• In memoriam Menno Wigman 1966-2018

    Een leven in dienst van de poëzie

    Een groot Nederlands dichter is gestorven. Het werd donderdag 1 februari op elk heel uur door de ‘Radio Nieuwsdienst van het ANP’ omgeroepen. Men stond stil en was geschokt bij het verscheiden van een dichter die niet veel publiceerde maar wat er van hem werd uitgegeven, was van grote klasse. Er ontbreekt in de Nederlandse poëzie plots een schakel, een tegenwicht, een klankbord. Aan de vooravond van Wigmans overlijden werd bekend gemaakt dat zijn laatste bundel Slordig met geluk, genomineerd is voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

    Menno Wigman, klassiek dichter met een onnavolgbare manier van formuleren, overleed donderdagochtend op 51-jarige leeftijd in het VU ziekenhuis te Amsterdam. Hij werd in slaap gehouden, zo vertelde zijn vriend de dichter F. Starik op Radio 1. Sinds 2014 rommelde het met zijn gezondheid, waarvan zijn laatste bundel, Slordig met geluk een weerslag is.

    Het leven van Wigman stond in het teken van de poëzie, zozeer dat hij geen tijd leek te hebben zich om iets anders te bekommeren. Hij trad op jonge leeftijd in de voetsporen van klassieke dichters als Rilke en Baudelaire – in tegenstelling tot zijn generatiegenoten die nieuwe dichtvormen ontwikkelden. Zijn gedichten waren metrisch, bevatten een sterk ritme en veel rijm. De thematiek in zijn werk was altijd: jeugd, dood, liefde, aftakeling en verval.

    Wigman was een goed voordrachtkunstenaar. Hij stond verschillende malen bij De Nacht van de Poëzie en werd voor Het Tuinfeest in Deventer de laatste vijf jaar, jaarlijks uitgenodigd. Een eer die voorheen alleen Gerrit Komrij ten deel viel.

    Hij debuteerde in 1997 met ’s Zomers stinken alle steden. In ruim twintig jaar publiceerde hij zes bundels waarvoor hij twintig jaar lang ’s nachts schreef. Naast zijn eigen bundels, waaruit een bloemlezing verscheen onder de modern-klassieke titel De droefenis van copyrettes (2009), publiceerde Wigman vertalingen van Baudelaire, Else Lasker-Schüler, Rilke, De Nerval en Leopold Andrian.
    Tweemaal werd zijn dichtkunst bekroond. Voor Zwart als kaviaar (2001) kreeg hij de Jan Campertprijs, en in 2015 werd hem de A. Roland Holst-penning toegekend.

    Van 2012 tot 2014 was Wigman stadsdichter van Amsterdam en moest als ambassadeur overal opdraven. Zelf zei hij daarover, (in een interview met John Schoorl V.K. 2016) dat het een te zware periode was, hij belandde met een hartkwaal op de intensive care, waarover hij zou berichten in Slordig met geluk.

    In 2014 was er het besef dat hij iets met zijn leven – anders dan het ten dienste stellen van de poëzie – moest doen. In 2011 publiceerde Jozef Deleu van Het Liegend Konijn het gedicht ‘Laatste taxi’ van Wigmans:

    Ik leefde snel en telde af, dat was toen mode.
    Ik telde doden, steeds meer doden, en ik dacht
    aan drank, aan drugs, aan de millenniumnacht
    en rook. En deze eeuw? Muziek en inzicht, veel
    verheffing. Google, woede, oorlog, mist.

    Er heerst een rookverbod maar niemand kijkt nog fris.
    Letterlijk niks houdt onze weerzin in bedwang.
    In chatrooms straalt een teder licht. Er is het recht
    op geld, op seks, op zwachtels voor de hersenstam,
    noem het ontdaan van een Betekenis – en dan.

    Ik heb een jeugd gehad. Het is de laatste nacht
    van weer een jaar, ik leefde stil en kwam tot niets
    en zit nu in een taxi, buiten hoor ik schreeuwen,
    mensen die vuurpijlen afsteken, elkaar
    beroemde kussen geven. Ik kijk. Ik zie. Zal leven.

     

    Menno Wigman publiceerde:
    s Zomers stinken alle steden Prometheus, Amsterdam, 1997
    Zwart als kaviaar, Prometheus, Amsterdam, 2001
    Dit is mijn dag, Prometheus, Amsterdam, 2004
    De droefenis van de copyrettes, (bloemlezing) Prometheus, Amsterdam, 2009
    Mijn naam is legioen, Prometheus, Amsterdam, 2012
    Slordig met geluk, Prometheus, Amsterdam, 2016.

    Zijn werk werd vertaald in het Duits, Engels en Frans.

    Nagekomen bericht:
    Zaterdag 17 maart ontving Menno Wigman postuum de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2018 voor zijn dichtbundel Slordig met geluk, waarvoor hij tijdens zijn leven genomineerd was.

    De jury van de Ida Gerhardt Poëzieprijs bestond dit jaar uit Kunststof-presentator en journalist Petra Possel en Volkskrant-recensent Arjan Peters. Zij beschreven Slordig met geluk als de culminatie van Wigmans oeuvre, een oeuvre waarin hij altijd de ‘gure schoonheid’ heeft bezongen, ‘een dichtersleven lang, consequent, mooi en melancholisch en altijd flirtend met de dood’. In de bundel, zo stelde de jury, ‘is guur meer dan guur en is schoon meer dan schoon’. Zodoende noemen zij het Wigmans ‘beste bundel ooit, zijn zwanenzang’.

    Het bijbehorende prijzengeld zal gebruikt worden voor een gedichtenbundel die hij maakte voor Stichting De Eenzame Uitvaart. Hij droeg deze gedichten voor tijdens de uitvaarten van mensen die zonder nabestaanden ten grave werden gedragen.

     

     

  • Een staaltje van literaire journalistiek

    Een staaltje van literaire journalistiek

    Iedereen stapt weleens af is een verzameling stukken die John Schoorl (1961) schreef in onder meer  de Volkskrant. Schoorl laat zien dat journalistiek literair kan zijn. Sommige mensen gaan ervan uit dan non-fictie geen literaire waarde kan hebben, omdat de schrijver gebonden is aan de feiten. Dat is geen sterke redenering. Literatuur valt of staat bij de stijl. Het berichten over feiten belet een goede schrijver niet om tot mooie formuleringen te komen. En Schoorl schrijft mooi.

    De bundeling begint met de titelreportage. Mogelijk het sterkste stuk uit het boek. Schoorl bespreekt erin een volslagen onbekende wielrenner die in de jaren vijftig aan de Tour de France heeft deelgenomen en is afgestapt. Uit diverse van de artikelen blijkt een voorliefde voor verliezers. Verliezers, in de sport af anderszins, zijn bijna altijd  interessanter dan de winnaars, zo blijkt uit de teksten. Schoorl laat zien hoe leeg supporters eigenlijk zijn die op voetbaltribunes ‘No time for losers‘ zingen. De verliezer is veel representatiever voor de menselijke ervaring dan de triomfator.

    In zijn stuk over de wielrenner, Arie van Wetten, beschrijft Schoorl het moment van afstappen ‘in de hel van Normandië’, als volgt: ‘Hij had ook in Antarctica kunnen zijn of in de binnenlanden van Afrika. Hij zag he-le-maal niks meer. Alles stond zogezegd op zwart. Hij stond daar alleen op de weg, samen met zijn blauwe fiets. Van ellende waren alle plooien in zijn gezicht bij elkaar gekropen. Zijn lange puntneus pikte uitgeput tegen zijn vorstelijke kin aan. Dan was er nog zijn gele shirt, dat eruit zag als een expressionistisch schilderij. De letters van sponsors Locomotief en Vredestein waren door klodders kots en rochel onherkenbaar geworden. En hij huilde. Godverdomme, hij stond te grienen.’ (16) Deze ervaring is duidelijk boeiender dan een beschrijving van een glorieuze overwinning. Over een winnaar in het leven valt bar weinig te vertellen, al doet Schoorl een goede poging in zijn beschrijving van Rijksmuseumdirecteur Wim Pijbes.

    Schoorl, die zelf dichtbundels publiceerde, schreef ook interessante portretten van de dichteressen Delphine Lecomte en Kira Wuck. De auteur toont in deze en andere artikelen veel empathie. Je krijgt het gevoel dat zijn visie op de besproken personen wel ongeveer klopt. Daar zit hem ook wel een gevaar in. Juist omdat het journalistiek is verwacht je objectiviteit. Schoorl interpreteert meer dan veel andere journalisten. Letterlijke citaten geeft hij niet veel. Zijn teksten zijn vooral weergaven van Schoorls visie op de besproken mensen. Het is de vraag of je met wat research en een interview tot een volledig afgewogen visie op een ander kunt komen. Maar het zou jammer zijn geweest als Schoorl daarom had afgezien van het schrijven van zijn stukken. Totale objectiviteit is in de grond natuurlijk ook onmogelijk. En door te schrijven op zijn eigen manier laat de journalist de lezer duidelijk weten dat hij subjectief is, zoals elke schrijver. En dat is wel zo eerlijk.

    De literator Coleridge stelde ooit dat iedere mens die ooit geleefd heeft eigenlijk een biografie verdient. Dat is misschien wat overdreven, maar het lijkt wel zo te zijn dat iedere mens een artikel over hem of haar verdient zoals Schoorl ze aflevert.

  • Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Lust for life is een bundel met alleen maar greatest hits

    Recensie door Obe Alkema

    Van succesvolle bands en muzikanten verschijnen naarmate hun oeuvre groeit verzamelalbums of Greatest Hits-albums. Van dichters met een snel en goed uitdijend oeuvre verschijnen er bloemlezingen. De gedichtenbundel Lust for life van John Schoorl is zo’n bloemlezing met oudere gedichten, maar eveneens met nieuw werk.
    De liefde die Schoorl heeft voor muziek valt al op bij de titelpagina, want de bundel draagt de ondertitel Muziekgedichten. Schoorl schrijft gedichten die gebaseerd zijn op liedjes of die invloed gehad hebben op (het schrijven van) de gedichten. Dat is bijna bij elk gedicht zo en onderaan de bladzijde wordt informatief vermeld welk liedje van invloed is geweest en wie het gezongen heeft.

    De aard van die muziek is heel divers. Onder andere Solomon Burke, Oasis, Simon & Garfunkel, The Roots en Iggy Pop komen voorbij. Deze variatie aan muziekstijlen zorgt er niet voor dat Schoorl epigoongedichten maakt. Het is juist eerder het tegenovergestelde: hij vertaalt de liedjes als het ware naar zichzelf of naar het heden en betrekt ze op een bepaalde gebeurtenis.
    Het gedicht Monsieur vertelt over moordpartijen zonder een karakterisering van de dader en slachtoffers of ander bewijs. De voetnoot bij het gedicht vertelt dat een gelijknamig liedje van de Franse zanger Thomas Fersen invloed heeft gehad op dit gedicht. Zijn liedje gaat over ‘een butler die zijn adellijke heer bijstaat in een reeks seriemoorden.’ Na beluistering op Youtube bleek het een typische chanson met accordeon en een gebruikelijke opbouw. Schoorl klinkt niet zo warm als de Franse muziek. Hij is juist helder van toon en laat er geen gras over groeien:

    ‘Je hoorde hem schreeuwen,
    Om een doffe brioche, verrotte courgette,
    Of een vergeten vaderfiets.

    Je zag hem drijven in de ochtend,
    In zijn zwembad, met een kogelgat
    In zijn borst.’

     

    Zijn muziekadaptaties zijn erg goed. Gedicht Old Friends, een nummer van Simon & Garfunkel over ‘twee vrienden die nadenken over ouder worden’, laat dat zien:

    ‘De eerste keer dat ik
    Je zag,

    Droeg je je trui
    In je broek.

    Toen ik je vorige
    Week zag.

    Had je je blouse
    Over je broek.

    Er is veel gebeurd,
    In al die jaren.’

     

    Het lijkt op het eerste gezicht heel flauw, maar de ironische toon van Schoorl komt hier goed door: een verandering van kleedwijze, is dat het belangrijkste wat gebeurd is in de afgelopen jaren? Nee, maar door de jaren heen vergeet je de momenten en je blouse over je broek is nu eenmaal een ingrijpende verandering.

    Schoorl is nergens overdreven. In Monsieur is de heldere toon goed zichtbaar; in Old Friends de licht ironische toon. Vaak gaan de gedichten over vergane tijden, vervlogen levens en dat levert tragikomische situaties op.

    Gedicht A Capella verhaalt over het tragische leven van een man die de ingrediënten van de spaghetti di mare bijeenschept voor de ik-persoon. Het is iemand die in de vergetelheid geraakt is:

    ‘Dat hij in 1964 per ongeluk een etappe won
    Van een spookdorp naar een niet meer bestaande plaats
    In een nietszeggende Giro,
    Is onbekend.’

     

    De spaghettischepper zingt een liedje over fietsonderdelen, maar niemand luistert. Niemand slaat acht op deze arme man. Hij wordt vergeten. En straks is hij vergeten. Schoorl weet gemengde gevoelens te bezorgen, omdat het aan de ene kant tragisch is wat er gebeurd is met die ik-persoon, maar aan de andere kant ook weer hilarisch, komisch. Dat doet hij met verve. Niemand kan deze ik-persoon meer vergeten na dit gedicht.

    De gedichten lijken eerst oppervlakkig, maar na herlezing krijgen ze steeds meer charme. De uitstapjes naar de muziek helpen daarbij. Muziek blijft langer hangen dan poëzie, dus deze combinatie is goed. Het zorgt ervoor dat de gedichten van Schoorl zelf greatest hits worden. Zelfs de nieuwe gedichten in de bundel verworden op slag tot zijn golden oldies.

    Lust for Life

    Auteur: John Schoorl
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 46
    Prijs: € 7,50