• Oogst week 37 – 2023

    De kolonel slaapt niet

    Emilienne Malfatto (1989) betekent letterlijk: ‘Uit duizenden’ en ‘slecht gedaan’. Toch excelleert zij tot nu toe voortdurend. Zowel haar journaalfoto’s als schrijfwerk wordt alom geprezen. Als oorlogscorrespondent in onder andere Irak schreef zij voor The Washington Post en The New York Times. Haar debuutroman Que sur toi se lamente le Tigre leverde haar Le Prix Goncourt Premier op: de beste debuutroman van Frankrijk. Ook haar tweede roman – Le colonel ne dort pas – verdiende een Franse prijs: die van de beste tweede roman. Benefatto!

    De kolonel slaapt niet, vertaald door Martine Woudt, gaat over een woeste oorlog die legercommandanten de slaap ontneemt. De vertelling focust zich op drie mannen: een kolonel, een generaal en een ordonnans. Vanuit haar ervaring in oorlogsgebied zet Malfatto haar karakters en decor geloofwaardig neer. Zo wakker als de hoofdpersonen zijn uit gewetenswroeging, zo alert registreert Malfatto onrecht. Dit doet zij met impressionistische toets: een stilistisch contrast met de wreedheden, begaan door het slapeloze drietal. Lezen dus, maar liever niet vlak voor het slapengaan…

     

    De kolonel slaapt niet
    Auteur: Émilienne Malfatto
    Uitgeverij: Cossee

    Nu we er toch zijn

    Alles uit Deventer ademt literatuur. Dit geldt ook voor Erwin Hurenkamp (1993). En nu we daar toch zijn: Hurenkamps debuutbundel luidt Nu we er toch zijn. Op Hard//Hoofd valt te lezen dat hij een vrij letterlijke broodschrijver is: hij werkt in Amsterdam bij een Franse bakkerij. Editio’s Debutantenschrijfwedstrijd heeft hij in 2021 gewonnen, hetgeen hem er vast toe inspireert door te gaan.

    Zelf heeft hij echter niks met inspiratie: ‘Voor mij ontstaat een tekst meer vanuit een spelletje, vanuit het oeverloos combineren van woorden, beelden en ideeën.’ Toch lijkt Nu we er toch zijn hoger in te zetten dan een simpel spelletje. Verwijzingen naar de Bijbel én kritiek op haar – Genesis, Agnus Dei, Koolstof, Kyrie en Credo – lijken maar op één ding te anticiperen: een kleine bundel over de grote geschiedenis. Het is afwachten hoe biologie, geloofskritiek, natuurkunde, scheikunde én poëzie een coherent geheel vormen.

    Nu we er toch zijn
    Auteur: Erwin Hurenkamp
    Uitgeverij: Querido

    Lessen van King

    In vijf jaar tijd wordt Martin Luther King hét gezicht van de Amerikaanse Civil Rights Movement. Tussen 1963 en ’68 (het jaar waarin hij vermoord wordt) brengt de dominee een raciale verbroedering teweeg van wereldse proporties. Zestig jaar na zijn gedroomde speech blijkt echter dat we nog een wereld te winnen hebben. Lessen van King, coproductie van Peter Sierksma, Johan Fretz en Harcourt Klinefelter, vat Kings koninklijke nalatenschap samen. Het driekoppige doorgeefluik bevestigt in elk geval deze les van de predikant: ‘You can kill the dreamer, not the dream.’

    Harcourt Klinefelter, Kings persvoorlichter én sinds 1972 wonend in Nederland, heeft het icoon van dichtbij meegemaakt. Naar het credo ‘what would Martin do?’ zet hij zich onder meer in voor Black Lives Matter en Extinction Rebellion. Hij kiest de thema’s waarover amerikanist en journalist Peter Sierksma zich buigt: De lessen van King. Enerzijds is het natuurlijk prachtig dat Martin Luther King tot op heden miljoenen mensen weet te inspireren. Anderzijds blijft het onverteerbaar dat zijn oproep tot geweldloos verzet nog altijd actueel is. Onrecht, het verdwijnt niet zomaar.

    Lessen van King
    Auteur: Peter Sierksma, Johan Fretz, Harcourt Klinefelter
    Uitgeverij: Uitgeverij Pluim
  • Feel-good

    Feel-good

    Alsof je bij de ik-figuur aan de keukentafel zit. Je krijgt van hem een glas orgeade en zijn moeder snijdt de manja in stukken. Ze kletsen, kwebbelen, het is gezellig. Een sympathieke man, hij vertelt graag en op een luchtige toon. Zijn moeder praat er voortdurend dwars doorheen.

    Onder de paramariboom is de tweede roman van Johan Fretz (1985). Eerder verscheen Fretz 2050, dat genomineerd werd voor de Bronzen Uil. Behalve schrijver is Fretz cabaretier en columnist.
    In een reis van acht dagen, die begint met een landing op het vliegveld van Paramaribo, gaat de ik-figuur Johannes op zoek naar waar hij vandaan komt. Hij is geboren in Dordrecht, zijn moeder in Paramaribo. Het verhaal wordt afgewisseld met flash backs over de jeugd van Johannes, zijn eigenzinnige vader en zijn (over)enthousiaste moeder.
    Zij heeft hem al vaak gevraagd om met haar naar Suriname te gaan. Toen zij elf jaar was vertrok ze en is er nooit terug geweest. Om Johannes te overtuigen van het belang van de reis, liet ze hem gedichten van zijn grootvader lezen.
    Surinamers! Dat zijn wij!
    Surinamers overal waar jullie zijn
    Surinamers blijven jullie voor eeuwig
    Wij zijn Surinamers
    Een uitnodiging om in Paramaribo een lezing te houden geeft Johannes het definitieve zetje. Na drie dagen zal zijn moeder hem nareizen.

    Al direct na aankomst merkt hij dat er iets met zijn lijf gebeurt. ‘Hoe komt het dat ik zo fris en soepel door de straten zweef?’ Zijn lijf voelt zich direct thuis, terwijl zijn hoofd nog ‘op bezoek is’.
    Je leert hem kennen als een sympathieke, bij vlagen ontwapenende man. Hij stelt zich voortdurend de vraag: Beweeg ik weg van het verleden (wat hij tot nu toe gedaan heeft) of accepteer ik waar ik vandaan kom?
    Een jonge vrouw, die een Nederlandse vader en een Hongaarse moeder heeft, vraagt hem op het terras van zijn hotel of hij zich bewust is van zijn kleur. ‘Ik wil volmondig zeggen van niet,’ denkt Johannes, ‘zoals ik dat altijd heb gedaan, maar ik voel een  nieuwe weerstand. Er is iets in gang gezet en ik kan het niet stoppen, maar ik wil […]dat alles bij het oude blijft – geen kleur zien, geen kleur hebben, althans geen kleur die ertoe doet.’
    Op de derde dag landt het vliegtuig met zijn moeder. Bij de douane roept ze: ‘Dag volk, daar ben ik dan’. Als ze elkaar begroeten voelt Johannes dat het anders is. Het is de eerste omhelzing op haar grond, zijn grond.
    Fretz vertelt met een lichte toon, soms babbelend, af en toe geestig maar met veel zijpaden. Je leest in een feel-good boek waarbij je sympathie voelt voor de ik-figuur maar zijn verhaal dat blijft op afstand.

    Zijn moeder heeft een duidelijk doel voor ogen, in haar tas zit een doosje met daarin zijn navelstreng. Ze begraven die samen, in de tuin van het huis waar zij geboren is, onder een boom. ‘Dag navel van Johannes, mogen de wormen je niet vinden.’ En zo verweeft Fretz de zoektocht naar identiteit met een verhaal over moeder en zoon. Hij vertelt over de crises in het huwelijk van Johannes’ ouders, hun tijdelijke scheiding en de fase waarin de moeder geestelijk de weg kwijt raakte. In deze verdrietige passages verandert Fretz niet of nauwelijks van toon. Ook bij treurnis is ‘feel-good’ zijn kenmerk. En ondanks die sympathieke jonge man, word je als lezer niet geraakt door wat hij vertelt.

    Gedachten over zijn etniciteit en identiteit zijn in gesprekken en mijmeringen de rode draad. Zijn moeder zegt tegen Johannes dat hij het woord ‘halfbloed’ niet meer moet zeggen. ‘Het stamt uit de slaventijd. Het betekent half bloed […] en half bloed betekent half mens.’ ‘Dubbelbloed’ is volgens zijn moeder het juiste woord. Johannes proeft dat woord, herhaalt het en belooft zijn moeder dat voortaan te gebruiken. En als ze even later, met haar zus erbij, zingen (‘Johannes, niet met die keurige Hollandse stem van je, ik wil de Surinamer horen.’) moedigt zijn moeder hem aan: ‘…zing zwarter! Er woont in jou een neger.’ En direct daarna corrigeert ze zichzelf: het woord ‘neger’ mag je niet meer gebruiken. ‘Maar,’ zegt ze, ‘het is wel waar, er woont in jou een neger.’ En zo neemt, in het laatste gedeelte van het verhaal, de moeder de leiding in de zoektocht van haar zoon.

    Alhoewel de verhouding tussen moeder en zoon aan het eind van Onder de paramariboom liefdevol geschetst is en, voor het eerst in het verhaal, een gevoel van intensiteit oproept, overheerst de luchtige terloopse verteltrant. Met een dergelijk onderwerp is dat niet onaangenaam, maar de zelfrelativering van de ik-figuur, een teveel aan zijpaden en anekdotes maken een gezellige verteltrant nog niet tot een overtuigend boek.

     

  • Debatavond in De Balie over 'Generatie IK LIT. Schrijven is hip!'

    Agenda

    Jonge schrijvers trekken zich niets aan van de crisis in de boekenbranche; publiceren willen ze. En uitgevers ontketenen een ware hausse door  jonge debutanten als popsterren te lanceren. En is het zo dat schrijven, het schrijverschap, voorleesavonden en boekenclubjes hip zijn?

    Wie zijn deze jonge schrijvers, waar schrijven ze over en representeren zij de stem van hun generatie? Zijn het rolmodellen, smaakmakers, rebellen of is er slechts sprake van een klein groepje Amsterdamse hipsters die enkel en alleen voor hun eigen peergroup schrijven?

    Het merendeel van deze debuutromans lijkt een afspiegeling te zijn van het privéleven van de jonge schrijver. Is dit ook meteen  typerend voor Generatie IK: een generatie die alleen maar over zichzelf  kan schrijven? Betekent het een gebrek aan visie, engagement en maatschappelijke betrokkenheid ? Of leidt de enorme preoccupatie met de IK tot een over zelfbewustzijn en zelfrelativering die de durf en bravoure  om een groter verhaal te vertellen bij voorbaat nekt?

    Tijdens deze avond gaan we in debat met jonge schrijvers, uitgevers, fans en criticasters. Met Johan Fretz, Maurice Seleky, Wytske Versteeg, Joost de Vries en Olga Kortz.

     

    Debatavond in De Balie
    do. 21 februari
    aanvang: 20.00 uur
    Tickets