• Droomtijd

    Zes is altijd een mooi getal geweest: zes concerti grossi van Händel, zes Brandenburgse concerten van Bach. En zes boekjes in een serie over ‘Religie en zingeving in literatuur en kunst’, naar de leeropdracht die Johan Goud van 1999-2015 vervulde aan de Universiteit Utrecht. Hij is ook de redacteur van deze serie.

    Al eerder verschenen bij een andere uitgever enkele soortgelijke boekjes als zogenaamde Uytenbogaertpublicaties, zoals Een vermoede God, over vijf mystieke denkers, en Een verbeelde God, over dertien literaire onderwerpen. De namen van enkele auteurs komen terug in het laatste van de zes deeltjes dat recent bij Klement verscheen. Maar het gaat me hier primair om het gedachtengoed van hoogleraar en redacteur Goud zelf.

    Oratie
    In 2010 sprak hij zijn oratie uit, die werd gepubliceerd in Het leven volgens Arnon Grunberg: de wereld als poppenkast. Goud stelde zich daarin de vraag wat lezen eigenlijk is en hoe het uitwerkt. Aan de hand van – inderdaad – onder meer de boeken van Het leven volgens Arnon GrunbergGrunberg die hem ‘in verwarring achter’ lieten. Wanneer hij zo’n beetje op de helft van zijn oratie over ‘levensbeschouwelijk lezen’ komt te spreken, onderscheidt hij vijf aandachtspunten binnen het wetenschappelijk onderzoek daarnaar:

    1. Narratief onderzoek als ‘een combinatie van emperie, theorie, morele en levensbeschouwelijke intuïties’ naar ‘kleine verhalen’
    2. De zingevende functie van literatuur in het verlengde van een artikel van Paul Ricoeur: Du texte à l’action
    3. Literatuur en kunst ‘als bronnen van wereldbeschouwing’
    4. Lezen en kijken als vormen van moreel besef en morele reflectie
    5. Een effectieve uitoefening van publieke taken als academicus.

    Dat laatste heb ik een keer meegemaakt tijdens een interessante studiedag in Utrecht naar aanleiding van één van de boekjes. Wat ik in deze opsomming echter wel mis, zijn formele aandachtspunten met betrekking tot literaire bronnen. Maar dat is eigenlijk een beetje inherent aan het onderzoek van veel theologen en filosofen die zich met literatuur bezighouden.

    Afscheidscollege
    Gouds afscheidscollege is opgenomen in het laatste van de hiervoor genoemde serie van zes boekjes:Door woorden gekust Door woorden gekust. Talen van de liefde. Door deze tekst na de oratie te lezen, kunnen we kijken waar Goud gaandeweg zijn leeropdracht op uit is gekomen. En die uitkomst is ontroerend: het college gaat primair ‘over de liefde voor het lezen van fictie en poëzie en het liefhebben dat lezen als zodanig is.’ Lezen is niet langer vooral of louter verbijsterd achterblijven, zoals Goud overkwam na het lezen van Grunberg, maar het voegt ‘droomtijd’ toe: het lezen dat ons, volgens de filosoof Emmanuel Levinas, ‘uittilt boven de zorg om onszelf, boven het realisme en de politiek.’

    Goud neemt als voorbeeld een gedicht van Paul Celan: Kenotaph (Cenotaaf). Een gedicht dat volgens hem ‘verslag doet van de vreemde ontmoeting tussen de dichter en zijn lezer, tussen de afwezige en de vreemdeling.’ Het gedicht voert hem terug naar – en dat kan niet missen – Arnon Grunberg, die zoekt naar lezers die hem ‘de grondtoon, de basis, de aarde waaraan wij hopen iets vruchtbaars te onttrekken’ geven. Ook de schrijvers over wie de andere deeltjes in deze serie gaan, worden genoemd: Rutger Kopland, Willem Jan Otten en Oek de Jong.
    Goud sluit af met een gedicht van Leo Vroman: ‘Voor wie dit leest’ en komt tot de slotsom dat het aankomt op het bewandelen van omwegen. Droomtijd is zo’n omweg. Al mogen de vijf taken die hij in zijn oratie noemde er wat mij betreft best op één of andere manier in mee-resoneren. En mag ook gezegd zijn dat je daarnaast, of soms primair, volop kunt genieten van de taal van poëzie en de vormgeving ervan op zich.

     

    Door woorden gekust. Talen van de liefde
    Redactie: Johan Goud
    Verschenen bij: Uitgeverij Klement
    ISBN: 978 90 8687 166 7
    Prijs: € 19,95

  • Symposium: Levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van Rutger Kopland

    Symposium: Levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van Rutger Kopland

    Op Sint Maarten, de elfde van de elfde in het jaar elf werd in het Academiegebouw in Utrecht het symposium Onze vluchtige plek van de waarheid gehouden. Een dag gewijd aan levensbeschouwelijke aspecten uit het werk van de dichter Rutger Kopland.

    Wat hebben Sint Maarten en Kopland met elkaar gemeen? Sint Maarten heeft net als Kopland ook een andere naam: Sint Martinus. Hij is beschermheilige van de stad Utrecht, maar ook van Groningen, waar de dichter Rutger Kopland, pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker, van 1981 tot 1995 hoogleraar biologische psychiatrie was.
    Toen Martinus in het jaar 371 tot bisschop van Tours werd gekozen verborg hij zich, zo gaat de overlevering, in een ganzenhok omdat hij zich die roeping niet waardig achtte. Het gegak van de ganzen verried hem waarna hij alsnog tot bisschop werd gewijd.
    Kopland schreef een gedicht getiteld Ganzen met de versregel: ‘godvergeten hoog hun dunne geschreeuw’. Het geschreeuw van deze vlucht hemelbestormers laat hij contrasteren met de existentiële verlatenheid van de mens.

    En terwijl de levensgeschiedenis van Sint Martinus op een muur  van de Domkerk staat afgebeeld, was Kopland op een steenworp afstand daarvan in de Aula van het Academiegebouw in levende lijve aanwezig om geëerd te worden door wetenschappers en andere belangstellenden.
    Er zijn tijden geweest dat Rudi van den Hoofdakker niet graag had dat hij dichter-psychiater werd genoemd. ‘Het leek wel of er sprake was van een aan-uit-knop van den Hoofdakker-Kopland’ merkte Bram Bakker, eveneens psychiater en schrijver, hierover ooit op. Van den Hoofdakker voelde niks voor mengsels als dichterlijk psychiater of  psychiatrisch dichter. Hij wenste zijn twee ‘ambachten‘ zoals hij ze noemde, strikt gescheiden te houden ten bate van anderen en ten bate van zichzelf. Die strikte scheiding was tot zijn emeritaat als hoogleraar in 1995 ongetwijfeld nuttig. Daarna werd hem in 1999 en in 2000 door respectievelijk de Universiteit voor Humanistiek en de Universiteit Utrecht tweemaal een eredoctoraat uitgereikt voor zijn gehele oeuvre. Deze feestelijke dag was opnieuw een lofzang in stereo: hij werd eervol toegesproken als dichter, als psychiater maar ook als belangrijk vertegenwoordiger van beide werelden tegelijk.

    Het programma begon met een een stuk uit Die Kunst der Fuge van Bach, gespeeld door Jaap Jan Steensma op het orgel van de Aula. Geen toeval uiteraard, want Kopland schreef zelf een cyclus van vijf gedichten die hij die Kunst der Fuge noemde en die net als Bach’s muziek, variaties in taal bevat op thema’s als vluchten, dwalen, herinneren, verdwijnen.
    Na de orgelklanken werden enkele gedichten van Kopland uit deze cyclus voorgedragen door Frederiek Muller. En zo zaten we al snel in het hart van het werk van Kopland.

    Johan Goud, hoogleraar Religie en zingeving in literatuur en kunst en initiatiefnemer van deze dag, sprak een inleiding uit getiteld ‘Verdwalen, dwalen en zwerven’ over mystiek en nauwkeurigheid in het oeuvre van Kopland. Goud is bevriend met Kopland en zeer vertrouwd met zijn oeuvre. Terwijl in Kopland’s gedichten telkens de eindigheidsvragen worden opgeworpen is God ‘gecompliceerd afwezig’ in diens werk, stelde Goud. Hij typeerde het werk van Kopland aan de hand van het begrip ‘Genauigkeit’. Een term van de schrijver Robert Musil die duidt op een vorm van nauwkeurig bekijken, beluisteren en onderzoeken van nieuwe gebieden maar zonder de intentie de opgedane ervaring direct vast te leggen in nieuwe kennis. Kopland’s oeuvre kritiseert net als Musil de tegenstelling tussen observatie en participatie, tussen ordening en irrationaliteit en tussen ratio en mystiek.
    Goud schetste hierna een drieledig profiel van de dichter: Kopland als onbevangen kijker, als sterfelijk verzoener en als wijzer naar een onbegrepen wereld. Langs deze lijnen wordt telkens een zelfde zoektocht verwoord, namelijk naar het moment waarop herinnering en verlangen samenvallen. ‘Voor het verdwijnt leeft men er in herinnering en verlangen naartoe en daarna is er niets meer’, citeerde Goud de dichter.

    De bijdrage van Marjoleine de Vos, neerlandica, dichteres en redacteur van NRC Handelsblad, was gewijd aan het thema terugkeren en de onmogelijkheid daarvan in het oeuvre van Kopland.
    Zij besprak het gedicht Winter van Breughel, de heuvel met jagers een gedicht dat Kopland schreef geïnspireerd door het schilderij van Pieter Breughel de Oude uit 1565. Op het schilderij staat een groep jagers in de sneeuw. Ze kijken samen met hun roedel honden naar een dorp dat beneden aan de heuvel ligt. De strofe over deze thuiskomst ‘Een terugkeer, maar bijna zo / langzaam als stilstand’ is een constante in het werk van Kopland volgens De Vos. ‘Waar zou je naar terug willen keren?’ Naar huis, waar je gelukkig was, voorgoed. Religie leeft van dat verlangen stelde De Vos. Maar dat verlangen naar voorgoed gelukkig zijn wordt telkens gekeerd, want alleen in het voorbijgaan is het leven, weten we. De dichter Jorge Luis Borges verwoordde dit als volgt: ‘Er zijn geen andere paradijzen dan verloren paradijzen’.
    In een fraaie verdichte vorm cirkelde zij rondom de thematiek van de tijdelijkheid van een plek die je dierbaar is, maar die je niet toebehoort. Dit komt veelvuldig terug in Kopland’s gedichten, of ze nu over zijn geboortegrond Twente gaan of over een Indianen-opperhoofd dat spreekt over de onmogelijkheid van grondbezit. De mens, eenzaam met zijn woorden die het onverschillige universum en de onvermijdelijke eindigheid niet kunnen veranderen. Dit pijnlijke besef werd door Kopland bij de dood van zijn trouwe huisdier ooit zo verwoord: ‘De hond is nergens meer, iedere dag’.
    De Vos eindigde met de stelling dat een gedicht soms geen belang heeft bij andere woorden. Toch waren haar woorden middenin de roos.

    Stefaan Evenepoel, was de derde spreker die het zuiver hield bij het dichterschap van Kopland. Evenepoel, docent aan de Universiteit van Gent, sprak over de formuleringen en de meerduidige interpretatie die Kopland’s gedichten toelaten. Hij fileerde onder meer het gedicht ‘Aan een vijver’ waarin geluk, weemoed, eenzaamheid, en melancholie over elkaar heen buitelen. Vaak is bij Kopland sprake van het omkeren van paradoxen;  het aan elkaar koppelen van tegengestelde betekenissen, waardoor de lezer uiteindelijk achterblijft in de mist.
    Evenepoel stond ook stil bij de humor van Kopland als ‘patafysicus’. Een patafysicus parodieert wetenschappelijke kennis en  maakt er iets absurds van. Hij kiest niet, maar laat meerdere mogelijkheden open waardoor betekenissen zich laten verdubbelen. Dat kan lachwekkende spanning en soms zelfs duizeligheid veroorzaken.

    Ben Peperkamp, hoogleraar Moderne Letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam sprak over de wetenschappelijke en psychiatrische aspecten van Kopland’s werk en verbond daarmee het werk van de psychiater en de dichter.  De essays van Kopland met kritiek op het ‘vraatzuchtig reductionistische’ mensbeeld van zijn medische vakbroeders en –zusters  komt terug in het gedicht Chemie van de ziel. In dit gedicht wordt voelbaar gemaakt dat zoiets als een gelukkige herinnering niet teruggevonden kan worden in moleculen of in wetenschappelijk formules.

    Harry Kunneman, hoogleraar Sociale en Politieke Theorie aan de Universiteit voor Humanistiek had het zelfs over Rudi Kopland, een samentrekking van de naam van de psychiater en de dichter en ziet in zowel zijn gedichten als in zijn wetenschappelijke werk de pijnlijke ontnuchteringen van ons huidige vooruitgangsgeloof weerspiegeld. Dat vooruitgangsgeloof noemde hij ‘ziende blind en moreel kippig’. Onze tijd kent twee menselijke vluchtwegen: de religieuze ‘naar boven’ en de technische wetenschappelijke, de ‘vlucht naar voren’ maar feitelijk moeten we het zien uit te houden in ‘de moerassigheid van het bestaan’. Die dient zich volgens Kunneman aan in de vorm van relationele, existentiële en fysieke onzekerheid door een onvermijdelijk tekortschieten van kennis en een gebrek aan bestendigheid. In het moeras speelt vaak de vraag: is dit een boomstam of een krokodil?  Omdat we er ons in tegenstelling tot de baron van Münchhausen niet uit kunnen trekken, zullen we er moeten aarden.
    De grote verdienste van Rudi Kopland’s humanisme is volgens Kunneman dat hij onze ‘geestesziekten’ beziet met een onbevangen en empatische blik.

    Die empatische blik werd direct geproblematiseerd door Arnon Grunberg in zijn lezing. Grunberg liet de poëzie van Kopland voor wat zij was en haakte in op het essay De mens als speelgoed  uit 1995.  In dit essay bekritiseerde Van den Hoofdakker ondermeer zijn biomedische collega René Kahn (UMC) die wel schrijft over hersenen en hormonen maar die zodra het over hersenen en gedrag gaat, de mens verdinglijkt en hem gaat behandelen als ware hij een kapotte speelgoedauto. Kortom, menselijk ellende wordt teruggebracht tot farmacologische manipuleerbare gedragsvormen en daartegen keerde Van den Hoofdakker zich al in dat essay en Grunberg met hem. Ook had Van den Hoofdakker, in navolging van Freud, empathie, een term afkomstig uit de esthetica van de filosoof  Theodor Lipps, in wezen goed noch slecht genoemd. Pharmaceutica zou je dus empathie in tabletvorm kunnen noemen.

    Grunberg stelde vervolgens dat empathie als neutraliteit wel eens tot ons zou mogen doordringen aangezien humanisten en christenen dit tot een van hun belangrijkste afgoden hebben gemaakt.
    Freud’s vinding was dat ‘de eenheid van het ik een precaire aangelegenheid’ is. Dat ‘ik’ krijgt onophoudelijk te maken krijgt met tegenstrijdige verlangens en verboden. Grunberg vermenigvuldigde dat probleem door daarbij ook nog eens de vaak onuitgesproken normen van de omgeving  te betrekken en kwam met verrassende vondsten.
    Normaal gedrag is assimilatie, is een overlevingsstrategie, stelde hij. En vrijheid kan worden begrepen als de mogelijkheid om gedragsbeïnvloeding door bijvoorbeeld psychiaters, af en toe succesvol te weerstaan. Sterker nog: wij zijn buiksprekers die weer door ander buiksprekers in bedwang worden gehouden. Wellicht is de enige manier om het uit te houden in dit leven juist door alles als een spel op te vatten. ‘We zijn dus wel degelijk speelgoed’ was Grunbergs tegenspel aan Van den Hoofdakker. Soms moeten we aan anderen vragen: ‘Maak me alstublieft niet kapot. Andere mensen willen ook nog met me spelen’.

    Aan het einde van het programma kwam Kopland zelf het podium op en las nog zeven gedichten voor. Zijn eigen gedichten over de grazige weiden van psalm 23, over verlies, de dood  het hiernamaals. Daar stond een krachtige maar broze man. Misschien mogen we hem wel een moderne schutspatroon van de herinnering en het verlangen noemen.

    Kopland kreeg een staande ovatie en hief de bloemen die hij net in ontvangst had genomen hoog in de lucht.

    In 2012 verschijnt bij uitgeverij Klement de bundel Het leven volgens Rutger Kopland, Onze vluchtige plek van de waarheid. Hierin zijn de bijdragen van alle sprekers opgenomen, naast een uit 1996 daterend interview van Johan Goud met Rutger Kopland. Daarnaast  zijn gedichten van Kopland toegevoegd, die geïnterpreteerd en van commentaar voorzien zijn door o.a. Tom van Deel en Jaap Goedegebuure.