• Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Niet uit het oog: Vlaamse romans uit de 21e eeuw

    Uit het hart is een vriendenboek. Het is samengesteld door de besties Jeroen Dera en Jos Joosten voor hun zeer gewaardeerde collega Jos Muijres die tot en met 2023 universitair docent Moderne Letterkunde was aan de Radboud Universiteit van Nijmegen. Muijres heeft vanaf de jaren ’90 aan die universiteit de Vlaamse letterkunde op de kaart gezet, gevoed en gekoesterd. Hij heeft in zijn colleges, de organisatie van gastcolleges van Vlaamse schrijvers, postacademische cursussen en lezingen een op zichzelf staand specialisme vormgegeven met veel aandacht voor de geschiedenis en cultuur van Vlaanderen. Uit de lezingenreeks kwamen de bundels Op de hielen (2014) en Tegen de schenen (2018) voort over recent verschenen Nederlandstalige romans. Bij zijn pensionering en daarmee vertrek van de Radboud Universiteit is nu Uit het hart verschenen, een verzameling ‘opstellen over moderne Vlaamse literatuur’ die een staalkaart wil zijn van wat in de 21e eeuw tot en met 2023 aan Vlaams proza is verschenen. Collega’s, sprekers, oud-studenten en studenten hebben de bijdragen geleverd voor in totaal 24 beschouwingen, waarmee voor elk jaar uit de nieuwe eeuw een boek is besproken. Uit het hart is bedoeld als tastbaar eerbetoon voor Muijres’ tomeloze inzet. Het levert een gevarieerde bundel op voor geïnteresseerde Neerlandici en andere leesliefhebbers.

    In de inleiding geven Dera en Joosten aan dat de bundel ‘bijdragen met een uiteenlopend karakter’ bevat. Dat is zeker waar en bepaalt mee de waarde van de verzameling. Wat passeert is werk van mastodonten als onder andere Hemmerechts, Verhelst, Verhulst en Verbeke, Stefan Hertmans, Elvis Peeters, Stefan Brijs’ Engelenmaker tot en met Carmien Michels Vaders die rouwen, maar ook de young adultroman Allemaal willen we de hemel van Els Beerten en Mazzel tov van Margot Vanderstraeten, dat over het algemeen als non-fictieboek is besproken. Een grote gemeenschappelijke deler is dat het werk bijna zonder uitzondering grondig door de interpretatiemolen wordt gehaald volgens de heilige wet van het ‘close readen’.

    Staalkaart Vlaamse literatuur

    Muijres zegt in een interview in de Vox, het ‘onafhankelijk magazine van de Radboud Universiteit’ bij zijn afscheid: ‘[…] ik ben ook erg toe aan rust. Als letterkundige sta je voortdurend – in het weekend en in vakanties – onder druk: ik moet dit nog lezen, ik moet dat nog bestuderen. Ik verlang ernaar om van die druk af te zijn.’ Voor de lezer die nog niet van die rust kan genieten en die dus meer mist dan hij of zij kan bijhouden, is deze bundel de bedoelde en waardevolle staalkaart van gekende Vlaamse schrijvers en hun werk. De meeste opstellen beginnen met een heldere uiteenzetting van de inhoud van het besproken werk, handig voor wie het nog niet kent of een opfriscursus kan gebruiken, gevolgd door een specifieke vraag of interpretatie met betrekking tot de inhoud van de roman. Die specifieke invalshoeken zijn zo nu en dan wel erg specialistisch, maar leveren interessante, leerzame en inspirerende opstellen op en bijzondere interpretaties en waarnemingen, bijvoorbeeld over de ‘meerstemmigheid’ in Beertens jeugdroman, ‘de provocatie van de normaliteit’ in Petry’s De maagd Marino, het ‘onderzoeksmatige aspect’ van Kamer in Oostende van Koen Peeters.

    Muijres (1957) is een babyboomer die van een dubbeltje tóch een kwartje werd. Zijn sociale achtergrond heeft hem ‘nederig’ gemaakt, zegt hij in het eerdergenoemde afscheidsinterview, maar zeker en vast ook maatschappelijk geëngageerd. Sociale omstandigheden van personages in romans en de manier waarop die omstandigheden en de personages de lezer voorgeschoteld worden, hebben zijn bijzondere belangstelling. In de opstellen in de bundel is ook ruimschoots aandacht voor allerlei maatschappelijke thema’s en voor betrokkenheid. Het engagement van Verhulst in Problemski hotel krijgt ruimschoots aandacht, het rumoer rond Ruth Lasters’ stadsdichterschap van Antwerpen en haar vermeend ‘niet-verbindende’ gedicht passeert de revue in een opstel over haar roman Poolijs uit 2005, de ‘diversiteitshype’ en het al dan niet bestaan van ‘allochtonenliteratuur’ en ‘migrantenliteratuur’ wordt genoemd in de besprekingen van De lammeren van Mustafa Kör – naar eigen zeggen geen Vlaamse of Turkse schrijver maar ‘auteur’- en Vertel het iemand van Rachida Lamrabats. Bij het opstel over Wil van Jeroen Olyslaegers worden de noties ‘ethische subjectiviteit’ en ‘morele ambiguïteit’ besproken en tot tweemaal toe komt het frisse feministische Fixditcollectief langs, namelijk bij de Fixditschrijfsters Margot Vanderstraeten en Gaea Schoeters, de laatste bij de bespreking van haar Trofee.

    Breed publiek?

    Of de opstellen zoals de redacteuren in het inleidende hoofdstuk beweren ‘steevast toegankelijk geschreven’ zijn, daar valt over te twisten. Een niet-academisch geschoolde lezer zal de hersens stevig moeten laten kraken bij een zin als deze, ook als er geen fout in zou staan: ‘(Jeroen Dera en Jos Joosten wezen me op het feit dat deze functie, op zijn minst in de gedaante van ‘zelfrepresentatie’, centraal staat in modern letterkundig onderzoek – een onontgonnen manier waarop literatuurwetenschappelijke denken taalkundige theorievorming over de functie van taal zou kunnen beïnvloeden.)’ Dit citaat komt nota bene uit het hoofdstukje ‘Taal om te imponeren’ over Lanoyes Sprakeloos! Daarnaast wordt geregeld wetenschappelijk literair-theoretisch of taalkundig jargon gebruikt, wat de bundel niet per se ‘toegankelijk’ maakt voor een breed publiek.

    De naar de Rijksuniversiteit Groningen ‘overgelopen’ hoogleraar Mathijs Sanders schrijft over De maagd Marino van Yves Petry, de roman die in 2011 de Libris literatuurprijs won (en, onvermeld, in 2012 de Inktaapprijs). Die gruwelijke roman is gebaseerd op het waargebeurde voorval van een hoofdpersoon die zijn vriend na diens dood in de vriezer bewaart en stukje bij beetje opeet volgens een vooraf door hen beiden schriftelijk vastgelegde overeenkomst. Protagonist Bruno doceert ‘Hoogtepunten uit de Literatuur van de Twintigste Eeuw’ aan de meest katholieke universiteit van het land. Buiten zijn werkwereld kan Bruno zich nauwelijks staande houden en zonder geloof in literatuur als iets heiligs blijft er voor hem niet veel over. Volgens Sanders laat de roman zelf juist zien dat er hoop is. ‘Nog altijd is de roman in staat lezers te betoveren en te verontrusten. Deze roman markeert niet het einde van de literatuur, maar viert haar triomf.’ Dit geldt voor veel van de in deze bundel besproken romans.

    Jos Muijres kan in 2023 nog niet zeggen wat hij na zijn pensionering gaat doen. Gelukkig is er nog meer dan genoeg te lezen. Om te beginnen dit liber amicorum dat voor de geïnteresseerde literatuurliefhebber een rijk overzicht van de 21e eeuwse Vlaamse literatuur biedt en voor hem ook een waardevol bewijs van vriendschap en waardering is, dat laat zien dat uit het oog zeker niet uit het hart betekent.

     

     

  • Glasheldere gedichten voor een groot publiek

    Glasheldere gedichten voor een groot publiek

    Bij Anna van der Laan kwam eind jaren negentig de poëzie in haar leven. Startpunt was een cursus aan de Groninger Schrijversschool. Met andere dichters richtte ze de Werkgroep Poëzie WP99 op. De werkgroep bleek een motor, ze publiceerden samen diverse bundels. Brief van een lichtmatroos is Van der Laans eerste eigen bundel gedichten.

    Als rechtgeaarde poëzieliefhebber kan er voor mij niet genoeg aandacht besteed worden aan de allerindividueelste expressie van het allerindividueelste woord. Want wie bepaalt uiteindelijk wat goede poëzie is, of wat slechte of wat mindere? Vooropgesteld: alle poëzie is waardevol, elke poëtische uiting zinvol, belangrijk en elke dichter een held. Toch kan er wel sprake zijn van kwaliteitsverschil. Zie bijvoorbeeld alle poëzie op de sociale media. Rupi Kaur heeft wat dat betreft veel losgemaakt met haar tegeltjeswijsheden in poëzievorm: twee of drie regels met veel wit op een pagina en je hebt weer een gedicht. Met andere woorden: je kunt elke al dan niet particuliere gedachte op papier (of digitaal) zetten zodat het lijkt alsof het poëzie is.

    Aan de andere kant bestaan er steeds meer creatieve vormen van omgaan met taal, zoals spoken word, muurgedichten, en nog veel meer. Google eens op Kila van der Starre of Jeroen Dera, twee voorvechters voor poëzie die heel veel ideeën hebben om bijvoorbeeld poëzie aan de man te brengen in het onderwijs en daarmee meer mensen aan het schrijven te krijgen. Dera schreef het zeer lezenswaardige Poëzie als alternatief. Van der Starre en Dera schreven met anderen ook twee boeken met briljante ideeën over het ontdekken van poëzie: Woorden temmen.

    Voorwoord

    Deze bundel van Anna van der Laan is prachtig uit- en vormgegeven, echt een pareltje. Van der Laan schrijft al dan niet prettige, vaak particuliere gedachten op zoals zaken uit haar dagelijks leven, wat ze ziet, meemaakt, wat haar bezighoudt en opvalt. Vraag is of dat belangrijk voor lezers is. En is dat dan een criterium of de gedichten belangrijk of goed zijn of niet?

    Waarom een voorwoord in zo’n mooie bundel vol glasheldere poëzie? Een inleiding waarin Ronald Ohlsen zo maar drie willekeurige gedichten gaat uitleggen? De meerwaarde daarvan is volledig duister. Of is hij bang dat de lezer de gedichten van Van der Laan niet op de juiste manier kan duiden of ze als te gemakkelijk of te licht opzij schuift en niet serieus neemt? Van der Laan is duidelijk in haar gedichten. En als dat niet zo zou zijn, is het aan de lezer er het zijne of hare van te denken, te vinden en te voelen.

    Zeven afdelingen

    De bundel is verdeeld in zeven afdelingen, met elk eigen thematiek. De eerste is gevuld met tedere herinneringen over geliefden(broer, hond, geliefde) en de plaats die ze vaak na jaren innemen. Ze zijn inleefbaar en invoelbaar zonder dat ze sentimenteel zijn.
    In de tweede afdeling geeft de dichter een dichterlijke ode aan een aantal favorieten in haar leven: de boot, Istanboel. In de derde gaat het over herinneringen aan huizen, een moeder. Er komt zelfs een gevild (!) konijn voor. In de vierde en vijfde staan oma, dood en liefde centraal. In afdeling zes verbondenheid met een prachtig gedicht over het afstuderen van haar zoon, gebrandschilderd in een raam van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur: ‘Verbondenheid wordt er niet begraven/maar hergebruikt.’
    Met name in deze afdeling staan nogal wat vrijblijvende gedichten over sneeuw, de nacht, een jonge dode vogel.

    Maar dan dit moois:

    ‘Waarom is je gezicht zo gekreukt
    ben je wel gelukkig en heb je
    vandaag nog gelachen?

    Mijd de geijkte paden
    je bedrijft dan geen zonde

    Wees een jager tussen tijgers
    maak een wandeling in de kou
    je bloesje open.’

    In de laatste drie afdelingen nog meer vrijblijvende gedichten: mooi, maar wel een beetje algemeen, cliché. En in de allerlaatste enkele gedichten in een totaal afwijkende vorm van alle andere in deze bundel. Mooi, maar het is onduidelijk waarom ze opeens kiest voor deze vorm. Is het een volgende stap in haar ontwikkeling?

    In deze bundel geeft Van der Laan aan wat een dichter is of wat ze wil zijn:

    ‘Omdat ik zo nodig een dichter wil zijn
    zou ik haar het liefst elke dag aan mijn tafel
    hebben zodat zij mij de woorden die er niet zijn.

    [ ….]

    Een bericht in de ochtendkrant, een regel uit
    een boek, draken hangend op wolkenbanken
    inheemse vogels kwetterend voor stoplicht.

    Dan schudt de dichter in mij zich op.’

    Complimenten

    Deze dichter schrijft over haar scherpe observaties en vindt daar vaak mooie en beeldende taal voor. Haar thematiek en motieven zijn glashelder. Het is publiekspoëzie, leesbaar en herkenbaar voor veel mensen. Niet altijd wereldschokkend, geen wereldveranderende inzichten, maar wel erg  lezenswaardig en meestal de moeite waard. En in die zin voldoet ze in ieder geval aan het criterium dat er meer poëzie door meer mensen gelezen zou kunnen worden en draagt ze bij aan het belang en de verspreiding ervan. Complimenten aan de uitgever: alles (omslag, lettertype, bladspiegel) is prachtig. Jammer van dat voorwoord en dat ‘gevilt’ konijn.

     

  • Oogst week 39 – 2021

    In de voetsporen van mijn grootvader

    In autobiografische vertellingen dringt zich altijd deze vraag op: welke gebeurtenissen hebben echt plaatsgevonden en welke passages zijn meer aan de verbeelding ontsproten dan aan de realiteit? Bovendien staat het onderscheid tussen verzinsel en werkelijkheid voortdurend onder druk, omdat elke herinnering een subtiele vervorming of romantisering van de waarheid in zich draagt. Met In de voetsporen van mijn grootvader slaagt Margot Dijkgraaf, winnares van de Gouden Ganzenveer, er echter in minutieus verslag te doen van het leven van haar Zeeuwse opa: leraar Duits, poëzieliefhebber en kritische analist van het werk van schrijver Heinrich von Kleist.  

    Dat bepaalde passies een generatie overslaan, is een gevleugelde uitdrukking die andermaal haar geldigheid bewijst; Margot hervindt haar voorliefde voor literatuur via haar grootvaders artikelen. Ze ziet in hem een geestverwant, vooral als ze ontdekt dat hij Penthesilea, heldin uit het werk van Von Kleist, de heraldiek toedicht die normaal gesproken alleen aan mannelijke personages verleend wordt. 

    Honderd jaar eerder dan zijn kleindochter plaveide hij reeds de weg voor een modernere kijk op heldendom in de literatuur. Dijkgraaf schreef voor het verschijnen van deze roman reeds over rebelse, sterke vrouwen in de Franse verteltraditie. Al die tijd keek haar grootvader met haar mee. En voor wie dit een te rooskleurige afspiegeling vindt van Dijkgraafs onderneming, heeft zij een vrije interpretatie van Albert Einsteins wijsheid in petto: ‘Via de verbeelding kun je daar komen waar feiten tekortschieten.’

     

    In de voetsporen van mijn grootvader
    Auteur: Margot Dijkgraaf
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Poezie als alternatief

    Ontlezing is een groot probleem in Nederland, als we alle onderwijsrapporten moeten geloven. Literatuur, en vooral poëzie, geldt al decennialang als een bastion van de elite: zij is onbereikbaar voor het grote publiek en klaagt tegelijkertijd dat niemand haar consumeert. En áls een jonge stem zich aandient een nieuw geluid te vertolken, staan de poortwachters van de literaire elite klaar om deze te weren uit de canon. Zo blijft letterkunde een stoffiger dan stoffig studieobject, waaraan menig scholier zijn vingers niet durft te branden. 

    Jeroen Dera, universitair docent letterkunde in Nijmegen, toont met zijn boek Poëzie als alternatief aan dat de dichtkunst niet slechts voorbehouden is aan grijze heren die in een literair café Baudelaire reciteren. Nee, ook millennials (van wie de oudere generaties beweren dat ze geen ruggengraat hebben) kunnen poëzie leren waarderen. Met de juiste begeleiding, leestips en – het belangrijkste – een geduldige zoektocht ontdekken zij de schoonheid en de kracht van verzen. 

    Om het imago van poëzie onder jongeren af te stoffen gebruikt Jeroen Dera een beproefde tactiek: hij zet vol in op engagement, opdat de aanstormende generatie bij de dichtkunst betrokken raakt. Geen snobistisch gewauwel over het grote Niets, gefilosofeer in de leegte of mooischrijverij in deze bundel. Hij haalt gedichten aan over diversiteit, maatschappijkritiek, klimaatproblemen, neokapitalisme en hij geeft onderdrukte stemmen het woord. Dit boek is een absolute must have voor docenten Nederlands, mits zij hun passie voor gedichten ook maar enigszins willen doorgeven aan hun leerlingen. Dera zei het zelf al zo treffend in de Volkskrant van 4 juli jl.: ‘Gun ook VMBO-leerlingen de verbazing van een poëzieles.’ Dera keert met dit boek het tij tegen de ontlezing. Daarvoor verdient hij alle lof.

     

    Poezie als alternatief
    Auteur: Jeroen Dera
    Uitgeverij: Wereldbibliotheek

    Aardwrijvingen

    Charlotte van den Broeck, schrijfster van het alom geprezen Waagstukken, merkt tijdens een interview in De Morgen op: ‘We behandelen de natuur alsof ze een decor voor de mens is.’ Dit zegt zij in het kader van haar nieuwste poëziebundel Aarduitwrijvingen, tot stand gekomen in Death Valley. De grillen der natuur zijn op weinig plekken ter wereld zo voelbaar als daar, en door die grillen heeft Van de Broeck zich laten meevoeren. Op haar gevoel heeft zij inmiddels meer durven vertrouwen; haar begaafdheid bewees zij reeds met de bundels Kameleon (2015, Herman de Coninckprijs) en Nachtroer (2017, Paul Snoekprijs).

    De titel verraadt al een hoop over haar stilistische werkwijze. Aarduitwrijvingen zijn namelijk kunstwerken van Herman de Vries, waarin aardhoopjes uit alle windstreken van de wereld worden platgedrukt en uitgestreken over papier. Het resultaat? Zuivere aarde, waaraan niets is toegevoegd. De kracht van haar poëzie schuilt dan ook met name in taalzuiverheid en precisie. Op zoek naar de volle zeggingskracht van ieder afzonderlijk woord behandelt de dichteres de taal zoals de natuur eigenlijk behandeld zou moeten worden: zuinig, liefdevol, aandachtig en eerbiedig. 

    Aarduitwrijvingen doet qua spontaniteit en vitaliteit bij vlagen denken aan Hendrik Marsman. Vergis u echter niet in de inhoudelijke relevantie van Van den Broecks poëzie, het engagement van Dera zogezegd. Zij laat impliciet haar licht schijnen over vrouwelijkheid, feminisme en natuurbehoud zónder haar speelsheid en zintuiglijke verwondering te verliezen. Met deze prachtige bundel laat zij zien dat ook de mens slechts een aarduitwrijving is.

    Aardwrijvingen
    Auteur: Charlotte Van den Broeck
    Uitgeverij: Arbeiderspers
  • Oogst week 5

    Het enige verhaal

    Sinds zijn vrouw Pat Kavanagh in 2008 overleed, zijn verlies, rouw, het verstrijken van de tijd en herinneren grote thema’s in het werk van Julian Barnes, waarin liefde en relaties al een voorname rol speelden. In zijn nieuwe roman Het enige verhaal kijkt Paul terug op zijn relatie met Susan. Hij was negentien, zij achtenveertig, getrouwd en moeder van twee volwassen kinderen toen zij elkaar op de tennisbaan ontmoetten. De roman begint met de vraag wat de voorkeur verdient: ‘Zou u liever meer liefhebben en meer lijden, of minder liefhebben en minder lijden?’ Een hypothetische vraag, want de mogelijkheden van de mens om zijn leven richting te geven zijn relatief. Er is alleen dat ene verhaal. Of toch niet? Barnes laat zijn personage in de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud zijn verhaal doen.

    Het enige verhaal
    Auteur: Julian Barnes
    Uitgeverij: Uitgeverij Atlas Contact

    Spiegel spiegel schouder

    Minimalisme dat van binnenuit wordt aangevallen. Zo karakteriseert de Deense Dorthe Nors haar manier van schrijven. Wie haar kent van Minna zoekt oefenruimte / Karateslag weet ongeveer wat dat betekent: proza dat kort, maar niet te kort, door de bocht gaat en zinnen zonder opsmuk tot een verhaal geregen. Hoofdpersoon in Spiegel spiegel schouder is Sonja, de veertig gepasseerd, verhuisd naar de grote stad en nog maar net gedumpt door haar geliefde. Haar kringetje is klein. Ze neemt rijles, maar dat blijkt geen uitweg; rijles is net zo confronterend als het leven zelf.
    Hoe verfrissend de kennismaking met Dorthe Nors en haar verhouding tot taal ook mag zijn, vrijblijvend is haar werk niet. Ze doorziet kwetsbare karakters. Dus zal het lachen de lezer in Spiegel spiegel schouder ook wel weer vergaan.

    Spiegel spiegel schouder
    Auteur: Dorthe Nors
    Uitgeverij: Uitgeverij Podium

    Bundels van het nieuwe millennium

    Van de duizend jaar die het nieuwe millennium duurt, zijn er pas zeventien voorbij. Toch verschijnt na Dichters van het nieuwe millennium (2016) nu ook Bundels van het nieuwe millennium. Jeroen Dera en Carl De Strycker selecteerden 26 bundels die in hun ogen getuigen van vernieuwing van de poëzie dan wel een scharnierpunt vormen in het oeuvre van een dichter. De oudste bundel verscheen in 2000, de meest recente in 2015. Bundels van het nieuwe millennium bevat compacte essays geschreven door Nederlandse en Vlaamse academische poëziespecialisten, die onder andere aandacht besteden aan totaal witte kamer (Gerrit Kouwenaar); Divan van Ghalib (Nachoem M. Wijnberg); Eiland berg gletsjer (Anne Vegter); Vlinderslag (Piet Gerbrandy)’; Wij totale vlam (Peter Verhelst) en Kalfsvlies (Marieke Rijneveld).

     

     

     

    Bundels van het nieuwe millennium
    Auteur: Jeroen Dera en Carl De Strycker (red.)
    Uitgeverij: Uitgeverij Vantilt / Poëziecentrum

    Witheet nadert de ijsberg

    Andreas Oosthoek – ooit, maar sinds 2006 niet meer, hoofdredacteur van de PZC – schreef zijn hele leven gedichten, en toch is Witheet nadert de ijsberg zijn debuut. De ondertitel ‘verzamelde gedichten’ is volgens de dichter dan ook helemaal niet op zijn plaats (slechts 27 van de 199 gedichten werden al eerder gepubliceerd). Het betreft hier slechts een kleine selectie uit de tweeduizend gedichten die Oosthoek naar eigen zeggen sinds 1959 schreef. Gevraagd naar het onderwerp van zijn poëzie, antwoordde de dichter die zichzelf als ‘eenzame ontdekkingsreiziger’ ziet: ‘Wind en water moet je hebben. Veel gaat over relaties, die niet helemaal verwerkt zijn.’

    Witheet nadert de ijsberg
    Auteur: Andreas Oosthoek
    Uitgeverij: Uitgeverij Cossee

    Snijpunt Isfahan

    In 2016 won Maite Karssenberg de VPRO Bagagedrager, een aanmoedigingsprijs voor jonge reisschrijvers. Zij wilde met haar vader naar Isfahan om daar te zoeken naar iemand die het door haar vader Goossen gemaakte ontwerp voor een islamitisch mozaïek in steen kon uitvoeren. Snijpunt Isfahan is het verslag van die reis, waarin veel meer op het spel staat dan alleen dat mozaïek. Maite Karssenberg is zich bewust van de veranderingen die er in de loop der jaren optreden in hun vader(ß)-dochter(α)relatie. Ook staat zij stil bij culturele verschillen tussen de islamitische cultuur waaruit de mozaïeken stammen en de westerse die zich, in de persoon van haar vader, de patronen heeft toegeëigend.

    Snijpunt Isfahan
    Auteur: Maite Karssenberg
    Uitgeverij: Querido Fosfor
  • Poëzie van de 21e eeuw als ‘work in progress’

    Poëzie van de 21e eeuw als ‘work in progress’

    Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw is zo’n boek waar je veel over kunt zeuren, maar dat uiteindelijk toch gewoon geslaagd is. In het voorwoord wordt al een voorschot gegeven: er wordt toegegeven dat de selectie niet compleet is, en dat je als lezer ongetwijfeld namen zult missen.  De afwezigheid van bijvoorbeeld Dennis Gaens is jammer. Maar verder zijn de meeste beeldbepalende dichters die in dit millennium debuteerden, aanwezig. Van Alfred Schaffer en Rodaan Al Galidi tot Ellen Deckwitz en Lieke Marsman, gesorteerd op jaar van debuut. Het besproken gezelschap is representatief divers qua leeftijd en geslacht en meerdere dichters hebben een niet-westerse afkomst; hier dus niet alleen middelbare, blanke mannen. Bovendien is de aandacht goed verdeeld tussen Vlaamse en Nederlandse auteurs, zowel de besprokene als de besprekers.

    Door die variëteit is het fijn grasduinen in het boek. Je kunt bijvoorbeeld eerst de hoofdstukken over de eigen favoriete dichters gaan lezen, of dichters die je op andere wijze interesseren. Of je gaat juist met interesse de stukken doornemen over auteurs met wie je weinig hebt, een goed hoofdstuk kan je namelijk ook aansporen om je oordeel te herzien. Elk hoofdstuk biedt wel een verrijking, een nieuwe invalshoek van de eigen lectuur. In die zin is dit boek zeker geslaagd. Kila van der Starre bijvoorbeeld legt helder uit hoe Lieke Marsman ‘zowel binnen als buiten haar poëzie de relatie tussen taal en werkelijkheid […] thematiseert.’

    Een echt ‘leesboek’ is Dichters van het millennium niet, de stukken zijn overwegend academisch van toon en opzet. Er vallen af en toe termen die waarschijnlijk alleen degenen die een taal- of cultuurstudie hebben gedaan, zullen begrijpen. Het helpt bijvoorbeeld als je het verschil kent tussen een veld in de Bourdieuaanse zin en een isotopisch veld (al kom je zonder die kennis ook heus wel een eind). De auteurs zijn immers ook academici;  verschillende vooraanstaande hoogleraren als Jos Joosten en Erik Spinoy, promovendi als Dera en Posman zelf, en zelfs een researchmasterstudent. Ze stippen van alles aan, elk artikel bevat biografische informatie over de dichter, een korte receptiegeschiedenis en een deel close reading. Ondertussen worden er door het boek heen (soms vrij zijdelings) ook onderwerpen behandeld als: de relatie tussen de Nederlandse en Vlaamse literaire wereld, of de invloed van internet en het podium op poëzie.

    En over die laatste twee punten mag gezeurd worden, om met de internetkritiek te beginnen. Her en der wordt een op internet verschenen recensie aangehaald, maar in veel stukken worden hoofdzakelijk kritieken aangehaald die in papieren media verschenen. En dat terwijl bijvoorbeeld kranten steeds minder ruimte hebben voor poëzierecensies (of überhaupt voor literatuurkritiek), en verschillende websites misschien (nog) niet hun prestige hebben, maar die ruimte juist wel bieden. Denk aan het wat academischere De Reactor, of juist wat meer mainstreamsites als Meander of inderdaad Literair Nederland. Jos Joosten zet een belangrijke kanttekening:

    ‘De receptie [van Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff] toont namelijk stilaan de nieuwe dimensie waarin de internetkritiek voorziet. Op het moment dat geen enkele krant de bundel had besproken, waren er tal van recensies verschenen op het internet. Dit waren over het algemeen serieuze, lange artikelen’.

    Joosten merkte daarvoor al op dat de bundel in de papieren media bijna alleen werd besproken nadat Van der Graaff de C. Buddingh’-prijs had gekregen. Dat Fabian Stolk over de receptie van Annemarie Estors debuut opmerkt dat er ‘slechts éen louter zurige recensie’ verscheen, is daarom bepaald niet chique en een beetje jammer.

    Ander punt van kritiek is de manier waarop veel bijdragende auteurs omgaan met de flink gegroeide populariteit van de combinatie poëzie en podium. Erik Spinoy citeert in zijn bijdrage een interview met dichter Bart van der Straeten: ‘“poëzie die het goed doet op een podium”, dat wil zeggen, “kleinkunstpoëzie met een humoristische kwinkslag”.’ Een dergelijke houding lijkt ook uit verschillende teksten van bijdrages te spreken; je zou je kunnen afvragen of ze recent naar een poëzievoordracht zijn geweest.

    Toch nog   een dichter noemen die mist: een bijdrage over Martijn Teerlinck zou niet verkeerd zijn geweest: iemand die heeft geslamd, én wiens poëzie meer te maken heeft met Faverey en Celan dan ‘kleinkunstpoëzie’. Daarentegen zijn er wel stukken opgenomen over Ellen Deckwitz (slamkampioen 2009) en Maud Vanhauwaert, over wie wordt betoogd dat de opvallende vorm van haar bundel Wij zijn evenredig opgevat kan worden als ‘een poging om de openheid van het podium op het papier te evenaren.’ Kijk, zo kan het ook.

    Er sluimert wel vaker subjectiviteit door; Obe Alkema steekt bijvoorbeeld zijn bewondering voor Ramsey Nasr niet onder stoelen en banken, en dat is vreemd voor zo’n objectief bedoeld en academisch boek: ‘[Hij] laat zijn lezers aan zijn lippen hangen door dramatiek, meeslepende spanning en een indruk van toegankelijkheid. […] Ramsey Nasr is een alleskunner.’ Over Mark Boog merkt Mathijs de Ridder op: ‘In De rotonde keert de dichter veeleer terug naar het thema dat in zijn eerste bundels met zoveel brille had uitgewerkt.’ Zulke passages blijven toch wat merkwaardig, al zijn veel bijdragende auteurs ook poëzierecensent.

    Hoewel nog niet elke bijdragende auteur gewend lijkt te zijn aan belangrijke vernieuwingen van de 21e eeuw, zoals de opkomst van het internet en de grote populariteit van poëzievoordrachten, geeft Dichters van het nieuwe millennium een uitstekend overzicht van de poëzie van deze eeuw; op moment van schrijven natuurlijk nog wel een work in progress omdat we pas in 2016 zitten. Maar dat wordt ook duidelijk in het boek, dat juist veranderingen en ontwikkelingen in kaart brengt.