• Oogst week 51 – 2025

    Oceandiva

    Christina Flick (1982) is in Duitsland geboren, maar haar debuutbundel heeft ze geschreven in het Nederlands, omdat ze waardeert dat deze taal een andere logica en woordvolgorde heeft dan haar moedertaal. Maar ook maakt ze in haar gedichten gebruik van de Engelse taal. Haar poëzie valt op door de vele enjambementen, die vaak dubbelzinnig van betekenis zijn, omdat het niet duidelijk is of het laatste woord de versregel afsluit of de volgende opent. Haar associatieve gedichten volgen de chaos en de drukte van een grote stad, die tot vervreemding en eenzaamheid leiden.
    Een vertelstem observeert het stuurloze leven van vier stadsbewoners, die een moeizame relatie met elkaar onderhouden, tijdens hun zwerftochten door de stad tot aan de oceaan. Flick schetst een wereld waarin de vertwijfeling nooit ver weg is en de toekomst ongewis is, maar door de verscheidenheid van onderwerpen en de gedetailleerdheid van Flicks observaties is dit geen sombere bundel.

    droom, bushalte
    er is een gala in het centrum troost ik een toerist
    die dronken is en op weg
    naar een heavymetalconcert dat er niet is
    jij ziet eruit als sharon stone zegt hij
    aangespoeld in de buitenwijken
    van het verlichte ik vind hem vooral
    een whitney houston
    een alarm gaat af een limousine rijdt langs
    met daarin iemand die op ons beiden lijkt
    alleen dan mooier

    Oceandiva
    Auteur: Christina Flick
    Uitgeverij: Uitgeverij Van Oorschot (2025)

    Aan wie, deze offers

    Daniel Vis (1988) is dichter en schrijver van vier dichtbundels en een roman. Zijn tweede bundel, Insect redux, werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs en in 2021 ontving hij de Frans Vogel Poëzieprijs voor zijn gehele poëtische werk.

    In zijn vierde bundel is een man aan het woord die heel graag vader zou willen worden, maar die wens niet in vervulling ziet gaan door zijn onvruchtbaarheid, ‘en mijn zaad dat onvolkomen is’. Dat zet tot twijfel aan en leidt in de gedichten naar de vraag of de man daadwerkelijk een kind wil, of dat hij alleen maar gered wil worden van zichzelf en zijn sterfelijkheid. De gedichten zijn een weergave van zelfonderzoek en richten zich tot de geliefde en tot de goden die een belangrijke rol spelen in deze bundel. Het zijn de oude goden van de Tupi, een verzameling van inheemse volkeren in Brazilië, tot wie de ik-figuur zijn gebeden richt in de vorm van kwetsbare en intieme gedichten. Wie (slacht)offert en wie wordt ge(slacht)offerd zijn vragen die door elke lezer afzonderlijk moeten worden beantwoord.

    Ik vrees wat er te ontwaken staat
    wanneer de vrucht waarom we vragen
    daadwerkelijk tot wasdom komt.

    Ik vrees de liefde die,
    enorm, verpletterend,

    in mij haar plek inneemt –

    wat ze zal vinden
    van mijn eerdere gebeden.

     

     

    Aan wie, deze offers
    Auteur: Daniël Vis
    Uitgeverij: Uitgeverij Hollands Diep (2025)

    Jeroen van Kan (1968) debuteerde in 2017 met de dichtbundel de wereld onleesbaar, in 2019 gevolgd door de verhalenbundel Hoe Matt een dode vis werd. Hij was redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade en werkte jarenlang voor de VPRO-radio. Tot 2019 was hij presentator van het televisieprogramma VPRO Boeken. Hij werkt momenteel als redacteur van het radioprogramma De Taalstaat.

    In zijn nieuwste bundel, komeet ping pong, onderzoekt Van Kan in drie afdelingen komeet, kelder en ping pong hoe hij de wereld om zich heen dient te begrijpen. Hij verkent de grenzen tussen spel en zwaartekracht, tussen eigen koers en andermans baan. De komeet en het pingpongballetje verhouden zich tot elkaar als de ene mens tot de andere, ieder met zijn unieke eigenschappen en tempo van leven. De dichter laat hierbij open welke identiteit de voorkeur krijgt, maar ironie, humor en speelsheid zijn vereist.

    hier of daar

           Ik zat op een heuvel
    en keek uit over istanbul

    naast me een jongen die zich
    voorstelde als berk
    hij was piloot

       goed je te ontmoeten zei ik
    je hebt me niet ontmoet
    antwoordde hij

              hier noemen ze me zo
    maar alleen daar ben ik het

    Auteur: Jeroen van Kan, komeet ping pong Uitgeverij Querido (2025) 9789025320126, 80 19,99
  • Het titelverhaal getuigt van een groot talent

    Het titelverhaal getuigt van een groot talent

    Schrijven over transformaties is een uitdaging voor de schrijver. Ovidius schreef met Metamorphosen wellicht de bekendste verhalenbundel met dat thema, hoewel ook Kafka zich er graag aan waagde met De gedaanteverwisseling, waarin een man in een kakkerlak verandert. Dit verhaal inspireerde weer de Ierse schrijver Ian McEwan tot het schrijven van de schitterende Brexit-parodie, The Cockroach. Interessant thema moet ook Jeroen van Kan gedacht hebben en hij schreef prompt een interessante verhalenbundel waarin het thema transformatie centraal staat. Van Kan kende zelf ook verschillende transformaties, zo was hij redacteur van de literaire tijdschriften De Tweede Ronde en Tirade, werkte hij jarenlang voor de VPRO-radio en presenteerde tot vorig jaar het VPRO Boeken waarna hij directeur werd van de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam (SLAA). In 2017 werd hij ‘ontmaskerd’ toen bleek dat hij onder het pseudoniem Wesley Abstmeyer  gedichten publiceerde. Dit leidde uiteindelijk tot de publicatie van zijn debuutbundel De wereld onleesbaar.

    Transformaties en zelfmoord

    Hoe Matt een dode vis werd is een verhalenbundel met zeven verhalen, waarbij vooral de drie langere verhalen overtuigen. Het motto van Ovidius luidt: ‘Jaag mij uit het rijk van dood en leven allebei! Gun mij een andere vorm!’ Meteen een aanduiding van de twee belangrijkste thema’s van de bundel, transformaties en zelfmoord. Van Kan was zeer geraakt door de zelfmoorden van zijn voorganger bij VPRO Boeken, Wim Brands en van schrijver Joost Zwagerman. Die gebeurtenissen lijken een spoor te hebben nagelaten, het thema dan ook prominent aanwezig in de bundel. 

    In het openingsverhaal Het delicate monster, wordt Philip Verstaggen geconfronteerd met een vergroeiing van zijn kaakbeen. Nauwgezet en tot in de details krijgt de lezer een beschrijving van het tandartsbezoek. Als blijkt dat de tandarts hem niet kan helpen, wordt hij constant doorgestuurd van kaakchirurg tot plastisch chirurg en psycholoog toe. Allen zetelen ze in het Centraal College Uitzonderlijk Medische Gevallen. Overal hoort hij hetzelfde, niemand kan hem helpen en hij moet berusten in zijn lot. Uiteindelijk is zijn misvorming van zodanige aard dat hij als wetenschappelijk onderzoeksobject gebruikt zal worden.

    Kwispelen met de ketting is aanvankelijk een warrig verhaal over schrijverschap en zelfmoord. Het verhaal wisselt voortdurend van perspectief en toont de teloorgang van een schrijverskoppel: hij een ietwat misnoegde , weinig succesvolle auteur, zij een succesvolle soapschrijfster. Als zijn tegenpool Saquelle, razendpopulaire auteur, zelfmoord pleegt, zit er voor hem maar een ding op. Hij worstelt met het leven en wil eraan ontsnappen. Uiteindelijk toont hij hoe de drang naar de dood, los van alle twijfel, overwint. De voorbereidingen en de uiteindelijke sprong van het dak sluiten het verhaal af. Dit verhaal wordt beter naarmate het einde nadert.

    De metamorfoseur

    Een interludium in de bundel is het zeer korte Neem me mee, een mysterieus interactief contact tussen een jong meisje dat met haar ouders zit te eten in een restaurant en een oudere man aan een ander tafeltje. De precieze bedoeling is onduidelijk, ook na herhaaldelijk herlezen. Van een heel andere orde is het heel leuke en bijzonder leesbare titelverhaal. Matt is een man van kleine gestalte die allerlei gedaanten kan aannemen. Gedurende zijn levensverhaal leert de lezer hoe hij ‘metamorfoseur is geworden. Hij kan in alles veranderen wat hij maar wil, maar omdat zijn ouders verdronken zijn na een schipbreuk, wil hij niet veranderen in iets wat met de zee te maken heeft. Als hij op een avond moet optreden voor de visser vakbond, slaat het noodlot toe, zoals uit de titel blijkt. In dit verhaal toont van Kan wat hij allemaal in zijn mars heeft: het is een boeiend verhaal, origineel met spanning en een mooie balans tussen gevoels uitersten. 

    Wisselende duiding

    De bundel sluit af met drie kortere verhalen waarvan vooral De doodroker blijft hangen. Daarin wordt de lezer geconfronteerd met een man die weet dat hij door te blijven roken een eind maakt aan zijn leven. Hij vindt zichzelf een experiment: wat zal er allemaal mislopen als ik blijf roken? Zijn tenen zijn  al geamputeerd, zijn benen zullen volgen. Ook een beroerte behoort tot de mogelijkheden. Dat schijnt hem allemaal niet te deren. Dood moet men toch. In het laatste verhaal In de orde van Apollo toont de auteur wat er kan gebeuren als de routine van alledag in het leven van een oude man wordt gebroken. 

    Hoe Matt een dode vis werd is een interessante verhalenbundel met wisselende kwaliteit. Waarbij het titelverhaal getuigt van een groot talent, Van Kan slaagt er moeiteloos in de lezer volledig op sleeptouw te nemen. De wat kortere verhalen ontberen een duidelijkheid die de lust tot verder lezen kan ontnemen. 

     

  • Opgaan in de wereld of er buiten blijven staan

    Opgaan in de wereld of er buiten blijven staan

    Ruim twintig jaar schreef Jeroen van Kan gedichten onder een pseudoniem. Als Wesley Albstmeyer publiceerde hij in onder andere Het Liegend Konijn en Dietsche Warande & Belfort. Albstmeyer is de achternaam van zijn overgrootmoeder en Wesley koos hij erbij, omdat die naam er ‘zo mooi mee botste’, verklaart Van Kan in een interview van Maarten Moll in Het Parool. Hij voorzag Albstmeyer zelfs van een eigen leven met een voorgeschiedenis, een verblijfplaats en een Facebookpagina. Naast het plezier dat dit ongetwijfeld moet hebben opgeleverd, bood zijn alter ego bescherming tegen de vooroordelen van uitgevers: omdat Van Kan nieuwslezer op de radio is en medepresentator van het televisieprogramma Boeken, kreeg hij het verwijt dat hij ‘de zoveelste [was] die met zijn hoofd op de televisie kwam en dan ook zo nodig nog poëzie moest schrijven’. Als Wesley Albstmeyer voorkwam hij dat commentaar.

    Debuut
    In maart van dit jaar besloot hij onder zijn eigen naam verder te publiceren. De wereld onleesbaar is daarmee zijn debuut als Jeroen van Kan. De titel, gespiegeld afgedrukt op de voorkant, geeft aan wat het thema van de bundel is: er is iemand aan het woord die probeert de wereld om zich heen te begrijpen, een wereld die evenwel onduidelijk en verwarrend blijft.
    De bundel is verdeeld in drie afdelingen: de eerste is getiteld ‘ik’, dan volgt ‘de wereld’ en de laatste is ‘jij’ , alsof de wereld zich heeft opgedrongen tussen de ik en de ander. In de eerste afdeling gaan de gedichten over alleen zijn en het vergeefs proberen te begrijpen van een ander:

    ‘ik wil een lijst van
    alles wat zichzelf genoeg is en
    alles wat ander zoekt’

    Het verlangen om ’tot [iets] te behoren’ wordt meteen getemperd door de wens zichzelf te blijven, alleen en autonoom. Het is aantrekken en afstoten: zodra de ‘ik’ de toegang tot de ander of tot de wereld verleend wordt, deinst hij daarvoor terug en bewaart de afstand. De keuze tussen het opgaan in de wereld of er buiten blijven staan, moet elke keer opnieuw gemaakt worden en de uitkomst is twijfelachtig. Steeds moet de plaats van de dichter ten opzichte van de wereld opnieuw gedefinieerd worden.

    Greep op de werkelijkheid
    De gedichten zijn geschreven zonder hoofdletters en interpunctie. Ze zijn niet gemakkelijk te doorgronden en geven hun betekenis ook na verschillende keren lezen niet altijd prijs: ook hier stelt de dichter er prijs op afstand te bewaren, ditmaal tot de lezer. Sommige gedichten blijven onbegrijpelijk, al probeer je ze van verschillende te benaderen. Dit geldt dan voornamelijk voor de gedichten die gekunsteld aandoen en waarvan er enkele in de bundel voorkomen.
    Veel gedichten gaan over de dood en de machteloosheid om je leven te leiden zoals je dat zou willen; toch is het geen sombere bundel geworden. Af en toe is Van Kan rechtstreeks humoristisch: het gedicht ‘zijn’  besluit hij met de strofe:

    ‘jeroen
    al was het maar
    een dag’

    In de afdeling de wereld denkt de dichter greep te hebben op de werkelijkheid:

    ‘ik zal je eens laten zien
    hoe dit alles werkelijk in elkaar steekt
    hoe ik dit universum afwisselend om je heen kan spannen
    en in je hand kan leggen’

    Maar al gauw blijkt dat het begrijpen van de wereld moeilijker is dan gedacht:

    ‘altijd weer groen maar niet
    bevraagbaar
    leesbaar
    niet stembaar
    wendbaar of
    duidbaar’

    Meest persoonlijke in derde afdeling
    Toch heeft de dichter een manier gevonden om zich staande te houden: in het gedicht ‘doodgedrukt’ heeft hij de wereld naar zijn hand gezet, maar haar tegelijkertijd vernietigd:

    ‘kijk het lijk van de wereld daar eens liggen op die tafel
    waarvan je morgen toch ook gewoon weer eten moet’

    De derde afdeling is de meest persoonlijke. Van Kan telt zijn doden en noemt ze bij hun naam in het gedicht Zorgvliet 1: ‘ik beheer jullie als een inventaris’. Over Wim Brands, die hij opvolgde als presentator van het programma Boeken van de VPRO, zijn vader en vrienden die ‘zichzelf het zwijgen hebben opgelegd’.

    Voor het eerst is er sprake van een ‘jij’ in relatie met de dichter, getuige een aantal gedichten waaruit bewondering en afgunst spreekt voor een: ‘jij die uit alle poriën leven ademt / jij die alles omvat waar ik geen deel aan kan hebben’, om tot de conclusie te komen dat er ook nu niets veranderd is, ‘jij de wereld en ik daarbuiten machteloos toeëigenend’.
    Zelfs de relatie met een ander maakt de wereld niet minder ver of bevattelijker, ‘jij’ en ‘ik’ vallen nooit samen:

    ‘we zijn elkaars kolonie
    we wachten tot
    we onafhankelijk worden verklaard’

    Ontroering en herkenbaarheid
    De gedichten uit deze afdeling zijn mededeelzamer dan de andere en spreken daarom meer aan. Ze zijn eenvoudiger geschreven dan sommige gedichten uit andere afdelingen en komen dichterbij dan de ingewikkelde, afstandelijke gedichten. Dat wil echter niet zeggen dat ze gemakkelijker te duiden zijn: langzaam en aandachtig lezen en de woorden proeven blijft een vereiste. Maar deze gedichten weten te ontroeren en zijn herkenbaar en maken de derde afdeling tot de mooiste.

    Rest de vraag of Van Kan anders schrijft dan Wesley Albstmeyer: een aantal gedichten uit deze bundel zouden nog door Albstmeyer geschreven zijn; er is alleen niet duidelijk welke dat zijn. Volgens Van Kan in het eerder genoemde interview, zou hij ‘als Albstmeyer niet anders schrijven dan als Van Kan’.  De laatste afdeling ‘jij’ lijkt zich te onderscheiden door meer openheid en het tonen van kwetsbaarheid. Het indrukwekkende gedicht vraagtekenvader is heel persoonlijk:

    ‘de dood was je laatste excuus
    om er niet te zijn

    voor mij
    moet daar eigenlijk op volgen want
    dat is wat ik bedoel’

    Het doet er ook niet toe onder welke naam Van Kan deze gedichten geschreven heeft, al zou hij dertig pseudoniemen gehanteerd hebben: uiteindelijk blijft hij dezelfde dichter: ‘ik ben dit alles en dit alles ben ik’.
    In het laatste gedicht moet Van Kan constateren dat zijn pogingen om de wereld te omvatten en erbij te mogen horen op den duur vruchteloos zullen zijn:

    ‘na mij zal alles weer nieuw zijn’
    […]
    na mij ben je buiten de muren bejaag je de velden die je nooit
    meer terug willen brengen naar hier het stilstaand midden
    het begin dat ik blijf’

    Die vergeefse strijd om de wereld te kunnen duiden heeft een mooie bundel opgeleverd.

     

     

  • Oogst week 24

    De lange oren van Midas

    De oogst van deze week; een vergeten debuut van een gelauwerd schrijver; een roman van een Braziliaanse schrijfster die in hetzelfde jaar van verschijnen (2017), in vele landen vertaald werd en het debuut van een dichter die schipperde tussen een pseudoniem en een heteroniem maar nu, na twintig jaar, zichzelf is.

    Op 5 juli is het vijf jaar geleden dat Gerrit Komrij overleed. De Parelduiker bracht al een speciaal Komrij nummer uit als eerbetoon. Met Verwoest Arcadië debuteerde Komrij als romanschrijver maar – naar onlangs bleek – schreef hij op 21-jarige leeftijd in zijn Griekenland tijd op het eiland Kreta zijn debuutroman. De lange oren van Midas wordt nu als het begin van zijn schrijverschap gezien. Het typoscript lag decennia lang op zolder te verstoffen en werd daar door Komrij zelf weg gehaald met de gedachte het te zullen vernietigen. Het herlezen ervan en van zijn Kreta dagboeken, deden hem anders beslissen. Komrij’s biograaf Arie Pos, vond de dagboeknotities en brieven en bezorgde daarmee deze eerste uitgave van De lange oren van Midas, een reconstructie van Komrij’s Kreta-avontuur.

    De lange oren van Midas
    Auteur: Gerrit Komrij
    Uitgeverij: De Bezige Bij

    Heimwee

    Luiza Sauma is een jonge auteur, geboren in Rio de Janeiro en opgegroeid in Londen. Flesh and Bone and Water, (Heimwee), is haar debuutroman. Een roman over identiteit, familiebanden en leven met herinneringen. Het speelt in Ipanema, Brazilië, in de zomer van 1985 wanneer de zestienjarige André Cabral zijn moeder verliest bij een auto-ongeluk. Het verdriet om haar is intens. Troost vindt hij bij de inwonende hulp en haar dochter Luana, met wie hij is opgegroeid, en ze worden verliefd. Dan, dertig jaar later: André woont in Londen en ontvangt een brief van Luana. Waarna zich de dingen in beweging zetten die tot een goed verhaal leiden. En dat verhaal begint zo: “André,
    Een paar weken geleden heb ik je voor het eerst online opgezocht. Je was niet moeilijk te vinden. Er zijn op de wereld heel veel André Cabrals, maar in Londres is er maar eentje. Ik heb een foto van je gezien. Je ziet er nog hetzelfde uit – alleen oud. Ik ben ook oud, helaas. Ik heb je werkadres en je e-mail gevonden, maar dat leek me na al die jaren niet de juiste weg – e-mail gaat te snel. Daarom schrijf ik je een brief.”

    Een boek waarin brieven geschreven worden, dat schept romantische verwachtingen.

     

    Heimwee
    Auteur: Luize Sauma
    Uitgeverij: Ambo/Anthos Uitgevers

    De wereld onleesbaar

    Twintig jaar lang  dichtte Jeroen van Kan in de schaduw van Wesley Albstmeyer, prachtig pseudoniem overigens, en publiceerde in die hoedanigheid in Dietsche Warande & Belfort en Het Liegend Konijn. In Tros Nieuwsshow, waar Van Kan vorige week te gast was, vertelde dat hij als reactie op zijn gedichten – die hij had opgestuurd naar een uitgever – het antwoord kreeg: ‘U bent de zoveelste die met uw hoofd op tv komt en die denkt dat ie kan dichten.’ Ja, dan is het beter een pseudoniem in de arm te nemen dat beschutting biedt tegen uitgevers die hoofd en werk niet van elkaar kunnen scheiden. De bundel bevat voor de helft werk van Albstmeyer en de andere helft is nieuw werk van Jeroen van Kan (‘zelf’, zou ik er bijna achter schrijven). Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar enig onderscheid in de gedichten die door Albstmeyer geschreven zijn en onder Van Kans eigen naam. Albstmeyer had zelfs een eigen Facebook pagina en was jonger dan Van Kan. Hier was haast sprake van een heteroniem, zoals we die bij Pessoa kennen. En dat is waarschijnlijk terug te zien in de bundel.

     

    De wereld onleesbaar
    Auteur: Jeroen van Kan
    Uitgeverij: Querido
  • VPRO Academie samen met Poetry International over de kracht en het genoegen van poëzie

    Een lekker lang filmpje over de 48ste editie van Poetry International. Samen met de VPRO Academie brengt Poetry International drie dichters en een poëzielezer in een programma over de kracht en het genoegen van poëzie. Jeroen van Kan in gesprek met Hannah van Bindbergen en bioloog en auteur Kees Moeliker. Met voordrachten van Van Binsbergen en Jan Wagner.  Stefan Hertmans houdt de keynote speech en brengt onder woorden wat poëzie voor hem vermag.  Geniet ervan!

  • Twee gesprekken, twee schrijvers

     Jeroen van Kan met Margriet de Moor en Emma Cline, intuïtieve schrijvers die beiden niet op internet zitten, niet googlen maar ‘Real Live Search’ doen voor hun boeken.
  • Avond met Wim Noordhoek en Marcel van Eeden

    Avond met Wim Noordhoek en Marcel van Eeden

     

    Hagenaar ben je en blijf je. Ook al verlaat je de stad achter de duinen, hij laat je nooit helemaal los.

    Wim Noordhoek (1943) maakte deel uit van de generatie vernieuwende radiomakers, die in de jaren zestig en zeventig bij de VPRO experimenteerden met vorm en inhoud. Naast radiomaker is hij ook auteur; Muzenstraat en andere Haagse verhalen is zijn tiende publicatie.

    Onlangs presenteerde Wim Noordhoek dit boek over zijn Haagse jeugdjaren, geïllustreerd met tekeningen van beeldend kunstenaar Marcel van Eeden (1965) die evenals Noordhoek, opgroeide in Den Haag. Zowel in de verhalen als in de tekeningen spelen trams een grote rol. Hoewel Noordhoek nu in Amsterdam woont en Van Eeden in Zürich, laat dit boek zien wat hen voor altijd aan Den Haag bindt. Van Eeden met zijn levenslange project waarin hij de wereld van voor zijn geboorte tekent, met nadruk op trams, portiekwoningen, beton en de wederopbouw. Wim Noordhoek in zijn verhalen waarin de Haagse geschiedenis van voor en na de oorlog vorm krijgt. Van het zonnige vooroorlogse Kijkduin tot het naoorlogse Statenkwartier, de resten van de Atlantikwall en de wijk rond Meer en Bos. Allebei weten ze wat het is om op een grijze dag met je rug naar de wereld te staan en uit te kijken over zee.

    Journalist en radiopresentator, Jeroen van Kan gaat in gesprek met beiden.

    Er is een beperkt aantal plaatsen, dus reserveren is gewenst.

     

     

  • De nieuwe Tirade en twee voorgaande edities hier belicht

    In de laatste drie edities van Tirade zetten dichters en literatuurbeschouwers de toon en schrijft Joop Goudsblom verder aan zijn memoires. De tijdschriften bevatten een fijn aanbod van onlangs gedebuteerde – en debuterende auteurs, vertaalde literatuur en persoonlijke literaire verslagen. Tirade onderscheidt zich wel degelijk door plaats te bieden aan een mengeling van prille en doorgewinterde auteurs die in hun stijl verrassen en aan het denken zetten. 

    De nieuwste Tirade (nr. 443) is een themanummer over de auto in de wereldliteratuur: Het Tirade-autonummer, ‘speciaal gemaakt voor hoedenplank en dashboard’. ‘Hoedenplank’ en ‘dashboard’ roepen nostalgische gevoelens op aan vervlogen tijden. Hoofddeksels worden er tegenwoordig in alle soorten en modellen gedragen maar wie legt nu nog zijn hoed op de hoedenplank sinds het veelkleurige gehaakte hoedje (om de aanwezigheid van de onvergetelijke closetrol te camoufleren), de respect afdwingende hoed van vader of opa daarvan verdreef? Ook die closetrol is inmiddels van zijn plaats verdreven. Ruimte genoeg dus voor Tirade.

    Jeroen van Kan vraagt zich af in Dichters rijden niet, waar de mythe vandaan komt dat dichters niet geschikt zijn voor het autorijden en zo ja, waarom dat zo is. Is het simpel omdat ze dan ongelimiteerd drank tot zich kunnen nemen? Met behulp van een enquête kwam Van Kan tot de hem verbazende conclusie dat de helft van de geënquêteerde dichters wel autorijdt.

    De crash, vier keer is een bijdrage van Menno Hartman. Waarin op tamelijk willekeurige manier, zoals je een mooi veldboeket samenstelt, auto gerelateerde ervaringen uit de wereldliteratuur zijn samengebracht. Waaronder literaire werken als Machines en emoties van Hermans en Kousbroek, (Hermans schrijft over zijn ‘gesneuvelde lieveling’). De door een verkeersongeval omgekomen schrijvers Italo Svevo, Albert Camus en Roland Barthes als ook de eerste verkeersdode in Engeland (1869) vinden een plek in dit boeket aan autoleed op wereldniveau.

    Van Vrouwkje Tuinman het gedicht LiveHammer, dat welhaast voor zichzelf spreekt. In Autogedichten droomt Delphine Lecompte dat ze verkracht wordt op de achterbank van een taxi door een imker. ‘De taxi heeft geen chauffeur / De taxi heeft een dode chauffeur.’ Geheel des Lecomptes is het dat ‘de verkrachting’ leest als stond er bijvoorbeeld ‘ze dronken een kopje thee’.

    De invariant van M.G. Jansen gaat over de ervaringen van een perfectionistische treinreiziger die de tijd en zichzelf volledig onder controle lijkt te hebben. Als hij in een treincoupé zijn overbuurman observeert, corrigeert hij zichzelf direct: ‘Bekijk hem niet te lang, kijk naar buiten, met een hand op je tas.’ Jansen schrijft in een dwingende ritmische stijl die, tussen de observaties door, doen geloven dat de man vrij is, dat hij elk moment uit de trein kan stappen waar hij maar wil. ‘Je wilt iets groters, iets onmogelijks. Je wilt de coupé ontstijgen, boven je lucht zien en niet geleid worden (…).’ Het verhaal toont zich in eerste instantie langdradig, je denkt, ‘laat die man uitstappen, zijn vrijheid vinden’. Maar dan, de titel De Invariant indachtig is het duidelijk. Deze man zal nooit veranderen. Een knap beklemmend verhaal.

    In een bijdrage van Geerten Meijsing Eerste rit heeft hij het over zijn relatie met zijn onlangs overleden zus, Doeschka Meijsing. Herinneringen aan zijn kinder- en jeugdjaren die hij begint met: ‘Ter begrafenis van mijn onlosmakelijke zuster was mij door de familie een spreekverbod opgelegd, (…).’ Geerten Meijsing deelt beslist geen pluimen uit en leeft, zoals hij zelf zegt, geheel afzijdig van de Nederlandse literatuur. Eerste rit is een eigenzinnige en daardoor ontroerende hommage aan Doeschka Meijsing.

    Van Tsead Bruinja het gedicht Fennema. Een gedicht, waar achter de ogenschijnlijk simpele strofen, weemoed en wraak op de loer liggen.
    ‘fennema had een zuur hoofd en met dat hoofd / en dat wijf zou hij in ons huis wonen / (…) / fennema had twee zonen ze keken / gemeen uit hun ogen maar niet zo zuur als hun vader /op mijn slaapkamer lachtte de ene me uit / hier zal ik me wel vermaken / maar ik geloof niet dat hij uren door het raam / de weilanden over vloog of brood met aardbeien/ en suiker in de tuin opat’
    De weemoed om het huis van de jeugd, met al zijn toekomstverwachtingen, dat verlaten werd, zal nooit slijten. De dichter wil er naar terug, de sterfelijkheid trotserend.
    ‘(…) maar moeder is allang dood / en het huis staat er nog / als ik dood ben zoek ik haar op / gaan we samen terug / jagen we fennema er uit’

    Meer poëzie van Sylvia Hubers, Gerard van Hameren, Kreek Daey Ouwens en proza van Thomas Heerma van Voss, de Schotse schrijver Norman Douglas (1935). Herinneringen aan het kopen van een Dinky Toys van Joop Goudsblom en Joris van Casteren schreef een reisverslag Het glas van Casanova. Met zijn vierjarige dochtertje reisde hij naar het graafschap Suffolk om daar de locaties uit De ringen van saturnus van de schrijver W.G. Sebald (die overigens in 2001 bij een auto ongeluk om het leven kwam), te gaan bekijken. Per fiets reisde Van Casteren door het graafschap en schreef er een mooi verslag over.

    In Kroniek van de roman onderwerpt Carel Peeters de nieuwe roman van Gerrit Komrij De loopjongen aan een diepgaander onderzoek onderwerpt dan de meeste recensenten deden (die het vooral een ‘echte’ Komrij vinden) en noemt Komrij liefkozend een ‘scheppende schizo’ zoals W.F. Hermans een ‘scheppende nihilist’ was.

    In Tirade – 442 – (Februari 2012) proza van Gilles van der Loo. Dag, Bert over een prettig gestoorde oudere vrouw die zich onweerstaanbaar  gedraagt in een smoezelige echtscheidingsprocedure. Van Daan Heerma van Voss het verhaal Veldkinderen, een ontmoeting tussen twee vrienden. Heerma van Voss heeft een indringengde en bewegende stijl: ‘Rennende kinderen trekken onze blikken mee, (…) Onwillekeurig lacht hij even, mijn vriend. Dan, alsof betrapt, staat hij op om koffie te halen.’ Mooie beschrijving van twee mensen die elkaar alles al gezegd hebben.

    Esther Naomi Perquin componeerde Boekarest, een éénpersoons reisadvies. Perquin is in eerste instantie dichteres en dat is terug te vinden in haar proza. In korte hoofdstukken, waarin ze afstand neemt tot de gebeurtenissen, beschrijft ze haar verblijf in Roemenië. Zinnen als: ‘Kom er aan op een doordeweekse dag.’ of ‘Dat het toeteren dat je hier hoort een andere betekenis heeft dan thuis.’ en ‘Er is een lunch waarbij je aan twee Roemeense schrijvers zult worden voorgesteld.’ geven een gecomprimeerd beeld van Perquins waarneming. Fijne literatuur die zich graag opnieuw laat lezen.

    Willem Otterspeer werkt aan een biografie over W.F. Hermans waarbij hij een correspondentie tegenkwam tussen Hermans en Jan Emmens die ooit een essay over Hermans schreef dat om een of andere reden publicatie steeds misliep. Volgens Otterspeer ‘(…) een van de beste essays ooit over Hermans geschreven.’

    Verder een verhandeling van W.I.M. van Calcar over Vrijheid van meningsuiting in historisch en taalkundig perspectief, schreef Arnold Heumakers een goed stuk over De verthrillering van de literatuur aan de hand van Bonita Avenue en Merijn de Boer de bijdrage De bril van Campert. Het debuutverhaal van Isaac Babel De oude Sjloime werd vertaald door Froukje Slofstra. Een sfeervol wintersprookje Victor Halfnar van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (1931-1989) en proza van Sander Kollaard.

    Gedichten zijn er van Hans Mirck, Mees Hartog, Tjarda Eskes, Anton Korteweg, Adrienne Rich, Linda Greg, Adam Clay en Richard Sikken, de laatste vier in een vertaling van Lieke Marsman. En is Carel Peeters in Kroniek van een roman vol lof over de roman Grip van Stephan Enter.

    In Tirade – 441 – (december 2011) een bijdrage van socioloog Joop Goudsblom (1932). Zijn memoires startte hij in Tirade nr. 429 (2009) en zet hij voort in dit nummer. Een beter podium voor de (voorpublicaties?) van de memoires van Goudsblom (1932) kan men niet bedenken. Goudsblom was ooit (1957) medeoprichter en kwam met de naam ‘Tirade’. In een portretinterview in de Groene Amsterdammer (2-02-2012) sprak Goudsblom onder andere over zijn memoires en dat het een moeilijk genre is. Ze moeten goed geschreven zijn, geen woord teveel bevatten en je moet geloven in wat er aan herinneringen is bij gebleven. ‘(…) ik geloof er ook echt in. Zo moet het gegaan zijn. Ik durf mijn hand ervoor in het vuur te steken’, aldus Goudsblom over zijn memoires. Scholier in oorlogsrijd (memoires, deel II) is een sobere weergave van herinneringen die, doordat ze dus goed opgeschreven zijn, niet anders gebeurd kunnen zijn. Het is zoals het was en niet anders. Goudsblom wil met deze memoires geen tijdsbeeld schetsen, dat dit toch gebeurt komt door het zodanig componeren van de herinneringen dat de tijd waarin het speelt, als een soort couleur locale vanzelf verschijnt. ‘(…) zoals op een oud familiefilmpje, opgenomen om het gedrag van kinderen vast te leggen, onbedoeld nog te zien is hoe de tuin er toen bijstond.’ Mooi is dat.

    Merijn de Boer reisde In het kielzog van Albert Helman door het Surinaamse binnenland. In zes weken voer de schrijver Helman in een uitgeholde boomstam en met drieëndertig man personeel over de Surinaamse rivieren. De Boer en zijn familie passen zich aan de tijdgeest aan en reizen met twee bootsmannen en twee gidsen.

    Verder een in memoriam in briefvorm van de hand van Jeroen van Kan aan de vorig jaar overleden literatuur- en toneelwetenschapper Hans van den Bergh (1932-2011). Debuteert Sebastiene Postma met de twee proza gedichten; Hulp II en De Jakobsladder. En verhalen van Julien Ignacio, Edith Wharton, Victor Frölke, Michiel Heijungs en Marijke Schemer. Meer poëzie van Jan Kruizinga, Hedwig Selles en Nicky Theunissen.

    Carel Peeters schreef in zijn Kroniek een verhandeling over de rol van de grootvader als beschermheer in de werken van Jeroen Brouwers aan de hand van Bittere bloemen.

    Uitgever Wouter van Oorschot plaatste een ‘kadertje’ in deze editie. Hiermee een initiatief van zijn vader, Geert van Oorschot volgend waarin hij jaarlijks lezers opriep nieuwe abonnees te werven en wanbetalers verzocht hun achterstallige betalingen te voldoen. De huidige uitgever, achtte het tijd voor een kadertje nu het voortbestaan van Tirade afhangt van ‘kapitaalkrachtige abonnees met een onbedwingbare mecenaatwens’. Welnu, die mogen zich, wat Van Oorschot betreft, laten gelden om het voortbestaan van Tirade te waarborgen.

    Welke auteur in welke editie precies publiceert, is na te zien op de site van Tirade. Een site die er nogal stilletjes uitziet maar waar maandelijks een auteur resideert die bijna dagelijks een blog schrijft. In het verleden waren dit o.a. Maartje Wortel, Jan van Mersbergen en Menno Wigman. Op dit moment is Sander Kollaard de Tirade blogger. Kollaard woont in Zweden en debuteerde onlangs met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde bij Van Oorschot. Lees zijn blogs en speciaal de bijdrage van 2 juni, het kan wat teweeg brengen, zo’n blog.

     

    Lees en bestel hier:

    Tirade 443 – mei 2012
    Tirade 442 – februari 2012
    Tirade 441 – december 2011
    Onder redactie van: Ester Naomi Perquin, Merijn de Boer, Menno Hartman en Jeroen van Kan
    Uitgeverij Van Oorschot

    Verschijnt vijf maal per jaar. € 12,50 losse nummers € 40,00 abonnement (vijf nummers) € 34,00 voor studenten en CJP-houders