gaat over niet-ontwikkeld vrouwentalent door opgelegd huisvrouwen- en moederschap en één van de ‘B’s’ van de recente Zuid-Koreaanse 4B-beweging (B = ‘ni’ oftewel ‘nee’) zegt ‘nee’ tegen het moederschap om eigen ruimte voor vrouwen te behouden.
Daan heeft van jongs af aan een zogenoemd lui oog. Later verliest ze door een vuiltje in haar andere oog ook daarin het zicht en is ze nagenoeg blind. In deplorabele toestand ploetert ze zich uitgehongerd een weg door een langzaam maar zeker totaal vervuild huis, wat onbeschrijflijk sinistere scènes oplevert in een decor van ratten en kattenpoep, geschreven in een gedetailleerde, filmische stijl. Het wel of niet zien speelt een grote rol in de roman. Daans vader zegt dat Daan ‘het oog’ heeft, van een vakfotograaf bedoelt hij, Daan beschrijft de ogen van haar moeder zoals ze in een verte staarden toen ze voor haar vertrek fysiek nog bij het gezin was. Er worden gitgele meeuwenogen genoemd, de argwanende ogen van poes Maria, grotvissen zonder ogen. Partner Don sluit als verpleegkundige in het hospice duizenden ogen.
‘Wie noemt zijn kind nou Danaë, naar een cycloop?’ vraagt Daan zich af. Is Daan ook wat dit betreft in de war, of vergist de schrijfster zich hier? Danaë is in de Griekse mythologie geen cycloop. Wel zijn er parallellen met de mythologische Danaë in Niets is echt gebeurd.
Schoonheid, talent en moraal
De roman bevat heel veel betekenisdragende elementen. Er valt werkelijk geen mus dood van het dak zonder betekenis, of het nu een moedervlek is, een abrikozenpit, een oehoeënde uil, insecten, aanraking en zintuigen, de Etna en lava, een ballerinapopje of verschrompeld fruit, gebladerte, fossielen, medicijnen, het heelal, ruimtehond Laika of de Bijbel. De naam van poes Maria verwijst naar Daans moeder, over wie Daan zich op een moment afvraagt of zij misschien niet meer dan een verschijning was, zoals Maria voor Bernadette. Schoonheid en (onbetrouwbare) herinneringen zijn de belangrijkste motieven. ‘Een mens moet voortdurend op zoek naar schoonheid,’ zegt Daans moeder, ‘de rest doet er niet toe.’ Daan vraagt zich vervolgens af wat schoonheid eigenlijk is, of die werkelijk iets teweegbrengt en of dat belangwekkender is dan thee schenken, veters strikken, een enkel kind verzorgen? Tegelijkertijd leert ze dat talent niet vrijblijvend is en dat ook zij dus iets met haar talent zou moeten doen.
Draait het in het leven om de zoektocht naar goed of fout of bestaat dat onderscheid niet en zijn goed en fout slechts afspraken, vraagt Daan zich af. Is een mens vrij om zijn eigen moraal te bedenken? Door haar poging het beter te doen dan haar moeder, is het Daan niet gelukt om van haar te leren, constateert ze met terugwerkende kracht. Het liefst zou ze als een vlinder naar een volgend stadium groeien. En zo voelt ze zich uiteindelijk: als een vlinder die ontwaakt uit zijn overwintering, verleid door een reepje binnenvallend licht – als in de fotostudio van haar vader en als op de omslag van het boek.
In 2022 debuteerde Joke van Vliet met de verhalenbundel Wanneer de herten komen. De werkelijkheid omvat meer dan zijn feitelijke beschrijving, zei ze toentertijd over de verhalen in die bundel. In deze roman is dat zeker ook het geval, wat versterkt wordt door een beschrijving die sterk inzoomt op heftige gebeurtenissen. Het is en blijft de vraag, niet alleen voor Daan, wat uit de romanwerkelijkheid echt gebeurd is. Dat Daans strijd en gedrag mededogen oproept is een verdienste van de schrijfster die in een zelfbewuste stijl met veel verbeelding een werkelijkheid creëert die bij tijden surrealistisch aandoet, maar ook meeslepend en overtuigend is.