• Dank u voor deze tuchtiging

    Dank u voor deze tuchtiging

    Jeroen Brouwers is een van de grootste schrijvers van het Nederlandse taalgebied. Hij heeft een indrukwekkend en omvangrijk oeuvre opgebouwd van romans, verhalen, brieven (het prachtige Kroniek van een karakter), essays, feuilletons en polemieken.

    Hij schrijft niet alleen schitterend proza, maar strijdt in zijn geschriften ook tegen misstanden en maatschappelijk onrecht. Met zijn net verschenen elfde roman, over seksueel misbruik en hypocrisie in de katholieke kerk, voegt hij weer een parel toe aan zijn oeuvre.

    Het verhaal speelt zich af 8 jaar na de dood van Hitler, in 1953, het jaar van de Watersnoodramp, op een pensionaat voor jongens van 12-16 jaar. Dit ‘Sint Jozef ter Engelen’ in Blijderhagen, diep in Limburg op de Duitse grens is een filiaal van de Duitse Ordensgemeinshaft der Armen-Brüder des heiligen Franziskus.
    In prachtig proza schrijft Brouwers een felle, agressieve aanklacht tegen de macht van de katholieke kerk. (‘Bommen op het hele instituut roomse kerk.’) Het regime op het jongenspensionaat noemt hij fascistisch, het machtsmisbruik lijkt op de terreur van de Gestapo. En wanneer de Duitse hoofdvestiging vindt dat er ingegrepen moet worden in de gang van zaken omdat het er slap aan toe gaat, wordt er een nieuw Duits schoolhoofd benoemd, die in alle opzichten door kan gaan voor een kampcommandant. Hij misbruikt de jongens niet alleen, maar martelt ze en ranselt ze af met ‘Het hout en de strijkstok’. Mansuetus (de ‘zachtmoedige’) is de naam van deze verpersoonlijking van het kwaad, die ook ‘ever’(zwijn) wordt genoemd vanwege zijn gegrom en gesnuif.

    Ter illustratie:
    ‘Zo’n strijkstok is van pernambukhout. Zo’n stok is licht elastisch, je kan ermee zwiepen. Als je ermee door de lucht slaat veroorzaakt het een zoefgeluid. Dit is mij door Mansuetus, naamdag 19 februari, voorgedaan. Zoef. Klap. Schreeuw. De jongen voorover, de hand van Mansuetus als een bankschroef rond de nek van de gestrafte of rond diens tegen de schouderbladen gedraaide arm om hem tegen het bureaublad onder bedwang te houden, zijn andere hand omhoog om het hout met opperste kracht op het zitvlak te laten neerkomen. (…)

    Het gebeurt zo: De jongen schreeuwt en blijft schreeuwen naarmate de medebroeder, volgeling van onze stichter, de zachtmoedige Franciscus, blijft slaan, hard, nog harder, de voorflap van zijn scapulier over de schouder gegooid om er niet door te worden gehinderd bij zijn inspanning en bewegingen. Hij schreeuwt er tegenin. Meer geluid dan de ruimte in het dode licht lijkt te kunnen bevatten. Gehoorzaamheid en tucht! Jij hebt geen wil! Ik heb een wil! Jij doet mijn wil! Bij ieder woord een steeds fellere klap met het venijnige hout. Hoe de jongen ook kronkelt, de opvoeder blijft met bestudeerde precisie op dezelfde plek van het achterwerk slaan, twintig keer, meer dan twintig keer.’

    Wanneer de afranseling klaar is moet het slachtoffer Mansuetus een hand geven en zeggen: ‘Dank u voor deze tuchtiging die mij rechtvaardig werd toegediend ter eigen lering en inzicht’.

    In het boek staan meer van dergelijke gedetailleerde beschrijvingen, niet alleen van de mishandelingen maar ook van de seksuele handelingen die de broeders bij de jongens plegen. Zo moeten de jongens die met een onschuldig kwaaltje bij ‘dokter’ Johannes Vianney komen –hoewel geen enkele medische kennis en bevoegdheid-, geheel ontkleed op de onderzoektafel gaan liggen, waarna ze uitvoerig lichamelijk worden onderzocht; vervolgens moeten ze tien minuten blijven liggen met de thermometer in hun aars, terwijl de ‘dokter’ op zijn bureaustoel gaat zitten en zichzelf bevredigt.
    Door die directe beschrijvingen van de terreur die de broeders uitoefenen toont Brouwers niet alleen de afzichtelijkheid ervan maar laat hij ook de gelijkenis met de naziterreur zien. De broeders kunnen ongestoord hun gang gaan, er is niemand die in verzet komt.

    Er is één twijfelaar en dat is de hoofdpersoon in het verhaal, de 26 jarige Eldert Haman, broeder Bonaventura. Zijn broedernaam betekent ‘mooie toekomst’, maar is ook de naam van een Franciscaner kerkleraar die gezien wordt als één van de stichters van de orde. Eldert geeft als leek Duitse les op het internaat en wordt op slinkse wijze ingelijfd in de broedergemeenschap. Nadat hij enkele maanden les heeft gegeven terwijl hij inwoont op het internaat, krijgt hij van het schoolhoofd te horen dat zijn salaris niet langer betaald zal worden; hij heeft immers al kost en inwoning. Vlak daarna wordt het gebouw waar hij verblijft verbouwd en moet Eldert verhuizen naar een broedercel. Tot slot verdwijnt zijn fiets en moet hij zijn sleutel inleveren, daarmee is zijn vrijheid verleden tijd. De passage waarin dit beschreven wordt, is een bijzonder treffende karakterbeschrijving van Eldert; hij is een enorme slappeling, dat vindt hij zelf ook, die het allemaal over zich heen laat komen. Dit leidt er uiteindelijk toe dat hij ondanks zijn weerzin voor de gemeenschap tot de orde toetreedt. Ondanks alle pogingen van de orde om hem verder in te lijven, blijft hij een buitenstaander. Mansuetus dwingt Bonaventura aanwezig te zijn bij een afranseling omdat hij ‘allzu unmännlich’ weekhartig zou zijn. Dit verandert de houding van Bonaventura naar zijn pupillen echter niet daarom neemt Mansuetus de lessen Duits over en degradeert Bonaventura tot nachtsurveillant en klusjesman.

    Eigenlijk vraagt Bonaventura zich doorlopend af waarom hij is ingetreden, maar consequenties daaraan verbinden doet hij niet. Hij denkt door te blijven dat hij de jongens kan beschermen tegen het misbruik, maar dat blijkt ijdele hoop. Hij houdt zich steeds minder aan de regels van de orde en wordt een marginale figuur.
    Zijn wankelmoedigheid en besluiteloosheid maken dat hij zich geestelijk steeds verder terugtrekt uit de broedergemeenschap. De zaak escaleert wanneer hij –na een maand helse kiespijn- toestemming krijgt om naar de tandarts in het dorp te gaan. Daar ontmoet hij de jonge weduwe Patricia (‘de nobele’) Delahaye en omdat hij geregeld naar de tandarts moet, ziet hij haar vaker.

    Zij vindt hem leuk en probeert hem zover te krijgen dat hij uit zal treden. Zijn wankelmoedigheid begint hem nu echt op te breken en nadat hij een heftige vrijpartij met haar heeft gehad weet hij dat hij geen broeder meer wil zijn. Toch sluipt hij haar huis uit, terug naar het klooster. Daar wacht hem de zwaarste straf wegens ongeoorloofde afwezigheid: eenzame opsluiting in het moederklooster in Duitsland. Bij terugkomst valt hij middenin de voorbereidingen voor het bezoek van de bisschop aan het pensionaat. Bonaventura helpt broeder Hyacintus en samen laten zij het Christusbeeld uit de touwen vallen. Bonaventura gebruikt vervolgens de wijwateremmer en bijbehorende handdoeken om zich te verfrissen en het Christusbeeld schoon te maken. Broeder Hyacintus verraadt hem. In de periode tussen zijn terugkeer uit Duitsland en het bezoek van de bisschop loopt de spanning op. Bonaventura trekt zich niet veel meer aan van de regels en krijgt uiteindelijk zijn volgende straf te horen; verbanning naar een ver missieoord in Afrika.

    De slotscène vormt een indrukwekkend en aangrijpend hoogtepunt van dit bijzondere boek.

    Het hout is, ondanks de beklemmende sfeer, een genot om te lezen.

    Het is schitterend geschreven, heeft een heldere toon die niets aan de verbeelding overlaat, de geilheid van de broeders en de variatie daarin past helemaal in de door en door verziekte cultuur van zo’n katholieke mannengemeenschap. De namen van de broeders zijn mooi symbolisch gekozen en weerspiegelen de tegenstellingen die er op vele vlakken heersen: tussen werkelijkheid en intentie, tussen binnen- en buitenwereld, tussen contemplatie en zelf niet nadenken. Zo wordt medegedeeld dat je niet hoeft te bidden voor de overleden Stalin (!) maar wel voor slachtoffers van de Watersnoodramp.

    De roman is zeer zorgvuldig gecomponeerd met knappe sprongen in de tijd, die het verhaal spannend houden, ook al is vanaf het begin duidelijk waar het over zal gaan.

     

     

  • Recensentenborrel in Amsterdam

    Het was de warmste dag van November sinds 1848, bleek later. Zaterdag 1 november, de stad was vergeven van de toeristen. Op straathoeken en trottoirs, waar maar een tafeltje kan staan of alleen wat stoelen, geniet men, de toerist, van koffie, salades, borrels en elkaar. Het lijkt wel lente, zo bruist de liefde voor alles en iedereen door de straten van Amsterdam. Ik ben op weg naar Antiquariaat Egidius aan de Haarlemmerstraat, voor een recensentenborrel van Literair Nederland.

    Eerst had ik een afspraak met oudste Zoon om de stad te doorkruisen. We liepen onafgebroken en spraken over wat ons zo bezig houdt. Eerst naar –  en toen door Oud-West. Later rustten we uit op een trapje aan de Brouwersgracht. Zoon at een harinkje uit een servetje. Connie Palmen liep voorbij met een boodschappentas. Ze werd in de drukte door niemand herkend, maar Zoon zag haar. Ik had het nakijken, hoe ze richting Prinsengracht ging. Aan haar rug te zien, wist ik dat zij het was. Zoon ging, na een week vakantie in Nederland, weer terug naar Londen.  Hij liep de Brouwersgracht af terwijl ik hem nakeek. Waarna ik de Herenmarkt doorstak naar de Haarlemmerstraat. Daar zat een man op éénhoog in kleermakerszit in een open venster dingen te roepen waar je van opkeek. ‘Hé, schoonheid!’ Of, ‘Dag lieverd.’ Soms alleen maar: ‘Héééé…! Of Buhhh! Ook dan werd er omhoog gekeken. Wanneer je keek, zag je de man zacht heen en weer wiegen. Een wankel evenwicht dat zich steeds ten goede herstelde.

    Bij het Antiquariaat staat een tafel, vlak bij de ingang, waardoor het winkelend publiek misschien denkt dat er een besloten feestje gaande is Maar zo ging dat niet. Er  stonden flessen wijn en bier en allerlei hapjes. Er was muziek en het publiek, de toeristen, voelden zich vrij om binnen te komen. Sommigen dronken een wijntje mee. In Amsterdam kan alles, zullen ze gedacht hebben. De winkel bleef open tot ver na sluitingstijd. En doorbrak daarmee de stilte in de verder gesloten en donker wordende Haarlemmerstraat.

    De recensenten vermaakten zich voortreffelijk. Er werd gedronken, gelachen, recensies doorgesproken. Titels en auteursnamen vlogen over en weer. Er werden boeken genoemd die toch echt gelezen moesten worden (Zonsopgangen boven zee). Er werden tips gegeven voor als je vastloopt met een recensie. Of als je het boek niets vindt. Dat je er boven moet staan als recensent, werd er geleermeesterd. Enkelen hadden elkaar direct herkend als recensent. Een enkeling vergiste zich en sprak een klant aan. Andersom gebeurde dat een klant een recensent aansprak. ‘Hello, I’m from Manhatten. I wonder if you could help me …. Antiquriaat Egidius verkoopt veel (originele) prenten en oude stadsplattegronden. Een mooie collectie. Uit de lange wand met boeken zochten de recensenten drie boeken naar keuze terwijl een violist, een cellist en accordeonist muziek van Astor Piazzolla speelden. De wijn werd nog eens bijgeschonken. Waarna iedereen, voor even gelouterd en bemoedigd, weer op huis aanging.

     

  • Vakantierubriek – een persoonlijke top 3

    Oude mensen

    door Vic Veldheer

    Een top 3 uit de Nederlandse literatuur over oude mensen.

    1. Louis Couperus, Van oude menschen de dingen die voorbijgaan (1906)
    Deze prachtige, rijke familieroman over een moord in een Haagse familie, wordt verteld op een moment dat de moordenares 97 jaar is. Zij heeft 60 jaar eerder haar man vermoord in Nederlands-Indië. Binnen de familie is deze moord  een goed bewaard geheim. Een van de vele thema’s in het boek is de angst voor ouderdom in de wetenschap dat de tijd voortschrijdt. Een klassieker!

    2. Jeroen Brouwers, Bittere Bloemen (2011)
    Bittere bloemenDit prozaïsch hoogstandje gaat over een 81 jarige man die terugkijkt op zijn leven in het aangezicht van de dood. Hoewel hij met veel voldoening op zijn succesvolle leven zou kunnen terugkijken, overheersen cynisme over en gekanker op de eenzaamheid waarin hij geleidelijk is komen te verkeren. Stilistisch weer een prachtig boek van wat ik beschouw als een van de beste schrijvers in het Nederlandse taalgebied.

     

    Ex aequo: 3.Remco Campert, Het satijnen hart (2006)
    Het satijnen hartMooie, sensibele roman over een bejaarde, somberende schilder wiens ouderdom nieuw leven wordt ingeblazen na het overlijdensbericht van zijn vroegere vriendin. Een pareltje!

     

     

    Anton Korteweg, Ouderen zijn het gelukkigst (2009) (gedichten)
    Ouderen zijn het gelukkigstDeze bundel verscheen toen de dichter 65 werd; het staat in het het teken van de opvatting van Prof. dr. H.C. Rümke dat met ingang van het praesenium, de leeftijd volgend op de viriliteit en voorafgaand aan de ouderdom, het leven vredig geleefd kan worden. Kortweg schrijft vrolijke, vredige gedichten over het geluk van oud zijn.

     

  • ‘Bezie uw werk als de spaanders van de plank die ge had willen zagen.’

    ‘Bezie uw werk als de spaanders van de plank die ge had willen zagen.’

    Tien jaar na het overlijden van Godfried Bomans
    († 1971) verscheen deze monografie als bijlage van Vrij Nederland, een jaar later in boekvorm. Nu, honderd jaar na de geboorte van Bomans, werd Jeroen Brouwers door uitgeverij Atlas Contact in de gelegenheid gesteld zijn boek nog eens tegen het licht te houden met het oog op een nieuwe druk. Jeroen Brouwers bezag zijn werk en zag dat het nog steeds goed was.

    Op de vraag die hem indertijd gesteld werd wat hij in godsnaam had met Godfried Bomans, antwoordde hij: ‘Hij is familie van mij!!’ En niet alleen Jeroen Brouwers zegt schatplichtig te zijn aan Godfried Bomans, maar ook menig ander Nederlands literator erkent dat te zijn, bijvoorbeeld Harry Mulisch.  Zij roemen Bomans dan vooral om zijn grote stilistische kwaliteiten – ‘de nu en dan volmaakt schrijvende Bomans’ – , niet om wat hij schreef, dat beschouwen zij als ‘niet veel soeps’. Hierin schuilt iets tragisch. Bomans kon liegen alsof het gedrukt stond. Zo schijnt hij ooit op een feestje aan alle aanwezige dames zijn levensverhaal te hebben verteld en alle verhalen bleken volkomen van elkaar te verschillen. Dat gaf hij ook ruiterlijk toe: ‘De waarheid is wat ik ervan maak’.  De feitelijke toedracht der gebeurtenissen was voor hem niet interessant, het gaat om de ‘nieuwe waarheid’ die de verteller creëert.  In het creëren van deze nieuwe waarheid kwam Bomans echter nooit verder dan briljant vertelde flauwiteiten, ‘geslachtsloze schrijfsels’ zoals Gerard Reve zijn werk typeert.  Jeroen Brouwers weet dit tragische onvermogen van Bomans goed bloot te leggen zonder afbreuk te doen aan zijn gevoelens van respect en waardering voor Bomans. Na 1950 heeft Bomans geen boek van betekenis meer geschreven. Hij teerde eigenlijk nog slechts op de successen uit het verleden door zichzelf op allerlei spreekbeurten in den lande, op radio en later ook op televisie voortdurend te herhalen.  Bomans was populair, mateloos populair. Hij verloor het contact met de wereld van de literatuur en kwam steeds meer in de greep van ‘het droefmakend volk uit het Gooi dat verantwoordelijk is voor stupidisering, infantilisering, kunsthaat en smaakverpesting’. Bomans werd steeds eenzamer. Eigenlijk schuilt er in het beeld dat Jeroen Brouwers ons van Bomans schetst iets van de ondergang van een Klassiek Griekse held: briljant, door de goden zelf voorbestemd tot grootse daden en werken, op handen gedragen door het volk, maar ook geketend aan de draden van het lot en de tijd: de Moira, die zelfs de macht van goden te boven gaat.

    Treffend is de vergelijking tussen Bomans en Reve, van wie wij hierboven al hebben laten zien dat hij niet veel ophad met Godfried Bomans. Brouwers grijpt op een knappe manier de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig door te laten zien dat, terwijl Gerard Reve, afkomstig uit een niet-katholiek nest, zich bekent tot de R.K. Kerk vanwege het daaraan verbonden ritueel en dat ritueel ook op provocerende wijze sublimeert, Godfried Bomans, diep geworteld in de ultramontaanse traditie van diezelfde kerk, zich manifesteert als een haast Erasmiaanse spotvogel van de ambtsdragers van die kerk en de aan hun ambt verbonden rituele handelingen, waarvan hij zich echter nooit zal kunnen losmaken.  Bomans reageert enthousiast op de uitspraak van Reve: ‘Het menselijk bestaan is een verschrikkelijke ziekte die onherroepelijk eindigt met de dood. Wat moet je nu doen? Je moet zèlf,  als leek,  poliklinieken inrichten waar je psychotherapie beoefent, en waar je allerlei rituele handelingen uitvoert die een bezwerende werking hebben en waardoor de mensen weer een paar etmalen het bestaan aankunnen. Dàt is de kerk.  En inzonderheid is dat een kerk, die niet theoretiseert over zonden en over korte rokken en zo, maar één die een mysterie opvoert zoals de katholieke kerk.’  Voor beiden wordt het ritueel steeds meer de werkelijke essentie van het geloof. Alleen waar Reve provoceert en dus shockeert, conformeert Bomans zich en verwordt zo, in de ogen van Jeroen Brouwers, tot de ‘Anton Pieck van het katholicisme’, al tijdens zijn leven de ‘personifiëring van het verleden’.

    Bomans eindigt zijn leven eenzaam, weliswaar op handen gedragen door het kijkbuisvolk, maar uitgelachen door de literaire wereld, waartoe hij toch eigenlijk behoorde.  Jeroen Brouwers geeft weer hoe Harry Mulisch de beëindiging  van zijn vriendschap met Bomans als volgt beschrijft: ‘Kort voor Bomans’ dood stonden hij en Bomans per toeval, ieder in hun eigen auto, naast elkaar, in Haarlem voor een rood stoplicht te wachten. “Een tijdje zaten wij toen dom tegen elkaar te lachen, tot het licht op groen sprong; hij stak zijn hand op en sloeg rechtsaf. Ik moest rechtdoor.”‘ Zijn verblijf op Rottumerplaat, kort voor zijn dood, waar hij exhibitionistisch zonder kleren rondloopt, maar in zijn dagboek noteert: ‘Ik ben als de dood voor exhibitionisme van mijn diepere gevoelens’, geeft de tragiek van Bomans prachtig weer.  Jeroen Brouwers toont zich hier heel meelevend, want verontwaardigd door te zeggen dat het precies die angst is die Bomans heeft belet een groot schrijver te worden. Hij heeft zich uiteindelijk te veel laten coachen door ‘lulhannessen’ als Willem Duys en zijn coterie (blz. 148), die hem aanmoedigden ‘produktie’ te maken en te weinig door mensen die hem zouden kunnen aanmoedigen zich bezig te houden met zijn eigenlijke werk, nl. het schrijven van boeken. Doodziek en gek van eenzaamheid keerde hij terug naar de vaste wal om korte tijd later te sterven.

    Over Godfried Bomans

    Auteur: Jeroen Brouwers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas Contact
    Aantal pagina’s: 192
    Prijs: € 18,95

  • Literaire tomaten

    Literaire tomaten

    Misschien maar beter bij aanvang gezegd: wanneer de slotwoorden van deze negende feuilletonbundeling er niet om liegen, is hiermee zijn laatste verschenen: ‘Ik neem afscheid van de trouwe volgers van mijn Restletsels. Vaart allen wel en: ketemoe lagi!’ Anders dan bij Philip Roth, die onlangs kenbaar maakte niet meer te schrijven omdat hem daartoe geestelijk de strijdlust ontbrak, ligt bij Jeroen Brouwers de oorzaak vooral in het fysieke: twee herseninfarcten, een lamme schrijfhand bij een toch al puffend, reutelend en haperend lichaam maken het schrijven voor hem tot een hels karwei. Te geloven dat de inspiratie bij deze literaire mopperkont tanende zou zijn ligt niet voor de hand gezien de omvang van dit negende deel feuilletons. Met bijna 300 pagina’s is deze laatste bundel z’n dikste en misschien ook wel z’n beste.  Al blijft de ouverture Zwavelzuur ondermaats: een wat oppervlakkig stuk gewijd aan Willem Frederik Hermans en dan vooral aan diens Mandarijnen op Zwavelzuur, het zuurbad waarin Hermans vanaf de jaren vijftig de toenmalige mandarijnen van het literaire establishment de oren waste. Brouwers brengt hierin geen nieuwe visie naar voren. ’t Lijkt eerder duidelijk te willen maken waar hij de inspiratie voor zijn eenmanstijdschrift vandaan haalde, en verder scherpt hij het begrip ‘polemiek’ aan: ‘Polemiseren: is chargeren, overdrijven, pletten. Hoe heftiger hoe leuker. Belachelijk maken, simplificeren: allemaal toegestaan. Hoe scherper de karikatuur, hoe duidelijker de essentie van de ergernis. (..) Wie polemiseert moet vooral niet met zeven brillen op en met in iedere hand een vergrootglas aandachtig gaan zitten nuanceren (…) Kinderachtig? In de liefde en de polemiek doet alles ertoe. (…) Polemiek is nooit verheffend.(…) Kenmerkend voor de polemiek is de taalbrille waarmee het allemaal wordt uiteengezet en opengelegd (…) Het komt aan op de hakbijlscherpe formulering van hetgeen in de ogen van de polemist ten hemel schreiend verkeerd is en op exacte karakterisering van de persoon die zich eraan heeft bezondigd, waarna het tomatengooien kan beginnen onder het liefst zo hilarisch mogelijk en ijzig sarcastisch slaken van beledigingen, beschimpingen en vervloekingen, alles in zo briljant mogelijke taal en zegging.’ Voor wie mocht denken dat dan alles geoorloofd is, knijpt Brouwers in de rem: ‘Niet lasteren. Niet liegen. Polemiek moet in die zin betrouwbaar en waar zijn, dat alle schandelijkheden die de polemist zijn tegenstander in diens verwerpelijke tronie wrijft, met bewijzen en argumenten moeten worden gestaafd’. Brouwers betreurt het intussen dat de polemiek geen echte literaire erkenning geniet zoals een roman, toneelstuk of gedicht. Terwijl de polemiek zijns inziens bepaald niet het makkelijkst te beoefenen literaire genre betreft, waaraan men zich dan ook beter niet waagt als men zich niet reeds eerder in andere literaire vormen heeft bekwaamd. In navolging van wat wijlen F. Jacobse van De Tegenpartij als ‘interrumperen’ beschouwde, te weten ‘mondelinge tomaten’, ziet Brouwers het polemiseren dus als een soort literaire tomaten. Welnu, de positie is bepaald, het mes is geslepen. Beginnen maar!

    Van alles komt langs. Kleine dingetjes, grote dingetjes. Soms wat gezocht, soms wat melig (‘Aleid Truitjes’). Soms wat aanstellerig taalgebruik als ‘onderlaatst’ voor ‘onlangs’, en het parmantige ‘collegae’. Brouwers bewandelt stilistisch niet de kortste route: ‘Het door J. Weverbergh door het Letterenhuis geoffreerde bedrag, waarvoor J. Weverbergh met het Letterenhuis tot overeenkomst kwam, deed J. Weverbergh opeens beseffen (..).’ Natuurlijk, die stapelmethode is onderdeel van zijn stijl, maar ’t kan soms vermoeiend lezen. Stilistische overacting ligt op de loer. Maar toch leg je als lezer de bundel niet weg, want als Brouwers eenmaal echt los gaat, krijg je als lezer beslist iets smakelijks voorgeschoteld. Dan voldoet hij ruimschoots aan zijn eigen definitie van de polemiek. Het fulmineren tegen het Letterkundig Museum (‘letterenbordeel’), inzonderheid tegen de directeur die als ijdeltuit wordt afgeserveerd, is tot een omvangrijk prachtstuk uitgegroeid. En daarbij mag zeker gelachen worden. Directeur Aad Meinderts ging bij wijze van ‘literaire roadtrip’ de graven langs van honderd vooraanstaande, dode Nederlandse schrijvers. Om er een roos op te leggen. Uit het daarvan verschenen boekje lepelt Brouwers zo nu en dan een citaatje op, dat hij van snedig commentaar voorziet: ‘“Tijdens de reis twitter ik dat het een aard heeft”, schrijft de druktemaker. Dat het een aard heeft! Zelf ter aard had hij moeten gaan. In overall. Schrobben had hij gemoeten, als pantheondirecteur de schrijversgraven om te beginnen schoonboenen als stijlvol eerbetoon, dat had hij gemoeten, nederig en met respect, op handen en knieën over de arduinen naamplaten kruipend van degenen aan wie hij zijn leuke baantje dankt.”’ De terechtstelling van Jan Siebelink verderop in de bundel is niet minder vermakelijk. Hoe de zichzelf in interviews als calvinistisch afficherende schrijver ooit eens ten overstaan van Brouwers en diens toenmalige gezellin schaamteloos kenbaar maakte lust te hebben ‘in een lekkere hoer’ leest men beter zelf. Brouwers op z’n best!

    Brouwers zou Brouwers niet zijn als de polemiek zo nu en dan niet ook plaatsmaakt voor stukken waaruit overduidelijk compassie spreekt. In een kort, liefdevol geschreven stukje over de overleden literaire verschoppeling Marcel van Maele treft de fraaie zin: ‘Hij zorgde ervoor dat men om hem lachte als clown, om niet te worden uitgelachen om zijn ernst.’ Een waarderend stuk, De wereldreus, over Harry Mulisch die Brouwers altijd hoog had staan, mist daarentegen een heldere lijn. Als persoonlijk eerbetoon komt het niet echt uit de verf. Wel weet Brouwers ook hier met sommige fraaie, in dit geval niet pesterig bedoelde typeringen te scoren als ‘bejaarde poppenkasthoofd’ voor de kop van Mulisch. Het opstel schudt een tas met wederwaardigheidjes leeg en de lezer mag er naar believen wat uithalen. Een van de interessantste is evenwel het feit dat Brouwers het motto voor zijn roman Bittere Bloemen lukraak gekozen heeft toen hij, na van Mulisch’ dood vernomen te hebben, een Mulischboek uit de kast trok en opensloeg…Geheel in Mulisch’ stijl om het raadsel te vergroten, houdt Brouwers de vindplaats van het citaat voor zich.

    Met het klimmen der jaren mag zijn vriendenschare afgenomen zijn, het aantal vijanden lijkt er niet minder op geworden. En over die laatste lijkt Brouwers bij lange na niet uitgeschreven. De Nederlandse Taalunie rekende buiten de waard toen zij de auteur in 2007 met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren waardig dacht te eren. Het daaraan verbonden geldbedrag van € 16.000,- was in Brouwers’ ogen echter niet in overeenstemming met de zogenaamde waardigheid van de oeuvreprijs. Hij weigerde dan ook. De schimpscheuten richting die club schieten nog steeds voorbij in deze bundel. Her en der, in gevarieerde formulering, weerklinkt het als een Leitmotiv: ‘Intussen blijft onverminderd mijn overtuiging staande dat het onzininstituut taalunie, drijvend op miljoenen uit twee landen die krom gaan onder de bezuinigingen en inkrimping, onmiddellijk en zonder dat iemand het missen zal, kan worden opgedoekt’. Ach, Brouwers zit nog zo vol van anderen dat hij niet eens veel plaats inruimt voor zijn eigen sores. Want natuurlijk slaat de titel Restletsels behalve op het geestelijke ongemak ook op de fysiek zorgelijke toestand van de schrijver zelf. Ook dat is een terugkerend motief. Het zelfbeklag blijft echter ondergeschikt aan het op de hak nemen van de hedendaagse, door computers bestierde ziekenhuizen en de eeuwenoude arrogantie van sommige geneesheren. Tja, na lezing van deze bundel bekroop me toch het gevoel dat het ergens onrechtvaardig zou zijn als Brouwers wordt opgeheven in plaats van de Taalunie.

     

  • De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    De Brakke Hond – Vlaams literair tijdschrift

    Het Vlaamse literaire tijdschrift De Brakke Hond verschijnt sinds vorig jaar zomer als stevig en mooi uitgevoerd magazine. Opvallend is dat er meer ‘grotere’ namen aan het blad meewerken dan voorheen. Ex-journalist en boekhandelaar van De Zondvloed Johan Vandenbroucke heeft zich over het blad ontfermt als hoofdredacteur. Sindsdien zijn er vier nummers in de hernieuwde vormgeving verschenen. In plaats van driemaandelijks verschijnt De Brakke Hond tegenwoordig tweemaandelijks.

    In het voorlaatste nummer van De Brakke Hond wederom een aantal fraaie bijdragen: De kroniek Restletsels (2) van Jeroen Brouwers over woorden die je nooit meer hoort, zoals ‘Matsig’ in de betekenis van een drukkende, benauwde dag. Een dialectwoord uit Limburg of Brabant dat opeens weer bij hem bovenkomt  sinds hij het in zijn ‘prille jongentjesjaren’ voor het eerst hoorde. En over gemeenplaatsen als: ‘Er viel een stilte, zij was de schok nog niet te boven’ etcetra. Een type taal dat uitblinkt in saaiheid, Brouwers zou dit type het liefst een schop geven.

    In de  kroniek van Chretien Breukers De redding van de poezie legt Breukers op pamfletachtige toon uit hoe het uitgeven van poëziebundels kan worden gestimuleerd. Breukers stelt voor de uitgave van een dichtbundel te honoreren met een bedrag van 1500 euro. Aldus richt hij zich tot ministers en staatssecretarissen: ‘Mocht u komen met het argument dat er geen budget kan worden vrijgemaakt omdat het ‘crisis’ is, dan wil ik u toch even iets anders voorleggen. (…) bedenk ook, dat de poezie (of de taal) niet alleen ‘gansch het volk’ is, maar ook het geweten van ‘gansch het volk. 1500 euro voor elk brokje geweten is een koopje.’

    Een stuk van Ann Meskens over Dieren in de kunst: van de jacht op neushoorns tot hamsters als speelbal, waarin ze zich afvraagt wat er met ons en onze maatschappij aan de hand is dat we storm lopen voor een hamster of een varken. De antwoorden jagen haar bij voorbaat angst aan. En over kunstenares Tinkebell, die in januari van dit jaar werd vrijgsproken van het martelen van hamsters. Meskens weet het uiteindelijk wel. Als zij een varken was zou zij liever in handen vallen van kunstenaar Wim Delvoye (die graag een aantal varkens zou willen tatoeren) dan in handen van de voedselindustrie.

    Stevige gedichten van dichteres en kinderboekenschrijfster Reine De Pelseneer met titels als: Wrong, Kering, Zwier en Opvlucht. Voor de voetballiefhebbers: een twintig pagina lang – overigens prachtig relaas van een voetbalfan in hart en nieren – van sportjournalist Dirk Deferme, Raymond ‘zoals in Goethals’. Verder poezie van Anna De Bruyckere: Hackeschermarkt, Berlin en Bart Janssen met: Onderling. En een essay van Joris Note getiteld: Alle die talen, over teksten die nooit eenduidig zijn.

    Verder  een exclusieve vertaling van het verhaal ‘Huiswerk’ van Japans best bewaarde geheim Shotaro Yasuoka (1920), een door Haruki Murakami op handen gedragen schrijver. Een kortverhaal van pseudoloog A.H.J. Dautzenberg  en van de jonge talenten Y.M. Dangre en Anna De Bruyckere. Y.M. Dangre is onlangs genomineerd voor de C. Budding- prijs voor zijn dichtbundel Meisje dat ik nog moet. En verhalen van Christophe van Gerrewey De erfenis van Esther en Frank Adam schreef De bastaard van Brugge.

     

  • Recensie: Gezichten, gestalten – Jeroen Brouwers

    Recensie door: Machiel Jansen

    Wachten op de dood

    Alle grote kranten en persbureaus hebben uitvoerige levensbeschrijvingen van bekende personen klaarliggen zodat ze deze snel kunnen publiceren in het geval de betreffende persoon overlijdt. Beroepsschrijvers die deze stukken schrijven, herdenken de beroemdheid tijdens zijn of haar leven al. Als de dood komt, betekent dat dat het in memoriam afgemaakt kan worden.

    Jeroen Brouwers zou wel eens boos kunnen worden als iemand zou suggereren dat ook hij een dergelijk archief van levensbeschrijvingen bijhield. Wachtend op de dood van een collega om bij het nog warme graf te kunnen publiceren. Zo berekenend terugkijken op een leven komt hard en onoprecht over. We hebben liever dat uit verdriet of weemoed herinneringen worden opgehaald. Maar verdriet en weemoed ontbreken bijna geheel in de achttien literaire portretten die Brouwers in het boek Gezichten, gestalten bij elkaar brengt. Alle achttien mannen zijn overleden en een groot deel van hen is kort na hun dood door Brouwers geportretteerd. Oprechtheid kun je Brouwers niet ontzeggen. Wel zijn zijn beschrijvingen vaak tegen het harde aan. Zwakheden worden niet verzwegen, oude ruzies worden niet met de mantel der liefde bedekt en wat waar was blijft dat ook na de dood. Rancuneus is hij overigens nergens. Maar dat van de doden niets dan goeds is op te merken, is een uiterste dat Brouwers veel te ver gaat.

    Achttien portretten
    De achttien portretten zijn, op twee na, van Vlaamse auteurs. Brouwers werkte vanaf midden jaren zestig, twaalf jaar lang bij de Vlaamse uitgeverij Manteau en leerde zo veel van de beschreven personen kennen. Het zijn niet allemaal beroemdheden, zeker niet in Nederland. Het zou interessant zijn te weten hoeveel van de in literatuur geïnteresseerde Nederlandse lezers de namen kent van schrijvers als Jan Walravens, Paul Snoek, Freddy de Vree, Raymond Brulez en Rob Nieuwenhuys. Onbekendheid is geen excuus om dit boek maar niet te gaan lezen, al is nieuwsgierigheid wel aan te bevelen.

    Het aardige van deze verzameling portretten is dat ze, bij elkaar genomen, lezen als een anekdotische geschiedenis van de Vlaamse literatuur in de twintigste eeuw. Tot de achttien geportretteerden behoren ook bekende schrijvers als Louis Paul Boon, Marnix Gijssen en Jef Geeraerts en oude, bijna vergeten grootheden als Richard Minne, Herman Teirlinck en Cyriel Buysse. De oudste portretten zijn geschreven in de jaren zeventig, de nieuwste enkele jaren geleden. Toch leest deze schijnbaar bijeengeraapte verzameling prettiger dan een reguliere inleiding in de Vlaamse literatuurgeschiedenis van de twintigste eeuw. Een nadeel is wel dat een verantwoording van de teksten ontbreekt. Bij elk hoofdstuk wordt alleen het jaartal van oorspronkelijke publicatie vermeld.

    Van Oorschot en de Vlamingen
    Het boek opent erg sterk met een portret van uitgever, schrijver Geert van Oorschot (1909-1987). Brouwers’ afstandelijke beschrijving van een wel heel markante vriend heeft een enorme vaart. Het is een kritisch, liefdevol en bij vlagen hilarisch portret. Wat begint met een uitgesproken bewondering voor de uitgever, eindigt uiteindelijk in ruzie en de conclusie dat de man even opmerkelijk als onmogelijk is geweest. Dit prachtige portret werd al eerder gepubliceerd bij uitgeverij Van Oorschot, in 1989 onder de titel Het tuurtouw. De betekenis van de titel wordt duidelijk als Van Oorschot Brouwers komt opzoeken in Vlaanderen: ‘ “Jij moet hier weg”, zei hij.
    Om het exact te citeren, hij zei: “Je moet van je tuurtouw los.” Die uitdrukking hoorde ik toen pas voor het eerst. Dat is het touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen.’

    Brouwers krijgt nog het één en ander met de kleurrijke uitgever te stellen. Na het overlijden van zijn vrouw Hilly maakt Geert een stuurloze indruk. Brouwers beschrijft het prachtig: ‘Hij, los van zijn eigen tuurtouw, deed mij denken aan een doof en blind oud schaap, dat nu eens in het prikkeldraad bleef hangen, dan weer de sloot in liep, dan weer zijn poot brak.’

    Het portret van Geert van Oorschot is verreweg het meest geslaagde uit het boek. De overige portretten zijn informatief, aardig of amusant maar alleen bij vlagen zo sterk als het eerste. Het portret van de oude Marnix Gijssen die in zijn wijkje in Brussel niets doet, is een mooi portret. Ook hier is het een combinatie van bewondering en een niets ontzienende beschrijving van eigenaardigheden die de geportretteerde tot leven wekt: ‘Altijd op schuifelpantoffels, alles in grijs- of bruintinten, de heer Gijssen placht enigszins muf te ruiken als een oud, verwaarloosd boek.’

    Een aantal stukken ademen de sfeer van de jaren zestig en zeventig. In een enkel geval zie je dat ook aan de stijl waarin het portret is geschreven. Als Brouwers herinneringen ophaalt aan de dichter Hugues C.Pernath verlaat hij zijn gebruikelijke stijl en begint in genummerde paragrafen anekdotes te vertellen. De taal krijgt krullen, de zinnen worden lang en het doet uiterst gekunsteld aan. Het is alsof de maniërist Pernath ook door lang, krullend taalgebruik tot leven moet worden geroepen: ‘Bij die gelegenheid schraagde hij zich het lichaam met een wandelstok waarvan het holle binnengedeelte plaats bood aan een jachtgeweer, terwijl het ledige omhulsel, dat aan de bovenzijde middels enige uitklapsels tot een zittinkje kon worden omgevormd, bij het aanleggen op wild of gevogelte bij wijze van éénbenig gestoelte onder de bips kon worden geplaatst.’

    Van een heel andere orde zijn de stukken over schrijvers als Buysse, Minne en Teirlinck. Schrijvers die met gepaste afstand, zo lijkt het, worden geportretteerd. Brouwers breekt een lans voor het werk van Buysse, die in 1932 overleed. Diens verzameld werk verscheen bijna onopgemerkt in de jaren zeventig en Brouwers probeerde daar in 1979 verandering in te brengen door het schrijven van dit hoofdstuk. Het betoog voor meer aandacht voor het werk van Buysse past in een grotere lijn die de portretten verbindt; de Vlaamse schrijvers zijn miskend, vergeten of nauwelijks opgemerkt. Volgens Brouwers is dat onterecht en hij laat merken de Vlaamse en Nederlandse literatuur op zijn duimpje te kennen.

    De gestalte van Brouwers
    Brouwers is niet de man die met weemoed terugblikt. Zijn toon is bijna altijd afstandelijk, met een vaak nauwelijks merkbare boosheid als achtergrond. Uit zijn zinnen spreekt af en toe een merkwaardige, lichte vorm van verontwaardiging die ik nauwelijks kan aanwijzen maar wel ervaar. Indirect leren we Brouwers zelf, door zijn portretten van anderen, wel beter kennen. Niet alleen door zijn toon, zijn herinneringen maar ook door het lezen van zijn voor- en afkeuren. Zo noemt hij De man die zijn haar kort liet knippen van Johan Daisne ‘het schitterendste prozawerk dat anderhalve eeuw Vlaamse literatuur heeft voortgebracht’.

    Vreemd genoeg zijn het de portretten waarin Brouwers het meeste van zichzelf laat zien, de minste van dit boek. Het verhaal over Jan Emiel Daele uit 1978 gaat meer over Brouwers zelf dan over de Vlaamse schrijver. Eerst moeten we lezen hoe Brouwers’ vriendin die hij Nachtschade noemt (de nachtschade is een plantenfamilie waartoe ook de aardappel behoort) haar spullen in een ‘vrachttaxi’ stopt en er vandoor gaat. Dat is aanleiding tot Sturm und Drang-zinnen als ‘Bezat ik een vuurwapen, ik zou haar nu…’ en ‘Wie mijn liefde niet wil, liever schiet ik haar dood dan dat zij zal kunnen beweren dat het mijn schuld is dat zij niet van mij maar van een ander houdt. Wie mijn vriendschap niet wil, ik verpletter hem.’ Zoveel zwelgen in het eigen leed is iets teveel voor de nuchtere lezer. Daar komt nog bij dat Brouwers sommige zinnen verminkt door een experimenteel gebruik van de dubbele punt. ‘Wij waren: links waren we dachten we.’
    De relatieperikelen van Brouwers hebben nog wel een functie in het stuk. Ze vormen de opmaat voor de vertelling dat Jan Daele zijn vrouw en zichzelf vermoordt. Brouwers schreef het stuk in 1978, het jaar waarin de dubbelmoord plaats vond. Emoties zullen hem wel bij het schrijven gehinderd hebben, vermoed ik.

    Ook het stuk Niemand, absoluut niemand over de ‘verwekker’, de ‘naamgever’ van Brouwers, komt moeilijk op gang. Het woord ‘vader’ vermijdt hij in eerste instantie en ook het terugkijken op zijn jeugd lijkt hij met tegenzin te doen. ‘Al herinner ik me natuurlijk nog bepaalde dingen over hem, tegelijkertijd lijkt het toch ook of ik hemzelf totaal ben vergeten, of ik hem nooit in levende lijve heb gezien, of hij nooit in mijn leven is geweest.’ Wat volgt is een aarzelend, liefdeloos portret (‘omdat ik zulke liefde niet ken’) van een man die zijn schrijvende zoon nooit de erkenning gaf waar deze nog steeds naar zegt te hunkeren. ‘De vader’ was een onbuigzame man die een internering in een jappenkamp achter de rug had. De pijnlijke feiten worden nauwelijks tot leven gewekt. Ze worden bijna met tegenzin verteld. Wat we lezen is een kille, gevoelloze poging tot een portretbeschrijving van iemand die al vijfentwintig jaar dood is en alleen nog maar wat licht schurende sporen heeft achtergelaten. Invoelbaar wordt het nergens. Over Brouwers zelf zegt dit portret zijn trouwe lezers waarschijnlijk des te meer.

    Al met al is deze bundeling van portretten meer dan een gelegenheidspublicatie voor de boekenweek die het literair portret als thema had. Vorig jaar bracht uitgeverij Atlas Brouwers verzamelde polemieken onder de titel Hamerstukken uit. Nu is het de beurt aan de korte biografie, het in memoriam en het portret.

    Gezichten, gestalten

    Auteur: Jeroen Brouwers
    Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
    Prijs: € 24,95

  • Vergeten schrijvers en mislukte levens

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Sinds zijn overstap naar uitgeverij Atlas maakt Jeroen Brouwers het eenmanstijdschrift Feuilletons. De opvallendste in de serie was de Extra Edietzie, geheel gewijd aan zijn voormalige uitgever bij De Arbeiderspers, die niet lang daarna bij het door teleurgestelde schrijvers verlaten uitgevershuis wegging en hoofd atlassen werd in Groningen. De schemer daalt is de zevende editie van het tijdschrift, dat in boekvorm wordt uitgegeven en eigenlijk een essaybundel is.

    De ondertitel van het tijdschrift is ‘Slenteren door mijn boekenkast’ en dat geeft een verveeldheid weer die niet helemaal past bij de stukken die volgen. ‘Dwalen’ zou een beter woord zijn, alhoewel dat weer het gevaar inhoudt dat de auteur zijn weg kwijt is. De onderwerpen van zijn essays zijn in ieder geval divers: de zelfmoord van Ter Braak (en vooral datgene wat onbetrouwbare bronnen daarover zeiden), de tanende Vlaanderenliefde van Bob den Uyl, de vergeten dichter Frans Buyle, de dood van Freddy de Vree, de zoekgeraakte manuscripten van Peskens; uit alles blijkt een passie voor de literatuur die welhaast maniakaal te noemen is.

    Zelfs de meest onbelangrijke en in de stof van de literatuurgeschiedenis verdwenen schrijvers schitteren omdat Jeroen Brouwers ze nog eenmaal tevoorschijn haalt. Maria Messens, Lode Quasters: werkelijk niemand is geïnteresseerd in hun levensverhaal, maar Brouwers zoekt en vindt informatie over hun mislukte schrijversloopbaan en hun even mislukte leven. Het zijn trieste verhalen, maar met zoveel mededogen opgeschreven dat je werkelijk benieuwd wordt naar hun werk.

    Wat de Feuilletons tot boeiende lectuur maakt is de autobiografische insteek in veel essays. In ‘Heimwee’ is dat het duidelijkst, waarin Brouwers over zijn traumatische rijke roomse leven vertelt: de ontsnapping als jongen uit een katholiek internaat, de ontdekking van een geheim schrift en zijn vernedering als hij weer wordt opgepakt. Op het eind schrijft hij: ‘Mijn personages met hun angsten en innerlijke onrust tot op de grens van waanzin, hun opgejaagdheid en cynische ongeloof terzake de veronderstelde goedheid van de mens, de hogere zin van het leven, het bestaan van duurzame liefde, vertonen grote gelijkenbis met mijzelf, ook in hun hunkering naar troost en bedaring. Ik weet allang dat de gevangenis waaruit ik moet zien te ontsnappen ikzelf ben.’

     

    JEROEN BROUWERS: De schemer daalt. Atlas Amsterdam, 236 blz. €18,50