• Vrijdag 1 mei, de twaalfde sterfdag van J.J. Voskuil (1926-2008)

    Eenmalig bezoek van J.J. Voskuil in het programma De Plantage nadat het vijfde deel van Het bureau verschenen was. Kijk, luister en geniet, en voel je geroepen in deze tijden van ‘Blijf thuis’ Het Bureau te (her)lezen.

     

  • Boekhouding van verstreken tijd

    Boekhouding van verstreken tijd

    Frida Vogels is vertaler van Salvatore Satta, Primo Levi, Giacomo Debenedetti en Cesare Pavese, en woont sinds 1955 in Bologna, Italië. In 1954 begint ze op 24 jarige leeftijd een dagboek bij te houden. Dit blijft ze doen tot 1991. Parallel daaraan werkt ze aan haar autobiografische boek De harde kern. Toen dit boek af was, verviel daarmee de behoefte een dagboek bij te houden. Het meer dan zevenduizend pagina’s tellende dagboek was aanvankelijk niet bedoeld om openbaar te maken. Na herlezing besloot ze de dagboeken toch te bewerken voor publicatie. In mei 2005 verscheen het eerste deel (Dagboek 1954 – 1957) en nadien elk jaar een deel.
    En daar is nu een eind aan gekomen. Het 11e deel, Dagboek 1977 – 1978, dat oktober 2014 verscheen, is het laatste deel dat bij haar leven zal verschijnen.

    Dagboek 1977-1978 is voorzien van een voorwoord waarin Vogels verklaart dat ze het zichzelf en anderen niet kan aandoen de resterende vijf delen te publiceren. Gebeurtenissen uit begin jaren tachtig zijn te pijnlijk om openbaar te maken. Ze zegt hierover: ‘Ik heb er in ‘Met zijn drieën’, het derde en laatste deel van ‘De harde kern’, al over geschreven en wat daar staat is schokkend genoeg.’ Voor wie dan ook het tweede boek van De harde kern bij de hand heeft en leest vanaf blz. 474, begrijpt dat het opnieuw tot een breuk met haar broer, de belangrijkste persoon in haar leven, komt. Zelfs voor de lezer is het pijnlijk om hier getuige van te zijn. Op dit punt blijkt overigens dat het dagboek moeiteloos overgaat in de roman en vice versa.

    Het is er allemaal weer: de zwerfkatten (dit keer ook een hond die verzorging behoeft), het jaarlijkse verblijf in Amsterdam, de moeilijkheden en schuldgevoel in het tekort schieten  in contacten en relaties, het ziek en beroerd voelen achteraf. Toch maakt ze afspraken, ontvangt mensen thuis en schrijft brieven (die nogal eens niet verstuurd worden) met steeds de gedachte alles te kunnen afzeggen. Als er gebeld wordt doet ze niet open en denkt: ‘Dat mag ook wel eens onderzocht worden.’ Dat  het huishouden haar achtervolgt en de relatie met haar man Enzo steeds afstandelijker beleefd wordt, accepteert ze. Enzo heeft een vriendin, waar ze het beiden niet over hebben maar waar ze wel steeds aan denken moet. De stand van hun huwelijk na 20 jaar :

    ‘Moeilijkheden, ja, die hebben we natuurlijk. Ons huwelijk is niet eens een huwelijk. Maar wat het ook is, het is wel wat, en dat we elk een eigen leven hebben, rust op die gemeenschappelijke basis.’

    Tijd is een factor die ze op verschillende manieren beleeft. De tijd die ze niet kan schrijven aan haar boek of dagboek, benauwt haar. Als ze haar dagboek niet kan bijhouden, blijft haar dat achtervolgen. Dagboekschrijven is onmogelijk om bij te houden concludeert ze, maar: ‘Alles moet met zin en orde op papier worden gezet.’ Anders hoef je er niet aan te beginnen. Wat onaf blijft, daar kan ze later op ‘afgerekend’ worden. Tijd waarin je even niets om handen hebt is ‘ongemakkelijke tijd’. Ze noemt zichzelf boekhouder van de verstreken tijd. Waarbij ze zichzelf nog geregeld in de weg zit. Toch brengt het schrijven haar momenten van grote tevredenheid en geluk.
    Maar zo gauw ze haar gedachten naar buiten moet brengen, faalt ze. Zoals bij een meningsverschil tussen Enzo en een jongere collega die bij hen op bezoek is. Zij wil de jongere collega ondersteunen maar krijgt haar theorie, waarbij ze denkt aan Dante’s Inferno en aan een stuk van Primo Levi, niet ‘over het voetlicht’ gebracht. Er heerst een ernstige discrepantie tussen haar sterk theoretische binnenwereld en het falen van die theorieën zo gauw ze ze naar buiten probeert te brengen. Schrijven is voor haar de enige weg om zich te laten gelden. Om te laten zien wat ze waard is.

    In haar relatie tot haar jongere broer is er nog steeds een schuldig voelen, al kan ze niet benoemen waarom. Wel dat het daarom is dat ze een tweede deel van De harde kern, (Met zijn drieën) moest schrijven. Tegen het einde van dit dagboekdeel is er duidelijk sprake van een verhoogde spanning tussen hen beiden (een gepland reisje met hen beiden naar Siena gaat voor de zoveelste keer niet door). In de zomer van 1978 committeert ze zichzelf wederom tot het bijstaan van een familielid van Enzo. Nicht Marisa moet geopereerd worden. Dit betekent dagelijks uren aan het ziekbed zitten wat haar, zoals de keer dat ze dit voor haar schoonmoeder deed (Dagboek 1974 -1976), vreselijk opbreekt. Maar ook confronteert met haar eigen eigenaardigheden. Na uitvoerige beschrijvingen van het karakter ‘Marisa’:

    ‘Als dit alles bedoeld is als studie van een bepaalde, typisch vrouwelijke mentaliteit, dan is mijn eigen hevige irritatie erdoor ook nogal typerend. Sommige trekjes herken ik wel degelijk.’

    Door alles vast te leggen, uit te schrijven, te herschrijven, wordt voor haar het bestaan gerechtvaardigd. Alsof ze verantwoording moet afleggen voor dat bestaan. Hoewel het niets oplost en ze er geen ander mens van wordt. Maar: ‘Doen wat je kunt is het doel van het leven, geloof ik.’

    “Toen ik tegen Han (Voskuil) zei dat ik mijn boek nu rond had, zei hij ‘een boek schrijven is geen oplossing. Dat denk je aanvankelijk wel, maar het is niet zo. Het maakt je niet minder onzeker, niet minder gespannen. Maar je hoeft jezelf als je dat gedaan hebt niet meer te bewijzen, het geeft je een gevoel van ‘het is volbracht’. ‘Ja, zei ik, dat gevoel heb ik wel, al zou ik niet weten wat er nu volbracht is.”

    De afsluiting van dit 11e deel, getiteld Verslag met de linkerhand, (ze heeft haar rechter pols gebroken bij een val), was oorspronkelijk bedoeld als sluitstuk van haar dagboek. In die zin gebruikt ze het dan ook om Dagboek 1977 – 1978 mee af te sluiten. Daarvoor maakt ze een sprong in de tijd van december 1978 naar 26 april 1991 en stopt op 26 mei. Het moment waarop het eerste deel van De harde kern bij de uitgever ligt. Daarmee lijkt haar leven voltooid. ‘ (…) dat ik als mijn boek af is zelf een eind aan mijn leven mag maken als ik dat wil, dat ik niemand iets verschuldigd ben.’ En de cirkel is rond.

    Hoe meer je in haar dagboeken verdiept raakt, en zijdelings nog eens in De harde kern, besef je dat Vogels geen makkelijke persoon is om mee te leven, maar dat ze een fantastisch werk heeft gemaakt. Herlezing van haar werk geeft opnieuw dat uitzonderlijke gevoel getuige te mogen zijn van een zelfontleding die zijn weerga niet kent. Zoals ze zelf zei in het enige interview dat ze ooit gaf: ‘Zelf zou ik een dagboek als dit graag lezen.’ Wat voor haar reden was ze te publiceren. Dank daarvoor.

     

     

  • Dialoog van een huwelijk

    Dialoog van een huwelijk

    Het werk van J.J. Voskuil bestaat uit meer dan vijfduizend pagina’s waarin zijn eigen leven centraal staat. De roman Binnen de huid (voltooid in 1968 en postuum uitgegeven in 2009) gaat over een dieptepunt in zijn leven waarin hij bevangen raakt door een haast vernietigende verliefdheid op de vrouw van zijn vriend. Een semi-autobiografische roman waarin Voskuil voor het eerst de ik-vorm hanteert. Ook de onlangs verschenen roman De buurman valt onder deze categorie.

    In De buurman legt de schrijver getuigenis af – voornamelijk in dialogen – van de ongelijkwaardige vriendschap met het homoseksuele stel Petrus en Peer. Waarbij  het onvermogen zijn vrouw te kunnen volgen in haar blinde gedrevenheid dit stel in hun leven te betrekken, onverbloemd aan de oppervlakte komt. De eerste passage uit het boek geeft een kijkje achter de voordeur van huize Koning wanneer er nog geen vuiltje aan de lucht is. Een kennis- making met Maarten en Nicolien, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Voor de liefhebbers van Voskuil zal dit een voortzetting van de kennismaking betekenen en voor degene die met De buurman het eerste boek van Voskuil openslaan, een passende introductie.

    Voordat Petrus (60 jr.) in het achterhuis kwam wonen en later Peer (45 jr.) bij hem introk, zat er een groothandelaar in wc-potten. Maarten en Nicolien hebben de man in kwestie nooit ontmoet. Wel hoorde Nicolien hem elke werkdag langskomen als Maarten naar zijn bureau was en zij de afwas deed. Ze hoorde hoe hij over het portaal liep, de negen treden naar het achterhuis beklom, zijn voordeur opende en weer zachtjes achter zich sloot. Ze wist dat het een oude man was. Dat ook kon ze horen.

    Op een dag wordt er gebeld. De oude man staat voor de deur en Maarten nodigt hem binnen waar hij met Nicolien aan de borrel zit en biedt de man er ook een aan. Het is de directeur van het bedrijfje in het achterhuis, die aankondigt te gaan verhuizen. “‘U gaat verhuizen!’ zei ik verrast. Hij knikte. ‘Eind van de maand.’ ‘Dat is jammer.’ ‘Ik vind het ook jammer, maar het kon niet anders.’ ‘Omdat we altijd een goede buurman aan u gehad hebben ’ Ik keek naar Nicolien om een bevestiging. ‘Ja,’ zei ze. ‘En ik aan u,’ zei hij beleefd. Er viel een stilte waarin ik het nieuws verwerkte.”

    Een rustige passage in een verder zeer onrustig boek, waarin de Konings nooit meer zo’n goede buurman zullen treffen. De eigenaardigheden van Nicolien (die het niet verdraagt tegengesproken te worden) en Maarten (die de discussie nooit echt aangaat) ontaarden geregeld, zo niet constant in vlammende ruzies. En deze ruzies worden altijd ‘afgedwongen’ door Nicolien. Zo gauw er derden hun leven binnnentreden, ontstaan de irritaties over elkaar vanzelf. Veel huwelijken kunnen als een mijnenveld beschreven worden waar de echtelieden alles vermijden om de pais en vree niet te verstoren. Echter, zo gauw er derden binnenkomen, verliest men het zicht op de kwetsbare plekken, wordt men roekeloos. Zo ook Maarten Koning die er in gezelschap van alles uitflapt. Met het gevolg dat er in het mijnenveld plofjes ontstaan of heftige uitbarstingen. Uiteraard achter gesloten deuren. Na iedere ontmoeting met de buren uit het achterhuis voelt Nicolien de behoefte elk woord te herkauwen, speurend naar onvolkomendheden. En die zijn er altijd te vinden, waar Maarten dan op wordt afgerekend.

    Hoewel Nicolien aan het begin van het boek roept dat ze toch echt niet hoopt dat er in het leegstaande achterhuis aan de Herengracht waar ze wonen, een echtpaar intrekt, ‘Want ik heb geen zin om hier samen huisvrouwtje te gaan zitten spelen.’ (…) ‘En dan bij elkaar op de koffie of de thee zeker. Ik denk er niet over!’ (…) ‘Wat zou ik dat verschrikkelijk vinden!’ is dat precies wat ze zelf inzet in haar contact met de nieuwe buren. Een kopje thee over en weer, een borrel, koffie en taart op verjaardagen en zelfs samen uit eten en gedeelde vakanties. Nicolien is ervan overtuigd dat homo’s tot de underdogs van de samenleving behoren en daarom haar toewijding verdienen en ook die van Maarten. Maar daar past hij voor. Een vriendschap dus waarin onderling veel getolereerd wordt en waar hun huwelijk flink onder te lijden heeft.

    Maarten doet zijn best maar zijn pogingen zijn tot mislukken gedoemd omdat hij het stel  niet serieus kan nemen. ‘Vanachter gezien leek Petrus nog het meest op een kever: kromme, dunne benen in een te korte, te nauwe zwarte broek, waardoor zijn knieën opvallend uitstaken, daarboven een onbeweeglijke rechthoekige massa in een te groot jack, met daar weer boven dat eigenaardige hoofd met sprieten die stijf vooruitstaken boven de ogen en rond de mond.’ De vriendschap loopt de nodige schade op door nogal wat boute uitspraken van Maarten. Het zal je maar gezegd worden dat de badkamer in het huis van je zus (Peer), waar ze met zijn vieren vakantie vieren, ‘iets weg heeft van een bordeel’.  Maarten is zich van geen kwaad bewust maar het einde van de vriendschap is ingezet.

    Wanneer Petrus en Peer hen ontwijken en er duidelijk iets aan de vriendschap schort, slooft Maarten zich uit in gedienstigheid. Hij neemt de krant voor ze mee en gaat zelfs zo ver dat wanneer Petrus een ei komt lenen en ze die niet in huis hebben, Maarten aanbiedt die te gaan halen in de winkel. En wanneer hij ze op straat tegenkomt, verplicht hij zich met ze op te lopen, al was hij duizend keer liever alleen gebleven. Hij manouvreert zich in situaties waardoor hij zo opgefokt raakt dat zijn gezicht ‘stijf staat’ van de spanning.

    In Binnen de huid is sprake van veel opgekropte, ongecontroleerde woede bij Maarten wat onder andere Nicolien moet ontgelden. Geregeld zegt Maarten ‘erop te willen slaan’. Dat zijn handen trillen van ingehouden woede en hij zo gespannen is dat hij zijn blik niet kan richten op zijn gesprekspartner. In De buurman is het Nicolien die met haar verbale agressie jegens Maarten zichzelf overtreft en hem letterlijk en figuurlijk van alles naar zijn hoofd smijt en hem geregeld de deur wijst.

    Maarten beseft niet dat het Nicolien woedend maakt als hij, om ruzie te vermijden haar naar de mond praat. Ze raakt gefrustreerd door zijn ontwijkende gedrag waarmee hij onbewust hun huwelijk in een immer kabbelende kibbelstand zet. ‘Misschien ben jij ook eigenlijk bang voor ruzie. Ik vind ruzie fijn. Ik zou nog veel scherper willen zijn.’ zei Nicolien al in het begin van hun huwelijk (Uit: Binnen de huid, pag. 59). Maar in een meningsverschil met Maarten over Peer en Petrus eist ze haar territorium op en snoert ze Maarten de mond. ‘Peer en Petrus, is mijn terrein. Daar weet ik alles van af!’ Als Maarten haar waarschuwt dat ze haar kunnen horen, schreeuwt ze: ‘Ze zijn niet thuis! En dan heb jij te luisteren! Dan moet je zeggen: ‘O, zit dat zo? Dat wist ik niet. Dat is interessant. Want zo heb ik het nog nooit gezien.” Dat moet je zeggen.’ Waarna ze opnieuw begint te huilen en het ruziemaken waarvan ze ooit zei te houden, wel een zeer eenzijdig actie is geworden.

    Het werk van Voskuil, waarin minutieus wordt beschreven wat er gezegd wordt, en vooral hoe het gezegd wordt (geknepen mond, hij keek weg, of het onvergetelijke ‘van onder de wenkbrauwen kijken’ in Bij nader inzien) en alledaagse problemen die als gefileerde vis gepresenteerd worden, is gretig weg te lezen. In De buurman is het huwelijk verworden tot een plaats waar Maarten zich niet begrepen voelt en Nicolien onvoorstelbaar eenzaam is. Nog nooit is een huwelijk in de Nederlandse literatuur zo van alle vlees ontdaan en tot op het bot beschreven.

    Maar het is niet alles treurnis in De buurman. Want juist deze wanhopige dialogen werken aanstekelijk op de lachspieren. Ik kon het niet laten verschillende dialogen aan mijn huisgenoot voor te lezen (‘luister!’, of, ‘deze is fantastisch’ of, ‘nee, deze, niet te geloven!’). De uitzichtloosheid van deze dialogen werkt bevrijdend want ohzo herkenbaar. Waarna geconstateerd moet worden dat er zo toch best te leven valt. Daarvan getuigt het lange leven dat Voskuil met zijn Lousje deelde, tot de dood erop volgde. Niet onbelangrijk is de ruimte die Voskuil, dankzij diezelfde Lousje, kreeg om aan zijn oeuvre te werken. Woede is een dankbare aanjager om scheppend werk te verrichten.

     

     

  • Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Portret Henk Romijn Meijer in de De Parelduiker 2011 3/4

    Ondanks dat het werk van Henk Romein Meijer als zeer toegankelijke gold, genoot hij geen grote bekendheid in literaire kringen. Marja Pruis schreef dat Romijn Meijer in zijn tijd al een ‘geheimtip’ was, Tom van Deel is van mening dat hij nog steeds een schrijver is die ontdekt moet worden en Aleid Truijens concludeerde dat hij schromelijk onderschat was en kortweg te weinig gelezen werd.

    Literair executeur Gerben Wynia schafte zich tijdens zijn studie Nederlands in Groningen in 1982 de verhalenbundel Bang weer van Henk Romijn Meijer (1929-2008) aan. Waarna zijn bewondering voor Romijn Meijer als schrijver gewekt was. Negen jaar later besprak hij, als recensent van De Twentsche Courant, enkele verhalenbundels van Romijn Meijer. Een lovende recensie, waarop hij een vriendelijke brief van Romijn Meijer ontving. Hierna ontstond een vriendschap die tot de dood van de schrijver in 2008 duurde waarna Wynia, op verzoek van Romijn Meijer tot zijn literair executeur werd benoemd. Wynia beschrijft hoe hij in die hoedanigheid in de zomer van 2008 het Franse plaatsje Souillac bezoekt, waar de schrijver de laatste jaren van zijn leven met zijn vrouw Elisabeth Mollison (Mollie) woonde. Hoe hij samen met Mollie de werkkamer van de schrijver doorwerkt: ‘(…) een schrijversleven ging door onze handen.’ En hij naar een paar dagen met ‘een rugzak vol kostbaarheden’ (brieven, foto’s manuscripten en dagboekcahiers) naar huis vertrekt. Wynia tipt verder nog het kortstondig dichterschap van Romijn Meijer aan en de daaruit voortkomende kennismaking met Gerrit Achterberg. En schrijft in Een trans-Atlantische vriendschap over de vriendschap van Bernard Malamud en Romijn Meijer die bijna een kwart eeuw duurde. Een vechtvriendschap gaat over de moeizame vriendschap met Han Voskuil.

    Een liefdevol stuk (Engelstalig) van Elisabeth Mollison over hun eerste ontmoeting in Henk and I begin vijftiger jaren. In dagboeknotities is te lezen over hun vriendschap met o.a. Han en Lousje Voskuil en Hannie Michaelis en Gerard van het Reve. Ook zijn er verschillende bijdragen van Henk Romijn Meijer zelf, dagboekaantekeningen uit Dagboek 1954-1955, Dagboek 2002 en Dagboek 2007 en het verhaal Slaap, dat een realistisch verslag is van een verblijf in Parijs van Romijn Meijer met zijn vrouw.

    In Censuur bij de Reina Prinsen Geerligsprijs schrijft Wynia dat Romijn Meijer in vrijwel al zijn verhalen dicht bij de personen en plaatsen blijft die hem inspireerden. Een manier van schrijven die veel schrijvers eigen is, maar Romijn Meijer schreef zo dicht op de werkelijkheid dat hij bij het verkrijgen van de Reina Prinsen Geerligsprijs (1954), waarvoor hij zeven verhalen inzond, het verzoek kreeg het verhaal Na het concert alstublieft niet voor te lezen bij de prijsuitreiking, omdat het te zeer naar de werkelijkheid beschreven was. Hier heeft de dan 25 jarige auteur zijn stijl van schrijven al gevonden; zijn personages worden herkenbaar en naar het leven getekend. Ondanks dat hem voorspeld werd (door o.a. zijn vader) dat het hem problemen zou opleveren als hij zo bleef schrijven, bleef hij deze uitgangspunten en technieken zijn hele leven als schrijver trouw.

    Over de relatie tussen Henk Romijn Meijer en zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot dat eindigde in een conflict, een stuk van Arjan Fortuin. Van Oorschot verweet Romijn Meijer onder meer dat er geen ‘klik’ was tussen hen. In een briefwisseling tussen Romijn Meijer en Geert van Oorschot waarin de onverkoopbaarheid van Meijers werk centraal staat, eindigt Romijn Meijer aan Van Oorschot met: ‘Ik vind je overigens ook best aardig, ook soms half aardig, soms opgeblazen en vervelend. Eveneens sans rancune, met hartelijke groeten, Henk’. Tussen hen is het nooit meer echt goed gekomen. Evenals de breuk met Voskuil, bereikte Romijn Meijer een grens waar hij niet van terug kon.

    Overige bijdragen van Theo Sontrop Stuur weer eens gauw iets voor Maatstaf, Mischa Andriessen De tijd die niet voorbij gaat. Over jazz in het proza van Henk Romijn Meijer, Willem van Manen Herinneringen aan Henk,Laurens van Krevelen HRM en de opstand der realisten, Peter Verstegen Hondsdagen in perspectief, Maarten Asscher Daar zijn ze weer. Over De Amerikaantjes van HRM en Chantal van Dam Gracias a la vida. Een correspondentie in ansichtkaarten.

    Henk Romijn Meijer heeft meer dan 25 titels op zijn naam staan en als schrijver bewees hij zich een ironicus, een scherp observator en een groot verteller. De vele foto’s en afbeeldingen van persoonlijke documenten en boekcovers completeren het beeld van de schrijver. Overigens begint het tijdens lezing van dit nummer dusdanig te kriebelen dat je je een verhalenbundel van deze schrijver zou willen aanschaffen om over dat alles, dat zijn leven zo in beweging bracht te lezen. Vooruit, naar de winkel!

     

    www.parelduiker.nl

  • Iedere binding is bedrog

    Iedere binding is bedrog

    Opnieuw een echte Voskuil, hoop je, met een indrukwekkend en gedegen zelfonderzoek van Maarten, de alter ego van de schrijver. Deze ouwelijke, geremde, secundair reagerende jongeman wordt dit keer na zijn doctoraal examen getroffen door liefdesperikelen en bijt zich daarin vast.
    Binnen de huid vormt een verbindende schakel tussen Bij nader inzien, dat zich afspeelt in de jaren ‘46-‘53 en Het Bureau dat in 1957 begint. Het is ook boeiend om de inhoud te vergelijken met het eerste deel van de dagboeken van Frida Vogels (Henriëtte in de boeken van Voskuil) die in de jaren ‘54-‘57 spelen en die beginnen met haar vertrek uit Parijs.

    Dit boek mist de glans van het andere genoemde werk van Voskuil en dat heeft te maken met het onderwerp: de vriendschap tussen Maarten en Paul die getroubleerd wordt door de verliefde gevoelens van Maarten voor Rosalie, die een femme fatale blijkt, vooral als ze wat drank op heeft.
    Rosalie en Paul zijn naar Deventer verhuisd omdat Paul daar een baan als leraar kon krijgen en inmiddels hebben ze ook een dochter. De stellen ontmoeten elkaar gedurende een aantal jaren in Deventer of in Amsterdam.
    De affaire begint met een zoen die Maarten aan Rosalie geeft als hij binnenkomt in hun nieuwe flat. Nicolien maakt daar bezwaar tegen, op de haar kenmerkende vasthoudende manier, die Maarten niet goed weet te pareren. Vierhonderd pagina’s gaat het door. Rosalie en Maarten trekken elkaar aan, maar houden ook af, bang voor de consequenties. Vaak gaat Maarten naar de keuken als Rosalie aan het koken is om een kus te stelen of om haar gevoelens te peilen. Net zo vaak wil hij er een eind aan maken, maar hij kan de woorden ervoor niet vinden of de kracht niet opbrengen.

    Door de vele herhalingen lijkt het onderwerp meer een preoccupatie van de schrijver dan een werk dat voor de lezer boeiend blijft. Eind jaren vijftig was een buitenechtelijke relatie taboe en onder vrienden vormt vreemdgaan natuurlijk een nog groter probleem.
    Interessanter was het thema dat tussen de bedrijven door speelt, namelijk de vraag wat Maarten met zijn leven wil gaan doen. Gaat hij net als Henriëtte naar Parijs of neemt hij ook het leraarschap op zich? Kiest hij voor maatschappelijke aanpassing, net zoals Paul die in Bij nader inzien de mond nog vol had over persoonlijke integriteit, of blijft hij zichzelf en verzet hij zich tegen loondienst? Anders dan Rosalie met Paul, verlangt Nicolien van Maarten geen leraarsbaan.

    Het is opvallend dat in het boek geen enkele verwijzing voorkomt naar maatschappelijke gebeurtenissen. Dat maakt het thema des te zwaarder. Humor ontbreekt net als ironie, die wel veelvuldig voorkomt in het vroegere en latere werk. Het is kenmerkend voor het persoonlijke karakter dat Maarten als de ‘ik’ beschreven wordt. Dat Paul de ‘hij’ is en Rosalie de ‘zij’ komt misschien voort uit esthetische overwegingen, namelijk om te voorkomen dat hij steeds hun namen moest noemen.
    Maarten zit opgesloten in zijn probleem. De buitenwereld wordt op de omslag voorgesteld als een stekelige, ondoordringbare struik. Helaas wordt het verhaal teveel uitgesponnen. Mistroostig is het zeker, met een hoofdpersoon die moeite heeft met persoonlijke bindingen, die zelfs denkt die bindingen te moeten vernietigen om zichzelf te kunnen handhaven.

    Maarten acht vriendschap een verfijnde vorm van vijandschap. ‘Je draait om elkaar heen tot je kunt toeslaan. Hoe beter je aan elkaar gewaagd bent, des te nauwkeuriger verzamel je gegevens en met des te meer zorgvuldigheid kies je het ogenblik.’ Het individu wordt ingeperkt door een verstikkende moraal, die elk verlangen onderdrukt. Daarop duidt ook de titel. ‘Binnen de huid’ slaat op de ondoordringbare buffer die bestaat tussen alles wat in een mens leeft en de maatschappelijke voorschriften. Die laatste laten niet toe dat mensen hun gevoelens kunnen uiten en gevolg kunnen geven aan hun behoeften. ‘Binnen hun huid verdringen en verstikken ze hun verlangens, terwijl ze naar buiten toe de schijn hooghouden en elkaar met hun moraal de dood in pesten.’

    De huwelijkstrouw is hiervan een goed voorbeeld. Monogamie is bedrog, zegt Maarten en verklaart zich daarmee niet schuldig.

    Ik kan me voorstellen dat mevrouw Voskuil, zoals ze in het Woord vooraf vermeldt, er lang over moest nadenken om dit boek aan de openbaarheid prijs te geven.