• Een beetje

    Een beetje

    Er is een kamer van drie- bij drie en een halve meter vrijgekomen. Een nieuwe kamer moet passend gemaakt worden, gelijk een nieuwe jas. Wennen aan de stugheid van de stof, de mogelijkheden, het gewicht ervan op je schouders. De muren van het kamertje zijn lichtblauw en wit, de vloer met kurk belegd. Ik zet een tafel en een stoel midden in het kamertje, sluit de deur. Laat het een beetje koud, maak er geen te leuk kamertje van. Schuif de tafel tegen de muur. Plaats een tweede tafeltje in de hoek naast het smalle raam, uitzicht op blinde muur. Houd het hoofd koel, pot met bloemen mag. Een laag ladekastje komt aan de andere kant van het raam. Plant erop, papier, boeken ernaast. Een waterkoker in de vensterbank. Er is nog een fauteuil, om in te lezen, of gewoon, lekker te zitten, (Stop!, dat zouden we niet doen). Loop de trap af, naar buiten, lucht, ruimte, kom terug. Haal ladekastje, plant, boeken, waterkoker, stoel, schrijfsels, kaarsen en dergelijke uit het kamertje. Begin opnieuw. Zet de tafel in het midden, stapel boeken en schriften tot stahoogte, laptop erbovenop. Koester de leegte.

    Wat me bijblijft na het lezen van het boek Salinger, de documentaire in boekvorm, is het belang dat hij hecht aan afzondering. Hij bouwde een bunker in zijn tuin, weerde alle media. Je kunt het overdrijven, maar alleen zijn is een vergeten goed. We zoeken elkaar op, kijken Netflix, checken doorlopend de mailbox, social media, onze staat van zijn. Een lege kamer is een goed tegenwicht.
    ‘Het ergste dat het kunstenaarschap voor u zou kunnen betekenen is dat het u de hele tijd een beetje ongelukkig maakt.’ laat Salinger de kunstdocent in het verhaal ‘De Daumier-Smith’ grijze periode’ zeggen. Daarna las ik het egodocument, Mijn jaar met Salinger van Joanna Rakoff, drie jaar na het overlijden van de schrijver gepubliceerd. Fans en nieuwsgierigen voelden zich voor de gek gehouden, ze hoopten iets over een liefdesrelatie met de schrijver te vernemen. Dat viel tegen.

    Wel kwam Rakoff te werken bij het literaire agentschap die de belangen van Salinger behartigde. Ze is dan drieëntwintig, net afgestudeerd, een van haar taken is de fanmail voor Salinger af te handelen. Ze had nog nooit iet van hem gelezen. In dat jaar leert ze zijn werk, de invloed van zijn werk kennen, het was haar jaar met Salinger. Goed geschreven ook.

    Soms krijgt ze Salinger aan de lijn. De eerste keer dat ze hem telefonisch sprak ging zo:
    ‘Met Jerry! riep de beller. ‘Met Joanna’, zei ik.
    ‘MET WIE SPREEK IK?’ vroeg hij. ‘Met Joanna,
     ik ben de nieuwe assistente,’ riep ik uit volle borst.
    ‘Aangenaam Suzanne, ik wil je  baas graag spreken.’ De bazin is er niet, Joanna vroeg of hij maandag teruggebeld wil worden. ‘Maandag is goed,’ zei hij. ‘Nou, heel aangenaam kennis met je te maken, Suzanne. Ik hoop dat we elkaar een keer zullen ontmoeten.’
    Hij klinkt als een bijzonder aardig man, geweldig schrijver van intens trieste verhalen.

     

    Citaat uit: Negen verhalen / J.D. Salinger.


    Inge Meijer is een pseudoniem, blijft thuis, zoekt verhalen.

     

     

  • Een anatomie van verlies

    Een anatomie van verlies

    Het gaat alleen maar over Salinger’. Dat zijn de woorden waarmee Joanna Rakoff Mijn jaar met Salinger afsluit. Maar niets is minder waar. Meer dan Salinger staat Rakoff zelf centraal in deze coming of age roman. Haar jaar met Salinger toont vooral haar eigen ontwikkeling van schoolmeisje tot jonge vrouw.

    Rakoff begint haar jaar met Salinger met een garderobe bestaande uit ruitjesrokken en instappers. Volgens haar moeder in New York anno de jaren negentig dé sleutels tot succes voor een pas afgestudeerde jonge dame die het wil maken. En succes is wat Rakoff najaagt. Ze heeft er na haar studie zelfs haar universiteitsvriendje voor verlaten en is naar New York getrokken om als schrijver door te breken.

    Zoals veel andere jonge vrouwen hoopt ze haar schrijverscarrière een kick-start te geven door bij een literair agentschap te gaan werken. En dat lukt: ze wordt snel aangenomen bij het Agentschap, een niet nader omschreven maar gerenommeerd agentschap dat de zakelijke belangen van vooral dode auteurs blijkt te regelen. En van een paar levende auteurs, waaronder J.D. Salinger, Jerry voor de intimi van het Agentschap. Salinger is de onbetwiste ster van het Agentschap, alhoewel hij sinds 1965 niets nieuws meer heeft gepubliceerd. Zijn belangen worden behartigd door de bazin van Rakoff, een wat chagrijnig doorrookte agent, die niet meer van deze tijd lijkt. Zoals overigens ook het agentschap zelf dat nogal Dickensiaans blijkt te zijn. Zo wordt alle correspondentie nog met typemachines afgehandeld en wordt de komst van de eerste computer door enkele vooruitstrevende collega’s gevierd als overwinning op het verleden.

    Rakoff vindt in het begin moeizaam haar weg bij het Agentschap, maar ontpopt zich uiteindelijk tot veelbelovende assistente, die haar baas schijnbaar moeiteloos vervangt als deze voor langere tijd is uitgeschakeld. En dat alles tegen de achtergrond van een groeiend contact met Salinger. In het begin is dat contact nog non-existent; Rakoff wordt niet geacht enig woord met hem te wisselen als hij belt, maar hem direct door te schakelen naar haar bazin. Maar langzamerhand krijgt ze contact met de gevierde schrijver, ook al blijft dat beperkt tot vriendelijkheden aan de telefoon en zijn interesse voor haar schrijversambities.

    Naast de directe contacten met Salinger ontstaat ook op een ander vlak een band met Salinger: Rakovv begint zich steeds meer met hem te vereenzelvigen. Dat is het gevolg van haar taak om zijn fanmail te beantwoorden. Eerst doet ze dat nog met de standaardafwijzingen, van het kaliber ‘dank u voor uw brief, maar de heer Salinger gaat niet op fanmail in’. Maar gaandeweg probeert ze in Salingers geest te antwoorden en worden haar brieven inhoudelijker.

    Toch is het vreemd dat Rakoff meent dat ze zich goed in Salinger kan inleven. Zo uitvoering zijn haar gesprekken met hem nou ook weer niet. En ze heeft nog nooit iets van hem gelezen, ook al stonden veel van zijn werken bij haar ouders in de kast. Er was iets dat haar ervan weerhield zijn boeken te lezen. Ze meende dat zijn werk aanstellerig en nostalgisch was, vol wonderkinderen die door New York slenterden. Een mening die ze later, toen ze in korte tijd het oeuvre van Salinger las, zou bijstellen. Uiteindelijk viel ze als een blok voor hem, in literaire zin dan welteverstaan: ‘Salinger leek in niets op wat ik gedacht had. In niets. Salinger was wreed. Wreed en grappig en nauwgezet. Ik hield van hem. Ik hield van alles.’

    Mijn jaar met Salinger biedt veel voor hen die geïnteresseerd zijn in het reilen en zeilen van een literair agentschap. Of in de ontwikkeling van een schoolmeisje tot zelfbewuste vrouw. Of voor de fans van Salinger. Het is vlot geschreven, vol leuke anekdotes en inkijkjes in de sterallures van een gevierde auteur én zijn hofhouding op het Agentschap. Hier en daar bevat het ook een uitglijder, vooral als Rakoff haar eigen leven en belevenissen op de voorgrond plaatst, vol kritiek op haar ouders en relatie. Het zijn onnodige passages die de titel van het boek geweld aan doen. Maar het zij haar vergeven, want er staan ook ontroerende passages in het boek, die het jaar dat ze beschrijft toch echt tot haar jaar met Salinger maken. Bijvoorbeeld als haar man haar dertien jaar later vertelt dat Salinger is overleden. Het emotioneert haar zeer, tot tranen toe. Het is het moment waarop Rakoff Salinger het dichtst nadert. Ze realiseert zich dat met het verscheiden van Salinger de wereld in rouw is, en zij met de wereld. ‘Om er nooit meer bovenop te komen,’ wat ook op en top des Salingers is. Want Salingers verhalen zijn – zo betoogt Rakoff  ‘stuk voor stuk anatomieën van verlies, elke vierkante centimeter, van begin tot eind.’ Wat uiteindelijk ook geldt voor Rakoffs boek. Ook dat is een anatomie van verlies. Van onschuldige idealen, vriendschappen en een inspirerend schrijver.