• Een oeverloos bestaan

    Een oeverloos bestaan

    oeverloos (2022) is de geprezen debuutbundel van Nisrine Mbarki (1977). De bundel is zowel voor de C. Buddingh’-prijs (2022) genomineerd als voor de Herman de Coninckprijs (2023). In haar debuut snijdt Mbarki verschillende thema’s aan waaronder identiteit, taal, ouderschap, intergenerationele banden, kolonialisme en de zoektocht naar de (verloren) natuur van de mens.

    De letterlijke betekenis van oeverloos is volgens Van Dale: ‘Onbegrensd, zonder einde’. In de bundel wordt de meervoudigheid en onbegrensdheid van taal in de praktijk toegepast. Zo maakt Mbarki geen gebruik van interpunctie en krijgen alleen namen van landen, personen en titels een hoofdletter. Dit is geen slordigheid, maar een doelgerichte manier van schrijven die overeenkomt met het idee dat taal, en alles in het verlengde daarvan, oeverloos is. De woorden, zinnen en zelfs gedichten vloeien zo grenzeloos in elkaar over.

    Verschillende talen

    Door verschillende talen, waaronder Arabisch, Darija, Frans, Tamazight en Engels te verwerken in haar Nederlandstalige gedichten, illustreert Mbarki hoe centraal deze talen in haar leven staan. De hoeveelheid anderstalige woorden is weliswaar minimaal, maar heeft wel een duidelijke impact op de gedichten. Zo is de betekenis van deze woorden voor sommige lezers onbekend en ontstaan er taalbarrières die het metrum van het gedicht doorbreken en de lezer langer stil laten staan bij de tekst. Het is dan ook jammer dat er geen vertalingen in de voetnoten, achterin de bundel of op een website beschikbaar zijn. Dat is een gemiste kans, want de door mij gevraagde vertalingen die ik van Mbarki ontving blijken de bundel nog meer diepgang en betekenis te geven.

    Aan de andere kant, misschien zet deze “oeverloosheid” van taal sommige lezers wellicht voor het blok, maar het laat wel helder zien hoe krachtig de kennis van taal, of het tekort hieraan, kan zijn. De dichter toont aan de lezer dat haar leven en haar omgeving verbonden zijn met meerdere culturen en dat elke taal een ander gevoel opwekt. Misschien betekent het gebruik van meerdere talen dat de dichter zichzelf pas volledig als persoon kan uiten wanneer zij al die talen gebruikt. De vraag hoe taal, of juist de absentie daarvan, iemands belevingswereld sterk beïnvloedt, wordt in het gedicht ‘tong’ beeldig beschreven:

    mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
    mijn kindertong werd overgeleverd aan
    harde kloosterklanken op veengrond
    geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
    achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
    oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeder moeders moeders
    sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan
    (…)

    De dichter is in dit gedicht de taal van haar moeder door diezelfde moeder ontnomen. Toch ziet de dichter de fragmenten en herinneringen van deze taal en de achterliggende cultuur overal in terug. Het lot dat de dichter aan haar kruin met zich meetrekt kan gezien worden als de dichter die het lot in eigen handen neemt en zich niet meer haar taal en achtergrond ontnomen laat worden. Verderop vertelt de dichter hoe haar zeggenschap, met betrekking tot welke talen ze leerde, ontnomen was: ‘(…) in mijn luchtpijp waanden jullie je Nimrod in Babel // als ik in het concept van moederschap geloofde, waren jullie allemaal mijn moeders 1) / de syntaxis werden / op strakke bedjes / naast elkaar gezaaid / in mijn strottenhoofd (…)’.

    De overgang van een verwijzing over Babel naar een volgende zin in het Arabisch is tekenend voor hoe Mbarki ook betekenis tussen de regels weet te creëren. Net als in Babel worden er hier verschillende talen door elkaar gesproken (al is er hier niet per definitie sprake van een onoverkoombaar taalverschil zoals in de toren van Babel het geval is). In de versregel over het moederschap staan twee veelvoorkomende onderwerpen die de bundel aankaart, namelijk het moederschap en het overkoepelende moederschap dat ons allemaal als mens aangaat. Dit overkoepelende moederschap verwijst wellicht naar de relatie van de mens tot de natuur waar de dichter vaker over schrijft.

    Zo laat het gedicht oeverloos met mooie beelden, veel alliteraties, assonanties en binnenrijm zien hoe de onbegrensdheid van taal zich uitdrukt in intergenerationele interacties. Daarnaast wordt de moeder als een archetypische gezamenlijke oorsprong en natuurkracht weergeven.

    oeverloos

    mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
    zoals jij ook doet
    wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
    wordt verduisterd
    door nevel of kortsluiting
    niet alleen in het regenseizoen
    ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
    razende moessons zelfs

    mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
    apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
    en bouwt dammen
    schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
    daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
    haar zussen sussen door de telefoon
    zeven tegelijk in moedertaal
    haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
    die niemand ziet
    terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

    (…)

    In dit gedicht is de moeder de personificatie van de rivier wiens oevers onvermijdelijk zullen overstromen. Zo treedt de rivier, de moeder, buiten haar oevers en sleurt daarmee alles en iedereen om haar heen met zich mee. Het gedicht eindigt met de hoopvolle notie dat wij als mens zelf het water zijn en suggereert dat we onze eigen beperkingen opleggen en daarmee onze eigen vrijheid beteugelen.

    Deze overgave aan of terugkeer naar de natuur komt in meerdere gedichten terug, zoals in de reeks ‘zon’ 2), gedicht nummer 4: ‘in een oude droom lig ik naakt op de bodem van een oerbos / ik kijk omhoog naar de eindeloze reuzen en word licht gedragen (…) we kussen de rode avonden op hun blote schouders / hier worden wij samen rots’. Hier keert de mens in een oude droom terug naar haar oorsprong en vereenzelvigt zij zichzelf aan het einde met een rots, oftewel met de natuur. Om terug te grijpen naar het grenzeloze karakter van de diepere natuur van de mens en daarmee naar zichzelf, moet de dichter ook haar familiegeschiedenis, de bijbehorende taal en cultuur (her)ontdekken en omarmen.

    Oorlog en kolonialisme

    De figuurlijke muren waar de dichter veelal tegenaan loopt hebben in zekere mate ook te maken met oorlog en kolonialisme. Zo beschrijft zij in het gedicht ‘game over’ hoe de gevolgen van kolonialisme nog steeds te vinden zijn in zowel de stad als bij haarzelf: ‘(…) in mijn straat groeien geen bomen alleen gebouwen / van rode VOC-bloedbakstenen / de halve stad is gebouwd met bloed van mijn voorouders / ik ben verleerd hoe de wind te verstaan (…)’. Later vertelt zij hoe ze de geschiedenis bij het vuil heeft gezet en hoe deze in de sleur van het, soms triviale, dagelijkse bestaan verdwijnt.

    De psychologische impact van oorlog wordt door Mbarki scherp geschreven in het gedicht ‘oorlog’: ‘de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap / ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven / hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker (…)’. Deze zinnen spreken boekdelen. Met weinig woorden laat Mbarki zien hoe oorlog ook na de strijd in een mens blijft doorwerken. Daarnaast laat het gedicht ruimte voor verschillende interpretaties. Slaapt de dichter naast iemand die de oorlog heeft meegemaakt of is de oorlog een denkbeeldig persoon? Het is in ieder geval weer een goed voorbeeld van Mbkari’s kundige omgang met taal en poëzie.

    Diaspora

    In het laatste gedicht van de bundel, ‘diaspora’, volgen we een gesprek tussen drie verschillende generaties, namelijk de dichter, de moeder en de ‘grote moeder’ en komen vrijwel alle eerder genoemde onderwerpen uit de bundel bij elkaar. De ‘grote moeder’ verwijst waarschijnlijk naar de grootmoeder van de dichter, maar kan in sommige verzen ook als een algemener beeld van een conservatiever en behoedzamer gedachtengoed gezien worden. Het is een krachtig gedicht dat de meerstemmigheid van de bundel mooi samenvat.

    Mbarki’s oeverloos is in talloze opzichten een uitstekende bundel. Men kan alleen maar hopen dat deze dichter in de toekomst nog vele nieuwe bundels zal schrijven. Tot dan zal de lezer het moeten doen met het herlezen – en nog een keer herlezen – van oeverloos.

    1) Vertaald uit het Arabisch
    2) Vertaald uit het Tamazight

  • Verloren in virtuele escapades

    Verloren in virtuele escapades

    Heb jij er altijd al van gedroomd hoe het zou zijn om Vladimir Lenin te spreken? Misschien zou je wel een koffietje willen drinken met de Griekse dichter Sappho of wellicht vind je het interessanter om met Marilyn Monroe tussen de coulissen te praten over haar favoriete show. In de VR-wereld van het Elysium-portaal in De lokroep van Elysium van Ilmar Taska kan het allemaal. Dankzij de nieuwste AI-ontwikkelingen, die steeds beter op de behoefte van de gebruiker inspelen, is het mogelijk om overleden artiesten of historische figuren digitaal tot leven te wekken. Voor slechts een klein bedrag kun je deelnemen aan dit spectaculaire avontuur waardoor je voor heel even uit de dystopische realiteit van het alledaagse kunt ontsnappen.

    Ilmar Taska (1953) is een Estse schrijver en filmmaker. Hij is onder andere bekend als co-schrijver en producer van de film Back in the USSR (1992). Zijn boek Pobeda 1946 was een groot succes in Estland en is net als zijn nieuwste boek De lokroep van Elysium, naar het Nederlands vertaald door Frans van Nes.

    De roman speelt zich af in de nabije toekomst waar technologische vooruitgangen in onder andere artificiële intelligentie, overheden en oligarchen machtiger dan ooit hebben gemaakt. Zo worden de emoties van inwoners door speciale camera’s met gezichtsherkenning bijgehouden en opgeslagen in verschillende databases, waardoor de gewone burger op een 1984-achtige manier continu door de overheid en bedrijven in de gaten gehouden wordt. Tegelijkertijd biedt de VR-wereld van Elysium een uitweg uit deze grimmige realiteit.

    Praten met computers

    De beroemde en populaire acteur Robert Rand wordt via zijn manager Daniel gekoppeld aan het Elysium-portaal, waar hij als eerste nog levende artiest een VR-versie van zichzelf zal krijgen. Zijn zoon, Tom Rand, vindt het zowel cool als ongemakkelijk dat zijn klasgenoten met een digitale versie van zijn vader in de VR-wereld kunnen praten. De lerares van Tom, Ester, merkt dat hij moeite heeft met de roem van zijn vader. Wanneer de digitale versie van Robert Rand steeds meer dingen tegen Elysium-gebruikers begint te vertellen die de echte Robert Rand nooit zou zeggen, raken Robert, Tom en Ester achterdochtig. Is het Elysium-bedrijf wel zo neutraal als het zichzelf voorstelt of zijn de macht en invloed van Elysium groter dan ze denken?

    Vrijwel ieder personage in De Lokroep van Elysium spreekt met een digitale versie van een overleden beroemdheid of historisch figuur. Zo ziet lerares Ester regelmatig John F. Kennedy, heeft manager Daniel een aparte relatie met Marlene Dietrich en zoekt Tom Rand toeverlaat bij Marilyn Monroe en zijn digitale vader. Zodoende openen de personages zichzelf en hun onzekerheden bij hun digitale ‘vrienden’. Het verhaal is in korte paragrafen geschreven, waarbij we steeds per paar bladzijdes het perspectief van een van de personages volgen. Hierdoor lijkt het alsof je een filmscenario leest dat in de loop van de tijd is omgevormd tot roman.

    Technologische dystopie

    De wereld in De lokroep van Elysium schuurt tegen de realiteit aan en wekt de interesse van de lezer doordat Taska de implicaties van al deze technologische vooruitgangen laat zien als een plausibele toekomst. Het gros van de ontwikkelingen die hij in zijn boek behandelt, bestaat al of wordt inmiddels, vaak op kleine schaal, geïmplementeerd in de echte wereld. In de wereld die Taska probeert te schetsen gebeurt het toepassen van deze technologische ontwikkelingen veelvuldig, maar de schrijver werkt dit matig uit.

    De technische snufjes worden plausibel weergegeven, maar komen niet realistisch over in de door Taska beschreven praktijk, zoals bij de implicaties van gentechnologie: ‘Met behulp van gentechnologie kon je heel snel heel veel in iemands persoonlijkheid veranderen.’ Er worden vaak termen gebruikt die weinig zeggen zonder context, bijvoorbeeld: ‘Metadata collection tools’, en er zijn talloze statements die doen denken aan de opmerkingen van een stereotype hacker uit een B-actiefilm: ‘We voeren met behulp van statistiek en metadata ook steeds strengere controle uit op het wereldbeschouwelijke materiaal.’ De zinnen impliceren dat er iets spannend op de achtergrond gebeurt, maar de gevolgen op de voorgrond zijn amper voelbaar.

    Show don’t tell

    De personages en het plot zijn enigszins voorspelbaar. Bijna elke stap in de ontwikkeling van het plot wordt haarfijn en bijna robotachtig door een personage uitgelegd, waardoor het voelt alsof je een voorgekauwd verhaal aan het lezen bent en er weinig ruimte is voor verrassingen. Aan het begin van de roman zegt Ester het volgende tegen Robert: ‘”(..) en ik heb de indruk dat het niet alleen maar om een simulatiefout door de kunstmatige intelligentie gaat. Ik heb het idee dat uw VR-personage doelbewust wordt gemanipuleerd of gekaapt is.’’ Ester vroeg zich af of haar woorden wel gezag uitstraalden.’

    Deze overbodige uitleg wordt nog storender wanneer de karakterontwikkelingen van verschillende hoofdpersonen op een zilveren blaadje worden gepresenteerd, zoals bij de karakterontwikkeling van Tom: ‘Tom is slim en hij werkt hard, al is hij een beetje in zichzelf gekeerd. Zou hij een probleem hebben waar hij over wil praten? Als kind van een beroemdheid heeft hij allerlei gedrag van anderen ervaren.’ En: ‘Hij luisterde gewoon naar zijn lerares. Met grote ogen. Misschien hoort hij elke vrouw wel eerbiedig aan. Zou hij zijn moeder missen?’ Er is wel erg weinig vertrouwen in het denkend vermogen van de lezer als je zelfs de meest duidelijke ontwikkelingen meerdere keren herhaalt. Zo slaagt Taska erin om de synopsis van elk personage in één alinea te omschrijven en laat hij weinig aan de verbeelding over. Het begrip “show don’t tell” is voor een boek dat zo filmisch geschreven is, volledig uit het raam uitgegooid.

    Stereotypes

    Bijna alle personages praten min of meer op dezelfde toon en hun karaktereigenschappen bestaan uit een kleine reeks van stereotypes. Zo zijn er in De Lokroep van Elysium ongeveer drie typen vrouwen, namelijk dat van de femme fatale, dat van de zorgzame moeder of een combinatie van deze twee. Het stereotype van de zorgzame moeder wordt onder andere uitgedragen door Ester, die zich over de vader van Tom afvraagt: ‘Waarom is hij eigenlijk niet op zoek gegaan naar een nieuwe moeder voor zijn kind? Misschien heeft hij geen tijd voor een privéleven, met zijn drukke, veeleisende werk… (…) De jongen zou baat hebben bij de energie van een moeder, een tweede zorgzaam paar armen.’ Het is een saai en storend cliché dat de belangrijkste drijfveer van een vrouw het moederschap zou zijn. De femme fatale personages in dit verhaal zijn echter nog vele malen slechter af. Zo wordt de kwaadaardige dokter S. op een bizarre manier geseksualiseerd door oligarch Kim: ‘Ik ben benieuwd, dacht Kim, of ze zich tijdens de seks voorstelt hoe de vreemde schimmels en bacteriën in haar vulva naar binnen dringen, of dat ze nog ergens anders van kan genieten.’ Misschien is het de bedoeling dat de lezer moet walgen van Kims gedachten, maar omdat alle hoofdpersonen inwisselbaar qua toon zijn, voelt het vooral onrealistisch en onnodig ranzig.

    Naast het gebruik van stereotype karaktereigenschappen staat er ook een reeks opvattingen en observaties in het boek die compleet uit het niets getrokken lijken te zijn omdat er geen context bij gegeven wordt. Deze citaten bevatten een dubieuze en soms racistische toon: ‘Om die te vinden, moest je naar Borneo gaan, als je tenminste niet bang was om op het menu van kannibalen te belanden.’ Het idee dat er kannibalen op Borneo zouden leven is een racistisch en hardnekkig stereotype.* En: ‘De vogels fladderden met hun vleugels, die nooit eerder geziene kleuren hadden. Zelfs de Japanners kunnen die kleuren, die prachtige halfschakeringen, vast niet benoemen, dacht Daniel.’ Ook deze zin doet zonder context de wenkbrauwen fronsen. De ambigue aannames voelen vooral fout aan om te lezen, en het is onduidelijk wat ze aan het boek toevoegen.

    Grr…RRR!

    De lokroep van Elysium probeert de gevaren van de hedendaagse technologie verhalenderwijs in kaart te brengen, maar weet hieruit niks interessants of vernieuwends te creëren. Zonder een geloofwaardige wereld, interessante personages of fijne dialogen boeit het boek nauwelijks tot niet. Soms staan er staan leuke zinnen in die grappig zijn door de beelden die ze oproepen. Een van deze zinnen beschrijft goed welke emotie het verhaal voornamelijk teweegbrengt: ‘“Grr… RRR!” brulde Robert Daniel toe, en hij spreidde zijn vingers om leeuwenklauwen na te bootsen.’ Het boek is wellicht interessant voor mensen die helemaal niet op de hoogte zijn van hedendaagse technologische ontwikkelingen, maar misschien kunnen zij beter een goede documentaire over AI bekijken of een knap uitgewerkte dystopie als 1984 lezen, of het meer hedendaagse Frankusstein van Jeanette Winterson.

     

    * Adrienne Smith beschrijft in British and Dutch Perceptions of Cannibalism in Borneo, 1882-1964 hoe het stereotype van kannibalisme bij inheemse volken in Borneo tot stand kwam en continu door Westerse media werd gestigmatiseerd. Een interessante toevoeging is het artikel Thinking About Cannibalism van Shirley Lindenbaum, waar het discours over kannibalisme gelinkt wordt aan het vormen van de Westerse identiteit ten opzichte van niet-Westerse landen. Het vooringenomen onderscheid tussen barbaars en civiel was een groot onderdeel in het vormen van het Westerse zelf en het Westerse idee van kennis.

     

  • Eenzame teksten, ambivalente gevoelens

    Eenzame teksten, ambivalente gevoelens

    Zolang de stad maar vrolijk is, is de vierde bundel van Co Woudsma sinds hij zijn debuut maakte in 1997 met de sterk visuele bundel Viewmaster. Zijn nieuwe werk bevat veertig gedichten verspreid over vier afdelingen die thematisch op elkaar aansluiten (‘Een grasveld is een woestijn’, ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt’, ‘De doden: ze bestaan’ en ‘Frisse elementen’). Woudsma laat in zijn gedichten de sereniteit en dufheid van het ‘simpele leven’ in herkenbare en soms absurde situaties naar voren komen. De eenvoud waarmee Woudsma schrijft maakt de bundel makkelijk leesbaar en wekt de schijn dat zijn gedichten niet altijd een diepere laag bevatten. De aandachtige lezer ontdekt wel een diepere laag, maar van de bedoelde betekenis zijn er, zoals poëzie dat vaak betaamt, meerdere interpretaties mogelijk.

    De eerste afdeling ‘Een grasveld is een woestijn’ begint met het gedicht ‘De werkelijkheid’ en bevat meerdere elementen die we in de rest van de bundel vaker zullen tegenkomen:

    Een grasveld is een woestijn, maar dan van gras
    en een geschilderde schedel is een schedel.

    Gooi de dorre bladeren in de afvalbak,
    overwin je schaamte en schrijf wat regels op.

    Op de tien, elf bankjes zit niemand,
    de toestellen worden niet bespeeld.

    Kijk uit voor rennende kinderen
    zonder handen en voeten.

    Een dode duif met levende vliegen,
    uit het heuveltje groeit een boom.

    Een vies pak watten?
    Helaas een zwaan.

    Het eerste distichon schetst een beeld dat doet denken aan de té geordende Nederlandse homogene tuintjes of hockeyvelden. Allebei de velden laten een erg magere biodiversiteit toe en ogen daardoor net zoals woestijnen ‘dood’. De zin: ‘en een geschilderde schedel is een schedel.’ kan geïnterpreteerd worden als het idee dat een simulacrum – in dit geval een gedicht – dezelfde eigenschappen als die van het archetype behoudt. Zo kan deze bundel ook geïnterpreteerd worden als de reflectie van de realiteit, namelijk: de verteller en de maker zijn een en dezelfde.

    Ambigu

    De opeenvolgende distichons vertellen chronologisch over elementen die we vaker in de bundel zullen tegenkomen, namelijk eenzaamheid, schaamte, verval, teleurstelling, groei en acceptatie. Zo vormt het eerste gedicht bondig de ontwikkelingen die de verteller in deze bundel zal meemaken. De andere acht gedichten van deze afdeling illustreren het gevoel van dorpse verveeldheid en de honger naar avontuur, naar iets nieuws en onbekends. Een honger die zich voornamelijk laat beperken tot de verre nabijheid van de stad. Zo illustreren zinnen als ‘De lente wil graag zomer worden.’ mooi het verlangen naar verandering. Verder verbeeldt het einde van het gedicht ‘Winterdag’ op humoristische wijze de eenzame bestemmingsloosheid: ‘/ het herinnert me aan oudere winters, // eenzaam maar gezellig. Ook mijn jongere ik / had, langs winkels lopend, zoals altijd glurend, // niet echt een bestemming.’

    Waar het eerste gedeelte van de bundel sterk begon, zwakt de kwaliteit in de tweede afdeling ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt’ enigszins af. De gedichten gaan onder andere over liefde en verlangen. Het is echter onnodig onduidelijk over wat voor verlangens het hier precies gaat. Zo heeft de verteller het in meerdere gedichten over puberteit, jeugd en het verlangen naar de liefde, die voornamelijk wordt toegekend aan tienerjongens. We weten niet wat voor soort liefde dit is en in welke levensfase de verteller zich bevindt, hierin blijft de verteller namelijk erg ambigu:

    ‘Jullie weten niet hoe het is / om naast een heldere jongen te zitten / die heel erg veertien ligt te zijn. (…) Om tegen hem te zeggen: / ‘Ik vergeef dat je een lichaam hebt: / al dat vuil, door volmaaktheid omhuld. // Met het topje van je rechter wijsvinger / het puntje van zijn neus aan te raken, / als hij dat wil. // Ik weet het ook niet.’

    Het bovenstaande fragment doet onder andere denken aan iemand die nooit het ouderschap heeft meegemaakt, maar hier wel over heeft gefantaseerd, al blijft ‘al dat vuil, in volmaaktheid omhuld.’ een aparte omschrijving.

    Interpretatie

    ‘// Een jongen in een etalage. / O zoon des snackbars! / Hij draagt met trots zijn sleutelhanger / maar niemand streelt zijn tweekleurige haren. // Samen patat gaan eten, / op bouwplaatsen en in de regen, / heel vaak het woordje man gebruiken / aan het einde van verliefde zinnen.’

    Net als in het vorige gedicht, is in dit fragment de relatie tussen de verteller en de liefde onduidelijk. Zijn de verliefde zinnen een interpretatie van de verteller? Of zijn de verliefde zinnen gericht aan de verteller? Het is onduidelijk wat voor rol de verteller hier precies inneemt. Aan de ene kant geeft dit het gedicht meerdere interpretatiemogelijkheden, maar aan de andere kant vervaagt daardoor ook de eventueel diepere laag die meer duidelijkheid had kunnen bewerkstelligen.

    Verder is de beoogde humor of betekenis soms ver te zoeken in deze tweede afdeling. In het gedicht ‘Experiment’ wordt de vergelijking gemaakt tussen room uit zoete meisjes prikken en puisten uitknijpen. Het gedicht voegt weinig toe aan de rest van het narratief dat Woudsma probeert te schrijven en is verder ook niet erg grappig of mooi geschreven.

    In het gedicht ‘Voordat je het weet heb je een naam’ wordt een spanning tussen verlangen en consent gecreëerd: ‘// Dus die zonnebriljongen, / een groenbak voortduwend – // niet zomaar strelen. / Niet zomaar je rose handpalm // over die gladde, lichtbruine huid. / En al helemaal niet slaan’. Het verlangen is aanwezig en de boodschap lijkt helder, maar het gedicht brengt niks in beweging.

    Het ongemak en de ambigue verlangens van de tweede afdeling zouden minder storend zijn geweest als ze slechts een enkele keer zouden voorkomen. Dit is echter niet het geval. Zo drukt het ongemak en de soms matige kwaliteit van dit hoofdstuk nogal een stempel op de rest van de bundel en dat is zonde, want Woudsma kan ook fraaie gedichten schrijven.

    Ontroerend

    In de derde en sterkste afdeling: ‘De doden: ze bestaan’, richt de verteller zich voornamelijk op gevoelens van eenzaamheid en verlies. Deze afdeling bevat oprechte en invoelbare gedichten die ook qua poëtisch taalgebruik de bundel ten goede komt. Een voorbeeld vinden we in het gedicht ‘Hospitum’ waar het levenseinde in een ziekenhuis tragisch omschreven wordt: ‘/ Verteerd door naastenliefde slinkt men weg, / mild door morfine en vol dank voor vla / of moes als maal.’ De gedichten over het sterven en de leegte zijn veelal ontroerend en met fijn beeldgebruik geschreven.

    De verteller reflecteert in deze afdeling ook op vroeger en verwijst mogelijk naar gebeurtenissen uit de tweede afdeling waardoor deze iets meer inhoud krijgt: ‘Open de kast, dan zie je heel mijn leven, / verborgen is mijn traag bestaan gebleven. (…) // Het vrolijk spel uit verre jongensjaren / kwam in bestofte dozen tot bedaren. // En afgepeigerd door verbeelde feesten / slaapt op een schap mijn harem knuffelbeesten.’ Hier is de ambiguïteit die de tweede afdeling poogde op te wekken verfijnder uitgevoerd.

    De vierde afdeling ‘Frisse elementen’ begint waar de derde afdeling mee eindigt, namelijk met groei en de acceptatie van verandering. De afdeling vormt een passend einde met soms (on)bedoeld clichématige poëzie: ‘was ik maar een kamerplant’, en soms komische poëzie, zoals in het gedicht waar Co naar de kapper gaat en er ‘stukjes Co vallen op de vloer.’ Dit is een leuke bevinding die een dubbele laag creëert tussen een eenvoudige handeling, zoals haren knippen, en de ontwikkeling en verandering van iemands persoonlijkheid.

    Hoewel het vierde deel meerdere knappe gedichten bevat, valt het te betwisten of al deze gedichten nodig zijn voor het overbrengen van het algehele narratief. Niet ieder gedicht hoeft natuurlijk bij te dragen aan een groter geheel, maar als het gedicht op zichzelf verder niets opwekt rest de vraag waarom is dit gedicht hier? Helaas zijn er meerdere gedichten in de bundel die deze vraag doen rijzen. Daarnaast zijn er ook gedichten die bijdragen aan het narratief, maar verder stranden in vergetelheid. Zo maakt het gedicht ‘Ondertussen’ gebruik van een goedkoop riedeltje over ons geluk dat ook mag bestaan: ‘// Het geeft dat het buiten regent / en men een miljoen Oeigoeren concentreert, / toch mag ook dít geluk bestaan.’

    Het oogt nogal smakeloos en makkelijk om het leed van miljoenen Oeigoeren (en regen!) even kort als ‘jammer, maar helaas’ te bestempelen om het feit dat wij geluk mogen ervaren een zwaardere lading te geven. Als je graag maatschappelijke onderwerpen in gedichten wilt behandelen, doe dat dan subtiel of in meer dan één regel, maar doe het niet voor het shockeffect.

    Illusie van eenvoud

    De bundel eindigt met een gedicht waarin de verteller wijzer overkomt en meerdere verwijzingen maakt naar de eerste drie afdelingen, waaronder een verwijzing naar de tweede afdeling die een herkenbaar ongemak op laat waaien: ‘Elke dag ontdek ik wel een jongen, / waar ik dan onverstoorbaar langs loop / zonder mijn trage vaart te verminderen.’ Wat er precies wordt gezegd weet de lezer nog steeds niet zeker, behalve dat de verteller heeft geleerd om zijn lusten te controleren of onderdrukken.

    Zolang de stad maar vrolijk is presenteert een in veelal klare taal geschreven narratief dat vol zit met ontroerende, ambigue en soms absurdistische beelden. Er staan zowel gevoelige als overbodige gedichten in, waardoor het eindresultaat de lezer met gemixte gevoelens achterlaat. Het is in ieder geval een bundel waar je, ondanks de illusie van eenvoud, lang over kunt nadenken en die je moet herlezen om zowel het overkoepelende narratief als de individuele betekenis te kunnen analyseren, voor zover dat al mogelijk is. Of het dan ook daadwerkelijk de moeite waard is om de gedichten meermaals te lezen laat ik in het midden. Woudsma is er in ieder geval in geslaagd om het verhaal over de stille ontwikkeling van iemands leven in veertig gedichten te vertellen.

     

  • Als jurken konden dansen

    Als jurken konden dansen

    Het is avond in de stad. Door de ramen van de bovenste verdieping van een appartement schemert zacht licht. We bevinden ons op een feest waar men niet schuwt om in het openbaar te zoenen en te vrijen in een omgeving die doet denken aan een huisfeest ergens eind jaren zeventig. We zitten in Penisnijd, de nieuwe graphic novel van Victor Meijer.

    ‘Zo nu en dan… Zo nu en dan denk ik aan de feestjes die mijn moeder graag gaf.’ Vanaf de eerste regels volgen we het perspectief van een jonge tiener die aandachtig de sfeer van zijn moeders feesten observeert. Het verhaal speelt zich af in de verleden tijd en is een terugblik op het leven van de jonge tiener. In de onbezonnen stemming van de nacht voelt hij de vrijheid zich te kleden in zijn moeders kleren: een jurk, een breedgerande hoed en een zondagse waaier.

    Schrijver en tekenaar Victor Meijer, bekend van onder andere de graphic novel Hondsdol en zijn portretten van Hendrik Groen, schrijft in zijn nieuwe werk Penisnijd over een jongen die zich van binnen een vrouw voelt en zich ook zo wil uiten. Het verhaal leest vlot, is op poëtische wijze geschreven en zet je verbeelding aan het werk met zinnen als: ‘Soms leek het huis wel een broeierige treincoupé die de dicht op elkaar gepropte gasten van de avond naar de ochtend bracht.’

    Waar de waaier wappert

    Hoewel de mensen om hem heen zijn vrouwelijke schoonheid beamen, vertelt de hoofdpersoon dat hij dit gevoel indertijd niet zo goed kon verklaren: ‘Ik schreef dat toe aan mijn geweldige acteertalent.’ (…) ‘Ik kon het natuurlijk niet zo onder woorden brengen, maar ik voelde me vrijer in haar jurk en achter haar zondagse waaier, alsof ik me de illusie van een avontuurlijk en bruisend leven toewuifde.’ Waar een graphic novel meestal werkt met tekstballonnen, maakt Penisnijd gebruik van een prentenboek-achtig format. In dit format staat de tekst op de linker pagina geschreven en zien we bijbehorende illustraties aan de rechterkant. De betekenis van een zin zoals: ‘avontuurlijk en bruisend leven toewuifde’ wordt visueel verwezenlijkt door een tekening van een jongen die zelfverzekerd met ogen dicht de zondagse waaier elegant laat wapperen. Vol trots en vreugde paradeert hij langs de feestgangers die juichen en feesten: ‘Ik waande me een vrouw, tot ver na middernacht. Ook op die bewuste avond…’

    Denk na!

    Het gaat echter mis wanneer de jonge tiener aan het einde van de avond alleen overblijft met de laatste gast. Hij wordt door haar geconfronteerd met de vraag of hij een jongen of een meisje is, en of hij dat kan bewijzen door zijn jurk op te tillen. Na deze traumatische ervaring verkleedt hij zich niet meer als vrouw. Penisnijd eindigt dan ook met de pijnlijke realisatie dat de hoofdpersoon het verdriet van toen nog steeds met zich meedraagt. Het boek laat de lezer achter met een gevoel van onrechtvaardigheid. Een gevoel dat roept om overpeinzingen over genderconstructies (1). Waarom moeten mensen zich conformeren aan geslachtsgeforceerde kledingkenmerken? Mag alleen een vrouw zich als vrouw kleden of mogen mannen dat ook? En hoe zit het dan met mensen die intersekse of genderloos zijn? De onschuld en het geluk van de jonge tiener die zich comfortabel voelt in vrouwenkleren toont de positieve houding van een samenleving waar we elkaars verschillen en voorkeuren accepteren. Het conflict en verdriet over deze verschillen ontstaat pas wanneer verbitterde meningen, zoals die in Penisnijd voorkomen, deviaties van gevestigde en traditionele constructies niet kunnen of durven te accepteren.

    In groentinten getekend illustreert Penisnijd hoe de veiligheid en vrijheid van een kind die zijn genderidentiteit aan het ontdekken is, in een fractie van een moment kunnen worden ontnomen. Hoe één nare ervaring voor jaren pijn en twijfel kan veroorzaken. Het verhaal is goed geschreven en getekend. Daarnaast kaart het een belangrijk en relevant onderwerp aan, namelijk de negatieve gevolgen van het forceren van genderconstructies, met name als het kinderen betreft. Een minpunt van Penisnijd is dat het verhaal erg kort is. Het voelt meer als een introductiehoofdstuk dan als een op zichzelf staande graphic novel. Als lezer wil je graag meer weten over de hoofdpersoon en hoe deze reflecteert op het geleden trauma. Desondanks is de kwaliteit van de graphic novel hoog en zijn de pagina’s rijkelijk gevuld met details en emotie, waardoor de lezer na het lezen nogmaals door het boek kan bladeren om te genieten van Victor Meijers betekenisvolle illustraties.

     

     


    1: Het woord ‘genderconstructies’ wordt gebruikt om de maatschappelijke constructies omtrent de betekenis van ‘gender’ aan te duiden. Iemands gender is namelijk niet hetzelfde als iemands geslacht. Het geslacht (man, vrouw of intersekse (2) is een biologische uitdrukking van iemands lichaam, terwijl gender de gevoelsmatige uitdrukking van iemands persoonlijkheid is. Zo kan iemand een mannelijk lichaam hebben, maar zich niet comfortabel voelen met de maatschappelijke concepten die bepalen wat voor eigenschappen iemand tot een ‘man’ maken.
    2: Hoewel mensen vaak denken dat geslacht een binair gegeven is (man of vrouw) strookt dit idee niet met de biologische werkelijkheid. Zo schat het Sociaal en Cultureel Planbureau dat 1 op de 200 mensen een intersekse conditie heeft. Dat wil zeggen dat een persoon zowel mannelijk als vrouwelijke geslachtskenmerken kan hebben. Zo kunnen intersekse personen wel de volgroeide geslachtskenmerken van één sekse hebben, maar hebben ze tegelijkertijd ook een mix van vrouwelijke en mannelijke hormonen, chromosomen of genen. Een ander voorbeeld is wanneer een persoon een niet volgroeide penis én een vagina-ingang of baarmoeder heeft. Het hebben van een intersekse lichaam veroorzaakt geen pijn en is niet ongezond of iets dat moet worden genezen. Helaas is het ‘genezen’ van intersekse mensen een onnodige medische handeling die tot de dag van vandaag nog steeds door artsen kan worden uitgevoerd.