• Gevecht op leven en dood in aangrijpende roman

    Gevecht op leven en dood in aangrijpende roman

    Niet mijn lichaam is de eerste en laatste roman van Hedwig Selles. De schrijfster heeft de boekpresentatie van haar debuutroman in mei 2022 nog net mee kunnen maken, voor haar overlijden op 54-jarige leeftijd in december van datzelfde jaar. De sterk autobiografisch gekleurde roman is door thematiek, opbouw, stijl en taalgebruik bepaald niet alledaags. Er wordt het nodige gevraagd van de lezer, ook aan incasseringsvermogen, want het leven is geen feest voor hoofdpersoon Carlotta.

    Carlotta M. voert vele gevechten. Ze ervaart in haar jeugd en beginnende tienertijd een verstikkende en eenzame thuissituatie met een dominante oma, een instabiele moeder die niet goed voor haar kinderen kan zorgen, zus Helga die het ouderlijk huis ontvlucht en daarmee Carlotta in de steek laat, en een vader die onmachtig is en schittert door afwezigheid. Op school verliest ze haar beste vriendin Inger, en daarmee Ingers lieve moeder Martine, aan concurrent Ditte. Eenzaamheid is haar deel, in alles. Haar lichaam werkt ook niet mee: ze heeft heel kleine borsten en is in tegenstelling tot veel klasgenootjes nog altijd niet ongesteld.

    Levensstrijd

    Als ze later in Gilles een liefdespartner gevonden heeft, blijkt ook die menselijke relatie onbetrouwbaar. Met het kindje dat ze draagt weet ze zich geen raad, ze kan het niet voldragen en raakt zelf de weg kwijt. Ze zoekt haar heil bij God, met wie ze de nodige gesprekken voert en aan wie ze vaak raad vraagt. Hij weet wat zij nodig heeft, maar geeft niet altijd thuis. Zou ze haar lichaam moeten offeren, zoals in de Bijbel regelmatig gebeurt? Haar lichaam blijkt een eigen wil te hebben, kiest ervoor om niet te eten, één van de vele dwanggedachtes waar de levensstrijd van Carlotta door wordt bepaald. Ze noemt zichzelf iemand met ‘systeemfouten’. Het liefst wilde ze dat iemand haar een spuitje gaf. En als ze mannen in legerkleding ziet op het perron, vraagt ze zich af: ‘Zou ik ze kunnen verleiden om me neer te schieten?’ Het is een offer dat ze graag wil brengen voor een nieuw lichaam en een bijpassende geest.

    Hallucinante beleving

    Selles beschrijft Carlotta’s strijd fragmentarisch; we bevinden ons op school, thuis bij haar ouders, in haar flat, in de lommerrijke omgeving bij Gilles thuis en bij het arkje voor hen samen, op haar werk in het hotel in Brussel en in de beenhouwerij, in het ziekenhuis en in de kliniek. Maar meer nog dan de wisselende locaties en tijden maken schrijfstijl, woordkeus en taalgebruik de roman een puzzel of misschien een lang episch gedicht. Personages worden metaforisch beschreven, zoals hulpverleenster Fanny als ‘het herderinnetje’ en vaker nog als dieren: Carlotta als oester, moeder is een kauwtje, oma de dikke duif en als ze niet slaapt een hongerige roofvogel, een oorlogsadelaar. Oom is een zwijnenjager, klasgenootjes worden guppy’s genoemd, de wiskundeleraar een maraboe. Zus Helga heeft een vest met vleermuismouwen, bewoners van een afdeling in de kliniek worden ‘Portugese kwallen’ genoemd, een zuster lijkt op een sint-bernhardshond. Associatief en soms onnavolgbaar denderen we vanuit de regelmatig hallucinante beleving en binnenwereld van Carlotta door haar leven en hoofd. Het leven is haar te veel, dat wordt indringend en onmiskenbaar duidelijk. ‘Goed kunnen vallen is de beste metafoor voor het leven,’ zegt ze zelf. Haar grootste steun en toeverlaat is haar konijn Broodje, genoemd naar Herman Brood.

    Alleen in mijn gedichten kan ik leven

    Carlotta is bijzonder opgetogen als een gedicht van haar in de schoolkrant is opgenomen. Van schrijfster Hedwig Selles zijn eerder drie dichtbundels verschenen. Dat zij poëet is, is onmiskenbaar in deze roman. Ze gebruikt metaforen, neologismen als ‘hanglippig’, ‘brullachen’, ‘rozenzomer’ en andere stijlfiguren als de personificatie ‘stomdronken wolken’ en pars pro toto ‘de baarden’. Veel moet tussen de regels door begrepen, gelezen en geïnterpreteerd worden, wordt plastisch en origineel verteld. Zo schrijft Selles over Gilles’ moeder Signe: ‘Afwijkende cellen hadden zich in haar borsten gedeeld en waren op weg gegaan naar haar oksels. Nu joegen ze in het ziekenhuis stralen op haar af […].’

    Selles is opgegroeid in een streng hervormd gezin in Kampen, heeft in Brussel gewoond en leed net als Carlotta vanaf haar vijftiende aan anorexia. ‘Alleen in mijn gedichten kan ik leven en zijn,’ heeft zij gezegd. ‘Daarom ben ik dun, omdat ik het hartstikke moeilijk vind om te leven.’ Het is alsof we Carlotta horen. Schopenhauers levenshouding en filosofie is die van Selles én Carlotta. ‘Schopenhauer wist dat je in principe over alle zaken in het leven kon liegen en dat die gereduceerd konden worden tot een wil en een lichaam waaraan alles ten onder ging.’ Carlotta wil van haar lichaam af, het is ‘niet haar lichaam’. Het motto ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt’ en de omslag, waarop onder andere een zwaluw in de vorm van een crucifix, onderstrepen dit.

    Ontroerend slot

    Een prachtige, sprookjesachtige brief van Carlotta aan haar zus Helga vormt de opmaat voor een aangrijpend slot, waarin een voorzichtige toenadering tussen de zussen beschreven wordt. Dit laatste deel van de roman toont Carlotta’s kwetsbaarheid in optima forma. Schrijnend is het dat de lezer hoop voelt waar de hoofdpersoon wanhoopt. ‘De uilen waren weggevlogen. Ze hadden hun opdracht uitgevoerd en gingen nu verder de dood aanzeggen.’

     

     

  • De vraag blijft van waar we wel zijn

    De vraag blijft van waar we wel zijn

    De tweede roman van Judith Maassen Niet van hier beschrijft de onmogelijkheid te integreren in een hechte dorpsgemeenschap. De dertienjarige hoofdpersoon Rifka lijkt de integratiestatus toch te verwerven: aan het eind van het verhaal wordt ze ‘onze’ Rifka. Daar is wel een dramatische gebeurtenis voor nodig in een boek met meer drama en veel grotere motieven en thema’s dan die integratie alleen, zoals de dood, opgroeien (‘coming of age’), liefde en leugens.

    Rifka verhuist als brugklasleerling met haar ouders naar het dorpje Z (Zijtaart) onder de rook van V (Veghel). Het gebied waar de leeuwen wonen, zegt moeder, een soort van witte plek op de kaart. Rifka’s vader Wald, hovenier van beroep, vindt dat de verhuizing past als een puzzel, want hij woont nu dichter bij zijn werk en zijn oude vader, en Rifka kan opgroeien in een groene, gezonde omgeving. ‘Ze was dertien. Ze speelde niet buiten.’ laat zijzelf de lezer fijntjes weten. ‘Waar moet je dan lopen,’ vraagt Rifka, als vader zegt dat ze wel zal moeten wennen, want stoepen bijvoorbeeld zijn er niet. ‘In de goot’ zal een grappig bedoeld antwoord zijn, maar blijkt een naargeestige vooruitwijzing. En dat vader ook een ander motief voor de verhuizing heeft, weet dan nog niemand.

    ‘Vriendinnen’

    Als het gezin net verhuisd is, vindt er in het dorp een vreselijk drama plaats. Nannie, een leeftijdsgenootje van Rifka, wordt dood gevonden in een greppel. De doodsoorzaak en toedracht zijn onbekend. ‘Je valt met je neus in de ranzige boter,’ constateert moeder. Nieuweling Rifka probeert aansluiting te krijgen bij de vriendinnengroep van Nannie. Ze wordt door de vriendinnen eerst genegeerd, dan gedoogd, maar als Nannies dood alsmaar onopgehelderd blijft, de nieuwe bewoners het spreekwoordelijke Barbertje dreigen te worden én als de meiden doorhebben dat Rifka met Nannies ex Johan omgaat, wordt de aanval op haar ingezet.

    Rifka’s integratie-ervaringen in de gesloten dorpsgemeenschap zijn hilarisch herkenbaar, maar ook pijnlijk eenzaam en naïef. Dorpsgenoten groeten elkaar met opgestoken wijsvinger, Rifka leert dat op de pof alleen voor bekenden is en gaat met de meiden mee naar een katholieke mis in de Sint-Lambertuskerk in Veghel, waar ze in haar onschuld zondig op een ouwel kauwt. Omdat ze graag bij de dansmariekes wil oefent ze ijverig op de split, waarbij ze Jezus’ hulp vraagt. De nieuwe ‘vriendinnen’ laten haar bij de KPJ, de Katholieke Plattelands Jeugd, letterlijk en figuurlijk vallen.

    Nadat op school bij de Franse les ‘le petit mort’ door de leraar is genoemd, gaat Rifka thuis oefenen in masturberen. Dit levert een ontwapenend humoristische scène op die bovendien door de originaliteit en beschrijving vrolijkmakend verfrissend is en hartstikke emancipatoir. Er zijn inmiddels al wat broeierige scènes de revue gepasseerd waarin de nieuwsgierige zoektocht van Rifka naar haar eigen seksualiteit z’n onschuld meer en meer verliest. In haar eenzaamheid zoekt ze toenadering tot de overleden Nannie en Nannies ex Johan, veel dichter bij Nannie kan ze immers niet komen. Rifka en Johan gaan samen naar de kermis, waar ze in de botsautootjes heftig aangevallen worden door de dansmariekesvriendinnen. Johan raakt daarbij lichtgewond. ‘Op Johan kun je wachten tot je een ons weegt,’ zegt de denkbeeldige Nannie tegen Rifka. Daarna gaat Rifka op avances van Ad in. Hij is de broer van één van de dansmariekes, bij hen op de boerderij heeft Rifka voor het eerst een dekhengst zijn werk zien doen. Ad heeft zijn belangstelling voor Rifka toen al duidelijk laten blijken. Rifka gaat nu naar een afterkermisfeest in de schuur op het erf van Heleen. Met de nodige drank in de man én in de jonge nieuweling laat het vervolg zich raden.

    Verschillende perspectieven

    Het verhaal wordt niet alleen verteld vanuit Rifka maar ook vanuit de dakdekker die als vertelperspectief onder andere het zelfbenoemde ‘pluralis civitatis’ hanteert, het dorps meervoud, een wijperspectief dus. Deze dakdekker, ook wel Winkler Prins de Tweede vanwege zijn encyclopediehobby, noemt zichzelf ‘niet hoogmoedig’, ‘maar hybris is wel een favoriet woord’. Als dakdekker heeft hij een min of meer alwetend perspectief; hij beschouwt en reflecteert en strooit met wijsheden en is daarmee een wegwijzer voor de lezer. Hij hoort wel eens wat, niet alles, maar als je op genoeg plekken het water kunt peilen, weet je hoe diep de rivier is, is zijn theorie. De wereld heeft geen dak, weet hij, kent geen orde, ook niet vanuit de hoogte, zelfs niet voor God. Hij weet dat geluk niet voor het oprapen ligt, dat er veel is dat je nooit zult weten. Veel gebeurtenissen zijn niet waterdicht en ook de onopgehelderde dood van Nannie is geen lekkend dak dat gerepareerd kan worden.

    Heleen is het derde perspectief van waaruit het verhaal verteld wordt. Zij is ook import en dus buitenstaander, al woont ze langer in het dorp. In het begin werd ze daar als ‘heks’ gezien. ‘Iemand moet ‘m zijn,’ zegt Johan daarover spottend en ook Rifka weet ‘dat heksen net zomin bestaan als het rijmwoord op twaalf’. Ze woont alleen, haar kindje Warre is elf weken na de geboorte aan wiegendood overleden. Heleen en haar huis spelen in meerdere opzichten een sleutelfunctie in het verhaal. Wie aan het begin van het boek een ‘whodunnit’ verwachtte kan in haar en in haar huis en schuur z’n hart ophalen – hoewel anders dan verwacht.

    Er gebeurt veel

    Judith Maassen heeft heel veel in dit ene boek te vertellen. Een paar intriges of motieven minder had de roman geen kwaad gedaan en misschien zelfs wat meer diepgang kunnen geven. Maar al die gebeurtenissen en motieven geven het verhaal ook veel vaart. Voor de verschrikkelijk ontleesde jeugd van tegenwoordig is de roman zeker een aanrader, middelbare scholieren zullen hem met plezier lezen: er gebeurt veel en veel herkenbaars.

    Vaart en een vlotte pen hanteert Maassen ook in haar schrijfstijl, evenals humor, zoals al wel gebleken is. Ze gebruikt originele beeldspraak, bijvoorbeeld over de meisjes ‘als jonge olifanten die hun slurf nog moeten leren besturen’ en die na de dood van Nannie ‘door het dorp dwalen als kogels in een flipperspel’. ‘In de ruimte tussen goed en fout kreeg zelfs een fruitvlieg het benauwd,’ is ook een mooie constatering. Niet van hier is een goed geschreven roman waarin net als in Maassens debuutroman Het nabestaan van Anna Portier verlies, de dood, een grote rol speelt: Heleen moet leven met de pijnlijke waarheid dat ‘een dood kind er altijd is,’ in de wereld van Nannies ouders ‘regent het elke dag’ sinds het verlies van hun dochter. Ook met Rifka loopt het bijna verkeerd af. De wijze Winkler Prins de Tweede leert ons dat we hebben te accepteren dat tijd en toeval ons leven leiden.