• Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Hoofdpersoon Asher knutselt bomvesten in elkaar. ‘Hij heeft nog geen concrete doelen gekozen’ maar overweegt dat ‘buitenlanders en andere Papoea’s’ een goed doelwit kunnen zijn. Evenals het Koninklijk Huis trouwens, ‘voor driekwart Duitsers.’ Schrijver Rob Verschuren geeft hiermee in ‘Vrolijk knallen de bomvesten’, het eerste verhaal uit de bundel Buitenlanders en andere Papoea’s, duidelijk zijn visitekaartjes af. Asher is een cynicus die niet meer in de goedheid van mensen gelooft. Hij is een boze nihilist en kritisch antikapitalist geworden, die na zijn ontslag uit de psychiatrische inrichting Dennenvreugd huisloos van Van der Valkhotel naar Van der Valkhotel trekt – er zijn er volgens dit verhaal 63 in Nederland – waar hij in anonimiteit zijn bomvesten maakt.
    De ‘hele wereld is een gekkenhuis’ en ‘iemand moet de mensheid wakker schudden’ vindt hij. Op tv ziet hij hoe de koning de eerste Elfstedenwinnaar van Papoea-Nieuw-Guinese afkomst feliciteert. Tien korte verhalen bevat de bundel en in vele daarvan is sprake van bizarre, absurde of op z’n minst vreemde personages en gebeurtenissen in een wereld vol waanzin en onverschilligheid.

    Rob Verschuren (geb. 1953, woonachtig in Vietnam) is pas op late leeftijd gedebuteerd. Hij heeft korte verhalen gepubliceerd in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze (inmiddels ter ziele) en schrijft regelmatig mooie blogs voor Elders Literair die gewoon gratis online toegankelijk zijn. Verschuren heeft vier romans op zijn naam staan en deze uitgave is zijn derde verhalenbundel. Van de tien verhalen in deze bundel zijn er vier eerder verschenen in de genoemde tijdschriften en in een boekenweekeditie ‘Zin en Waanzin’ uit 2015.

    Zin en waanzin zijn ook thema’s in de verhalen in zijn nieuwe verhalenbundel. Een stukje waanzin bleek al bij Asher. Een ander hoofdpersonage, uit het verhaal ‘Epifanie’, is een schrijver die worstelt met een schrijfopdracht. ‘Wat wij de waarheid noemen’, laat Verschuren hem zeggen, ‘is iets wat te groot is om in zijn geheel te zien en iedereen ziet er een stukje van en het is de opdracht van de schrijver om al die stukjes te vertellen. Dit denk ik, en als gedachte lijkt het me diep genoeg.’ Verschuren schotelt ons in tien verhalen die zich afspelen op allerlei plaatsen in de wereld de nodige prikkelende stukjes werkelijkheid en waarheid voor.

    Worsteling met waarheid en waanzin

    In het langste verhaal, ‘De stem van de Roos’, wordt deze worsteling met waarheid, waanzin en onbegrip vormgegeven door Basel Lund die bij zijn ontslag uit de gevangenis een vreemde Jeroen Boschachtige stoet voorbij ziet komen. Hij kijkt naar de optocht ‘met een fascinatie die alles wil begrijpen’, maar het is ‘alsof het vermogen om te denken hem ontglipte’. Gevangen door de blik van de beenloze voorganger Chokhamela die zich verplaatst op een plank met wieltjes kan hij niet anders dan zich bij de groep aansluiten. Basel is dichter. Hij weet weinig ‘van de dingen van de wereld, maar alles van de zaken van het hart.’ Zijn eerste herinnering is die aan zijn moeder die hem voorleest uit een gedichtenbundel van Fakhr-al-Din Iraqi. Daaruit citeert hij een gedicht dat spreekt van ‘de stem van de Roos’, een motief dat verwijst naar liefde en de zoektocht naar geluk. Het gedicht staat in een verboden boek van een verboden dichter, begrijpt de jonge Basel later. Wat hij toentertijd vooral zag was de opvallend glimmende ogen en zoete stem van zijn moeder en wat hij nu verwoordt is woede over ‘seniele machthebbers’ en een ‘goddeloze God van het kapitaal’.

    De stoet trekt langs Bharuch in West-India naar Dost jo Tor, de Witte Woestenij, waar ze hevige ontberingen lijden. Een groteske karavaan terreinwagens bereikt hen daar met overbodige westerse consumptieartikelen en met een CNN-reportageploeg. Een rantsoen lauwe cola houdt de volgelingen nog even op de been maar als de filmploeg hen verlaat en ‘profeet’ Chokhamela komt te overlijden valt het ergste te vrezen. Overwegingen over de waarde van kunst, zoals Basels poëzieliefde, zijn ook beschreven in ‘Pietà’. Dit verhaal is gebaseerd op de waargebeurde en bizarre geschiedenis van de aanval van de Hongaarse Laszlo Toth in 1972 op Michelangelo’s Pietà, het wereldberoemde beeld dat het moment weergeeft waarop Christus van het kruis gehaald is en op de schoot van Maria ligt. Alle grote kunst roept meta-emoties op, legt curator Robert uit aan de ik-persoon, die kunstenaar is. Robert is bevlogen. ‘Grote kunst verandert ons’, zegt hij. De kunstenaar is wat nuchterder. Eén emotie die kunst oproept is agressie, zoveel weet ik ervan, overweegt hij.

    In veel verhalen wordt een defaitistische, nihilistische of nare werkelijkheid beschreven. In ‘Rumbonen’ is dat het ongeluk van hoofdpersoon Bella die zich niet meer aan de buitenwereld durft te vertonen en geregeerd wordt door angsten en eetzucht. In ‘Er is mij verteld dat u op zoek bent’ wordt een corrupte adoptiepraktijk beschreven en ‘Het dorp, de aardappelen, de oorlog’ beschrijft bloederig oorlogsgeweld. ‘Het dagelijks leven loert ons […] aan met zijn lelijke ironie’, beweert Verschuren zelf in een interview. Daar zijn veel van zijn verhalen een weerslag van.

    Zielen die het daglicht verdragen

    De weerbarstige werkelijkheid is soms pijnlijk, vaak bizar, maar de personages wekken ook sympathie door hun kwetsbaarheid en door een soort onverschrokken en uitgesproken onbevangenheid die hen siert. Het zijn mensen wier ziel het daglicht kan verdragen. Dat geldt voor Hai uit China, de schilder die het portret van zijn vrouw in ‘De Abrikozenzomer’ na haar overlijden nóg mooier wil maken, en ook voor Phan Than Gian uit ‘Riviermist’. Eigenlijk zou hij de Franse vijand moeten bestrijden in de Mekong Delta maar dat lijkt hem een zinloze missie. Na zijn ‘desertie’ gaat hij vasten en schrijft hij gedichten in de wetenschap dat hij door zijn keuze de keizer verraadt en dus een zekere dood tegemoet gaat. De Nederlandse gewezen wetenschapper en Nobelprijswinnaar Karel Steenveld uit het verhaal ‘Zeven x 6’ is nu met zijn ‘grootste project ooit’ bezig namelijk zeven keer zes gooien met een dobbelsteen. Deze Steenveld woont in het verzorgingshuis bij tante Corrie die met een handgebaar ‘de buitenwereld afkapte met al zijn waanzin en onverschilligheid en de rest.’ Zo dus.

    De bundel heeft een citaat van de Russische schrijver Isaak Babel meegekregen. ‘[…] alleen de wijze scheurt de sluier van het bestaan aan flarden met gelach.’ Dat is precies wat Verschuren zijn personages in de verhalen in deze bundel laat doen, met de nodige humor en in een verzorgde en poëtische stijl. Rob Verschuren zegt dat hij ondanks zijn buitenlandse bestaan een onavontuurlijk en kalm leven leidt. In zijn verhalen toont hij zich een schrijver die over grenzen en culturen kijkt. Het is een wijde blik, die ieders denken kan verruimen.

     

     

  • Het echte leven van mastodont Moeyaert

    Het echte leven van mastodont Moeyaert

    In de prachtige privédomeinserie van de Arbeiderspers is kortgeleden Een ander leven verschenen van en over de Vlaamse mastodont Bart Moeyaert. Zestig jaar is de gelauwerde schrijver dit jaar geworden en bijna zestig publicaties heeft hij op zijn naam staan: poëzie, proza, theater, literatuur voor jeugd en volwassenen. In 1983 debuteerde hij met de latere ‘longseller’ Duet met valse noten, uitgebracht als 12+ titel. Moeyaert zegt in het egodocument Een ander leven dat het genre van de adolescentenliteratuur ‘schromelijk onderschat’ wordt, dat er vaak vanuit wordt gegaan dat deze literatuur per definitie niet meerlagig is, ‘weinig vlees aan het bot bevat’. Moeyaerts oeuvre is een bewijs van het tegendeel. Zijn werk is veelvuldig vertaald en met vele bekroningen beloond onder andere met de ‘Nobelprijs voor de Jeugdliteratuur’, de Astrid Lindgren Memorial Award in 2019.

    Een ander leven is het verslag van de zoektocht naar de contouren van zijn geschiedenis. Zijn volwassenwording als zevende zoon in een traditioneel gezin wordt beschreven en de achtergrond van en band met zijn ouders. De strijd om schrijver te worden en de persoonlijke zoektocht naar zijn identiteit krijgen veel aandacht en ook poëticale aspecten en duiding van zijn eigen werk komen aan de orde. Het boek is non-fictie, beschrijft feiten, maar wie het werk van Moeyaert kent weet dat er voor de lezer altijd werk aan de winkel is. In dit geval bijvoorbeeld door een originele opbouw waarbij een hersenbloeding van zijn vader de opmaat vormt en poëtische fragmenten uit brieven van zijn moeder als motto’s de hoofdstukken inleiden die starten bij moeders zeventigste verjaardag en niet-chronologisch heen en weer meanderen van Moeyaerts tienertijd tot nu. Een eerste, tweede en derde ‘rust’, korte tussenstukjes, beschrijven hoe de vader, de moeder en tenslotte de spullen het ouderlijk huis verlaten.

    Moeder, vader en geaardheid

    De rode draad van het boek is een driedaags verjaarscadeautje van zoon Bart (dan 35) voor zijn jarige moeder (70) naar Parijs, de stad waaraan Moeyaert veel herinneringen heeft. Moeder geniet met volle teugen. Ze is blij dat ‘ze meer deel uitmaakt van de wereld dan gewoonlijk’. Als ze tijdens het ontbijt in het hotel een geanimeerd gesprek voert met een mondaine vrouwelijke hoogleraar uit New York (‘Kinderen, nee daar heeft ze nooit tijd voor gehad’), een vrouw en een leven over wie ze later die dag nog door fantaseert, realiseert Moeyaert zich tot zijn ontsteltenis dat er voor zijn moeder naast het leven dat ze geleid heeft, thuis met zeven kinderen, ook een ander leven is dat ze niet geleid heeft. Deze ontdekking en ook het feit dat hij niet veel wijzer wordt van zijn moeder als hij doorvraagt, is illustratief. Eigenlijk weet hij heel weinig van zijn moeder, die al heel jong vaderloos opgroeide op een kasteel waar haar moeder huisbewaarster was, die misschien veel minder kinderen had gewild, die zegt ‘nooit’ naar een andere man dan haar vader te hebben omgekeken. Dit laat onverlet dat er een goede en warme band is tussen moeder en benjamin Bart. Hij schrijft met veel liefde over haar, zij geniet tijdens het uitje overduidelijk van hun samenzijn en ze heeft vanaf het moment dat hij het huis verliet fantastische brieven naar hem geschreven waar de lezer van mee mag genieten.

    De relatie met vader is om verschillende redenen moeizamer. In die relatie is de strijd zichtbaar die Moeyaert gestreden heeft om het aan te durven schrijver te worden – pa vindt dat geen beroep met perspectief en eist dat er eerst een degelijke opleiding wordt afgerond – en zijn strijd om homoseksueel te durven zijn. Dat laatste aspect krijgt gaandeweg het boek steeds meer aandacht. De route naar het andere leven dat Moeyaert wil leiden doet denken aan Splinter Chabots Confettiregen. Onontkoombaar en indringend ervaar je als lezer nog maar weer eens hoeveel strijd een niet-heteromens moet leveren voor zelfacceptatie. Bij Moeyaert komt daar de strijd met zijn vader bij, die homoseksualiteit ‘een ziekte’ noemt, die ‘als een gezwel genezen of weggesneden [moet] worden’. De kleine Moeyaert is ‘niet breed, niet groot, mijn stem is hoog. In winkels word ik met meisje aangesproken.’ Mild stelt hij dat zijn vader niet goed weet hoe hij met zijn jongste om moet gaan: ‘Mijn gebruiksaanwijzing is niet helder opgesteld.’ Moeyaert moet voor zichzelf erkennen dat hij niet ‘stoerder’ hoeft te worden en dat de beslissing die hij even neemt als hij 25 is ‘nu ben ik van de jongens af’ een leugen is. Tegenover zijn ouders liegt hij niet maar verzwijgt hij lange tijd dit aspect van zijn identiteit. ‘Wat ongezegd blijft is geen leugen.’ Uiteindelijk beweert vader geen problemen te hebben met de homoseksualiteit van zijn jongste zoon. Hij geeft hem wel het ongevraagde advies mee: ‘Wat jij voelt hoeft niemand te weten.’ Daar denkt Moeyaert het zijne van. Hij is ‘klaar met zijn vaderlijk advies, de meningen, het ingehouden leven.’ In Een ander leven deelt Moeyaert gelukkig veel met de lezer, iets wat ook gewaardeerd wordt door de jury van de BruutTAALprijs voor het beste Regenboogboek van 2024, die Moeyaerts Een ander leven 12 augustus jongstleden deze bekroning heeft toegekend.

    Een gelukkige schrijver

    Het boek is een feest voor de lezer. Moeyaerts schrijfstijl is vlot, beeldend, humoristisch, hier en daar vriendelijk ironisch. Een integer mens klinkt door in de geboekstaafde geschiedenis. Levendig, boeiend en zachtaardig beschrijft Moeyaert zijn jeugd, het gezinsleven, de relatie met zijn broers, het verleden van zijn moeder, zijn zoektocht in de liefde, vrienden en relaties. Dat hij een schrijver is en wil worden, is hemzelf eigenlijk altijd al wel duidelijk geweest, maar ook dat hij niet weet ‘of ik het durf.’ Een aantal mensen blijkt belangrijk te zijn geweest in zijn schrijversontwikkeling: schrijver Aidan Chambers (‘Je bent zo overduidelijk een auteur’), schrijfster Mireille Cottenjé (‘ga eens op de rand van het nest zitten, jij’) en partner Geert (‘Vanaf nu woont in de Van Geertstraat een schrijver’). Hij leert dat de schrijver de eerste lezer is en dat de belangrijkste opdracht is trouw aan jezelf te blijven. Wie een boek ‘te literair’ of ‘te moeilijk’ noemt, spreekt voor zichzelf. Nu durft hij uit te spreken dat een titel tegenwoordig wel een zuivelproduct met een beperkte houdbaarheidsdatum lijkt. ‘Het woord oeuvre krijgt er iets archaïsch door’ waardoor er geen ruimte meer genomen wordt om het werk in een context te plaatsen. Uit zijn eigen indrukwekkende oeuvre bespreekt hij de ontstaansgeschiedenis, receptie en interpretatie van het met (internationale) prijzen overladen jeugdboek Blote handen uit 1995 waarin ‘de schrijver Moeyaert en de man Bart elkaar beginnen te vinden.’ Over het schrijven zegt hij: ‘Schrijven maakt mij gelukkig. Als iemand van mijn werk houdt, […] maakt me [dat] gelukkig.’ Een ander leven is een boek om van te houden.

    ‘Altijd weer die eindes van me’, schrijft Moeyaert in een reactie op een opmerking van een uitgeefster. ‘Ze zeggen wel eens vaker dat mijn verhalen niet met een punt eindigen, […] dat ik te veel aan de lezer overlaat.’ Daar is in dit boek geen sprake van. Het boek eindigt met een ‘laatste rust’ waarin een andere kant van Moeyaerts vader blijkt en met de heerlijke aantekeningen van zijn moeder over hun gezamenlijke dagen in Parijs begin 1996.

     

  • Verslag van een kleurrijk leven

    Verslag van een kleurrijk leven

    Van haar vader leert de kleine Bep uit Waar kleur is, is leven al op zesjarige leeftijd dat met de drie primaire kleuren rood, blauw en geel alle kleuren te maken zijn die je wilt. Tineke Hendriks heeft in deze roman over leven en werk van kunstenares Bep Rietveld kleur gegeven aan ‘de dochter van’ en haar daarmee een podium gegeven dat ze meer dan verdient. Hendriks volgt de feiten van Bep Rietvelds turbulente leven nauwgezet tegen de achtergrond van de twintigste-eeuwse politieke en culturele context met wereldoorlogen en modernistische vernieuwingen.

    Bep Rietveld is geboren in 1913. In de gefictionaliseerde beschrijving van haar leven tekent ze van jongs af graag en veel. Als klein meisje mag ze af en toe haar vader ‘helpen’, droomt ze ervan net zo’n ‘tovenaar’ als hij te worden en maakt ze zelf tekeningen in kantlijnen en op achterkanten van enveloppen. Op de lagere school blijkt de invloed van nieuwe kunstenaars als Bart van der Lek als Bep tot afschuw van haar juf poppetjes tekent met rechthoekige ogen en ‘haren (…) als vakjes’. Eenmaal op de middelbare school heeft de eigenzinnige scholiere nog maar één interesse: ‘tekenen en dénken aan tekenen’. Dat is wat haar verlost van ‘het afstompende schoolbestaan’. De schoolse tekenles kan haar gestolen worden, zij oefent zich in het natekenen van foto’s van filmsterren uit tijdschriften en in het bestuderen van gezichten, waarmee ze de kiem legt voor haar latere portrettenoeuvre. En als ze na de derde klas de school wil verlaten flapt ze er tot haar eigen verbazing uit: ik ga schilderen, ‘portretten en zo’. Ze realiseert zich dan dat deze beslissing ‘richting geeft aan haar onvrede’. Bij de gratie Gods mag ze van haar vader lessen gaan volgen bij Charley Toorop.

    Opvallende keuzes

    Deze roman is alleen al belangrijk doordat hij een krachtige en belangwekkende 20e-eeuwse kunstenares een podium geeft. Als het aan vader Gerrit Rietveld had gelegen, was dat niet gebeurd. Hij vindt dat schilderen zijn tijd heeft gehad: ‘Na Mondriaan is de schilderkunst overbodig geworden.’ Bovendien ziet hij niet dat zijn dochter talent heeft. Charley Toorop neemt Bep en haar werk wel serieus. ‘Er zullen altijd talenten opstaan die nieuwe dingen maken, (…) die iets toevoegen aan wat er al is’ zegt zij in reactie op de afwijzing van Beps beroemde vader. De jonge Bep leert veel van Charley, niet alleen wat betreft het schilderen. Ze ziet ook dat Toorop een zelfbewuste kunstenares is die boven alles voor haar werk kiest.

    De keuzes van Bep Rietveld maken dat de roman van het begin tot het eind blijft boeien. In het gezin waarin ze opgroeit voert ze een ingewikkelde strijd met haar vader met name vanwege zijn ontrouw. Ook zelf leidt ze een veelbewogen leven. Ze laat zich op jonge leeftijd inpalmen door de aandacht van de veel oudere pianist Guus Seyler, eerder minnaar van Charley Toorop, en raakt zwanger van hem. Ze besluit vol overtuiging en eigenzinnig dat eerste kindje te houden en moet dus trouwen. Niet lang daarna volgt de scheiding van Guus, haar strijd met hem om de voogdij, de beslissing naar Nederlands-Indië te gaan voor Dennis Coolwijk, die haar op afstand ten huwelijk vraagt, en een volgende scheiding.

    Wennen in Nederlands-Indië betekent voor Bep ook dat ze eerst niet aan het schilderen raakt. Ze mist ‘de nuances en kleuren van het diffuse Hollandse licht’. Als ze korte tijd later vat krijgt op het tropische licht, haar penselen weer oppakt en langzaam maar zeker tevredener wordt over haar schilderresultaten ‘[weet] ze weer wie ze [is]: Schilder én moeder’ – anders dan haar leermeesteres Toorop dus, voor wie de kinderen vaak hinderen waren. Inmiddels is het 1945. In Nederlands-Indië is Dennis opgepakt en niet lang daarna worden ook Bep en haar (dan) drie kinderen geïnterneerd en in steeds erbarmelijker omstandigheden ondergebracht. In het kamp houdt het schilderen en tekenen van portretten van met name kinderen Bep letterlijk en figuurlijk overeind. Haar werk is ruilmateriaal voor eten en het schilderen is voor haar een manier om zich af te sluiten voor de ellende en zo mentaal overeind te blijven.

    Tijdsbeeld

    Het kampleven is een van de vele actuele gebeurtenissen die een rol spelen in de roman. Het boek beslaat bijna de hele twintigste eeuw en geeft een tijdsbeeld door de ogen van Bep Rietveld. De Olympische Spelen komen naar Amsterdam, ze wordt zich door demonstraties in Amsterdam bewust van ‘mot in Palestina’, bevindt zich midden in de modernistische vernieuwingsbewegingen in de beeldende kunstwereld met onder andere haar vader en Mondriaan en een kleurrijk Dadaoptreden bij Charley Toorop thuis, maakt kennis met koloniaal Nederlands-Indië en ondergaat aan den lijve de verschrikkingen van de Pacifistische Oorlog, zoals de Tweede Wereldoorlog in Azië wel wordt genoemd.

    Tineke Hendriks zegt in haar nawoord dat ze ervoor heeft gekozen Bep Rietveld in een roman ‘tot leven’ te wekken onder andere omdat er ‘nauwelijks persoonlijke bronnen’ zijn overgeleverd en er dus te weinig materiaal is voor het schrijven van een biografie. Helaas is de beschrijving van de binnenwereld van de hoofdpersoon en zijn haar dilemma’s, beslissingen, twijfels, verdriet en kracht soms summier beschreven, waardoor de roman meer naar creatieve of geromantiseerde non-fictie neigt, dan naar fictie die de lezer meesleept en inzicht geeft in diepe zielenroerselen.

    De grote Gerrit Rietveld ziet niet direct dat zijn dochter talent heeft. Hij bevindt zich met die instelling in goed gezelschap. Als we de geschiedschrijving moeten geloven zijn er millennia lang bijzonder weinig getalenteerde vrouwen geweest. De laatste decennia is er meer en meer aandacht gekomen voor tot dan toe vrij onbekende vrouwelijke kunstenaressen zoals Suze Robertson (de ‘vrouwelijke Van Gogh’) en Jeanne Bieruma Oosting, beiden met exposities in 2022. Bep Rietveld is ook zo’n kunstenares. Van haar vader leert ze al jong over namen en herkomst van ‘exotische’ kleuren als sienna, oker en scharlaken, dankzij de lessen van Charley Toorop onderzoekt ze ‘turkoois, magenta, ultramarijn, cadmium’. Ze ontwikkelt zich tot een (portret)schilder die het ‘wezen van de dingen’ kan vangen. Haar werk was in 2020 geëxposeerd in Amersfoort en tot en met 12 mei van dit jaar is er een vervolg op die tentoonstelling in hetzelfde museum Flehite. De roman Waar kleur is, is leven is een waardevolle aanvulling bij de aandacht voor het werk van deze getalenteerde kunstenaar.

     

  • Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Uit het hart is een vriendenboek. Het is samengesteld door de besties Jeroen Dera en Jos Joosten voor hun zeer gewaardeerde collega Jos Muijres die tot en met 2023 universitair docent Moderne Letterkunde was aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Muijres heeft vanaf de jaren ’90 aan die universiteit de Vlaamse letterkunde op de kaart gezet, gevoed en gekoesterd. Hij heeft in zijn colleges, de organisatie van gastcolleges van Vlaamse schrijvers, postacademische cursussen en lezingen een op zichzelf staand specialisme vormgegeven met veel aandacht voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Uit de lezingenreeks kwamen de bundels Op de hielen (2014) en Tegen de schenen (2018) voort over recent verschenen Nederlandstalige romans. Bij zijn pensionering en daarmee vertrek van de Radboud Universiteit is nu Uit het hart verschenen, een verzameling ‘opstellen over moderne Vlaamse literatuur’ die een staalkaart wil zijn van wat in de 21e eeuw tot en met 2023 aan Vlaams proza is verschenen. Collega’s, sprekers, oud-studenten en studenten hebben de bijdragen geleverd voor in totaal 24 beschouwingen, waarmee voor elk jaar uit de nieuwe eeuw een boek is besproken. Uit het hart is bedoeld als tastbaar eerbetoon voor Muijres’ tomeloze inzet. Het levert een gevarieerde bundel op voor geïnteresseerde Neerlandici en andere leesliefhebbers.

    In de inleiding geven Dera en Joosten aan dat de bundel ‘bijdragen met een uiteenlopend karakter’ bevat. Dat is zeker waar en bepaalt mee de waarde van de verzameling. Wat passeert is werk van mastodonten als onder andere Hemmerechts, Verhelst, Verhulst en Verbeke, Stefan Hertmans, Elvis Peeters, Stefan Brijs’ Engelenmaker tot en met Carmien Michels Vaders die rouwen, maar ook de young adultroman Allemaal willen we de hemel van Els Beerten en Mazzel tov van Margot Vanderstraeten, dat over het algemeen als non-fictieboek is besproken. Een grote gemeenschappelijke deler is dat het werk bijna zonder uitzondering grondig door de interpretatiemolen wordt gehaald volgens de heilige wet van het ‘close readen’.

    Staalkaart Vlaamse literatuur

    Muijres zegt in een interview in de Vox, het ‘onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit’ bij zijn afscheid: ‘[…] ik ben ook erg toe aan rust. Als letterkundige sta je voortdurend – in het weekend en in vakanties – onder druk: ik moet dit nog lezen, ik moet dat nog bestuderen. Ik verlang ernaar om van die druk af te zijn.’ Voor de lezer die nog niet van die rust kan genieten en die dus meer mist dan hij of zij kan bijhouden, is deze bundel de bedoelde en waardevolle staalkaart van gekende Vlaamse schrijvers en hun werk. De meeste opstellen beginnen met een heldere uiteenzetting van de inhoud van het besproken werk, handig voor wie het nog niet kent of een opfriscursus kan gebruiken, gevolgd door een specifieke vraag of interpretatie met betrekking tot de inhoud van de roman. Die specifieke invalshoeken zijn zo nu en dan wel erg specialistisch, maar leveren interessante, leerzame en inspirerende opstellen op en bijzondere interpretaties en waarnemingen, bijvoorbeeld over de ‘meerstemmigheid’ in Beertens jeugdroman, ‘de provocatie van de normaliteit’ in Petry’s De maagd Marino, het ‘onderzoeksmatige aspect’ van Kamer in Oostende van Koen Peeters.

    Muijres (1957) is een babyboomer die van een dubbeltje tóch een kwartje werd. Zijn sociale achtergrond heeft hem ‘nederig’ gemaakt, zegt hij in het eerdergenoemde afscheidsinterview, maar zeker en vast ook maatschappelijk geëngageerd. Sociale omstandigheden van personages in romans en de manier waarop die omstandigheden en de personages de lezer voorgeschoteld worden, hebben zijn bijzondere belangstelling. In de opstellen in de bundel is ook ruimschoots aandacht voor allerlei maatschappelijke thema’s en voor betrokkenheid. Het engagement van Verhulst in Problemski hotel krijgt ruimschoots aandacht, het rumoer rond Ruth Lasters’ stadsdichterschap van Antwerpen en haar vermeend ‘niet-verbindende’ gedicht passeert de revue in een opstel over haar roman Poolijs uit 2005, de ‘diversiteitshype’ en het al dan niet bestaan van ‘allochtonenliteratuur’ en ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd in de besprekingen van De lammeren van Mustafa Kör – naar eigen zeggen geen Vlaamse of Turkse schrijver maar ‘auteur’- en Vertel het iemand van Rachida Lamrabats. Bij het opstel over Wil van Jeroen Olyslaegers worden de noties ‘ethische subjectiviteit’ en ‘morele ambiguïteit’ besproken en tot tweemaal toe komt het frisse feministische Fixditcollectief langs, namelijk bij de Fixditschrijfsters Margot Vanderstraeten en Gaea Schoeters, de laatste bij de bespreking van haar Trofee.

    Breed publiek?

    Of de opstellen zoals de redacteuren in het inleidende hoofdstuk beweren ‘steevast toegankelijk geschreven’ zijn, daar valt over te twisten. Een niet-academisch geschoolde lezer zal de hersens stevig moeten laten kraken bij een zin als deze, ook als er geen fout in zou staan: ‘(Jeroen Dera en Jos Joosten wezen me op het feit dat deze functie, op zijn minst in de gedaante van ‘zelfrepresentatie’, centraal staat in modern letterkundig onderzoek – een onontgonnen manier waarop literatuurwetenschappelijke denken taalkundige theorievorming over de functie van taal zou kunnen beïnvloeden.)’ Dit citaat komt nota bene uit het hoofdstukje ‘Taal om te imponeren’ over Lanoyes Sprakeloos! Daarnaast wordt geregeld wetenschappelijk literair-theoretisch of taalkundig jargon gebruikt, wat de bundel niet per se ‘toegankelijk’ maakt voor een breed publiek.

    De naar de Rijksuniversiteit Groningen ‘overgelopen’ hoogleraar Mathijs Sanders schrijft over De maagd Marino van Yves Petry, de roman die in 2011 de Libris literatuurprijs won (en, onvermeld, in 2012 de Inktaapprijs). Die gruwelijke roman is gebaseerd op het waargebeurde voorval van een hoofdpersoon die zijn vriend na diens dood in de vriezer bewaart en stukje bij beetje opeet volgens een vooraf door hen beiden schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Protagonist Bruno doceert ‘Hoogtepunten uit de Literatuur van de Twintigste Eeuw’ aan de meest katholieke universiteit van het land. Buiten zijn werkwereld kan Bruno zich nauwelijks staande houden en zonder geloof in literatuur als iets heiligs blijft er voor hem niet veel over. Volgens Sanders laat de roman zelf juist zien dat er hoop is. ‘Nog altijd is de roman in staat lezers te betoveren en te verontrusten. Deze roman markeert niet het einde van de literatuur, maar viert haar triomf.’ Dit geldt voor veel van de in deze bundel besproken romans.

    Jos Muijres kan in 2023 nog niet zeggen wat hij na zijn pensionering gaat doen. Gelukkig is er nog meer dan genoeg te lezen. Om te beginnen dit liber amicorum dat voor de geïnteresseerde literatuurliefhebber een rijk overzicht van de 21e eeuwse Vlaamse literatuur biedt en voor hem ook een waardevol bewijs van vriendschap en waardering is, dat laat zien dat uit het oog zeker niet uit het hart betekent.

     

     

  • Huiswerk voor het geweten

    Huiswerk voor het geweten

    Haar huiswerk maakte hoofdpersoon Clara uit de roman Huiswerk van Marja Pruis vroeger aan de oude dressoirkast, klep naar beneden, met vele laatjes en troepjes. Nu is ze echtgenote, moeder, ouder, wellicht wijzer maar ook zeker (nog altijd) zoekende. Huiswerk is vooral de weerslag van een niet-aflatende zoektocht naar principes, relationele raadsels en onzekerheden, naar het bepalen van een houding tegenover de inmiddels volwassen kinderen en tegenover ongelijkheid en het grote leed in de wereld.

    Over één aspect zijn er geen twijfels en dat is over Clara’s huwelijkse staat en haar relatie met echtgenoot Hartog. Hij is haar ‘hij’, een geruststellend voortdurend aanwezige in de huiselijke situatie, die overigens ook ‘feilloos aanvoelt wanneer hij Clara teveel is’. Pruis benoemt en beschrijft een soort van ‘negatief’ van de vele boeken over rouw en gemis die de laatste tijd verschenen zijn; ze weet te raken in het neerzetten van het fijne vanzelfsprekend gelukkige samenzijn van Clara en Hartog. Er worden niet heel veel woorden vuilgemaakt aan Hartog zelf, maar de roman is doordrenkt van een onderliggende emotie van warmte, dankbaarheid en geluk over zijn aanwezigheid en over hun relatie: een ingevuld verlangen naar nabijheid en aanraken.

    Ouder blijf bezit van het kind

    De relatie met haar grote kinderen is gecompliceerder. Met name zoon Cosmo heeft de leeftijd bereikt waarop hij meent zich allerlei oordelen aan te kunnen meten en dat doet hij dan ook onbeperkt en onbeschaamd. Als jongvolwassene je ouders de maat nemen is een beschrijving die nog ontbreekt in de beroemde ‘Oei, ik groei’-bijbel van Hetty van de Rijt en Frans Plooij – ten onrechte als je Pruis’ humoristische en herkenbare beschrijvingen van deze fase leest. Cosmo heeft scherpe oordelen over van alles en nog wat: het klimaatakkoord, (vermeend) racisme, uitbuiting of de verspillende kledingindustrie en hij is daarin niet bepaald mild tegenover zijn moeder, of buigzaam. ‘Ik begrijp heel goed wat je zegt. Ik ben het alleen niet met je eens. Behoort dat ook tot de mogelijkheden? Nee, dat behoort niet tot de mogelijkheden.’ Bij dochter Lynn heeft een ander aspect de overhand: ‘Ik denk aan Lynn, voor wie ik mijn hele leven bang ben, ook al is dat het woord niet.’

    Interessant is Clara’s overweging waarin ze een veranderende ouder-kind verhouding verwoordt: onze kinderen zijn op een gegeven moment niet meer van ons, maar als ouder blijf je wel bezit van je kind. In die hoedanigheid doe je er als ouder goed aan stil te zitten als je geschoren wordt. Dat doet Clara dan ook in de wijze wetenschap ‘hoe lang de weg is die we moeten afleggen om op het punt te komen waar we compassie voelen.’

    Anything

    Compassie voelt Clara zeker voor haar werkster Rose, aka Bibata. Clara wil goeddoen en dat is een hele toer, al is het maar omdat ‘De rampen van de wereld bijhouden is als proberen om water te tellen.’ Het leven is voor Clara een vat vol gewetensgevallen en het aannemen van een integere houding tegenover haar illegale werkster Rose is daar een praktijkvoorbeeld van. Op kleine schaal etaleert Clara haar goedheid door nederigheid tegenover haar werkster die ze in alles ter wille wil zijn. Ze zou Rose omwille van haar goede geweten het liefst wit uitbetalen, maar doet dat op Rose’ verzoek toch niet. Ze is flexibel in Rose’ werktijden, helpt haar graag Nederlands spreken, bewaart haar loon voor haar, ontvangt haar met thee en zelfgebakken cake en biedt bij voortduring haar hulp aan voor ‘anything’, wát Rose maar wil. Niet voor niets zal Pruis haar hoofdpersoon de naam Clara Feij hebben gegeven, naar de 18e eeuwse Duitse non Clara Fey die enkele eeuwen na haar overlijden zalig werd verklaard: in nederigheid, eerbiedwaardig gedrag en deugdzaam leven zal deze non een lichtend voorbeeld voor hoofdpersoon Clara zijn.

    Twee hoofdstukjes in de roman worden niet vanuit de ik-persoon Clara beschreven, maar vanuit Clara in een personaal vertelstandpunt. Deze wat afstandelijker beschreven Clara laat als ze op vakantie gaat het boek De theorie over morele gevoelens thuis. Wat ze wel meeneemt is Mijn heldere afgrond. Tegen een bekende zegt ze ‘dat hij niet gek moest opkijken als ze in habijt terug zou keren.’ Het geeft de lezer te denken. Geeft ze het streven naar goeddoen op? Is dat het begin van het einde? Komt ze terug als non?

    Worsteling met goeddoen

    Van een heiligverklaring is de Clara uit de andere vijftig hoofdstukken met wie we door het ik-perspectief en haar vele overwegingen en twijfels nauw meeleven ver verwijderd. Dat blijkt uit haar gewetensstrijd en -wroeging nadat het voor Rose opgespaarde geld is verdwenen. De dressoirkast waaraan de jeugdige Clara in haar onschuld haar huiswerk maakte is de stille getuige van de diefstal van het voor Rose bewaarde geld. Alleen Rose weet dat dit geld in een kistje op deze kast lag, alles wijst dus naar haar als dader. De vraag naar de schuldige voegt een min of meer spannend ‘wieheefthetgedaan’-element aan de roman toe en geeft vooral vorm aan Clara’s dilemma, haar verlies van onschuld en haar worsteling met goed willen doen. Ze wil de voor de hand liggende dader niet beschuldigen, verwerpt zelfs de gedachte daaraan – maar die gedachtes zijn er natuurlijk wel degelijk.

    De roman gaat over een gelukkig getrouwde vrouw met twee volwassen kinderen die zichzelf ‘oppervlakkig’ en ‘ambivalent’ noem, die wars is van zekerheden en zo nu en dan een knuppel in een hoenderhok gooit. Een vrouw die kritisch kijkt naar een omgeving waarin vrouwen vaak ‘praalvrouwen’ zijn en die vooral veel nadenkt. Zoals ieder mens waarschijnlijk. Over goed en kwaad, over eigen handelen, over stereotypen, vriendschappen, relaties en, heel praktisch in dit geval, over een illegale werkster en hoe zich tot haar te verhouden. Het boek is enerzijds een feest der herkenning en geeft de lezer anderzijds huiswerk over belangrijke eigen en algemene levensvragen. Dat de roman niet zwaar wordt en dichtbij blijft is een verdienste van Pruis’ prettige schrijfstijl met vlotte dialogen en de nodige humor.

     

     

  • Vermakelijk absurdisme in verhalenbundel vol liefde

    Vermakelijk absurdisme in verhalenbundel vol liefde

    ‘Liefde is een stroopgraf voor de bij’ beweert een van de hoofdpersonen uit het laatste verhaal van de recent verschenen verhalenbundel van Tom Hofland. ‘Wie zich er […] in laat zakken zal zich omringd voelen met het zoetste wat de wereld te bieden heeft’. Maar, vervolgt hij, passie verblindt. En zoals de bij verstrikt en vleugellam raakt in een teveel aan zoetigheid, zo leidt liefde en passie ook bij een mens tot veel onheil. Het laatste verhaal, ‘Een stroopgraf voor de bij’ uit de gelijknamige bundel, is in meerdere opzichten een dissonant, maar geeft met de liefdesmetafoor wel een van de belangrijkste thema’s aan.

    De bundel bevat tien korte verhalen. De eerste negen beslaan elk minder dan zestien pagina’s, het laatste (titel)verhaal is vijftig pagina’s lang. Die eerste negen zijn een feest om te lezen. Ze zijn toegankelijk geschreven, bevatten prikkelende open plekken of plottwisten en zijn vooral vermakelijk door bizarre gebeurtenissen en wendingen.

    Liefde en absurdisme

    Moederliefde of het gebrek daaraan speelt een belangrijke rol in het eerste verhaal, ‘De pruik’. Er is in dat verhaal sprake van een moeder die haar zoontje verlaat als hij nog heel jong is – op zijn verjaardag nota bene! Hoofdpersoon Yorgos beleeft dat moment therapeutisch na en gaat vervolgens een liefdesrelatie aan met de vrouw die in die setting zijn moeder verbeeldt. Een half jaar later gaat hij met deze Risha min of meer onaangekondigd naar zijn moeder toe om het met haar te hebben over haar vertrek van twintig jaar geleden en zijn gemis. Zij heeft nooit tijd en aandacht voor hem gehad en heeft dat ook nu eigenlijk niet. De pijn is navoelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ wordt deze pijn nog eens beschreven. Elsie verwoordt de paniek van haar vriend toen zij hem vertelde dat ze hem zou verlaten als ‘alsof ik zijn moeder was en hij mijn kind, en ik hem vertelde dat ik hem achter zou laten.’

    Liefde, vaak in een hilarische, onbereikbare of ploeterende vorm, speelt een rol in veel van de verhalen. De ‘sirene’ uit het tweede verhaal van de bundel is een vreemde vogel die Suli, de vrouw van Junot lokt, Elsie uit het verhaal ‘Het advies’ verlaat zoals gezegd haar geliefde. Zama de zwerfster uit het gelijknamige verhaal knoopt een verrassende en wellicht wat opportune relatie aan met politiechef Hein, professor Anderson uit ‘De mysterieuze barricade’ is ‘verliefd op iemand die er niet meer is’. Voor Acea uit ‘De scheur’ is er een definitieve scheiding van zijn geliefde doordat het moedercontinent Pangea scheurt en zij zich beiden aan verschillende zijden bevinden. Verliefdheid is een ‘romantisch concept dat lang niet voor iedereen is weggelegd’ aldus Elsie.

    Wat de verhalen ‘spannend’ maakt, zijn de irreële, vaak absurde gebeurtenissen. Een bezoeker die enkele dagen in het zwembad in de tuin staat is zo’n absurditeit in het verhaal de ‘De sirene’, maar ook en vooral de vrouw des huizes die een liefde voor hem op lijkt te vatten, en niet in de laatste plaats hoofdpersoon Junot die dit alles maar heel gewoon lijkt te vinden en onverstoorbaar liefdevol blijft voor zijn vriendin. Ook de hoofdpersoon Arvo Klam uit het verhaal ‘De belediging’ lijkt zo’n subassertief watje. Hij laat zich door een ober onheus bejegenen en anderszins schofferen en verlaat vervolgens aangeslagen en nederig het restaurant. De gebeurtenissen zijn verrassend en origineel, de reacties van de personages bij tijden tenenkrommend, maar ook ontwapenend kwetsbaar en integer.

    Absurdisme voorbij

    Het absurdisme in sommige verhalen doet erg denken aan dat van de korte verhalen uit Armando Duyns’ Herenleed uit 1977, maar het is minder realistisch. Zo is er in ‘De tafel’ sprake van een ik-figuur die zich niet alleen absurd lang onder de tafel verstopt om zijn vriendin te verrassen en vervolgens om haar niet te laten schrikken, maar die uiteindelijk voor altijd blijft zitten en één wordt met de tafel. In ‘De mysterieuze barricade’ is er een werkende tijdmachine waarmee de professor terug kan naar zijn (nu) onbereikbare oude liefde. In het eerste geval is de niet-realistische ontwikkeling nog wel vermakelijk want origineel en verrassend, in het tijdmachineverhaal is ze nogal voorspelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ doen buitenaardse wezens hun intrede. Voor de hoofdpersoon is het schokkend dat ze een nogal vergaand advies heeft opgevolgd dat uiteindelijk van zo’n wezen blijkt te komen, voor de lezer is het een grappige plottwist.

    Schrijver Tom Hofland flirt vaker met ‘bovenmenselijke’ zaken. Naast (toneel)schrijver is hij ook radio- en podcastmaker. In zijn podcastserie ‘Er is iets vreemds gebeurd’ komen allerlei bijzondere ervaringen langs van doorgaans nuchtere mensen. Hofland geeft in een interview aan dat hij gefascineerd is door dat wat we niet weten en wat we niet helemaal kunnen begrijpen. Met negen van de tien verhalen uit deze bundel probeert hij onze hedendaagse onttoverde wereld weer van wat magie te voorzien en dat is goed gelukt.

    In het laatste verhaal van de bundel, ‘Een stroopgraf voor de bij’, is dit niet aan de orde. Het is een ‘kostuumdrama’, een negentiende-eeuws realistisch verhaal dat zich afspeelt in fictief Mesopië, ergens in Oost-Europa. Het sluit aan bij Hoflands debuutroman Lyssa uit 2018 die zich ook daar en dan afspeelt. Dezelfde personages duiken op, zoals de mysterieuze Gaspar Szabó als cynische maar ook verraderlijk verliefde hoofdpersoon. Het is een verhaal dat niet bij de bundel past en dat is jammer, want dat levert een teleurstellende anticlimax op na negen verhalen vol leesplezier.

     

  • Veelomvattend debuut over aardige jongens en een raadselachtige foto

    Veelomvattend debuut over aardige jongens en een raadselachtige foto

    De debuutroman Het objectief van Martien van Agtmaal is goed geschreven, doet je regelmatig (grim)lachen en laat je als lezer achter met de nodige vragen en onzekerheden, zoals dat hoort bij goede literatuur. Centraal staan de stad Amsterdam en drie dertigers die tijdens een ijskoude februarinacht in 2012 een door drank doordrenkt feest vieren. Alcohol, hun vriendschap, hun relaties, anti-burgerlijkheid en jeugdig enthousiasme bepalen sfeer en inhoud van slechts één nacht. In vliegende vaart dat wel, want er moet groots, meeslepend en voorwaarts geleefd worden.

    De drie protagonisten zijn David, Brecht en Reaux (Robert). Aardige jongens, maar met praatjes als hemelbestormers en met uitvretertrekjes. Brecht heeft een baantje onder zijn niveau bij een bedrijf dat elektrische stepjes verhuurt, Reaux werkt in een kringloopwinkel, de ‘kapitalistische ode aan bezit’. ‘De best bestede tijd is verprutste tijd’, is zijn adagium. David heeft weliswaar een docentenbaantje aan de universiteit maar hij wordt daar ontslagen. De vraag is hoe erg hij dat vindt, want diep in zijn hart wil hij wellicht als een Bavink liever kunstenaar zijn.

    Het verhaal beschrijft een etmaal in de hoofdstad als het fictieve traditionele Nachtrustfeest gevierd wordt. Het wordt chronologische verteld, maar regelmatig onderbroken door verduidelijkende flashbacks, bijvoorbeeld naar Davids jaar aan de fotoacademie in Montpellier. Simultaan wordt Jessica in Afrika gevolgd, zij werkt daar voor Artsen zonder Grenzen, en Alexia, die met vriendin Noor net als de drie jongens ’s nachts door de ijskoude, feestende stad trekt. Zij heeft zowel David als Reaux ooit kort eerder ontmoet. David vat op deze avond door een herinnering aan haar een hevig verlangen naar haar op.

    Foto

    Davids belangrijkste kunstproject in zijn jaar in Montpellier was een serie foto’s van mensen in wie en waarin het ogenblik gevangen wordt. Hij fotografeerde voor dat project verstoord opkijkende mensen. Eén foto is leidend in het boek en in Davids handel en wandel, namelijk het portret ‘de voorbijganger’. Als hij zijn foto’s terug in Nederland bij de universiteit mag exposeren, blijkt een bezoekster er van onder de indruk. Ze vindt de foto van de roodharige man met sproeten ‘erg sterk’ en ziet dat hij over macht gaat. Een jaar later, op de dag van het Nachtrustfeest, herinnert David zich deze vrouw en haar naam. Ze heet Alexia en David ‘voelt’ dat hij haar moet zoeken en haar het portret moet gaan geven. In de nachtelijke queeste naar Alexia sleept hij de ingelijste foto in zijn rugzakje mee, kou, sneeuw en drukte trotserend, in de heilige overtuiging dat hij haar zal treffen en dat er dan nog meer in het vat zal zitten. Er is trouwens nóg iemand die wordt geraakt door het portret, namelijk bijfiguur Sydney, een androgyne spillebeen. Hij heeft er veel geld voor over, maar David verkoopt de foto niet. Wie is de geportretteerde, vraag je je als lezer tot dat moment af? En: gaan David en Alexia elkaar treffen?

    Vriendschap en liefde

    Vriendschap is een ander belangrijk thema in het boek. Vriendschap, is dat niet vooral ‘een beetje op elkaar passen?’, vraagt Brecht zich af. Of ze echt zo goed op elkaar passen kun je je afvragen. Wat ze wel doen is samen optrekken tijdens deze laatste februariavond waarop in de stad het Nachtrustfeest gevierd wordt. Eufoor viert Brecht hun gezamenlijkheid, het markeringspunt van het nu in hun geschiedenis, in een moment dat er echt toe doet. ‘Jong, gezond, blakend van zelfvertrouwen, mooi dus, gretig, alert.’ Maar onder hun vrije en onbeperkte leven gaat de nodige eenzaamheid schuil, dat is in alles voelbaar en merkbaar.

    Brecht ziet David, die volgens hem de neiging heeft zijn vrienden soms als ‘vijandelijke linie te beschouwen’, als de zwakste schakel. Duidelijk is dat David het meest uitgevreten wordt, de rekeningen betaalt, de biertjes koopt. Brecht en Reaux gaan soms als een stel met elkaar om vindt David op zijn beurt. ‘Jullie lijken wel verliefd.’

    Liefdesrelaties gaan deze jongens niet aan voor de eeuwigheid. Dat past absoluut niet in hun antiburgerlijke houding: ‘[…] je eigen vreten verdienen en als je je zaad niet bij je kunt houden ook dat van een paar anderen’ is een nachtmerrie en een ‘eindstation van dromen en ambities’. Het zijn dertigers van deze tijd die ageren tegen de ‘scheefwoners versus [de] woninglozen […] de jongen tegen de ouden’, die de revolutie prediken en een vaste baan als een vernedering beschouwen.

    Vele motieven

    Van Agtmaal speelt met vele motieven. Sommige lijken enigszins gezocht, zoals dat van de trein: het ‘eindstation’, de trein die zonder spoorboekje door een dal van rituelen uit voorbije relaties rijdt, de trein naar Den Haag als beeld voor vele alcoholische versnaperingen, ‘de machinist’ (de manipulatieve ex van Alexia), Davids gedachten die het treinspoor naar ontraadseling van praktische mysteries volgen en wielrenners die in een treintje langs sjezen. De onderwaterwereld, onder andere verbeeld in de kwal op de blauwe omslag van het boek, is een motief dat een zwaardere lading draagt, omdat het in deze roman met de dood flirt. ‘Als je helemaal kopje onder bent, voel je niet meer dat je in het water zit. Niets voelt dan nat’ zegt Brecht nadat hij uit bad komt. Dat klopt, ervaart David later.

    Het poezenmotief is grappig en aardig bedacht voor wat betreft Jessica die vanuit Afrika dankzij een tracker haar abessijn in Amsterdam kan volgen – zoals de lezer de jongens volgt in hun nachtelijke trek door de stad – maar het is wat gezocht voor wat betreft alle andere poezen die langskomen. De roman wemelt ook van de intertekstualiteit. Er is een Vasalisproject in de Zuiderzee, een originele rol voor Mulisch bij het monument op de Dam en Kloos komt langs als Alexia zich in haar allerindividueelste emotie ‘een godin in het diepst van haar gedachten’ noemt.

    Die overvloed aan motieven is misschien de enige kritiek op dit knappe debuut. De schrijver vertelt in een interview dat hij veel heeft geschrapt, maar dat hij zijn personages beter wilde leren kennen en om die reden ‘ontstellend veel’ over ze is gaan schrijven. Beide is gelukt in de bij tijden absurdistische roman Het Objectief. Het is een lezenswaardig, aanstekelijk en intrigerend debuut dat leest als een trein.

     

     

  • Terechte herdruk boeiende biografie Andreas Burnier

    Terechte herdruk boeiende biografie Andreas Burnier

    De biografie over leven en werk van Andreas Burnier Andreas Burnier Metselaar van de wereld geschreven door Elisabeth Lockhorn kwam in oktober 2015 voor het eerst uit. Na diverse herdrukken in datzelfde jaar en in 2016 is er in september 2022 weer een herdruk verschenen, gelijktijdig met Elk boek is een gevaar, een bloemlezing in de privédomeinreeks van niet eerder gepubliceerde teksten van Burnier, samengesteld door Ronith Palache. De biografie van Lockhorn is bij de eerste verschijning in 2015 enthousiast ontvangen en overwegend positief gerecenseerd. Ze is veelomvattend, goed geschreven en nog altijd actueel en boeiend. Burniers turbulente leven en haar literaire en wetenschappelijke werk worden uitgebreid en onderbouwd beschreven. Alleen in haar beschrijving van Burniers ‘gender’ valt op Lockhorns interpretatie iets aan te merken.

    Velen zullen Andreas Burnier, pseudoniem van Catharina Irma Dessaur, ze gebruikt haar hele leven haar onderduikvoornaam ‘Ronnie’, kennen als de schrijfster die vanaf de jaren zestig van de 20e eeuw diverse romans schreef. Een tevreden lach was haar debuut, Het jongensuur uit 1969 is misschien haar bekendste werk, want heel toegankelijk, dun en onder andere over de Tweede Wereldoorlog. Burniers werk is authentiek en eigenzinnig. Ze schrijft openlijk over homoseksualiteit en is heel uitgesproken over ‘seksefascisme’. Lockhorn laat in de bespreking van de romans overtuigend zien dat ze allemaal wortelen in de realiteit van Dessaurs leven. In Het jongensuur is dat onmiskenbaar haar onderduikverleden en haar besef, al van jongs af aan, dat een mens maar beter een jongetje of man kan zijn om vrijheden te hebben, kansen te maken, serieus te worden genomen in het leven. Er is in de biografie ook veel aandacht voor de ontvangst van het literaire werk en recensies van meerdere toentertijd gevestigde recensenten.

    Tijd vooruit

    Burnier/Dessaur blijkt een vrouw die haar tijd ver vooruit was. Ook als intellectueel en wetenschapper, filosofe en criminologe, is ze van hoog niveau, origineel, doordacht en spraakmakend. Ze wordt hoogleraar criminologie in Nijmegen waar ze regelmatig weerstand oproept door afwijkende standpunten. Ze jaagt feministen tegen zich in het harnas door kritisch te zijn over abortus, toont zich een fel tegenstander van euthanasie in de tijd waarin Nederland rijp lijkt voor legalisatie en vergelijkt deze ontwikkelingen met nazi-praktijken. Lockhorn beschrijft deze gebeurtenissen inzichtelijk, duidt de tijdgeest en laat de nuances zien die tegenstanders toen niet altijd zagen.

    Kinderen of kennis

    Nuances zijn er natuurlijk door Burniers levensgeschiedenis. Ze is Joodse, geboren in 1931 en dus negen jaar jong als de oorlog begint. Van 1942 tot aan het eind van de oorlog brengt ze door op zestien verschillende onderduikadressen. Ze is voor de onderduik gescheiden van haar ouders. Volgens haar ouders ‘begreep [ze] dat heel goed’, Lockhorn laat een andere kant zien. Ze haalt een personage uit een toneelstuk van Herzberg aan dat zegt ‘Jullie hadden me mee moeten nemen. Doodgaan is niet erg – losgelaten worden, dat is erg’. Dit ‘loslaten’ blijkt structureel in de familie en werkt intergenerationeel door. Burnier en haar man krijgen twee kinderen. Zij scheiden kort na de geboorte van dochter Ingeborg en als vader Emanuel kort daarna naar Duitsland vertrekt, brengt moeder Burnier de kinderen onder in een pleeggezin. Lockhorn gaat niet uitgebreid in op de relatie tussen moeder en kinderen, omdat de laatsten niet mee wilden werken en zij hun afstand wil respecteren, zoals ze in een vraaggesprek heeft aangegeven. Ze beschrijft wel hoe Burnier opleeft door de scheiding en doordat ze weer gaat studeren en werken. In de eerdergenoemde bundel van Palache, Elk boek is een gevaar, zegt Burnier in 1997, reflecterend op die periode: ‘Mijn hele leven heb ik alleen maar gezocht naar kennis, kennis die mij zou bevrijden. […] Alleen kennis zou mij kunnen verlossen uit de koker van de wereld waarin wij moeten leven.’

    Metselaar

    In haar zoektocht in het leven heeft de mens en professional Dessaur en de schrijfster Burnier vele wegen bewandeld. Lockhorn beschrijft uitgebreid Burniers korte christelijke toewijding, haar heilig geloof in de antroposofie en later haar weg naar belijdend Jodendom. Op wetenschappelijk gebied gaat zij eerst en vooral van puur rationeel positivistische wetenschapstheorieën uit en evolueert ze later naar bredere ethische uitgangspunten. Burnier was een rebel en een ‘lone wolf’. Ze zocht en vond zielsverwanten in ‘herenclubjes’ zoals Castrum Peregrini waarin filosofische en literaire onderwerpen besproken werden in een sfeer van kunst, vrijheid en vriendschap en later in de door haar zelf geïnitieerde cultureel-spirituele Platoclub. Lockhorn geeft veel aandacht aan de duiding, inhoud en impact van deze clubjes, al was het alleen al omdat ze Burniers idiosyncrasie illustreren: als een metselaar onophoudelijk bouwend aan een nieuw wereldbeeld voor zichzelf.

    In november 2015 schreef hoogleraar Marc van Oostendorp op de site van het online tijdschrift Neerlandistiek dat de biografie ‘teleurstellend’ is, omdat de lezer geen grip krijgt op loopbaan, literaire werk en leven van Burnier. Hij meent dat er ‘geen poging wordt gedaan een echte ontwikkeling in het oeuvre te schetsen, of een karakterisering te geven van haar schrijverschap [of] zelfs haar stijl’. Hiermee wordt de biografie echt tekortgedaan. Lockhorn gebruikt regelmatig citaten uit Burniers werk waarmee ze haar vaak ironische, hyperbolische, soms provocatieve stijl illustreert. Ze stipt meerdere keren overeenkomsten met Reves stijl aan en ook een overeenkomstig belang voor de ‘homosuele’ lezer. In de reacties op Burniers werk kiest Lockhorn voor uitgesproken recensenten, zoals de lucide beoordelingen van Hans Warren en doorwrochte en scherpe analyses van Maarten ’t Hart. ‘Dit boek is inderdaad anders dan alle andere boeken van Burnier’, zegt Lockhorn over De trein naar Tarascon, waarna ze aangeeft wat er anders is en hoe dit te duiden. De stenen voor het metselwerk van de biografielezer zijn overvloedig aangedragen en zelfs hier en daar wat cement.

    Mensgender

    Op een ander vlak moet er wel een kritische noot gekraakt worden. Lockhorn diagnosticeert Burnier bij herhaling en nadrukkelijk als een ‘transgender avant la lettre’. Ze maakt hier een denkfout. Er zijn veel vrouwen die niet in de vrouwenmal passen en er niet in wíllen. Die zich prettiger voelen als ‘one of the guys’ dan met de meisjes bij het nagellakschap van de Hema, prettiger als hockeyster in korte broek dan met een rokje, die ongelukkig worden in damesgezelschap. Zij bevinden zich niet in een verkeerd lichaam, maar in een beperkte wereld. De prachtige biografie van Jeanne Bieruma Oosting beschrijft nog zo’n vrouw die zich niet wenst te conformeren, Mariken Heitman legt het in haar roman Wormmaan ‘nog één keer’ uit, Anjet Daanje lijkt ook een lichtend voorbeeld: dergelijke vrouwen als transgender neerzetten is niet juist.

    Veelzeggend is in dit verband Maarten ’t Harts reactie op Burniers essay De zwembadmentaliteit waarin hij aangeeft dat er andersom ook jongens zijn die niet in de jongensmal passen en ‘dat hij er zelf vanaf zijn vierde jaar naar verlangd heeft een meisje te zijn’. Lockhorn merkt op dat het bijna lijkt alsof hij ‘een wedstrijd aangaat met Andreas Burnier wie het meest heeft ‘geleden’. Je zou ook kunnen zien dat hij Burniers betoog weliswaar eenzijdig vindt, maar wel ondersteunt en dat zijn invalshoek een breder inzicht biedt. Het valt Lockhorn niet euvel te duiden. De wokebeweging sliep nog toen zij met haar biografie bezig was en zelfs de dames van Fixdit, het schrijverscollectief dat het seksisme in de literatuur wil ‘fiksen’, die Burniers werk enthousiast aandacht geven en Lockhorn geïnterviewd hebben, stellen hierover geen enkele kritische vraag.

    Burnier was in denken, gedrag en durf haar tijd vooruit, dat heeft de biografie overtuigend laten zien. Ze heeft met haar werk en leven velen geïnspireerd en gesteund door te zijn wie ze was: een mensgender.

     

    Lees hier ook de recensie uit april 2016 door Evert Woutersen over dit boek. 

     

     

  • Boeiend portret van een hooggeleerde 20e eeuwse neerlandica

    Boeiend portret van een hooggeleerde 20e eeuwse neerlandica

    In maart 2022 kwam het boekje Late liefde uit, een portret van Margaretha Schenkeveld, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Schrijfster Jannetje Koelewijn leert haar in 1977 kennen als zij zelf als studente Nederlands aan de VU in Amsterdam begint en Schenkeveld daar hoogleraar is. Enkele anekdotes laten zien hoe zij tegen deze geleerde vrouw opkijkt en waardoor zij haar 42 jaar later nog altijd niet durft te benaderen, in dit geval voor een interview over de teloorgang van de universitaire studie Nederlands. Een jaar later komt het toch tot gesprekken: Koelewijn wordt door Schenkeveld bij haar thuis uitgenodigd. Vanaf dat moment zijn die bezoekjes de kapstok waaraan dit geschreven portret in korte hoofdstukjes is opgehangen. Er volgt steeds weer een nieuw element, een nieuwe anekdote, een nieuwe fase. Koelewijn voegt eigen ervaringen en bespiegelingen toe en dit alles levert een gevarieerd, prettig leesbaar en interessant verhaal op.

    Margaretha Schenkeveld is geboren in 1928 in Alkmaar. Ze is een meisje dat al van jongs af aan van geschiedenis en lezen houdt en dat al vanaf de zesde klas, nu groep acht, weet dat ze Nederlands wil gaan studeren. In 1940 gaat ze naar het stedelijk gymnasium, waar ze vanaf de tweede klas Grieks krijgt van Arie Hoekstra, een getrouwde man van 29 jaar oud. Margaretha mag hem graag, wordt verliefd, houdt van hem. Vierendertig jaar later bekennen ze elkaar de liefde, ze trouwen in 1976 en tot Aries overlijden in 1987 zijn ze gelukkig samen. Rondom deze liefde, de toenadering en het samenzijn zijn geen wilde intriges of smachtende jaren beschreven. Het is zoals het is: Margaretha is tot haar 47e alleen geweest en heeft het al die jaren druk met haar studie, haar werk en met de zorg voor haar ouders.

    Voorbije tijd

    Titel en achterflap van het boekje doen vermoeden dat het vooral over de bijzondere liefde(sgeschiedenis) van Schenkeveld en haar Arie Hoekstra gaat. In werkelijkheid is het ook en misschien meer nog een beschrijving van erudiete oude mensen en van dingen die voorbijgaan, onder andere aan de faculteit der letteren en bij de studie Nederlands. Er wordt een beeld geschetst van Schenkevelds achtergrond en omgeving in de vorige eeuw, van het onderwijs en van schuivende panelen in het land van de literatuur. Daarmee is Late liefde niet alleen een droevigstemmend feest der herkenning voor neerlandici opgeleid in de vorige eeuw, maar houdt het hen ook een spiegel voor. Een spiegel niet alleen van ‘neregeb’, begeren naar de goede oude tijd, maar ook één die helpt relativeren en wellicht helpt bij het vooruitkijken.

    Margaretha Schenkeveld is 92 als ze de gesprekken met Koelewijn voert. Ze heeft een rijk leven achter de rug. Als wetenschapper heeft ze bijna alles bereikt wat er te bereiken valt: ze is gepromoveerd, is jarenlang hoogleraar geweest en is geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In haar privéleven is ze nog ruim tien jaar samen geweest met de liefde van haar leven. Wat opvalt is haar milde nuchterheid in het omzien. Dat ouders een stokje staken voor ‘gemengde huwelijken’ vond en vindt ze nog altijd heel normaal.

    Treurig verhaal

    Schenkeveld studeert onder andere af op de 19e eeuwse schrijver Willem de Clercq. Zij houdt erg van het werk van de dichter Leopold, haar Arie hield vooral van Boutens’ gedichten. Deze schrijvers zijn net als Bosboom-Toussaint, Nijhoff, Gorter en de Tachtigers allemaal onder het stof van de tijd verdwenen. En dat is niet het enige wat drastisch veranderd is. Nadat in 1968 de Mammoetwet is ingevoerd en er een vwo-opleiding ontstaat zónder klassieke talen, is een diploma in die talen geen voorwaarde meer voor het volgen van de studie Nederlandse Taal- en Letterkunde. Dat legt de studie geen windeieren. Honderden studenten per jaar beginnen aan diverse universiteiten in het land aan de studie Nederlands. Er is zelfs een plaatsingslijst. Studeren aan de universiteit wordt later ook toegankelijk gemaakt voor ‘stapelaars’ wat het startniveau van de startende studenten vaak verlaagt.

    De laatste decennia is de studie Nederlands versnipperd en uitgekleed waardoor er inmiddels nog maar weinig eerstejaars studenten zijn. De ene na de andere faculteit sluit, leerstoelen verdwijnen. Als het gaat om veranderingen in het Nederlandse onderwijs, valt wederom Schenkevelds mildheid op. Velen klagen steen en been over de invoering van de Mammoetwet, zij pleitte als lid van de Academische Raad vóór het toelaten van vwo’ers zonder Grieks en Latijn. ‘Doe dat nou maar […] want het is toch niet tegen te houden.’ Koelewijn noteert, vraagt soms door, oordeelt niet expliciet, maar God hoort haar brommen. Over het verdwijnen van de leerstoelen schrijft ze: ‘[Schenkeveld] zuchtte. “Het is zo’n treurig verhaal.”‘

    Schenkeveld is een vrouw die trots zijn op zichzelf ‘aanmatigend’ vindt. Maar het eerste wat ze aan Koelewijn vraagt, is of zij niet trots is op haar opleiding? Waarom noemt zij zichzelf geen neerlandica, maar journalist? Literatuur heeft tegenwoordig geen aanzien meer, daar zijn de beide neerlandici het over eens. Het zij zo. De lezer zal onwillekeurig denken aan rode vlaggen die al gehesen zijn voor de schoolvakken en universitaire studies Frans en Duits. (Universitair) docenten en studenten van deze vakken kunnen hun borst natmaken.

    De schrijver is dood

    Interessant is het dat Schenkeveld in sommige kwesties afstandelijk blijft. Koelewijn vraagt zich dan af ‘hoe eerlijk ze tegenover zichzelf was.’ Wat lees je als je troost zoekt? vraagt Koelewijn haar bijvoorbeeld. Schenkeveld declameert dan Leopolds beroemde ‘peppelgedicht’ waarin hij treurt over een onbereikbare geliefde: ‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’. Zij heeft tientallen jaren moeten wachten op de vervulling van haar liefde, maar een verband tussen de keuze voor dit troostgedicht en haar lange wachten wordt door haar zelf niet benoemd.

    Zij wil ook niets weten van een verband tussen leven en werk. ‘[…] de persoon van de schrijver doet er niet toe.’ Het Heilige Adagium van de literatuurbeschouwers van de vorige eeuw is: ‘de schrijver is dood’. Het is daarbij onwetenschappelijk om werk van een schrijver te verklaren vanuit biografische gegevens. Dat zien we terugkomen als Koelewijn met Schenkeveld over haar lezing over poëzie van drie Nederlandse schrijfsters, Betje Wolff, Henriëtte Roland Holst en Ida Gerhardt, spreekt. De lezing gaat over werk waarin deze sterke, zelfstandige vrouwen zichzelf onderzoeken. Wolff spot met de eisen die aan een echtgenote en (huis)vrouw worden gesteld, HR Holst bevraagt haar eigen kinderloze leven, bij Gerhardt speelt een geknechte jeugd een rol. Schenkeveld wil het nadrukkelijk niet hebben over de rol van haar eigen jeugd. En speculeren over de onderlinge relatie tussen Wolff en Deken is ook een niet te betreden gebied.

    Interpretatieruimte

    Heel lang heeft Schenkeveld geen relatie gehad. Er waren enkele geïnteresseerde mannen, die hun belangstelling soms op een ongepaste manier uitten, maar die waren kansloos. Ergens in de jaren vijftig krijgt ze een spontane, ongeplande en eigenlijk ongewenste kus van Arie, als hij haar naar het station brengt na een bezoek aan hem en zijn vrouw. In het hoofdstukje hierna verhaalt Koelewijn van een eigen ervaring. Een vader van een vriendinnetje van haar komt dichtbij. Ze beschrijft dit voorval niet om een overeenkomst in grensoverschrijdend gedrag aan te geven, maar om aan te stippen dat het een gevoel van macht kan geven als iemand je leuk vindt. Maar ze bespreekt dit niet met Schenkeveld en laat daarmee interpretatieruimte aan de lezer.

    Koelewijn vraagt soms door, interpreteert meer of minder tussen de regels door, suggereert zo nu en dan. Late liefde is daardoor een mooi portret geworden van een ruimdenkende vrouw. Liefde voor de lang onbereikbare geliefde, voor letterkunde en voor de persoonlijke omgeving krijgen aandacht.

     

     

  • Bedreigend én bindend water

    Bedreigend én bindend water

    Water val, de tweede roman van Ingrid de Vries, gaat over twee tienerjongens die worstelen met diverse opgroeiproblemen en met twijfels en onzekerheden. Hamid is een Afghaanse vluchteling die lastig kan leven met het gemis van dierbaren. Hij heeft te maken met vooroordelen en op school wordt hij gepest. Einar is net verhuisd, heeft een ingewikkelde thuissituatie en vindt het moeilijk keuzes te maken. Hamid en Einar worden door een schoolopdracht aan elkaar gekoppeld, waardoor er contact ontstaat en vriendschap lijkt te groeien. Ze lijken blij met elkaar, tot een ‘ontgroeningsopdracht’ voor Hamid vanuit de pestersgroep tot een vertrouwensbreuk leidt.

    De motieven vluchtelingentrauma, vriendschap en verraad zijn alle drie gekoppeld aan het water. Om die reden prijkt op de omslag van het boek een foto van twee jongens die in zwemkleding aan de waterkant zitten. De hoofdpersonen van de roman kunnen het niet zijn, want Hamid is een getinte Afghaanse jongen en Einar is een jongen uit Friesland met witte stekeltjes en zo zien de jongens op het omslag er niet uit. Toch zijn ze het ook wel, vanwege hun samenzijn aan de waterkant: benen bungelend over de rand. Hamid is doodsbang voor water, wat te maken heeft met zijn traumatische ervaring als bootvluchteling. Einar gaat hem leren zwemmen in het zwembad bij zijn huis. Voor de lezer is dan al duidelijk dat Einar niet alleen maar ijdele motieven heeft, maar ook een geheime agenda. Doordat hij als nieuweling op school geen kant weet te kiezen, faciliteert hij de pesters van Hamid, die ‘de Afghaan’ een gevaarlijke act boven een bosvijver willen laten uitvoeren. Einar leidt hen naar zijn geheime boshut waar ze kunnen kaarten, bier drinken, roken en muziek luisteren en waar ook de vijver, het water, is waar zij Hamid willen uitdagen.

    Hamid en Einar

    Hamid is een nieuwkomer in Nederland. Hij is geboren in Kandahar en zeven jaar geleden met zijn moeder en zusje gevlucht uit Kabul, Afghanistan. Hamids naam betekent ‘de prijzenswaardige’. Prijzenswaardig is hij in het rustig, zelfbewust en ogenschijnlijk onaangedaan verduren van pesterijen van een aantal klasgenoten. Hij ziet het als een opdracht, ‘een boetedoening die hij moet ondergaan voor wat er is gebeurd met baba en met Rachid’. Beiden, zijn vader en zijn beste vriend, zijn omgekomen door Talibangeweld in Afghanistan. Wat volgde is een vlucht van driehonderd dagen met onder andere een boottocht die hem bijna noodlottig werd. Hamid herkent zich in de eekhoorn uit een van de verhaaltjes van Toon Tellegen die zich ‘verdrietig en onherbergzaam’ voelt.

    Einar is een nieuwkomer op de school van Hamid. Hij is net verhuisd vanuit Leeuwarden. Zijn Scandinavische naam betekent ‘eigen-overwinnaar’, maar voor hij zichzelf overwint, zal er nog heel wat water door zwembad en bosvijver moeten stromen. Op school wil hij graag de ‘gouden middenweg’ bewandelen. ‘Kiezen is altijd fout’, denkt hij. Dit geldt ook in zijn lastige thuissituatie. Moeder blijkt geheime nachtelijke uitjes te ondernemen, vader is vooral afwezig vanwege zijn werk. Einar wordt door hem ingezet als privédetective. ‘Hij wil niemand verraden. […] Je raakt iemand kwijt die je gaat missen of je wordt zelf aan de kant geschoven en dan ben je alleen.’

    Twee perspectieven

    Het verhaal start met verschillende spanningsbogen en open plekken. Waarom trekt Einar ’s nachts krijtstrepen voor de autobanden van zijn moeders auto? Waardoor is Hamid zo bang voor het water? Deze open plekken worden vlot opgelost en ingevuld, misschien zelfs wel te vlot. Het verloop van de gebeurtenissen is soms ongeloofwaardig, soms voorspelbaar en het verhaal kabbelt gestaag door zonder dat er van de volwassen lezer veel inspanning of reflectie wordt gevraagd. Ook de beschrijving van de ontwikkeling van de vriendschap tussen Einar en Hamid is nogal voorspelbaar.

     Het verhaal wordt afwisselend verteld vanuit het perspectief van beide jongens. Soms wordt dezelfde situatie vanuit de twee verschillende perspectieven en belevingen beschreven, soms krijgen we een inkijkje in hun thuissituatie, innerlijke wereld of achtergrond. Bij Hamid zijn er bovendien geregeld flashbacks naar vroeger in Afghanistan met soms fijne, soms pijnlijke, levendige herinneringen. Herinneringen aan het sprookjesleven waarin hij vanaf het dak van hun huis samen met zijn vader de wereld beschouwde, waarin zijn Afghaanse vriend Rachid de prins was in hun ‘koninkrijk tussen de takken van de walnootbomen’, maar ook aan die waarin Rachid omkomt en zijn vader verdwijnt.

    Samenwerking

    De jongens hebben beiden geen zin in het samen werken aan de schoolopdracht, een schrijfopdracht over discriminatie, maar uiteindelijk brengt de samenwerking hen toch dichter bij elkaar. ‘Einar kijkt hem echt aan’, merkt Hamid, ‘alsof hij hem gemist heeft en blij is hem weer te zien.’ Einar is op zijn beurt onder de indruk van Hamids verschijning: van zijn onpeilbare, donkere ogen en donkere, gladde haar en zijn stoïcijnse houding. Als hij Hamid tijdens een zwemles stevig moet vasthouden ervaart hij die intense, stevige en lange aanraking als een intimiteit, wat hem verwart. En als de jongens na het incident met de pesters bij de bosvijver ruzie hebben gekregen en elkaar niet meer zien, is hij compleet van slag. ‘Is hij verliefd?’ vraagt Einar zichzelf af na hun breuk.

    Bij Hamid komt er een keerpunt. Hij realiseert zich op een moment dat hij niet meer leeft in nare herinneringen, zijn belaste verleden en schuldgevoelens over Rachid. ‘Zijn voeten maken geen uitstapjes meer naar het verleden, ze blijven in het hier en nu […]. Hij hoort bij een jongen met stekeltjeshaar die zijn vriend is.’ Einar op zijn beurt ziet na de vijveraffaire in dat Hamid en hij nooit gepraat hebben, dat hij niets van hem weet en dat zij beiden hun angsten hebben. Eén van zijn angsten is dat hij Hamid kwijtraakt en dat wil hij niet. Hij staat op tegen pester Maurits en zoekt weer contact met Hamid. ‘In de berm langs het kanaal buigen lange grassen. Een binnenvaartschip is versierd met kleurige vlaggetjes. Ze wapperen dezelfde kant op als het buigende gras. Tegen de beschoeiing klotsen de golven. Ze hebben tegenwind, maar dat geeft niet. Alles glanst in het zonlicht.’

    Het laatste hoofdstuk heet ‘Einar en Hamid’. Hamid heeft het roze zwemplankje van zijn zusje niet meer nodig. De jongens zitten samen bij de boshut waar ‘hysterisch roze’ rododendrons groeien. ‘Een vader is verdwenen en in de nacht rijdt een moeder naar haar geliefde. Maar hier zitten zij.’
    Water val is uitgebracht als volwassenenroman, maar kan vooral als jongerenroman gezien worden. Het is geschreven in een verzorgde, vaak beeldende en toegankelijke stijl, die ook voor beginnende literaire lezers beslist goed te lezen is. Er spelen veel motieven zoals keuzes maken, vertrouwen en liefde. Net als de hoofdpersonen Einar en Hamid zullen jongeren deze niet zo snel hardop benoemen en bespreken, maar herkennen zullen ze ze zeker.

     

     

  • Boeken bieden soelaas in Japanse verhalenbundel

    Boeken bieden soelaas in Japanse verhalenbundel

    De 21-jarige Tomoka Fujiki uit de verhalenbundel De bibliotheek van geheime dromen van Michiko Aoyama werkt in de dameskledingwinkel Eden in een hypermarkt in Tokyo. Zij is ontevreden met haar bestaan en baantje. Is ze hiervoor als achttienjarige student-in-spé vanuit de plattelandsgemeente waar ze is opgegroeid naar Tokyo getrokken? Ze heeft indertijd alles op alles gezet om toegelaten te worden tot een hogeschool in de grote stad, toen dat lukte werd ze de trots van haar omgeving, maar nu overmant haar de stille angst ‘zonder doel en droom oud [te] worden.’ Door een leestip van een markante medewerkster van de bibliotheek in het Community House bij haar in de buurt komt ze tot andere inzichten. Ze krijgt de Japanse kinderklassieker Guri en Gura mee. Het blijkt dat iedereen met wie ze over dit boekje spreekt er een andere herinnering aan heeft of elementen anders interpreteert. Er zijn dus meerdere waarheden, leert ze. Ook ziet ze in dat je mensen, situaties en jezelf verkeerd in kunt schatten. Dat datgene wat zij doet niks voorstelt is háár invulling. Bovendien leert ze dat het tijd en ervaring kost om je iets eigen te maken en ergens beter in te worden. Dat geldt voor het bakken van de castellacake uit het kinderboekje maar natuurlijk ook voor haar leven. ‘Al doende leert men.’ Met Tomoka komt alles goed. Ze heeft vertrouwen in haar toekomst.

    Dit leren en vertrouwen hebben is de blauwdruk voor alle vijf de verhalen. De protagonisten worstelen met zichzelf, komen toevallig in steeds dezelfde bibliotheek bij steeds dezelfde bijzondere bibliothecaresse terecht en krijgen van haar naast de gevraagde boeken steeds een verrassend andere leestip. Deze tip is de sleutel tot nieuwe inzichten en tot nieuw gedrag en er volgt een afgerond gelukkig eind. De bijzondere bibliothecaresse is Sayuri Komachi. Haar verschijning is opvallend: ze wordt achtereenvolgens beschreven als ‘een buitensporig grote vrouw’ […] ‘met een romp die op knappen lijkt te staan’ en een ‘hoofd zonder kin’, ‘een witte beer in winterslaap’, een vrouw ‘die op [een] panda […] lijkt’, op een ‘reusachtige rijstbal’ of een ‘Boeddhabeeld’. Haar stem daarentegen is ‘wonderbaarlijk’, ‘boven verwachting vriendelijk’; wellicht symbolisch voor het luisterende oor dat zij iedereen biedt. In haar infohokje achter haar computer zit ze voortdurend te vilten met schapenwol. Ze maakt allerlei kleine beestjes en objecten en geeft iedere klant een symbolisch vilten cadeautje mee. Zo krijgt Tomoka een koekenpannetje, dat symbool blijkt te staan voor het leren maken van de cake, maar er wordt ook een kat, een vliegtuigje een aardbolletje en een krab uitgedeeld. Voor de bibliothecaresse is het vilten therapeutisch. ‘Als je de hele tijd met een naald in een wolletje prikt wordt je geest leeg.’ Het bezoek aan haar is een rode draad door het boek die alle verhalen verbindt en de personages leert prikken in hun eigen leven.

    Hoe meer boeken hoe beter

    Natsumi uit het derde verhaal is een veertigjarige tijdschriftredactrice. Ze werkt al dertien jaar voor het vrouwentijdschrift Mila en wil heel graag bij een literaire uitgever gaan werken. Ze heeft een schrijfster binnengehaald die eerst feuilletons voor het tijdschrift is gaan schrijven en van wier werk later een roman is gepubliceerd. Het tijdschrift kreeg stijgende verkoopcijfers en de roman werd bekroond met een grote literaire prijs. Natsumi is ambitieus maar ook zwanger en daar komt de kink in de kabel. Na de bevalling wordt ze op haar werk overgeplaatst naar de afdeling Archief en Documentatie en het moederschap valt haar zwaar. Ze vertoont verschijnselen van een spijtmoeder: het is als ‘Winnie de Pooh schattig vinden en in werkelijkheid met een beer samenleven.’ Wat niet meehelpt is dat haar man Shuji ondanks beloftes vooraf altijd aan het werk is en weinig beschikbaar voor de zorg voor het kindje. Matsumi leert van mevrouw Komachi dat ze haar grootste hobbel in het leven al genomen heeft, namelijk het baren van een kind. ‘Aangezien we iets dergelijks hebben doorstaan, kunnen we alles te boven komen.’ Via en dankzij het boek van de gekende Japanse schrijfster Yukari Ishii dat zij ongevraagd meegekregen heeft leert ze nog meer wijsheden. Het gaat om ratio en intuïtie beide, om acceptatie van de wereld om ons heen en om de waarde van literatuur. Vervolgens vindt ze via-via een nieuwe baan bij een kinderboekenuitgeverij, nota bene de uitgever van het kinderboek dat zij ongevraagd meekreeg van de bibliothecaresse. Deze uitgeverij is niet alleen kindvriendelijk maar blijkt als werkgever ook moedervriendelijk. De relatie met partner Suhji en zijn inzet voor de zorg van het kind verbetert. Matsumi houdt natuurlijk toch heel veel van haar kindje en ze kan weer geïnspireerd aan het werk. ‘Hoe meer leuke boeken in de wereld, hoe beter.’

    Draadjes

    En zo gaat het in elk verhaal. De 35-jarige Makoto Urase krijgt van mevrouw Komachi een kat mee en een boek over poezen. Hij werkt als hoofd financiën bij een meubelfabrikant, maar droomt al sinds zijn tienertijd over een eigen bric-á-bracwinkeltje. Het winkeltje in de buurt waar hij als tiener graag kwam en waar hij deze inspiratie heeft opgedaan is al lang failliet en hij weet dat er geen bestaansrecht voor dit soort winkels is. Door een hobbyistische kattenboekwinkeluitbater die hij ontmoet ziet hij plotseling mogelijkheden voor een parallelle carrière. Hij leert dat je ‘van wat je niet hebt […] je doel [moet] maken’ en realiseert zich dat mentale voldoening ook vervullend kan zijn. De conflicten op zijn werk en met zijn vriendin worden opgelost en het ‘ooit’ van zijn winkeldroom wordt ‘morgen’.

    En dan de dertigjarige Hiroya. Hij is een zelfverklaarde NEET (not in education, employement or training) en brengt zijn dagen in ledigheid door, niet in het minst tot grote ontevredenheid van zichzelf. Hij wordt wakker gekust uit zijn lethargie door een boek over Darwin waardoor hij zich realiseert dat hij zelf zijn omgeving kan veranderen. Hij betuigt spijt tegenover zijn moeder, komt in de bibliotheek te werken en vormt daar de overgang naar het vijfde en laatste verhaal met als hoofdpersoon de pas gepensioneerde Masao. In dit verhaal komen de draadjes van de vier voorgaande verhalen samen.

    J-lit

    De Vlaamse vertaler prof. dr. Luk Van Haute legt in een artikel in De Gids (De jacht op de nieuwe Murakami: omtrent Japanse en on-Japanse literatuur 2009, jaargang 172) uit dat er in Japan traditioneel een strikt onderscheid bestond tussen ‘pure literatuur’ en ‘massaliteratuur’, een onderscheid dat sinds Murakami’s Norwegian Wood uit 1987 waziger is geworden. ‘J-lit’, Japanse literatuur, werd een nieuwe algemene benaming voor alle literatuur. Een ander opvallend verschijnsel in het Japanse boekenlandschap is het feit dat er de laatste decennia vele nieuwe onderscheidingen voor boeken in het leven zijn geroepen. Al deze onderscheidingen zijn publieksprijzen, waarbij dus geen beroepslezers in de jury zitten. Vooral jonge, vrouwelijke schrijvers winnen deze prijzen. ‘Jibun sagashi’, zoeken naar jezelf, is sinds de jaren negentig een leidmotief in die literatuur van vrouwelijke auteurs.

    Schrijfster Michiko Aoyama en De bibliotheek van geheime dromen passen in dit plaatje. De personages in de verhalenbundel zoeken naar zichzelf. De schrijfster ontving voor haar werk meerdere literaire prijzen en voor deze roman behaalde ze de tweede plaats van een Japanse boekhandelsprijs.

    De roman is toegankelijk geschreven in prozaïsche, ondubbelzinnige taal. Op gebruik van veel beeldspraak is de schrijfster in dit boek niet te betrappen. De verhalen zijn daardoor beslist zeer makkelijk te lezen, maar ook door de voortreffelijke taal van vertaler Elbrich Fennema. Voor de West-Europese lezer zijn er genoeg interessante typisch Japanse elementen in de roman aanwezig zoals manga, culinaire eigenheden, kersenbomen in bloei en Japanse boeken, schrijvers en dichters. Van alle tijden en alle culturen zijn de levensvragen die langskomen plus de bijbehorende zoektochten naar houvast en naar een weg in het leven.

     

     

  • Schrikkeljaar: een longlistwaardig debuut

    Schrikkeljaar: een longlistwaardig debuut

    Schrikkeljaar, het literaire debuut van de Nederlandse Anka Hashin (pseudoniem van Anya Saxby, 1980, Sovjetunie), is een verhalenbundel die indruk maakt. De zevenendertig korte verhalen van soms vier en nooit meer dan tien pagina’s elk beschrijven in een mooie schrijfstijl mistroostigheid, schoonheid, hogere machten, moord, doodslag, hoop, liefde en nostalgie. Wodka en een winterse sfeer zijn de vaste elementen.

    Rusland, de Russen en de Russische volksaard vormen het decor van bijna alle verhalen. Deze zijn gesitueerd op bekende en minder bekende maar overduidelijk Russische locaties zoals Jekaterinenburg of Viatichi, op plekken die in de Kaukasus of Oezbekistan blijken te liggen of in het uiterste noorden van Rusland, maar ook in naamloze plaatsen en dorpjes. De in 2000 verongelukte onderzeeboot Koersk wordt genoemd. En keizerlijk, tsaristisch Rusland is voor sommige personages iets om naar terug te verlangen. De protagonisten in de verhalen zijn in alles Russisch: er wordt eindeloos en eindeloos veel wodka gedronken en er is gelatenheid over leven en vriendschap: ‘Het is klatergoud al dat mensenvriendengedoe’. Voor de kenners van de Russische literatuur zijn in Schrikkeljaar kenmerken van stijl en thematiek van enkele grote Russische schrijvers herkenbaar, zoals Tjechovs minimalisme en zijn mooie natuurbeschrijvingen, Platonovs existentialisme en het absurdisme en de personificaties van Gogol.

    Menselijk

    Niets menselijks is de verhalen vreemd. In het titelverhaal Schrikkeljaar treurt Nikolai om zijn vier jaar eerder overleden vrouw Zinaida. Hij ziet haar voor zich, hoort haar stem in zijn hoofd, mist haar, denkt aan haar zoals ze werkte in de moestuin. ‘Nu was er alleen maar zout dat uit zijn ogen druppelde.’ Hij schenkt zich thuis nog een laatste slokje wodka in voor hij naar zijn kameraad Mishin gaat met wie hij een klusje voor een Moskoviet zal gaan opknappen in ruil voor een fles wodka. ‘Eerst geven ze je een fles wodka en daarna denken ze dat je aan de slag gaat.’ Het regent en onweert. Bij de wodka eten de mannen ‘wonderkomkommers’ uit Zinaida’s moestuin, die ondanks haar afwezigheid toch weer gegroeid zijn dit jaar.

    Deze melancholische sfeer met verrassende wendingen en de humor in de verhalen zijn sterke, terugkerende elementen. De eenzame arts Lev Petrovitsj ziet te laat in dat hij de vrouw van zijn dromen twintig jaar geleden misgelopen is uit angst voor verlies van vrijheid. Zijn verlate zoektocht naar een huwelijkskandidaat is even hilarisch als hopeloos en toch vindt hij Nadia weer. De vraag is dan of het niet te laat is.

    Meer nog dan melancholie tekent een diepere laag van absurdisme, angst, hallucinaties en verbeeldingskracht de verhalen. In Bokkenbende wordt een soort van rijdenderechterzaak behandeld met pratende bokken; in De allerslimste waart in het bos de rusteloze ziel van de daar omgekomen Fedka rond; de dienstplichtige Slavik uit het verhaal Dienstplichtige, die naar het gesticht gaat om de dienstplicht te ontlopen, wordt daar bevangen door waanzin; de rijke Nogai uit het verhaal In de bergen heeft zich na het verlies van zijn geliefde van een berg gestort en is een berggeest geworden. In het angstige en zoekende zijn, spelen soms gewetensvragen op zoals in De stem van het geweten waarin Scar, vers ontslagen uit de gevangenis, weer op dievenpad wordt gedwongen door zijn zwager die hij uiteindelijk weerstaat. Dimon uit het verhaal Judas heeft een vergelijkbaar probleem met zijn vriendengroep, een probleem dat hij vrolijk tackelt waarna de hele wereld aan zijn voeten ligt.

    Verlangen

    En dan is er het verlangen dat in veel verhalen vorm krijgt. ‘Je had zo’n vonkje in je ogen. Een zacht, helder licht, zoals van een vuurtoren, die het schip door de bruisende zee veilig naar de haven brengt.’ In Het Vonkje heeft de hond een niet-Russische naam en zijn de personages de naamloze ‘broer’ en ‘zus’. Zus komt acht jaar na haar emigratie weer eens bij haar broer langs ‘in het land van de oranje zonsondergangen’. Dat bezoek roept vele vragen bij haar op. ‘Waarom veroorzaakte die [emigratie] op het ene moment nostalgie, dan weer verlangen en op een ander moment zelfs het gevoel dat ze in een kooi zat?’ Als ze na de visite alweer een jaar thuis is, over het strand loopt en haar blik op de oude vuurtoren valt, doorklieft een felle lichtbundel het water. ‘Het vonkje, zus, gierde de wind.’ Ze pakt haar spullen en vertrekt.

    Ook de harpist uit het gelijknamige verhaal maakt zo’n soort keuze. Zijn familie heeft hem een mooie vrouw gevonden met wie hij oprecht blij en gelukkig is, maar toch verlaat hij na een jaar huis en haard. ‘Alleen de bergen en de wind waren getuige van de wedergeboorte van een gevoel waarvan de kracht door geen enkel aards tijdverdrijf kon worden overschaduwd.’ Vader Philip zegt in het verhaal Echo van geluk tegen zijn zoon Victor: ‘Volg je hart jongen. Het hart alleen luistert naar de echo […] van het ongrijpbare geluk.’ De keuzes lopen niet altijd goed af, zoals bij de kleine Ivan uit het verhaal De kapitein. Hij gaat eerst welwillend met zijn vader en diens nieuwe vrouw mee op de boot, maar stapt ’s nachts als ‘kapitein van zijn wil’ stiekem van boord om terug te gaan naar zijn moeder aan wal. Met een rugzak op gaat hij te water om naar huis te zwemmen. ‘Voor de zon opkwam was hij thuis’, meent hij.

    Intertekstualiteit en stijl

    Wat het lezen van de verhalen onder andere tot een feest maakt is de rijke variatie in vorm, de intertekstualiteit en de poëtische schrijfstijl. Er zijn verhalen geschreven als een sprookje of een parabel, in andere verhalen spelen elementen uit de klassieke mythologie, zoals de sirenen en muzen en Pegasus een rol, er zijn Bijbelse verwijzingen, Roman en Julka is een romantisch verhaal over een onmogelijke liefde. In De kapitein zette de kleine Ivan ‘zijn hand boven zijn ogen en tuurde attent naar voren, zoals alle kapiteins doen’, zoals in ieder geval de kleine kapitein uit Biegels gelijknamige klassieker doet. De schrijfstijl is per verhaal enigszins aangepast aan inhoud en vorm, maar overal poëtisch met bewuste of onbewuste verwijzingen naar klassiekers als ‘geen rozen zonder doornen’ en ‘de zon als een koperen ploert’ en originele beeldspraak bijvoorbeeld in ‘zijn rossige lokken [hingen] als verlepte wortels langs zijn oren.’ Sneeuw is in dit boek ‘kleffe smeltsneeuw’, ‘grauwe sneeuw’, ‘vage smeltende sneeuw’. De fraai verzorgde stijl vraagt om vertraagd lezen, wat ook geldt voor de niet-chronologische opbouw of irreële gebeurtenissen in sommige verhalen. Maar dat is bepaald geen straf.

    Overtuigende verhaalwerkelijkheid

    ‘Natalka was niet per se een schoonheid, maar ook geen lelijk wijf. Over haar soort zeiden de mannen hier: ‘Met een fles wodka lukt dat wel.’ Hoewel enkele hoofdpersonages als meisjes in een suikerwerkfabriek het lot rigoureus in eigen hand nemen, zoals Rita uit Tsjoerayeen en Yagaylo uit Torso van David, wordt er in deze bundel regelmatig denigrerend én seksistisch én stereotype over vrouwen gesproken en geschreven. Gelukkig heeft de sensibiliteitscommissie van de uitgever hierover geen oekaze uitgesproken. Dergelijke passages en uitspraken zijn overduidelijk niet provocerend of gewaagd noch verwerpelijk want beledigend, maar tonen een overtuigende verhaalwerkelijkheid. Ditzelfde geldt voor enkele verhalen waarin de man de sukkel is die zich als in een middeleeuwse klucht laat ringeloren door z’n vrouw, zoals in het verhaal Liefdespriesteressen.

    ‘Een vogel kun je niet bevelen. Een vogel is vrij om te vliegen naar waar die maar wil’ realiseert Gittinevyt, de moeder van Oetek zich. Haar enige zoon zal vanuit hun plekje op de toendra naar ‘de Grote Zembla’ vertrekken om daar naar kostschool te gaan. Ze is er erg verdrietig over, maar ook vervuld van grote hoop op zijn terugkeer. Zo eindigen meer verhalen hoopvol in droefenis. De realiteit poëtisch beschreven in verhalen die soms surreëel zijn, grimlachjes veroorzaken en van de lezer bij tijden een zoekende ziel maken: dit alles levert een debuutbundel op waarvoor alvast een plekje op de literaire longlists kan worden gereserveerd.