• Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Huwelijkstrouw, drank en verborgen driften

    Julian Barnes weet in de inleiding van Visioen van de wereld meteen de nieuwsgierigheid van de nietsvermoedende lezer te prikkelen. Er zijn twee versies van Cheever, stelt hij. De eerste versie is die van de ideale schrijver, gelukkig getrouwd, monogaam, vader van drie kinderen. Dat is de versie die de hedendaagse lezer niet meteen op het puntje van zijn stoel brengt. Daarvoor is de tweede versie nodig: Cheever is de zoon van een dominante moeder, een alcoholische vader, eenzaam, getormenteerd, naast zijn echtgenote ook verlangend naar seks buiten het huwelijk, met vrouwen én mannen. Wie nu geïnteresseerd is geraakt in zijn leven, biedt Verscheurde stilte, het prachtige dagboek dat alweer bijna dertig jaar geleden verscheen in Privé-domein, de beste ingang.

    Onder de aandacht

    Eens in de zoveel tijd wordt het werk van John Cheever (1912–1982) in Nederland onder de aandacht gebracht. Zo verschenen eind jaren tachtig en begin jaren negentig ruime keuzes uit zijn verhalen en zijn dagboeken. Vervolgens kwamen tussen 2012 en 2015 vertalingen van zijn romans (Bullet Park, Bijna een paradijs en de twee delen over de familie Wapshot), maar bleef  de rest van zijn oeuvre buitenbeeld. Nu zijn met Visioen van de wereld en andere verhalen de korte verhalen weer aan de beurt. De samenstelling en de introductie komt, zoals gezegd, op conto van Julian Barnes, die daarmee de rol op zich neemt die Özcan Akyol in Nederland heeft, schrijvers met een bijzonder oeuvre weer onder de aandacht van het grote publiek brengen.

    Ogenschijnlijk geluk

    Om met het grootste bezwaar te beginnen: Visioen van de wereld had meer verhalen van John Cheever mogen bevatten dan de zestien die nu zijn geselecteerd. Op basis van zijn Collected Stories, ruim zestig verhalen in een pil van negenhonderd pagina’s, kun je niet anders concluderen dan dat de keuze ruimhartiger had gemogen.

    In Visioen van de wereld komen de twee door Barnes geïntroduceerde versies van Cheever samen: ogenschijnlijk worden gelukkige ‘middle class families’ geportretteerd. Jaren vijftig. De vrouw is thuis, de man aan het werk. Zoals het toen hoorde te zijn. Maar achter dit vernis schuilt wanhoop, eenzaamheid, buitenechtelijk verlangen. Er is welvaart, de koelkast is goed gevuld, maar wat is iedereen doodongelukkig, en bang dat de buren zien wat er zich werkelijk achter de voordeur afspeelt. De toon wordt meteen gezet in het absurdistische – en dolkomische – openingsverhaal De enorme radio, over een radio die gesprekken van buren uitzendt en bij de vrouw des huizes de angst opwekt dat de buren ook haar gesprekken zouden kunnen horen. De moeilijkheden tussen echtelieden staan ook centraal in De tijd om te scheiden, en in Vaarwel, broer wordt alles gedaan om de schone schijn binnen een gezin op te houden. Dat verhaal opent met ‘We zijn een gezin dat altijd een sterke zielsverwantschap heeft gekend.’ Borrelpraat die op feestjes en partijtjes gemakkelijk gedeeld wordt. Inmiddels weet je dat bij Cheever de ellende dan niet ver weg is.

    Sterke dialogen

    De toegankelijkheid van de verhalen is wisselend, zeker naarmate de bundel vordert. Voor het titelverhaal bijvoorbeeld wordt de aandacht van de lezer extra op de proef gesteld. Waar gaat het heen? Wat wil Cheever hier vertellen? Dan zijn het de dialogen die het verhaal redden. Als de ik-figuur zijn vrouw vraagt wat er met haar aan de hand is, past haar antwoord naadloos in hoe Cheever de wereld van de Amerikaanse middenklasse, zijn eigen wereld, ervaart. ‘“Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik een personage in een komische tv-serie ben,’ zei ze. ‘Ik bedoel, ik zie er leuk uit, ik ben goedgekleed, ik heb geestige, mooie kinderen, maar ik heb het vreselijke gevoel dat ik zwart-wit ben en dat ik door iedereen uitgezet kan worden. Ik heb gewoon het vreselijke gevoel dat ik úítgezet kan worden.’”

    Daarnaast is een verhaal als De trein van vijf uur achtenveertig (in het origineel The Five-Forty-Eight, die trein hoeft er in het Engels niet bij) een feest van leesplezier.

    ‘Toen Blake uit de lift stapte zag hij haar. Er stonden wat mensen in de hal die de liftdeuren in de gaten hielden, voornamelijk mannen die op meisjes wachtten. Daar stond ze bij. Op het moment dat hij haar zag kreeg haar gezicht een uitdrukking van zo intense walging en vastberadenheid dat hij besefte dat ze op hem had staan wachten.’

    De spanning is er meteen, ook door de suggestieve toevoeging in de tweede zin, over de mannen en de meisjes. Die legt niet alleen op knappe wijze de ethiek bloot van de wereld waarin de hoofdpersoon zijn dagelijks leven slijt, maar geeft ook een verborgen boodschap af voor het vervolg van het verhaal. Blake denkt de vrouw af te kunnen schudden, maar vindt haar terug in de trein naar huis. Cheever laat het slachtoffer op haar eigen wijze wraak nemen, fysiek en vernederend. Een geval MeToo, maar dan zestig jaar geleden.

    Vertaling

    Visioen van de wereld is vertaald door Else Hoog en Jan Fastenau. Fastenau vertaalde de verhalen die nog niet eerder in het Nederlands waren verschenen. Het zijn vloeiende vertalingen. Als je het origineel ernaast legt zie je dat zeker de dialogen doorgaans sprankeling behouden. Je ziet soms ook de worsteling terug. De landman is lastig met de inhoud van het verhaal te rijmen, tot je de Engelse titel ziet: The country husband. Het is het langste verhaal in de bundel, en raakt de kern van Cheevers obsessies. Een man, Francis Weed, komt thuis van een vliegtuigongeluk, maar niemand in het gezin heeft veel interesse in wat hem is overkomen. Is er überhaupt wel iemand in hem geïnteresseerd? Het is de opmaat om het geluk buiten de deur te gaan zoeken. Weeds verborgen verliefdheid pakt rampzalig uit voor de jongen die op hetzelfde meisje verliefd is. Aan het slot breekt Weed, in de jaren vijftig vindt catharsis niet meer plaats bij de pastoor of de dominee, maar bij de dokter en de psychiater. Hij krijgt het advies aan houtbewerking te gaan doen. Weed heet opeens Wood, maar dat blijkt een foutje in de vertaling. Helaas – want het lijkt erop dat de personages zich alleen aan hun eigen ongeluk kunnen ontworstelen als ze zich radicaal van alle banden durven los te maken, waarbij het aannemen van een andere naam aanzienlijk zou helpen. Natuurlijk lukt het hun nooit, zoals het Cheever zelf ook nooit is gelukt.

     

  • Waanzin

    Waanzin

    In ieder van ons schuilen ongewenste verlangens die de grens van het betamelijke overschrijden. In een flits (als ik nu een duw geef aan degene die voor me de stationstrap afloopt hoe wordt er dan gevallen?) kunnen bevreemdende gedachten de geest binnensluipen. Die je natuurlijk negeert, want je bent niet gek. In het boek Gevallen engelen – een titel die terecht ‘hoogmoed komt voor de val’ oproept – worden zulke verlangens tot uitvoer gebracht, waarmee ik niet teveel verklap. Vijf studenten, drie jongens, twee meisjes wonen eind jaren tachtig antikraak in een oud landhuis aan de Kromme Rijn in Amelisweerd. Ze hebben het goed met elkaar, maken afspraken (geen gebruikelijke corvee afspraken) over de omgang met elkaar: geen ongevraagde bemoeienissen, geen seks onderling, altijd zoeken naar de waarheid.

    De bijna vijftiger, ooit gesjeesd filosofiestudent, Michel van Bourbon Wittelsbach woont in een huisje naast het landhuis en hangt de leer van filosoof Foucault aan. De studenten in hun onbekommerde manier van omgang en Michel met de uitstraling van een kluizenaar, voelen zich tot elkaar aangetrokken. Er wordt gekookt en samen gegeten. Het landhuis heeft een gevulde wijnkelder waar gretig gebruik van wordt gemaakt. Onder invloed van Michel ontstaan er vijf opdrachten voor Paul, Breteler, Kim, Djoera en Hubert die hen zullen helpen hun waarheidsbevindingen te toetsen en elkaar beter te leren kennen. Michel observeert wanneer ze samen zijn, geniet en stelt dingen als: ‘De waarheid is de naakte waanzin van de mens.’

    Wanneer elk van de studenten hun diepste verlangen onder aanmoediging van Michel als wens opschrijft, is dit de laatste opdracht en luidt het einde van hun vriendschap in. Ook dit is geen spoiler, want het geheim van Gevallen engelen zit in de constructie en hoe het leest, als een verleiding. De man zonder eigenschappen van Robert Musil komt er in voor. Niet enkel als terloops genoemde titel wanneer Paul en Hubert dit boek in de bibliotheek zoeken. Het standpunt van Musil – dat het voldoen aan maatschappelijke verwachtingen je allerlei eigenschappen verleent maar tot vervreemding van jezelf leidt –  voert in Gevallen engelen de ondertoon. Een geweldig verhaal, met intrigerende karakters. En nee, we gaan het niet vergelijken met een ander geweldig  boek. Dit boek is zichzelf genoeg.

    John Cheever opent zijn boek Bijna een paradijs met een leesadvies: ‘Dit is een verhaal om in bed te lezen, op een regenachtige avond in een oud huis.’ Voor Gevallen engelen wil ik voorstellen het boek in tijdloze ruimten te lezen, zo gauw de kinderen naar school zijn of de baas het pand verlaat. Maar bij voorkeur in de ochtend trein van 06:17 uur richting Berlijn. Heb dan weet van het ritme en de trillingen van de trein alsook van de stopmomenten op tussenliggende stations waar de ochtendzon nog net onder de overkapping van het station doorschijnt. Wanneer je aankomt ben je een ander mens. En kun je, zoals de personages in Gevallen engelen nooit meer terug naar wie we waren. Anthony Mertens zou zeggen: ‘Lezen, man!’

     

    Gevallen engelen/ Almar Otten/ 414 pagina’s/ AFdH Uitgevers


    Inge Meijer is een pseudoniem, leest de godganse dag en schrijft daarover.

     

  • ‘Een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui.

    ‘Een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui.

    St. Botolphs. Havenplaats. Vergane glorie. Thuis van de familie Wapshot. Al vele generaties. Leander Wapshot heeft twee zonen. Moses en Coverly. Maar het familiekapitaal zit bij nicht Honora. Kinderloze matriarch. Zij regeert. ‘Hakt de duivel in tweeën en loopt tussen de stukken door.’ Wijst Moses en Coverly aan als erfgenamen. Mits mannelijk nageslacht. Stuurt Moses weg. Moet de wereld ontdekken. Zichzelf bewijzen. Coverly volgt. Wil niet alleen achterblijven. Zoektocht naar toekomstig geluk. Maar toch altijd weer geworteld in verleden. In familie. Aaneenschakeling van ontworteling en eenzaamheid. Terwijl Leander verder teloorgaat, net als St. Botolphs. Geluk komt voor zijn zonen met teleurstellingen. Met steeds weer seks, lust en ‘de geilheid van een oceaan’. Susanna’s en Venussen. Smartelijke lust tussen mannen. Verleden lonkt maar verzengt. Erotiek is het beginpunt van alles. Van wijsheid. Maar ‘het spelen komt ten einde’. ‘De spelers waren geesten. Smolten weg tot lucht, ijle lucht. ‘T korte leven is van een slaap omringd.’

     

    Als deze stijl en het verhaal dat besloten ligt in deze korte passage je aanspreekt moet je zeker John Cheevers Kroniek van de familie Wapshot lezen. Een Amerikaanse roman uit 1957, in 2013 vertaald door Guido Golüke. John Cheever (1912-1982) beschrijft een ware familiegeschiedenis. Twee generaties Wapshot staan centraal, maar eerdere en komende generaties zijn nooit ver weg. Het decor is afwisselend St. Botolphs, een fictieve havenplaats in New England, New York, Washington of Clear Haven, een kasteel vol vergane glorie en kitsch uit de Eerste Wereld. En overal zijn de Wapshots en hun geschiedenis.

    Cheever vertelt de geschiedenis van Leander, Moses en Coverly in vier delen. Het eerste deel gaat vooral over het begin, over de wortels van de Wapshots en over de teloorgang van St. Botolphs. In zekere zin gaat het ook over de teloorgang van de waarden waar Leander nog voor staat; de Amerikaanse waarden van voor de Tweede Wereldoorlog. Eerlijkheid, eenvoud. Toen een haven nog een haven was. Een wereld die wordt verstoord door invloed van buitenaf. Een losbandige jonge vrouw staat daarvoor symbool. Zij rijdt letterlijk met een klap het leven van de Wapshots in en leidt uiteindelijk de uittocht van de zonen in.

    Het tweede deel gaat vooral over het verlies van Leander. Hem blijft niets bespaard. Hij verliest zijn zonen, zijn boot en uiteindelijk zijn eer. Leander vertelt zijn nicht Honora dat hij bij zijn dood de grafrede van Prospero uitgesproken wil zien, ‘Het spelen is ten einde’. In dit motto komt Leanders besef naar voren dat het leven vergankelijk is. Maar door het juist op dit moment aan te kaarten geeft hij er ook blijk van te beseffen dat het leven zoals hij dat kende ten einde is. Het spelen is voor Leander voorbij.

    In het derde deel staat de zoektocht van de nieuwe generatie centraal. Moses en Coverly zoeken en vinden geluk. Maar het komt nooit zonder teleurstellingen. Moses eet vele gouden appels, maar deze blijken vaak net zozeer kopieën en vervalsingen als de kunst in Clear Haven, het kasteel waar hij zijn vrouw Melissa vindt en zal trouwen. Coverly’s appels zijn minder luxueus. Zijn Betsey is meer een boeren appeltje, dat net zo zeer op zoek is naar vriendschap als Coverly, en er net zo veel moeite mee heeft. Als ze wegloopt wordt Coverly meermalen bezocht door de demonen van de homoseksuele lust. Een lust die hij indamt, maar waarna hij zich niet meer waardig voelt voor Venus’ liefde. Totdat Betsey terugkeert. Ook Melissa vertrekt, zij het zonder te vertrekken. Zij blijft steeds op Clear Haven, maar is vaak net zo ver van Moses verwijderd als Betsey van Coverly.

    Deel vier is het antwoord, het vinden. Melissa en Betsey baren beiden een zoon. Honora schenkt haar geld aan Moses en Coverly en de zonen kopen hun vader een boot. Leander is blij, maar blijkt al verloren. Voor hem was het spelen al ten einde. Al heeft hij wel het laatste woord, met een advies aan zijn zonen. Een aaneenschakeling van tegeltjeswijsheden. Wijsheden van grootse eenvoud, ‘Neem elke dag een koud bad. Akelig maar verkwikkend. Vermindert ook de lust.’ Geestige wijsheden ook, ‘Draag nooit een rode stropdas’. Mooie wijsheden, ‘Angst smaakt als roestig mes, laat haar niet binnen’.

    Kroniek van de familie Wapshot is een mooi boek, maar niet altijd gemakkelijk voor de lezer, en hier en daar wat eenvoudig van opzet. In zijn dagboekaantekeningen hanteert Leander dezelfde epistolaire schrijfstijl waarmee deze recensie begon. Cheever creëert zo weliswaar een mooie cadans, maar het is geen plezier bij het lezen. Gelukkig zijn er ook vele passages waar Cheever verhalend schrijft. Met een ongelofelijke zintuiglijkheid in zijn woorden, die van grootse schoonheid is. Bijvoorbeeld als hij Leanders gemoedstoestand onder woorden brengt als deze zich niet langer gerespecteerd voelt: ‘Hoe teergevoelig is een man. Zoals zijn ziel, ondanks dat gesnoef en dat stoere rukje aan zijn kruis, bij wat gefluister al afkoelt tot een sintel. De smaak van aluin in het schilletje van een druif, de geur van de zee, de warmte van de lentezon, bessen bitter en zoet, een korreltje zand tussen zijn kiezen – al wat het leven voor hem betekende leek hem ontnomen.’

    Gemakkelijk is het abrupte einde in deel vier, waarbij op luttele pagina’s de kroniek zijn ontknoping vindt. Het lijkt wel of Cheever daar zijn interesse in de Wapshots verloren is. Hij raffelt het verhaal in nog geen acht pagina’s af en doet daarmee geen recht aan wat hij in de ruim driehonderd daaraan voorafgaande pagina’s heeft opgebouwd. En onbegrijpelijk, stuitend zelfs, is de introductie tot het hoofdstuk waarin Coverly’s homoseksuele zoektocht begint. Cheever noemt het een onsmakelijk gedeelte, een benaming die zeker ook voor zijn eigen intro ervan geldt. Maar behoudens deze minieme uitglijders is Kroniek van de familie Wapshot toch vooral datgene dat Coverly ontdekt als hij na de dood van zijn vader alleen door de familieboerderij dwaalt: ‘een kijk op het leven zo hartelijk en vluchtig als een lachbui’.

     

    Kroniek van de familie Wapshot

    Auteur: John Cheever
    Vertaald door: Guido Golüke
    Verschenen bij: Uitgeverij Van Gennep
    Aantal pagina’s: 333
    Prijs: € 19,90

  • Schone schijn in Suburbia

    Schone schijn in Suburbia

    De Amerikaanse auteur John Cheever (1912-1982) was vooral bekend om zijn succesvolle korte verhalen. Zijn romans daarentegen werden geprezen én verguisd. Cheever ontving onder andere de Pulitzer Prize for Fiction en de National Medal for Literature. Zijn roman Bullet Park verscheen in 1969. Een slechte recensie op de voorpagina van de New York Times Book Review verergerde Cheevers alcoholprobleem en bracht hem in een diep dal. Zijn volgende roman Falconer werd wel  lovend ontvangen. Het boek stond wekenlang op 1 in de New York Times Bestseller List. De Nederlandse vertaling van Bullet Park (1969) verscheen voor het eerst in 1980. In 2012 volgde een heruitgave door Van Gennep en deze druk werd door vertaler Guido Golüke volledig herzien.

    Bullet Park is een vreemd boek qua opbouw, perspectiefwisselingen en plot. Het doet misschien nog wel het meeste denken aan The Great Gatsby, als het gaat om het handhaven van jezelf in een droomwereld. Bullet Park is niet zo zeer een goede of mooie roman. Het laat zich eerder lezen als een analyse van en een kritiek op de Amerikaanse samenleving. Cheever laat doelbewust en vol ironie de achterkant van het leven in de buitenwijken zien. De keerzijde van de Amerikaanse droom. Er gebeurt vrij weinig, maar toch is het boek interessant om te lezen: het geeft de tijdsgeest van de jaren 60 weer en die blijkt nog heel wat raakvlakken met het heden te hebben.  Alleen al daarom was Bullet Park een heruitgave waard.

    Niets is wat het lijkt in de wijk Bullet Park. Hoofdpersoon Elliot Nailles is vreselijk gelukkig en de verbetenheid die hij daarin tentoonspreidt is bijna angstaanjagend. ‘Nailles zag pijn en lijden als een vorstendom ergens achter de wettige grenzen van West-Europa.’ En het was absoluut niet ‘de bedoeling dat hij daarheen reisde…’ Niet alleen Nailles leidt een perfect modelbestaan, datzelfde geldt voor zijn buren en vrienden. Maar stukje bij beetje komen hun werkelijke levens aan het licht, al doet de hele buurt angstvallig zijn best om alleen het goede te zien en alle barstjes in het dunne laagje vernis weg te poetsen.

    De opbouw van het boek is curieus. Het is verdeeld in drie delen. In het eerste deel staat Elliot Nailles centraal, in het tweede deel zijn tegenpool Paul Hammer. In het derde deel komen beide verhaallijnen samen, al overlappen ze elkaar soms al in de eerste twee delen. Cheever wisselt snel en bijna onopgemerkt, ook binnen de delen, van tijd en perspectief en dat maakt dat de lezer in het begin even moet wennen en misschien wat moeilijk in het verhaal komt. Het boek begint met een scène in de derde persoon verleden tijd, maar loopt bijna onopgemerkt over naar een vertelwijze in de eerste persoon tegenwoordige tijd. Dit wordt vaak in het boek toegepast: tijden en perspectieven wisselen elkaar continu af. Toch stoort dit niet, deze overgangen gaan vloeiend in elkaar over. Maar als lezer word je wel af en toe op het verkeerde been gezet.

    In het eerste deel doet Nailles dus hardnekkig zijn best om gelukkig te zijn (en te lijken). Hij ziet ook in anderen niets dan het goede. ‘Hij ging er bij alle mannen en vrouwen van uit dat ze eerlijk en oprecht, betrouwbaar en gelukkig waren en werd vaak verrast en teleurgesteld.’ Het eerste scheurtje in het geluk van Nailles komt aan de oppervlakte als zijn zoon Tony niet meer op wil staan. ‘Ik hou van de wereld. Ik voel me alleen gedeprimeerd, dat is alles,’ verklaart Tony die weken in bed blijft. Nailles wil er niet aan dat er iets ergs aan de hand is en houdt hardnekkig vol dat zijn zoon de Ziekte van Pfeiffer heeft. Flashbacks laten het leven van de familie Nailles vóór Tony’s ziekte zien. Het leventje van Nailles gaat zijn gangetje (in het heden en verleden), al is er af en toe wat turbulentie die haastig wordt weggepoetst. Een humoristische scène ontstaat als Tony een oudere weduwe met wie hij naar bed is geweest uitnodigt voor een gezinslunch. Zijn ouders zijn in shock als ze er achter komen dat dit serpent hun onschuldige 17-jarige zoon verleid heeft. Hoe komt deze lunch ooit nog goed, vraag je je af. De oplossing is heel simpel. Ze spelen gewoon het spel ‘ik heb mijn grootmoeders koffer gepakt’. Dat deden ze immers ook altijd toen Tony klein was en ‘het allemaal niet zo goed ging.’ En zo wordt de lunch uitgezeten en is het gezin na afloop weer net zo gelukkig als daarvoor. Nailles’ leven kabbelt verder naar de scène die duidelijk maakt waarom Tony in bed blijft liggen en wat de rol van Nailles daarin is. De gemoederen lopen hoog op op het golfveld. ‘Ik kon maar niet begrijpen hoe mijn enige zoon, van wie ik meer hou dan van wat dan ook ter wereld, me zover kon krijgen dat ik hem wilde vermoorden.’ Hier zitten we dus duidelijk weer in het ik-perspectief.

    In deel 2 schakelt Cheever over naar Paul Hammer, al kan ook hier het perspectief zo maar switchen naar Nailles, of iemand anders. In tegenstelling tot het geluk van Nailles, zwelgt Hammer in zijn ongeluk. Hij is een onecht kind met een afwezige vader en een moeder die volledig op gaat in haar eigen excentriciteit. Zijn oma voedt hem vanaf zijn zesde op en haar eerste daad is hem zijn onechte naam afnemen. Voortaan heet hij Hammer, omdat er toevallig een man met een hamer langs liep. Hammer is vreselijk eenzaam, maar koestert dit gevoel ook. Hij ontdekt dat bastaards een bedreiging voor de geordende samenleving vormen en buit dit uit. Na een rusteloze zwerftocht over de wereld bezoekt hij zijn moeder. In een van hun spaarzame gesprekken brengt zij hem op het idee om ‘de wereld wakker te schudden’. Paul Hammer strijkt kort daarna, inmiddels getrouwd, neer in Bullet Park waar hij uiterlijk net zo perfect probeert te zijn als zijn buren. Maar hier in Bullet Park zal hij zijn morbide plan om de wereld te veranderen uitvoeren. Het is toeval dat hij daarvoor zijn oog op Nailles als lijdend voorwerp laat vallen. ‘Er was die toevallige combinatie van onze namen en ik vond dat hij een prettig uiterlijk had.’ De eerste band ontstaat tussen beide mannen als zij getuigen zijn van de zelfmoord van een man die voor de trein springt. ‘Ze waren slechts kennissen maar het dodelijk ongeluk had hen in een intieme relatie gedreven.’ En ineens is de alwetende verteller weer aanwezig. Deel 3 telt slechts 19 van de 228 pagina’s van het boek en hier gebeurt eindelijk écht wat. En niet zomaar wat: razendsnel ontvouwt de plot zich. De ironie druipt van de pagina’s, vooral de bijtende laatste zin is gedenkwaardig. En dan is het boek, eigenlijk heel abrupt uit. Net als het verhaal begonnen is. Maar natuurlijk leefden ze nog nog lang en heel, heel gelukkig. Of toch niet?