• Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wijsbegeerte of reisbegeerte

    Wie het voorrecht heeft veel te kunnen reizen, voelt zich op den duur nergens meer thuis. Dat wordt pijnlijk duidelijk in de nieuwe essaybundel Onder een andere hemel van filosoof Joke J. Hermsen. De ondertitel luidt ‘Over heimwee en vertepijn’. Mensen kunnen namelijk enorme heimwee ervaren vanuit huis, en verlangen naar een elders, wanneer zij al elders zijn. Precies dit spanningsveld brengt Hermsen voortdurend in beweging, letterlijk.

    Op haar landgoed in de Bourgogne bekruipt haar het eerste ongemak. Ze vlucht naar haar dubbele appartement in Amsterdam en kan zelfs terecht in Parijs, waar zij vroeger filosofie studeerde. Daarnaast gaat ze oude adressen langs van allerlei beroemde Duitse schrijvers, zoals Rainer Maria Rilke en Lou Salomé. Als ze verblijft in het kunstenaarsdorpje Bergen of op haar Drentse boerderij, komen wederom de muren op haar af. Ze maakt, kortom, nogal wat omzwervingen van de ene naar de andere idylle. Uiteraard zijn de Odysseus-verwijzingen niet van de lucht, want ook hij had last van hinausweh, zoals Hermsen dat noemt. De zucht om eropuit te gaan. Langzamerhand dringt zich echter de vraag op: gaat dit boek wel over wijsbegeerte, of over reisbegeerte?

    Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg

    Het boek laat zien hoe de westerse filosofie tegen de fenomenen ‘heimwee’ en ‘thuis’ aankijkt. Daarnaast komen andere, wat navelstaarderige motieven voorbij, zoals ‘het Zelf’, ‘het Onzegbare’ en ‘het Niets’. Onder een andere hemel overtuigt in de aardse passages dan ook het meest. Ondertussen vloeit de witte wijn rijkelijk.

    Grotendeels spreekt een vrouw die duidelijk tot de happy few behoort van de Nederlandse maatschappij. Ze quoot keurig de complete westerse canon en doet vanuit een nostalgische opwelling, zo lijkt het, haar studietijd aan de Sorbonne nog eens dunnetjes over. Alsof het niets is, wisselt ze bovendien continu van uitvalsbasis, zonder enige financiële belemmering. Maar wanneer Hermsen vertelt over de harde realiteit waarin vrouwen moeten leven, inclusief een weerzinwekkende ervaring uit haar jeugd, wint Onder een andere hemel aan belang.

    Met engagement engageert ze het lezerspubliek. Dat beseft ze zelf ook, wanneer ze Hannah Arendt aanhaalt: ‘Van haar had ik geleerd dat filosofie altijd op de politiek en de wereld betrokken moet zijn. (…) Arendt verweet de westerse filosofie politieke desinteresse en een obsessie met zichzelf.’ Helaas gaat dit soms ook op voor Onder een andere hemel. Op de momenten dat Hermsen als nuchtere Noord-Hollandse dame het gemijmer over het Zelf loslaat en gewoon aanwijst wat er beter kan in de maatschappij, wordt het pas echt interessant.

    Het nomadische als leugen

    ‘Zet mij maar neer in de jungle, ik pas me wel aan.’ Je hoort dit soort dingen vaker op verjaardagen, nieuwjaarsborrels of recepties. Anders gezegd: een thuis is ook maar overschat. Ook Hermsen debiteert zulke wijsheden die druipen van privilege: ‘Thuisloosheid als thuis. Dat gold zeker voor Hannah Arendt, en in een bepaald opzicht ook voor mij.’ Je eigen odyssee vergelijken met die van een Holocaustvluchtelinge is ongelukkig, maar wat te denken van haar verwijzing naar dichter Robert Lowell: ‘Wat is thuis anders dan een gevoel van heimwee naar het verloren moment van fladderende angst tijdens de vlucht?’ Nou, misschien is thuis gewoon een ouderwets dak boven je hoofd? Misschien is thuis bijvoorbeeld dat je niet door je complete omgeving wordt gewantrouwd, omdat je er anders uitziet dan de rest? Een familie die nog leeft? Van de driehonderdtwaalf pagina’s besteedt Hermsen een schamele twee bladzijdes aan de vluchtelingen in de banlieus, waar ze vanuit haar universitaire bubbel in Parijs amper iets van meekreeg. En krijgt.

    Over het noodlot van een Franse filosofe weidt Hermsen wel uit. Anne Dufourmantelle bleek vroeger een vurige pleitbezorger van vreemdelingen en schreef hierover in De kracht van tederheid en Een lofrede op het risico. Volgens de Française moest het Westen maar eens leren geen oneindige zekerheden in te bouwen ten koste van medemenselijkheid. Dufourmantelle stierf op 53-jarige leeftijd in zee, toen ze een jongetje redde van de verdrinkingsdood. Hermsen looft haar dubbele dapperheid: ‘Er is veel moed voor nodig om de wereld een andere kant op te duwen, en maar tegen de stroom in te blijven zwemmen.’ Exact zo lijkt Hermsen soms tegen de stroom in te zwemmen, om daarna toch weer op safe te spelen en vooral te herhalen wat andere filosofen gezegd hebben over thuiszijn. Hermsen citeert Kafka, die zich kritisch uitlaat over veilige teksten: ‘Als een boek dat wij lezen ons niet met een vuistslag op de schedel wakker maakt, waarom lezen wij dan dat boek? Een boek moet een bijl zijn voor de bevroren zee in ons.’ Onbewust stipt Hermsen het gebrek aan urgentie aan in haar eigen boek. Onder een andere hemel aait ons meer over de bol dan dat het onze schedel openklieft. Totdat…

    De voorheen verstomde stem klinkt het helderst

    De titel Onder een andere hemel ontleent Hermsen aan Hannah Arendt. ‘Mogelijk dat haar ziel onder een andere hemel de kans ziet om zich uit te spreken.’ Gelukkig spreekt Hermsen zich uit, al doet ze dat – geheel in de meanderende stijl van de essayistiek – met een omtrekkende beweging. Op een congres treft Hermsen een oude bekende. Onverwacht en ongewenst. Ze verstijft, krijgt geen druppel door haar keel en kan niets anders doen dan wachten tot ‘hij’ de ruimte verlaat. Hij heeft overigens een dikke pens gekregen en herkent haar niet eens. Eenmaal achter haar schrijftafel keert Joke terug naar haar 14-jarige ik en verschuift ze het perspectief van eerste naar derde persoon. Trauma’s bespreek je makkelijker met een beetje afstand.

    De vader van haar oppaskinderen rijdt haar, zoals altijd, naar huis. Althans, dat denkt Joke: ‘Ze trekt aan de hendel van het portier om de deur open te gooien. Weggaan, denkt ze, nu meteen. Maar hij pakt haar hardhandiger beet, duwt haar terug in de stoel en vergrendelt het portier. “Ik weet zeker dat jij dit ook wilt”, hijgt hij in haar oor.’ Een paar minuten later, hooguit, is ze terug: ‘“Ik ben thuis!” roept ze naar haar ouders en schiet meteen de trap op naar boven. Ze kleedt zich uit, gaat onder de douche staan en wrijft langdurig met haar handen over haar lichaam, totdat haar huid roodgloeiend is. (…) Ze doet snel het licht uit in de badkamer, gaat in bed liggen en trekt de dekens over zich heen.’ Toch doet de gebeurtenis haar het meeste pijn vanwege het besef ‘dat er zelfs van mijn ouders geen hulp te verwachten viel’. Dat komt binnen.

    Schrijver en moeder

    In de door mannen gedomineerde filosofie- en literatuurkringen wordt van de vrouw verwacht heel haar leven op te offeren aan kinderen. En mannen maar geniaal zijn… Daar doet Hermsen gelukkig niet aan mee. Hoewel drie van haar vrouwelijke rolmodellen (Lou Salomé, Simone de Beauvoir en Virginia Woolf) bewust kinderloos bleven, combineert ze zelf moederschap en schrijverschap met succes. De band met haar beide kinderen is warm en haar werk is indrukwekkend. Juist in het licht van haar oeuvre blijft Onder een andere hemel toch te gewoontjes. Een van haar conclusies doet erg denken aan het cliché ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’: ‘Elke plek van de wereld, hoe vreemd ook, kan een thuis zijn.’ Dit klopt, zolang je tenminste beschikt over de drie g’s: geld, geluk en een goed paspoort.

     

     

  • Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Tijd is geen ding dat voorbij gaat

    Joke Hermsen (1961) studeerde letterkunde en filosofie in Amsterdam en Parijs. Ze is gepromoveerd aan de universiteit van Utrecht en vertaalde Franse poëzie en filosofie. In 1998 verscheen haar debuutroman Het dameoffer. In de jaren die volgden wisselden veelgeprezen (historische) romans en succesvolle essays elkaar af. In 2018 verscheen haar prachtige roman Rivieren keren nooit terug, waarin de hoofdpersoon door Frankrijk reist met als bestemming de rivier waar zij alle vakanties van haar jeugd heeft doorgebracht. Tijd speelt de hoofdrol in het gehele oeuvre van Hermsen en dat geldt ook voor de essaybundel Ogenblik & eeuwigheid; Meer tijd voor de kunst. Eén van de citaten waarmee de bundel begint zorgt ervoor dat de toon gezet wordt: ‘Tijd is geen ding dat voorbij gaat… het is een zee waarop je drijft’ (Margaret Atwood). 

    Ogenblik & eeuwigheid is een verzameling van een aantal van de essays die Hermsen in de afgelopen jaren over kunst en literatuur heeft geschreven. Sommige zijn eerder in boekvorm verschenen. In de nieuwe bundel wemelt het van prachtige zinnen en gedachtegangen; Hermsen weet haar achtergrond als letterkundige en filosofe wederom op een unieke manier te combineren. De twaalf essays richten zich niet alleen op allerlei vormen van kunst, van schrijven tot schilderen en zelfs tot muziek, maar gaan ook over de heilzame werking van kunst. Daarnaast roept Hermsen expliciet op tot politieke bescherming van de kunst. In het midden van de bundel bevinden zich enkele kleurenfoto’s van een aantal door Hermsen besproken kunstwerken. 

    Cadans en dynamiek

    Het eerste essay heeft dezelfde titel als het boek en fungeert als een belangrijke inleiding op het begrip tijd. ‘Ogenblik & eeuwigheid, het zijn geliefde begrippen van denkers en dichters. De ene tijdsduiding duurt nog geen oogwenk of ademzucht, de andere strekt zich uit tot in de verste oneindigheid.’ Kunstenaars kunnen door middel van pauzes, versnellingen of vertragingen op een creatieve manier omgaan met de tijd, waardoor er een bepaalde ‘cadans en dynamiek’ ontstaat. ‘Dit veronderstelt dat er binnen de kunst blijkbaar meer tijd voorhanden is dan slechts het monotone tikken van de klok, die onze moderne levens zo sterk bepaalt. Hoe dit ‘meer’ in het kunstwerk gestalte krijgt en waarom deze andere, ruimere ervaring van de tijd vaak als verrijkend en ontspannend wordt ervaren, zijn enkele van de vragen die ik in deze essays wil opwerpen.’

    Hermsen stelt dat kunst fungeert als een ‘noodzakelijke bewaker van het wankele evenwicht tussen de wetten van de klok en de economie enerzijds en de verbeeldingskracht en het (wel)zijn van mensen anderzijds.’ In 2017 was ze gastcurator van de internationale tentoonstelling Kairos Castle over tijd en kunst op het Kasteel van Gaasbeek, nabij Brussel. ‘Weg van het straffe regime van de door de economie voortgedreven kloktijd, probeerde ik met behulp van de kunst en de muziek de bezoekers naar een andere, meer bezielde ervaring van tijd toe te leiden, die tot nadenken aanspoort en zo het juiste momentum voor verandering kan voorbereiden.’ Naast het feit dat de kunst ons verstilling, bezinning en inspiratie kan bieden, vraagt de kunst op haar beurt van ons dat we tijd nemen om ons te verwonderen.

    De elf essays die volgen hebben stuk voor stuk intrigerende titels, zoals Ourobouros en overige perikelen – Het vitalisme van Hilma af Klimt en Overvloed en onophoudelijke geboorte – Over het werk van Paula Modersohn-Becker. Inhoudelijk gaan de essays allemaal in meer of mindere mate over bekende en minder bekende boeken, schrijvers, muziek en muzikanten, beeldende kunst en kunstenaars. Hermsen is zeer goed thuis in de materie. Haar kennis is zo overkoepelend dat de analyses die ze maakt in het licht van Ogenblik & eeuwigheid niet alleen bijzonder plausibel zijn maar ook zeer interessant. Hermsen laat mensen die al genoten van allerlei vormen van kunst daar op een andere manier naar kijken en luisteren.

    Zorgen voor de ziel

    De Ierse schilder Sean Scully blijkt zich bijvoorbeeld in zijn werk te hebben laten inspireren door de Franse filosofe Simone Weil. In haar optiek moet er gezocht worden naar een nieuw equilibrium tussen de polen van tegenstellingen, ‘… pas dan zorgen we volgens Weil goed voor onze ziel’ schrijft Hermsen. ’Een interessante gedachte als je het voortdurende spel met horizontale en verticale assen van Scully in ogenschouw neemt, die niet alleen verklaarde “het gemeenschappelijke van de menselijke ziel te willen schilderen”, maar ook “geobsedeerd” te zijn met verhoudingen, verdubbelingen en paren.’

    In het essay over Virginia Woolf gaat het over herinneringen. Immers, ‘De spot drijven met de klok is ook een voorwaarde om een belangrijke bron van het schrijverschap te kunnen aanboren, namelijk de herinneringen van de schrijver.’ Hermsen beschrijft een aantal werken van Woolf en benadrukt het feit dat Woolf experimenteert met de tijd, zoals bijvoorbeeld in haar roman Mrs Dalloway (1925). In deze roman spelen alle gebeurtenissen behalve de flashbacks zich af op dezelfde dag in juni. De uitleg die Hermsen geeft over de tijdverdichtingen, tijdversnellingen, flashbacks en vooruitblikken voelt logisch en spoort de lezer aan om ofwel bekend werk te herlezen vanuit een nieuwe invalshoek, ofwel om nieuw werk van Woolf te gaan ontdekken, overigens zonder een keurslijf op te dringen. Over de kunst van Marlene Dumas betoogt ze: ‘De kunst zet ons graag op het verkeerde been en gaat daar net zo lang mee door tot we lopen, het ene been voor het andere, en zwerven door het vreemde, dat verbijsterend genoeg juist onderdak kan bieden aan datgene wat verbannen is’.

    Heilzaam

    Het essay over De Toverberg van Thomas Mann heeft als uitgangspunt dat ‘kunst, muziek en literatuur een heilzame werking op zowel onze geest als ons lichaam hebben’. Wat Hermsen betreft zou dit gegeven gevolgen moeten hebben voor het onderwijs: ‘Laat de literatuur en de inhoud van boeken toch weer de boventoon voeren in het taalonderwijs, en besteed serieus aandacht aan muziekvakken, theater en beeldende kunst; niet alleen leerlingen, maar ook docenten zullen er in mentaal en fysiek opzicht aanzienlijk van opknappen.’ De Toverberg vormt voor Hermsen de ‘novel cure bij uitstek’, de uitgelezen plek waar de geest oefening en bezieling kan vinden. 

    Over filosofe Hannah Arendt schreef Hermsen al in eerdere boeken. In dit essay richt ze de schijnwerper op Arendts principe van nataliteit, de kracht van het beginnen. Het is een principe waar maar weinig filosofen aandacht aan besteden. Ieder nieuw begin laat aan de wereld zien wie wij zijn. We maken onszelf zichtbaar in ons spreken en handelen, door het verwoorden van een bepaalde mening, visie of inzicht of door een initiatief te nemen. Dat nieuwe begin is overigens pas mogelijk wanneer de samenleving voldoende ruimte biedt aan de uniciteit van iedere mens en de pluraliteit van alle mensen onderling erkent. 

    Ogenblik & eeuwigheid is geen boek om achter elkaar uit te lezen, dat zou de essays geen recht doen. Ze kunnen een fijne toevoeging vormen aan het beleven van kunst, of dat nu het werk van de wereldberoemde Mark Rothko is of dat van Paula Modersohn-Becker, van wier werk pas ruim honderd jaar na haar dood een overzichtstentoonstelling in het Musée d’Art Moderne in Parijs werd ingericht. Maar ook zonder kennis te hebben van de beschreven kunstenaars of kunstwerken zijn de prachtig geschreven filosofische verhandelingen zeer interessant. Hermsen is zo ongelooflijk thuis in de wereld van de kunst dat je nieuwsgierig wordt naar alles wat je nog niet gelezen, gezien of gehoord hebt en waar zij zo vol enthousiasme over schrijft. Daar zou je zomaar een eeuwigheid voor nodig kunnen hebben.

     

     

  • Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Het leven aanvaarden, ‘dapper en glimlachend – ondanks alles’

    Bij Van Oorschot verscheen een herziene uitgave van de Brieven van Rosa Luxemburg, onder de titel Ik voel me in de hele wereld thuis. De eerste uitgave verscheen in 1958; de nieuwe bevat extra brieven, aanvullingen en illustratiemateriaal zoals o.a. aquarellen van Rosa Luxemburg. Joke J. Hermsen schreef een uitgebreid nawoord.

    Strijdbaar en kritisch

    Rosa Luxemburg (1871-1919) groeit op in Warschau. Als joods meisje mag ze bij wijze van uitzondering naar het gymnasium. Ze slaagt met de hoogste cijfers, maar de daarbij behorende onderscheiding, de gouden medaille, krijgt ze niet uitgereikt. Haar ‘oppositionele opstelling tegen het gezag’ is de officiële reden, maar feitelijk is het vanwege haar joodse achtergrond. Joke Hermsen schrijft in het nawoord hierover ‘het zou haar kritische bewustzijn al vroeg scherpen.’ In Warschau ziet ze de armoede, de achterstelling en de politieke onderdrukking van de arbeidersklasse. Als vijftienjarige wordt ze lid van de Poolse revolutionaire partij. Ze vlucht ‘onder een lading stro op een boerenkar’ naar Zwitserland als de leden van deze partij worden opgepakt. In Zürich, de enige Europese stad waar vrouwen tot de universiteit worden toegelaten, studeert ze summa cum laude af op filosofie, rechten en economie. Daarna vestigt ze zich in Berlijn waar ze actief wordt binnen de Sociaal Democratische Partij (SPD). Ze raakt o.a. bevriend met politici zoals Clara Zetkin, Franz Mehring en Karl Liebknecht. Duitsland is dan nog een keizerlijke militaire staat met veel sociale achterstanden.

    Rosa schrijft meerdere artikelen met voorstellen voor hervormingen: Sozialreform oder Revolution? (1899). Ook in haar toespraken toont ze haar strijdlust. Dat brengt haar meermaals in conflict met de autoriteiten. In 1906 wordt ze gearresteerd; ze wordt ervan beschuldigd dat ze verschillende klassen van de bevolking stimuleert om geweld te plegen. Op 13 maart 1906 schrijft ze daarover aan Karl en Luise Kautsky vanuit de gevangenis dat het ‘menens is’. Aan het einde van de brief: ‘Onder andere de obstructie, die latere tijden tot voorbeeld zal dienen, is ons werk.’ De obstructie brengt ze in praktijk als ze later, op 26 maart 1913, oproept tot verzet tegen de dreigende oorlog. Haar eigen partij stemt in met het regeringsbesluit de oorlogskredieten te verhogen. Ze wordt veroordeeld voor ‘oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid’; later voor ‘landverraad.’ Haar gevangenisstraf zit ze tijdens de Eerste Wereldoorlog uit in Berlijn, Wronke en Breslau. Ze wordt meerdere malen overgeplaatst; op 20 juli 1917 schrijft ze vanuit Wronke aan Sophie Liebknecht: ‘Tot ziens in mijn negende gevangenis.’

    Hartstocht

    Deze nieuwe brievenuitgave bevat de brieven die zij tussen juni 1896 en januari 1919 schreef aan uitgevers, familie, vrienden en partijgenoten. Met veel enthousiasme schrijft ze over allerlei onderwerpen, over haar politieke strijd, maar ook over schilderkunst en literatuur (van Goethe tot Shakespeare en Dostojewski), astrologie, plantkunde, ornithologie en geologie.

    Vanuit haar cel observeert en beschrijft ze de natuur; over de pimpelmees die zij broodkruimels voert door de tralies, over de in bloei staande bomen en over de planten die op de binnenplaats van de gevangenis groeien. Over het herkennen van de plantjes schrijft ze: ‘Wat ben ik blij dat ik me drie jaar geleden plotseling op het botaniseren heb geworpen, als op alles, meteen met al mijn geestdrift, met mijn hele ik, zodat de wereld, de partij en het werk van me afvielen en slechts die ene hartstocht mij dag en nacht vervulde /…/’ Op deze manier heeft ze zich de kennis van het ‘groene rijk’ eigen gemaakt: ‘Ik heb het me veroverd – in storm, in hartstocht, en wat men zich aldus met geestdrift eigen maakt, schiet diepe wortelen.’

    Dezelfde hartstocht legt ze aan de dag voor geologie: ‘Ik zit nu diep in de geologie. Dat zal je wel een zeer droge wetenschap lijken, maar dat is een dwaling. Ik lees haar met koortsachtige belangstelling en hartstochtelijke bevrediging, ze verwijdt de geestelijke horizon enorm en verschaft een zo’n afgeronde alomvattende voorstelling van de natuur als geen enkele wetenschap het kan.’

    Dierenliefde

    Aan Sophie Liebknecht schrijft ze in 1917 dat ze vaak het gevoel heeft dat ze geen ‘echt mens’ is, maar ‘ook in zekere zin een vogel of een ander dier in mensengedaante.’ Vandaar dat ze zo blij wordt van ‘tsitsi bé tsitse bé’, de roep van de pimpelmees. Maar in de natuur vindt ze vaak ook zaken die haar verdrietig maken. Bijvoorbeeld een mestkever die liggend op zijn rug door mieren opgevreten wordt. Ze voelt de pijn van buffels die zware karren trekkend afgeranseld worden door soldaten: ‘Ach, Sonitschka, ik heb hier iets dieptreurigs ondervonden.’

    Liefde voor de mens

    Rosa Luxemburg voelt zich in de gevangenis soms erg verdrietig, vooral op zondagen. ‘Vandaag is het zondag, dus een voor mij van oudsher noodlottige dag.’ Om aan te geven hoe ze zich voelt, citeert ze de dichter Arno Holz ‘so arm und so verlassen, wie jener Gott aus Nazareth.’ (brief 7 januari 1917).

    Als ze kritisch reageert op brieven, dan blijft ze ‘ondanks alles’ vergevingsgezind. Aan Mathilde Jacob schrijft ze ‘Wees gerust, ondanks dat je me zo dapper gepareerd hebt en me zelfs de oorlog verklaart, blijf ik je even genegen als voorheen. /…./ Daarmee zullen we “de debatten afsluiten”. Je vriendin blijf ik graag.’ Vanuit de gevangenis heeft ze troostende woorden voor haar vrienden: ‘Wees ondanks alles rustig en vrolijk. Zo is het leven en zo moet men het aanvaarden, dapper en glimlachend – ondanks alles.’

    Uit brief van 28 december 1916, aan Mathilde Wurm: ‘Zorg dat je mens blijft. Mens zijn is vóór alles de hoofdzaak. En dat betekent: vastberaden en helder en vrolijk zijn. /…./ Mens betekent blijmoedig zijn hele leven “op de grote weegschaal van het lot” werpen, als dat zo zijn moet, zich tegelijkertijd echter verheugen over elke heldere dag en iedere schone wolk.’

    In een brief van 5 maart 1917 schrijft Rosa Luxemburg over voornaamste gebod dat zij voor haar leven heeft gesteld: ‘goed zijn is hoofdzaak! Eenvoudig en oprecht goed zijn, dat slaakt en bindt alles en is beter dan schranderheid of betweterij.’

    Nawoord

    Schrijver en filosoof Joke J. Hermsen schreef een gedetailleerd nawoord bij deze herziene uitgave. Zij leerde het werk van Rosa Luxemburg kennen via het boek Men in Dark Times (1968) van Hannah Arendt. Eerder schreef ze al over de overeenkomsten tussen Rosa Luxemburg en Hanna Arendt in Het tij keren (2019). Hermsen beschrijft hoe beide politieke denkers kritisch waren op de kapitalistische maatschappij en wezen op het belang van politieke participatie van de bevolking. Arendt neemt in haar boek Over revolutie (1966) de voorstellen van Luxemburg voor een ‘radendemocratie’ over. Hierbij krijgt de bevolking inspraak en beslissingsbevoegdheid via burger- of volksraden. Zo ontstaat een vorm van directe democratie ‘die niet alleen de gemeenschapszin en de politieke betrokkenheid van de bevolking kan bevorderen, maar ook gevoelens van ‘niet gehoord’ worden kan wegnemen en daarmee de wind uit de zeilen van extremistische leiders kan halen.’ Zowel Luxemburg als Arendt huldigden de opvatting dat politieke kwesties ‘veel te belangrijk (zijn) om alleen aan politici te worden overgelaten.’ In 2020 is dit nog steeds actueel.

    Kort na haar vrijlating uit de gevangenis wordt Rosa Luxemburg tijdens de volksopstand op 15 januari 1919 in Berlijn vermoord. Zo kwam haar voorspelling uit dat ze op haar post zou sterven: ‘in een straatgevecht of in het tuchthuis.’ (brief van 2 mei 1917). Haar nalatenschap bestaat uit haar politieke werk en uit brieven die nu opnieuw gelezen kunnen worden. Prachtige brieven waaruit de liefde voor alles wat leeft spreekt. De titel van de bundel komt uit een brief aan Mathilde Jacob, vanuit de gevangenis van Wronke, 16 februari 1917: ‘Ik voel me in de hele wereld thuis, waar er wolken en vogels en mensentranen zijn.’ Een prachtig citaat waaruit liefde voor de natuur en menselijkheid blijkt. Zij eindigde haar brieven vaak met ‘Ik omarm je duizendmaal, je Rosa.’ Deze brievenbundel verdient het om door de lezer omarmd te worden. Wat een krachtige vrouw, wat een prachtige brieven!

     

     


    Podcasts SLAA

    Bij het verschijnen van de nieuwe brievenuitgaven heeft de SLAA (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) een audioreeks RE: Rosa Luxemburg gemaakt. In de eerste aflevering geeft Joke Hermsen een college over Rosa Luxemburg; in de volgende afleveringen schrijven Arnon Grunberg, Maarten van der Graaff, Miek Zwamborn en Edna Azulay aan de hand van de thema’s vriendschap, natuur, gevangenschap en vrijheid, en politiek een brief terug aan Rosa Luxemburg.

     

  • Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Leven tussen twee stemmen en twee tijden

    Het hoofdpersonage uit Joke J. Hermsens nieuwste roman, Ella Theisseling –  en ook haar zoon Tobias, kennen we al uit onder meer haar roman De profielschets. Kunsthistorica Ella Theisseling is in Rivieren keren nooit terug nog even zenuwachtig dan in De profielschets, waarin ze bij een psychiater liep omdat ze toen al niet goed bij haar herinneringen kon komen.

    Herinneringen
    Die poging onderneemt ze in Rivieren keren nog steeds. En het moet gezegd: met meer succes. Had Ella in De profielschets een schriftje waarin ze haar herinneringen opschreef, in Rivieren keren is het schriftje in twee delen opgedeeld: Herinneringen’ en ‘Reisjournaal’. Een verdeling waarvan Ella hoopt dat ze ergens bij elkaar zullen komen, net zoals ze hoopt de twee kanten van haar vader – de leuke en agressieve kant –  gedurende een reis door Frankrijk bij elkaar te brengen.
    In Rivieren keren nooit terug begint Ella aan een zoektocht naar de schilderijen van Vladimir Cazals.

    Ella put hoop uit herinneringen en uit tal van kunstuitingen, die in dit boek over elkaar heen buitelen en met die herinneringen samenvallen. Kunst als big mind en herinneringen als small mind. Taal, beelden, muziek, dat alles is familie’ concludeert Ella op het eind van het boek.

    Reisjournaal
    Je zou het boek, van Parijs naar de Gard, aan de hand van het boek kunnen nareizen, naar de streek waar Ella als kind kwam en haar herinnert aan haar ouders en haar vriendje Marc. De Gard met het aquaduct, met de Gardon ook, de rivier die je over kunt zwemmen, de ene oever (de kindertijd, de dood van de vader, de kloof met de moeder) achterlatend, maar ook nog niet wetend wat er aan de overkant wacht. Ella voelt zich op die manier een tussenwezen, want: ‘hier gaat het om, om dit tussen twee oevers staan, tussen twee tijden, twee stemmen, met mijn blote voeten in het water, balancerend op gladde keien.’ De tijd stroomt de ene kant op, de herinneringen de andere kant.

    Ella droomt veel tijdens haar reis die ze met haar auto onderneemt, waarin ze net zoveel tijd lijkt door te brengen als ze ook in De profielschets deed. Op een gegeven moment hoort ze het suizende geluid van een vallende man van een brug. Dat lijkt op een detectiveachtig element in het boek, zoals ook een zinnetje als ‘Ook Ella dacht dat ze het ergste nu wel achter de rug zou hebben’ aan een cliffhanger doet denken, maar beide elementen, deze droom en dat zinnetje, wordt niet op terug gekomen. Op die manier werkt het beeld van die vallende man eerder als een intertekstuele verwijzing naar in dit geval Camus’ La chute, waarin hoofdpersoon Jean-Baptiste Clemence een luide plons en een gil hoort nadat een vrouw van een brug de Seine is ingesprongen.

    Kunstgeschiedenis en filosofie
    Bij de keuze om een andere richting in te slaan, speelt het getal vijf een grote rol. Niet alleen de vijf zintuigen, waaronder horen en zien zoals ze symbolisch voor komen op de zestiende-eeuwse tapijten van de Dame met de eenhoorn in het Musée de Cluny, maar ook doordat de kerkklokken vijf uur slaan op het moment dat het Ella duidelijk wordt dat ze niet verder komt met louter herinneringen. En tenslotte natuurlijk in de opbouw van de roman, doe uit vijf delen bestaat: Het afscheid, Onderweg, Het zwart beweegt, Altijd het zuiden en Rots, steen, rivier.

    Zien komt natuurlijk duidelijk naar voren in het feit dat we Ella kunsthistorica is. Zo laat ze zich ook in deze roman kennen, zoals ze over het houtwerk in de St. Jean le Baptiste in Autun schrijft: ‘Begin veertiende eeuws, schatte ze het (…), maar ze kon er een halve eeuw naast zitten.’ Maar ze is ook in filosofie geïnteresseerd, gezien niet alleen het onderwerp van haar proefschrift, maar ook door haar stellingname als tussenwezen. Zij lijkt dit begrip namelijk te hebben ontleend aan de filosofie van Hannah Arendt. Arendt wees daarbij op het contact tussen mensen, Hermsen in de persoon van Ella op het contact tussen verschillende families, taal, beelden en muziek. Deze kunnen volgens Arendt een nieuw begin vormen. Dat doen ze ook in dit boek. ‘Je moet altijd een ander “tussen” opzoeken’, meent Ella, ‘als je met een nieuw verhaal op de proppen wilt komen.’

    Tijd en hoop
    Dat nieuwe verhaal vertelt Hermsen en het is een verhaal dat hoopvol eindigt. ‘Is tijd iets als “hoop” (Bloch)?’ was een vraag die de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden plaatste in een aankondiging van een cursus die Joke J. Hermsen er in 2010 gaf. In deze roman laat Ella Theisseling de lezer zien dat dit zo is: tijd is hoop.
    In Leusden zei Hermsen op een gegeven moment: ‘Zonder hoop geen verandering, weet ook Obama in de voetsporen van de filosoof van de hoop, Ernst Bloch.’ En: ‘We moeten ons over de hoop buigen, omdat de wereld niet klaar is.’  Het personage Ella Theisseling is nu niet alleen onderdeel geworden van een groter verhaal dat in verschillende romans wordt verteld, maar ook het verhaal van taal, beelden en muziek als één grote familie. Ella lijkt niet alleen haar doel te hebben bereikt, maar ook – met dank aan Hannah Arendt – aan een nieuw begin te staan. Ze keert niet terug naar haar jeugd, waaraan zowel gelukkige als nare herinneringen kleven, zoals rivieren nooit terugkeren, maar is een ander geworden. Misschien zelfs minder zenuwachtig als ooit tevoren.

     

  • Verhalen die verder gaan

    Verhalen die verder gaan

    Hij heeft niet eens een bijrol in de Harry Potter-reeks. Hij is ‘slechts’ de schrijver van Fantastic Beasts and Where to Find Them, verplichte kost voor leerlingen van Hogwarts School of Witchcraft and Wizardry.
    Zeven delen is Newton Artemis Fido (roepnaam Newt) Scamander onzichtbaar, hoewel zijn naam in de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban te zien is op Marauder’s Map (hij is dus in de buurt). Dat hij de leading man zou worden in een film met dezelfde titel als zijn boek kwam voor velen als een verrassing en was dan ook groot nieuws. Dat er vanwege verwacht succes nog vier films volgen niet minder.

    Toen vorig jaar De middelste dag van het jaar van Maria Stahlie verscheen, was er geen krant die kopte dat Sylvia Ciecierzky eindelijk de kans kreeg om haar kant van het verhaal te vertellen, nadat het in Honderd deuren (1996) vooral om haar dochters draaide. Sterker nog: de verwantschap tussen beide romans kwam in de media nauwelijks ter sprake. Zelfs de meeste recensenten deden alsof De middelste dag van het jaar volledig op zichzelf stond.
    Joke Hermsen gaat verder: zij vervolgt in haar romans de levens van haar personages. Drie romans lang – in Het dameoffer (1998), De profielschets (2004) en Blindgangers (2012) – gunde zij Det van Vliet de kans iets van haar leven te maken. Inmiddels is ook Ella Theisseling in Rivieren keren nooit terug toe aan haar derde literaire levensfase. Zij debuteerde in De profielschets en was in Blindgangers een van de zes ‘dramatis personae’.

    In de literatuur is het niet gebruikelijk om levens te hernemen en spin-offs komen ook niet zo vaak voor. Misschien omdat literatuur er niet a priori op uit is om leeshonger te stillen en lezers vast te houden. Liefhebbers van literatuur willen wel meer, maar niet per se meer van hetzelfde.
    Dat er met literatuur relatief weinig geld te verdienen valt, zal ook een rol spelen. De prikkel om uit financiële overwegingen in herhalingen te vervallen, ontbreekt. Literatuur is een fundamenteel andere vorm van vermaak dan ‘leesboeken’, televisie(series) of films waarvan er dertien in een dozijn gaan.

    Als schrijvers als Maria Stahlie of Joke Hermsen ervoor kiezen het leven van een personage te verlengen, is dat een keuze ingegeven door louter literaire overwegingen. Zij zijn nog niet klaar met hun protagonist; ze zien in hem/haar de ideale persoon om ideeën over het voetlicht te brengen en/of een verhaal vanuit een ander perspectief te vertellen. Dat dat personage ondertussen eventueel ouder en misschien ook wel wijzer is geworden, is in de meeste gevallen mooi meegenomen.

    De schrijver die op deze manier romans aan elkaar rijgt, neemt een risico. Hij mag zelf zo zijn redenen hebben om een verhaal aan dat ene en niet aan een willekeurig nieuw personage op te hangen, als de lezer nog nooit van Sylvia Ciecierzky, Det van Vliet of Ella Theisseling heeft gehoord, schiet hij een deel van zijn doel voorbij. In het gunstigste geval wordt zijn meest recente roman welwillend ontvangen, maar dat die roman onderdeel is van een groter verhaal blijft helaas en tot zijn spijt onopgemerkt.

     


    Liliane Waanders komt wel eens ergens, ontmoet wel eens iemand en leest wel eens wat. Als dat met literatuur te maken heeft, schrijft ze er columns over.

     

     

  • De hoop van Plato en de wanhoop van Nietzsche in een winters Drenthe

    De hoop van Plato en de wanhoop van Nietzsche in een winters Drenthe

    Blindgangers, de nieuwe roman van filosofe Joke Hermsen, gaat over het heden en het verleden, over hoop en wanhoop. Een vriendengroep, bestaande uit zes gedesillusioneerde vijftigers, komt in een winters Drenthe bijeen om het 25-jarige jubileum van hun studentenclubje filosofie Nil desperandum (gij zult niet wanhopen) te vieren. Gij zult niet wanhopen, nooit eerder was dit zo van toepassing als in deze fasen van hun levens.

    Blindgangers begint zwak met een nogal bombastische opvoering van de dramatis personae. In een ongetwijfeld humoristisch bedoelde persoonsschets maakt de lezer kennis met Bas, Iris, Johan, Reindert, Ella en Det. Mede door deze slappe introductie komt het verhaal traag op gang, met (te) veel aandacht voor detail. ‘Hij viste een schoon filter uit het pak, gooide er aan paar scheppen koffie in, vulde het waterreservoir tot aan de rand, zette het ding aan een veegde achteloos met de mouw van zijn jas de muizenkeutels van het gebarsten aanrecht.’

    Bas, de eerst opgevoerde personage, maakt al op de eerste pagina’s duidelijk waar het in Blindgangers om draait: om het verleden en het heden, die gelijk staan aan hoop en wanhoop. Bas snakt naar verandering in zijn leven, maar hij heeft geen idee hoe hij dat moet aanpakken. Ook niet waar hij de moed vandaan moet halen trouwens. ‘Hij wist alleen dat zijn huidige leven hem niet meer paste, dat het hem de afgelopen jaren veel te krap was komen te zitten.’ Ook Reindert kampt met dit probleem. ‘Een nieuwe start’ is alles wat hij wil, maar ook hij heeft geen idee hoe. Deze sympathieke man zit genadeloos klem tussen de vrouwen in zijn leven. Iris ligt met zichzelf overhoop: ‘Het fantastische kunstwerk dat zij van haar leven had willen maken, bleek een knutselwerkje te zijn.’ Anna zit gevangen in een liefdeloos huwelijk met Bas, terwijl Ella het aan de stok heeft met Reinderts ex en dochters. Det, de laatste van het groepje, is een briljant dichteres, maar bij gebrek aan een lezerspubliek geeft zij Nederlandse les aan buitenlandse vrouwen. De vrienden proberen wanhopig hun hoofd boven water te houden in deze chaotische tijd van vergaande individualisering, gebrekkige communicatie en crisis. Johan lijkt de uitzondering te zijn: als enige is hij geslaagd in het leven.

    Desillusie drukt haar stempel op het gezellige weekendje van het vroegere studentenclubje: ‘In plaats van een paar amicale en verbroederende dagen op het idyllische platteland, …, gingen ze een oorlogszone vol brandhaarden tegemoet, die elk moment tot ontploffing konden komen.’ Erg ontspannen is het dus niet in het besneeuwde Drenthe.

    Bruisde hun gezamenlijke verleden nog van hoop en verwachting, in het heden hebben teleurstelling en wanhoop de vrienden ingehaald. Plato is uit hun leven verdwenen, Nietzsche heeft luidruchtig zijn intrede gedaan. Allemaal snakken ze naar een totale omslag, maar niet één van hen heeft ook maar enig idee hoe dat te bereiken. Omdat het niemand lukt in actie te komen, is er ook maar weinig actie in de plot. Toch wordt het boek niet saai, het lijkt wel of de personages de plot zijn.

    Ella vat de problematiek halverwege het boek nog eens samen: ‘Maar als je er goed over nadenkt, hebben we geen van allen bereikt wat we wilden.’ Of zoals Iris het formuleert: ‘Het was net of ze vroeger niet alleen een serieuzer, maar ook een waarachtiger leven leidden.’

    Door de vele teleurstellingen en uiteenlopende levenspaden hebben de vrienden nog maar weinig filosofische en intellectuele gespreksstof, maar onder het oppervlakkige geneuzel dat de boventoon voert, gaat een dreigende groepsdynamiek schuil. Het gesprek komt steeds terug op het proefschrift van Bas. Zijn levenswerk waar hij al jaren aan schrijft, niet bij machte het te voltooien. De hoon van Johan valt hem steeds weer ten deel. Het is dan ook Bas die als eerste een besluit neemt. Het roer gaat om, hij wil niet langer een schim van zichzelf zijn. Jarenlang had hij zich gebogen over de verhouding tussen geest en brein, maar steeds weer liep hij vast. Nu realiseert hij zich dat hij het al die tijd verkeerd aanpakte: ‘Zijn onstoffelijke geest was als het ware de kapitein aan boord van het schip van zijn bewustzijn en zijn stoffelijke brein was slechts de stuurman….’ Eindelijk inzicht, eindelijk een doorbraak.

    Maar de drang naar verandering neemt de duistere onweerswolken die boven het laatste etentje samen pakken niet weg. En zoals te verwachten barst inderdaad een hevig noodweer los boven de keurig gedekte tafel. Weer ontstaat dezelfde discussie tussen Johan en Bas over geest en brein. Zonder hem en zijn boek met name te noemen, haalt Hermsen uit naar Swaab en zijn Wij zijn ons brein als de vrienden afgeven op ‘die man van die ene bestseller’ en hem fanatiek bestrijden. Ook deze laatste discussie over geest en brein brengt niets nieuws, geen nieuwe argumenten en net als de lezer een geïrriteerde zucht wil slaken over deze herhaling van zetten, valt het op dat er wel degelijk iets is veranderd. Niet in de discussie, niet in de argumenten, maar in het vriendenclubje zelf. Dit keer wordt niet Bas in het nauw gedreven, maar staat Johan met zijn rug tegen de muur. Johan, als enige geslaagd in het leven, die vrij denkt te zijn, maar die als hyperindividualist alleen blijkt te staan in zijn inhoudsloze vrijheid. Het boek eindigt sterk: het laatste hoofdstuk is niet alleen prachtig geschreven, het ontroert ook.

    Hermsen schreef eerder de veel geprezen essaybundel Stil de tijd (2009). Niet alleen in haar essays, ook in haar romans zijn filosofie en literatuur nauw verweven. Ging dat in De liefde dus (2008) nog te pretentieus en geforceerd, in Blindgangers heeft Hermsen de juiste toon gevonden: filosofie en literatuur gaan op overtuigende en harmonische wijze samen. Literatuur met de hoofdletter L.