• Vrouw verwijt man en vice versa

    Vrouw verwijt man en vice versa

    Wie zich wil wagen aan de gelaagde roman Strikken van Domenico Starnone(1943) moet zich – wellicht – ook even verdiepen in de voorgeschiedenis van dit meesterwerk.
    Toen het boek vorig jaar verscheen, was direct duidelijk dat het een aanvulling, zo niet een reactie was op Dagen van verlating, een in 2002 verschenen roman van Elena Ferrante. Wetenschappers uit Padua presenteerden in de zomer van 2017 de resultaten van hun kwantitatieve tekstanalyse van het werk van Ferrante. Daaruit bleek, dat achter haar pseudoniem niemand minder schuilging dan Starnone. Ferrante en Starnone zijn dezelfde persoon. Dit werd bevestigd door de Italiaanse uitgever.

    Uitgeverij Atlas besloot tot het vervroegd op de markt brengen van Strikken, waarmee ook in Nederland- zeer tegen de wens van de auteur – een geheim onthuld werd en de identiteit van Elena Ferrante vaststaat.
    Terwijl Ferrante samen met haar uitgever in een interview met The Paris Review juist voor anonimiteit pleitte: ‘Een anonieme schrijver geeft de lezer de ruimte hem te leren kennen in de tekst zelf, in zinnen en gedachtepatronen waarin de auteur een zelf kan ontplooien, dat hij zelf niet eens kent.’

    Verstrikt
    In het lange voorwoord – twaalf bladzijden – van schrijfster Jhumpa Lahiri staat: ‘Strikken gaat over onze dwingende behoefte aan orde, en onze fundamentele afkeer van dichte ruimtes.’ Dat is een vrij ingewikkelde opmerking, maar waarschijnlijk verwijst Lahiri naar de menselijke behoefte aan geborgenheid. Het vertrouwen dat je in een huwelijk van elkaar op aan kunt, dat je elkaar vrijheid geeft, maar ook zekerheid. Misschien ook de zekerheid dat je partner geen rare onverwachte dingen gaat doen. En last but not least, het huwelijk als een soort vesting waarin je je kunt verschansen. Of zoals Shakespeare eens zei: ‘My Home is my Castle!’ Wat Starnone in het verhaal laat zien is dat het huwelijk kan mislukken en dat daardoor het huwelijk een benauwde dichte ruimte wordt. Een gevangenis.

    Het verhaal in drie delen wordt verteld vanuit verschillende perspectieven. In het eerste deel zijn de echtelieden Vanda en Aldo aan het woord, vooral door brieven. Het tweede deel laat de twee zien als ze bejaard zijn en in het laatste deel vertellen de twee kinderen Anna en Sandro hun verhaal.

    Vervreemd
    Ooit ging Aldo, inmiddels 74, vreemd. Zijn verhouding met een veel jongere dame duurde een paar jaar, maar uiteindelijk koos de vrouw voor een jongere man. Aldo keerde terug naar Vanda. Ze heeft hem nooit vergeven dat hij haar destijds in de steek liet. Op de achtergrond spelen de naweeën van de jaren zestig een rol. De vrouw geeft die vrijgevochten tijdgeest de schuld van de dwalingen van manlief. Het lijkt of zij gevangen is geraakt in haar houding ten opzichte van de man. Aan de ene kant verwijt ze hem ontrouw, aan de andere kant dat hij bij haar is teruggekeerd en dat hun verhouding nooit meer hetzelfde zal zijn als ervoor.
    De man ziet het juist als een verworvenheid van die tijd, dat je er meer verhoudingen tegelijkertijd op kon nahouden.

    Bergman
    Wat zich ontrolt voor de lezer is een huwelijksdrama dat doet denken aan Scenes uit een huwelijk van Ingmar Bergman. Twee huwelijkspartners die van elkaar zijn vervreemd, elkaar beloeren en vooral verstrikt zitten in gewoontes, die hun huwelijk alleen maar stuk maken. De vrouw, Vanda, wordt steeds agressiever. ‘Wat ben je toch goed. Wat hebben jullie mannen het toch goed voor met vrouwen. Jullie hebben drie grote doelen in het leven: ons neuken, ons beschermen en ons pijn doen’, voegt de vrouw hem toe. De man trekt zich steeds meer terug. ‘Mij hebben ze (de kinderen, K.W.) door het huis zien dwalen als een ongevaarlijke, praktisch stille geest. En ik geef hen geen ongelijk. Mijn leven heeft zich volledig buiten hen om afgespeeld. Ik ben een schim van een man geweest binnen het gezin, altijd zwijgend, ook wanneer Vanda heel uitbundig mijn verjaardagen vierde, waarbij ze mijn vrienden uitnodigde, en mijn familieleden.’

    Aan het begin van Strikken keren Aldo en Vanda terug van vakantie en zien dat er is ingebroken in hun appartement. Alles is overhoop gehaald en de kat Labes, waar een buurman op zou passen, is verdwenen. Daar maken ze zich nog het meest druk over. Prachtig is vooral hoe Starnone het verschil tussen de echtelieden laat zien. De vrouw denkt in haar woede dat het de schuld van de man is dat er is ingebroken. Hij zou het appartement niet goed hebben laten beveiligen. De man daarentegen treurt om het verlies van Labes de kat. Ze bekommeren zich helemaal niet om elkaar, maar zijn gevangen in zelfbeklag en ongeïnteresseerdheid.

    Slachtoffers
    Zoon Sandro en de dochter Anna komen in het laatste hoofdstuk aan het woord. Vooral de dochter maakt een bittere indruk. Ze voelt zich een slachtoffer van haar ouders. Waarom deed haar vader nooit eens iets leuks met haar, vroeger? Waarom zeurde haar moeder altijd over haar eigen misère in plaats van haar een gelukkige jeugd te geven? De zoon, hij lijkt waarschijnlijk op zijn vader, heeft zich buiten het gekrakeel gehouden. Hij bemoeide zich niet met zijn ouders en daardoor ook niet met hun ruzies en problemen. Dat wordt hem aangewreven door zijn zuster.
    Hij vond het leuk om schoenveters van gasten stiekem aan elkaar te binden onder de tafel. Wanneer ze dan opstonden struikelden ze. Zijn vader vond het enig, maar de moeder ergerde zich eraan. Net zoals de ouders zijn de kinderen met zichzelf bezig. Het is hun rotjeugd, hun ellende en enige warmte voor de ouders is er helemaal niet. Wel veel zelfbeklag. En dat gedrag vertonen de ouders ook.

    Droste-effect
    Verder ontrolt zich nog een mysterie wanneer de dochter aangeeft meer van de inbraak te weten in het appartement van haar ouders. Heeft ze het zelf gedaan? Iemand laten inbreken uit wraak voor haar verpeste jeugd? De foto’s van de minnares van Aldo zwerven na de inbraak opeens door het huis. Weer een wraakactie van de dochter? Zo lijken ook de raadsels weer verstrikt in nieuwe raadsels.
    Het hele verhaal is zo geschreven, dat het effect wordt bereikt door een geschiedenis in een geschiedenis. De verpleegster op de blikken van Droste van vroeger; zij stond afgebeeld met een blikje waarop een verpleegster met daarop, enz. enz.
    Starnone slaagt erin vanuit een vrij simpel verhaal over een – vooral – mislukt huwelijk, laag na laag op te bouwen en soms licht hij een tipje van de sluier op en krijgen we vooral via de brieven een inkijkje in de zielenroerselen van Vanda en Aldo. Hij is een schilder met de pen en een meester in het componeren van – voor de lezer – ongemakkelijke situaties. Dat is een prestatie van formaat en het boek werd in Italië terecht onderscheiden.

     

  • Granta – Another way of seeing, reactie op de NRC bespreking

    Soms schiet een krantenartikel in een verkeerd keelgat. Dat van Toef Jaeger bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad over Indiase literatuur. Kun je je er zo makkelijk van afmaken als Jaeger deed?  Lodewijk Brunt vindt van niet.

    Zojuist verscheen een speciaal Indianummer van het onvolprezen Granta, tijdschrift voor nieuwe literatuur: Another Way of Seeing. Bijna twintig jaar na een ander Indianummer: The Golden Jubilee, naar aanleiding van de vijftigjarige onafhankelijkheid. Er is enige continuïteit te bespeuren – beide nummers zijn geredigeerd door Ian Jack, destijds in 1997 hoofdredacteur van het blad, nu gastredacteur. In beide nummers ook een bijdrage over de ‘Grote Ziel’ van de natie, Mahatma Gandhi. In het jubileumnummer over zijn bijdrage aan de onafhankelijkheid, nu over zijn studietijd in Londen. Symbolisch: de man is een onuitputtelijke bron van inspiratie, ook voor de literatuur. Hoewel? Beide bijdragen werden geschreven door buitenlandse India-correspondenten, respectievelijk Trevor Fishlock en Sam Miller. Zou er geen enkele interessante bijdrage van Indiase hand te vinden zijn geweest? Je zou denken dat er na de recente biografie van Ramachandra Guha en de controverse over Joseph Lelyvelds Great Soul materiaal voor het oprapen lag.

    Er zijn ook verschillen. Is de Indiase literatuur van karakter veranderd? Eind jaren 1990 was een booming periode voor Indiase romanschrijvers, je kreeg de indruk dat er iedere maand wel een nieuw meesterwerk verscheen – zeker nadat Arundhati Roy de Booker Prize in de wacht sleepte met haar debuut: The God of Small Things. Amerikaanse en Britse uitgevers betaalden exorbitante voorschotten aan auteurs als Hari Kunzru (The Impressionist), Aravind Adiga (The White Tiger), Kiran Desai (The Inheritance of Loss), Jhumpa Lahiri (The Interpreter of Maladies), literaire prijzen daalden op hun hoofd neer als sneeuwvlokken. De soms bijna hysterische opwinding lijkt voorbij, sommige schrijvers zijn gevestigde namen geworden, van anderen hoor je nooit meer iets. Dit alles betreft overigens de Engelstalige literatuur. Van gedichten of proza die in een van de talrijke inheemse talen worden geschreven, dringt zelden of nooit iets in de buitenwereld door, toen niet, nu nog niet – met sweeping statements over ‘de’ Indiase literatuur kun je maar beter terughoudend zijn.

    Van enige bescheidenheid is geen sprake bij NRC Handelsblad, dat bij monde van Toef Jaeger het verschijnen van Granta aangreep om de Indiase literatuur in z’n geheel door te lichten, in heden, verleden en toekomst, onder de titel Geen traditie, geen curry, alleen wanhoop (3 april 2015), maar liefst over twee volle pagina’s. Het verschil tussen de twee themanummers van Granta is ‘groot’, aldus Jaeger. Allicht, zou je zeggen, twintig jaar geleden ging het om de viering van de onafhankelijkheid, nu over – letterlijk – manieren van kijken. Another Way of Seeing is de titel van het themanummer, maar het is ontleend aan een bijdrage waarin Gauri Gill in haar landschapsfoto’s de schilderijen en persoon van de tribale kunstenaar Rajesh Vangad tot leven probeert te brengen. Jaeger ziet dat over het hoofd, voor haar is het nummer een middel om ‘grip te krijgen op de recente Indiase literatuur’. Haar stelling is dat meer welvaart leidt tot meer reflectie – de bloeiende Indiase economie heeft een nieuwe literatuur voortgebracht: de literaire non-fictie. Waar ze dit op baseert, afgezien van een paar slordig geciteerde opmerkingen uit de inleiding van Ian Jack, is niet helemaal duidelijk. Ze noemt één voorbeeld, de bijdrage van Aman Sethi over de zogenaamde ‘liefdeskruistocht’ (love jihad) die zou plaatsvinden in India: islamitische jongens die als een soort lover boys hindoemeisjes meelokken naar Pakistan om daar de kinderen te fokken die later als soldaten zullen terugkeren om India te vernietigen. Een aardige, maar niet bijzonder goed geschreven journalistieke reportage over een fanatieke volgeling van premier Narendra Modi die beweert dat hij het verschijnsel ‘ontdekt’ heeft. Jaeger spreekt eerbiedig over deze reportage-dialoog als nieuw literair genre, maar stukken van dit kaliber kun je vrijwel dagelijks in Nederlandse kranten vinden – alledaagse journalistiek, verdienstelijk, maar niets bijzonders. Uit haar weergave van het stuk kun je trouwens opmaken dat ze geen flauw idee heeft waar het eigenlijk over gaat.

    De hedendaagse Indiase literatuur zou volgens Jaeger ook minder dan voorheen zuchten onder een ‘dieet van curry, grote families en mythologieën verpakt in historische tragedies’. Meer ‘menselijke verhalen die hun kracht ontlenen aan het drama, niet aan de locatie’. Alsjeblieft! Ze bespreekt een nieuw boek van Akhil Sharma als voorbeeld van die richting – maar waar zet ze zich tegen af? Ze typeert heel India en de Indiase literatuur in het bijzonder als ‘narcistisch’ en ontleent dat aan V.S. Naipaul. Curieus, want ze had in de bijdrage van Sam Miller een vernietigend oordeel over die uitlating van Naipaul kunnen vinden; bovendien had ze ook kunnen zien dat Naipaul India niet ‘narcistisch’ noemde, maar sprak over Gandhi’s ‘navelstaarderij’.

    Was de Indiase literatuur twintig jaar geleden eigenlijk zo in zichzelf gekeerd? Zo aan ‘locatie’ gebonden? Zo weinig ‘dramatisch’? Je zou lijsten van schrijvers kunnen noemen – vooraanstaand, invloedrijk, baanbrekend – die je met een dergelijke karakterisering onherkenbaar zou verminken: Anita Desai, Sashi Deshpande, Rohinton Mistry, Anita Nair, Rushira Mukerjee, Akhil Sharma, Chughtai Ismat, Thrity Umrigar, Shauna Singh Baldwin. En werd er twintig jaar geleden geen literaire non-fictie geschreven? Een klap in het gezicht van Sankarshan Thakur (The Making of Laloo Yadav), Kalpana Sharma (Rediscovering Dharavi), Pinki Virani (Once Was Bombay; Aruna’s Story) of Husain Zaidi (Black Friday). Indiase auteurs, zegt Jaeger parmantig, hoeven niet meer te schrijven over samosas, door de toegenomen welvaart hebben ze meer Indiase lezers. Ze citeert Jack, maar opnieuw met ongehoorde slordigheid. Jack zelf baseert zich op Amitava Kumar die schreef dat Engelstalige Indiase auteurs voorheen teveel geneigd waren om te ‘vertalen’ ten behoeve van een Westers lezerspubliek – niet alleen woorden als samosa, ook verhalen en plots. Het klinkt reuze interessant, maar het is onwaarschijnlijk. De grote Indiase schrijvers, Rushdie en Desai voorop, hebben aan die neiging nooit toegegeven, maar ook in het werk van veel anderen is er geen spoor van te vinden.

    Heeft Jaeger dan toch tenminste gelijk als ze zegt dat non-fictie een veel belangrijker plaats inneemt tegenover fictie dan twintig jaar geleden? Dat zou moeten blijken uit de bijdragen aan de Granta-nummers 57 en 130. In de recente aflevering staat inderdaad relatief veel non-fictie: acht van de twintig bijdragen, tegenover negen fictie en drie gedichten. Maar hoe was het twintig jaar geleden? Je zou – afgaande op de stelling van Jaeger – aanzienlijk meer fictie verwachten, de nieuwe genres waren volgens haar immers nog niet ontwikkeld. Nee, dus. In het jubileumnummer vind je slechts vier bijdragen fictie tegenover maar liefst vijftien non-fictie stukken en twee gedichten.

    Op basis van haar eigen waarnemingen valt er dus een duidelijke conclusie te trekken over de Indiase literatuurgeschiedenis zoals NRC Handelsblad deze presenteert: flauwekul. Wat Jaeger blijkbaar eveneens totaal is ontgaan, betreft een ander verschijnsel. In 1997 was bijna de helft van alle bijdragen afkomstig van Engelsen en Amerikanen, het nummer van 2015 is vrijwel voor honderd procent volgeschreven door Indiase auteurs. Het is duidelijk wat zich in de afgelopen twintig jaar voltrokken heeft: de redactie van Granta heeft eindelijk ontdekt dat je een portret van India gerust aan Indiase schrijvers kunt overlaten.

     

    Lodewijk Brunt is emeritus hoogleraar Stedelijke vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft gerecenseerd in o.a. VN, HP, NRC, Parool. De laatste jaren is hij met vertaalwerk bezig, met name uit het Hindi.  Door zijn kennis van India (en het Hindi/Urdu), waar hij vele jaren onderzoek heeft verricht, is hij goed op de hoogte van het werk van Indiase auteurs.