• Het spel-element in onze cultuur

    Het spel-element in onze cultuur

    Hoe komt cultuur tot stand? Volgens de Nederlandse historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945) gebeurt dat ‘in’ en ‘als’ spel. Dat is de centrale boodschap van zijn bekende boek Homo ludens (de spelende mens) uit 1938, dit jaar opnieuw uitgegeven en toegelicht door Anton van der Lem. De rede die Huizinga in 1933 uitsprak op de 358ste ‘dies natalis’ van de Leidse Universiteit, getiteld ‘Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur’, geldt als voorloper van Homo ludens en staat eveneens in het boek afgedrukt. Die voorloper komt echter pas na de hoofdtekst, net als de wegwijzer, waardoor de lezer pas op pagina 332 ontdekt dat het eenieder vrij staat eerst de voorloper te lezen. Een wegwijzer met zo’n cruciale mededeling had natuurlijk beter voor in het boek opgenomen kunnen worden. Van der Lem geeft verder een korte, maar heldere biografische schets van Huizinga, beschrijft de totstandkoming van het boek (en van de Duitse en Engelse vertalingen), en Huizinga’s voorbeeldige reactie op de opkomst van het nationaal socialisme in Duitsland en in ons eigen land.

    Spel gaat vooraf aan cultuur: in archaïsche gemeenschappen komt cultuur op in spelvorm; cultuur wordt aanvankelijk gespeeld. Kunst, wetenschap en techniek vinden hun oorsprong in het spel. Dat ziet Huizinga terug in het recht dat nog steeds het karakter van een wedstrijd heeft: je moet je (doel)punt maken, er is een tegenpartij en een (scheids)rechter, en je kunt je zaak winnen of verliezen. De filosofie vindt eveneens haar oorsprong in het spel, zo betoogt Huizinga. De oude Grieken gaven elkaar raadsels op en in de dialogen van Plato komt Socrates als winnaar uit de woordenstrijd. Tegelijkertijd verschilt het spel van alle andere menselijke activiteiten: van alles kun je je afvragen waarom je iets doet, maar niet van het spel. Filosofische reflectie helpt niet: het team dat zich afvraagt of het niet raar is om met 22 man anderhalf uur achter een bal aan te hollen, zal de wedstrijd altijd verliezen.

    Het spel-element in de hedendaagse cultuur

    In het laatste hoofdstuk van Homo ludens gaat Huizinga in op het spel-element (bewust zo door hem gespeld) in de hedendaagse cultuur. Hier komen we het door hem gemunte begrip ludiek (dat in de mode kwam in het Provotijdperk) tegen in zijn vraag: ‘In hoeverre is de ludieke geest vaardig over de mens die die cultuur beleeft?’(pag. 275) Hij constateert dat sport steeds meer betekenis krijgt in de samenleving. Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw wordt het spel dan ook steeds serieuzer genomen: de regels worden strenger en gedetailleerder uitgewerkt; het komt de prestaties ten goede. De ontwikkeling van de professionele sport zorgt er echter voor dat het spel-element verloren gaat: ‘Het spel is verernstigd, de speelstemming is er min of meer uit geweken.’ (pag. 279) Huizinga concludeert: ‘In de moderne cultuur wordt nauwelijks meer “gespeeld” (…).’ (pag. 290) Maar cultuur kan zonder zeker spelgehalte niet bestaan en cultuur moet binnen bepaalde grenzen gespeeld worden omdat de spelbreker de cultuur zelf kapot maakt.

    Huizinga’s belangrijkste en in de huidige tijd nog steeds relevante waarschuwing gaat over propaganda. Die ‘werkt met de middelen tot hysterische massareacties, en is daarom, ook waar zij spelvormen aanneemt, niet als een moderne uiting van de spelgeest te aanvaarden, maar slechts als de vervalsing daarvan.’ (pag. 296). Een waarschuwing die hopelijk menig hedendaags politicus zich ter harte neemt.

    Hedendaags Nederlands

    Van der Lem heeft de tekst omgezet naar de hedendaagse spelling, maar laat de tekst verder zo veel mogelijk intact. De eerste zin van Homo ludens luidt daardoor: ‘Toen wij mensen niet zo verstandig bleken als een blijer eeuw in haar verering van de Rede ons gewaand had, heeft men als benaming van onze soort naast homo sapiens die van homo faber, de mensmaker, gesteld.’ Dat zal voor veel lezers te hoog gegrepen zijn en die leggen het boek teleurgesteld weer weg. Hoe het ook – en misschien wel beter – had gekund laat de Engelse vertaling zien waar iets meer wordt uitgelegd: ‘A HAPPIER age than ours once made bold to call our species by the name of Homo Sapiens. In the course of time we have come to realize that we are not so reasonable after all as the Eighteenth Century, with its worship of reason, and its naive optimism, thought us; hence modern fashion inclines to designate our species as Homo Sapiens: Man the Maker.’

    In deze uitgave van Homo ludens staan veel illustraties. Voor een hedendaags vooral visueel ingesteld lezerspubliek is die keuze goed te verdedigen. Bijzondere vermelding verdient de boekverzorging door Brigitte Slangen: die is voorbeeldig en past – door de klassieke uitstraling – perfect bij deze klassieke tekst.

     

     

  • Zelfmedelijden

    Zelfmedelijden

    Op zaterdag reisde ik met de trein via Deventer richting Vlissingen en weer terug om een broer te bezoeken. Eerder die week was ik een dag in Almere (God behoede me), daarna paste ik twee dagen op de tweeling kleindochters, mijn telefoon liet ik onderweg ergens liggen. Toen werd het moederdag. Er was geen spoor van moederviering (wat een onzin, daar doe je toch niet aan, moederdag) te bespeuren. Buiten guurde een koude wind en ik, de gekwelde moeder bleef in bed, verlangend naar een boeket blauwe Delphiniums en rode Pioenrozen.

    Goddank is er VPRO Boeken. De enthousiaste stem van schrijver Willem Otterspeer klinkt vanuit de op het bed liggende laptop. Otterspeer vertelt dat hij Herfsttij der middeleeuwen (een titel gelijk een boeket bloemen) voor het eerst zag in de bibliotheek op de middelbare school. Hij nam het uit de kast. De meester die het zag, zei: ‘Je mag het meenemen maar je gaat het toch niet begrijpen’. De meester had gelijk. ‘Ik begreep er niets van.’ Toen hij het later nog eens ging lezen, dacht hij het wel te begrijpen. ‘Maar’, zei Otterspeer bij VPRO Boeken: ‘Als je denkt dat je het begrepen hebt, heb je het nog niet begrepen.’ Kijk, daar veerde ik van op. Dat is nog eens een zegswijze die mij de oren doen spitsen en mijn brein prikkelt. Op slag vergat ik dat hele moederdag gedoe. Wie alles begrijpt, heeft niets meer te leren en kan zijn resterende dagen in bed doorbrengen. Zoals de grootouders in Sjakie en de Chocoladefabriek van Roald Dahl.

    Otterspeer spreekt zo gedreven over de historicus Johan Huizinga en het boek Herfsttij, dat ik het als een gemis ervaar dat ik het niet heb gelezen. Een boek dat als een vermenging van de geur van bloed en rozen omschreven wordt. Bloed voor de brute, ruwe kant van het leven, rozen voor de schoonheid van de kunsten en de geestelijke wereld. Huizinga en de tegenstellingen van het leven zelf. Volkeren worden uitgeroeid, kinderen leven onder erbarmelijke toestanden terwijl op hetzelfde moment de reparateur voor de afwasmachine gebeld wordt, er een feest te vieren is en we een reis voor de zomer plannen. Hoe dat kan, dat het leven doorgaat ondanks alles. Huizinga lezen lijkt opeens noodzaak.

    Otterspeer kan na de vijfde keer dat hij Herfsttij las nog niet zeggen dat hij het helemaal begreep. ‘Ik denk dat je iets pas echt begrijpt als je erover schrijft.’ En hij schreef het boekje De kleine Huizinga, een samenvatting van Herfsttij. Hij zei ook: ‘Als ik Huizinga lees raak ik zo enthousiast dat ik moet gaan lopen.’ Dat is zo waar, om iets te begrijpen is beweging nodig, het bed uit, de straat op, de wereld in, een boek kopen.
    Ik laat me eerst gidsen door De kleine Huizinga, dan door naar de grote.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over boeken als steunpilaren en over ontdekkingen in de marges van de literatuur.