• Reishonger

    Reishonger

    Er zijn mensen die het verlangen hebben een plaats te bezoeken waarover zij lezen in een boek. Een reishonger die ik ook ken. Als jongeman las ik de roman Waterland van de toen nog vrij onbekende auteur Graham Swift. Hij plaatste zijn verhaal in de Fens, een gebied boven Cambridge dat ooit door de Nederlanders is drooggelegd. Het is er plat als een pannenkoek. Hij beschreef deze streek rondom de rivier de Ouse zo mooi dat ik dezelfde zomer nog de fiets pakte om het gebied te doorkruisen op zoek naar plaatsen die in het boek van betekenis waren. Ik zocht de stuw op waar het lijk van Freddy Parr tegen het ijzerwerk bonkte en schuurde. Ik ging ook op zoek naar de lucht van het water, zoals Swift die beschrijft, als kenmerkend voor de Fens: ‘Een koele, slijmerige maar eigenaardig doordringende en nostalgische lucht. Een lucht die half mens is en half vis.’ Ik herkende die geur uit mijn kindertijd in een dorp langs de Bergsche Maas.

    In mijn enthousiasme ging ik ook op zoek naar de door mij veronderstelde verblijfplaats van de schrijver in de Fens. Ik had ergens gelezen dat hij in het gebied was gaan wonen om de couleur locale op te snuiven. Ik dacht dat ik wist waar dat geweest moest zijn. Aangekomen op de locatie wist niemand mij iets over Swift te vertellen.

    Datzelfde overkwam mij toen ik op zoek ging naar huize Louwhoek, de boerderij in het Gelderse Exel, waar Jeroen Brouwers woonde tussen 1979 en 1991. Ik was in die tijd helemaal gefascineerd door zijn werk en wilde weten in welke biotoop hij zijn prachtige zinnen uit Exelse Testamenten construeerde. Nu wil het geval dat Exel nogal een groot buitengebied heeft waar hier en daar wat losse huizen staan. Huize Louwhoek kon ik niet vinden. Ik raadpleegde een oudere man die voor zijn huis op een bankje zat, voorover leunend op zijn stok: ‘Weet u wellicht waar de schrijver Jeroen Brouwers woont?’ Zijn antwoord was kort en ontluisterend: ‘Jeroen Brouwers, een skriever? Hier? Nooit van eheurd.’

    Ooit gehoord van Fanghetto? Tot voor kort zei die naam mij ook niets. Ik kwam de naam van het dorpje tegen in De voorloper waarin Tom Rooduyn het ‘gedurfde leven’ van zijn vader Hans Roduin beschrijft. Dat leven eindigt dramatisch in het ruige gebied rondom dit Italiaanse bergdorpje waar zijn vader een woning had. Zoon Tom maakte Fanghetto voor mij aantrekkelijk door enkele prachtige beschrijvingen, waaronder: ‘Fanghetto lijkt in het strijklicht van de namiddagzon op de bergrug te zijn geboetseerd. Een steenarend zeilt op de zuidenwind bewegingloos boven de vallei. Net als we de hoogte van het dorp bereiken, verdwijnt de zon achter de bergen. Rook van houtvuur kringelt uit de schoorsteen.’ Ik wilde er meteen naartoe, maar heb mijn reis uitgesteld tot volgend voorjaar. Ben benieuwd of iemand daar Hans Roduin zich nog kan herinneren.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een biografie van  Ab Visser (2013) en twee delen van een historische roman over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Samen met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman en jodenredder Arnold Douwes. Als columnist schrijft hij maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Wereld van onvermogen

    Wereld van onvermogen

    Dat je aan niemand, zo in het dagelijkse leven, kunt zien dat er seks in het spel is. Dat er verlangens zijn. Ik bedoel, de mens, netjes gekleed, goed gekapt, zeg maar, presentabel. Hoe vreemd gedachten kunnen zijn, hoe goed verborgen de dingen kunnen blijven. Alleen ik zelf ken mijn slechtste gedachten. In een boek vinden die hun plaats. Een boek als manier om onverbloemd de waarheid te zoeken.

    Wie ik ben, van Levi Jacobs is rauw en dwingend. De ik lijdt aan eenzaamheid. ‘Een eenzaamheid zo diep dat ik erin verdrink.’ Schrijven de manier zichzelf te ontdekken. ‘Ik moet gewoon ergens beginnen. De rest komt later wel.’ Om die eenzaamheid te overwinnen, verlaat hij zijn vriendin. Begint een relatie met een jongere vrouw. Is verslaafd aan porno en drugs. Het wordt er allemaal niet mooier op als hij tijdens een triootje een van de vrouwen tegen haar zin penetreert. Diezelfde nacht een zwerver in elkaar slaat. 

    Dit boek voelt als het betreden van een gebied waar vergeten is het bordje ‘Verboden toegang’ bij te zetten. Het is intiem, en heftig. Al is er met de constructie, de intentie van de schrijver, niets aan de hand. Ik lees over de transitie van een jonge advocaat naar schrijver.

    Over het verlaten van zijn vriendin zegt hij tegen zijn vader, een gepensioneerde huisarts die in zwijgzaamheid excelleert, ‘Ze belemmerde me. Een schrijver hoort niet in een gerenoveerd appartement in een Haagse yuppenwijk.’

    In Why I Write zegt Joan Didion dat ze schrijft ‘om te ontdekken wat ik denk [..] Wat ik wil en waar ik bang voor ben.’

    Levi Jacobs raakt aan zijn diepste zelf, iets om te herschrijven. Juist vanmorgen belde ik met een vriendin die zei dat ze een nieuw mensbeeld van zichzelf moest schrijven. Haar zelfbeeld klopte niet meer met hoe ze de wereld om zich heen verdroeg.

    Hokwerda’s kind was een heftig boek. Zelfdestructie, mentale verwaarlozing, seksuele uitbarstingen die in vechtpartijen eindigen. Wie ik ben blaast je van je sokken. Levi Jacobs overschrijdt de grens van het toelaatbare. Dat is wat schrijven vraagt, de naakte waarheid.

    Hij wil Salinger, zegt hij tegen zijn ex-vriendin als hij met zijn sleutel haar (voorheen hun) huis binnendringt om zijn boeken te halen. Welke boeken zou ik willen als ik huis & haard verlaten had? Ik denk Ginzburg, Zo is het gebeurd, Pruis, die me in het gelid zet, in schrijvende zin. En Braaf meisje van Philip Roth.

    Het noemen van schrijvers als Nanne Tepper zijn als een plaatsbepaling van Jacobs  in het literaire veld. Jeroen Brouwers schreef over Nanne Tepper: De avonturen van Hilliebillie Veen is even autobiografisch als De eeuwige jachtvelden […]  men komt er dezelfde ingekookte ikken in tegen en Hillie Veen, […] is geen ander dan Nanne Tepper zelf.’ Ik zou hier kunnen zeggen dat de Levi in Wie ik ben, de ingedikte ik, geen ander is dan de schrijver Levi Jacobs zelf. Ondanks de roman aanduiding.

    Als twaalfjarige zet Levi een jongen die hem had afgerost met een afgebroken ruitenwisser, een revolver tegen het hoofd. De macht die hem bij deze overspoelt. ‘Ik Levi, onaantastbaar. Gevreesd. Niemand kan mij wat maken.’ Een beeld dat zijn leven toonzet, hem opbreekt.

    Meer over schrijven. Toen hij in Marokko was. ‘Ik struinde wat door Marrakesh, was vrij en gelukkig. Schreef verhalen, at tajine, rookte aan een stuk door’ Het is de enige passage in het boek waar van geluk gesproken wordt. Annie Dillard karakteriseert het maken van een boek als ‘het leven in zijn meest vrije vorm’. Dat we onszelf een beeld maken waarin we geloven, ten goede of ten kwade.

    Dan, de onbetrouwbare moeder. Als kind las ze hem voor uit Marga Minco en Mulisch. De jongen wil niets liever dan dat het leven zo blijft. ‘Mama die op me wacht. Mij rondrijdt, haar jongste kind, haar cadeautje, verrassing, haar kroonprinsje, haar liefje.’ Onbetrouwbaar omdat de volgende dag er geen warm welkom is, moeder rokend in haar stoel, haar theemok als asbak. Houdt ongemakkelijke monologen over de wereld die naar de klote gaat. God, wat laat dit zich goed lezen.

    Levi voelt de ogen van zijn moeder overal, het stempel dat ze op hem gezet heeft. ‘In alles wat ik deed schemerde haar oordeel door. […] Ik raakte angstig terwijl ik vree, bedacht op het beeld van haar dat zomaar weer kon komen opzetten.’ En dan: ‘Iets in mij is misvormd.’

    De moeder: ‘Waarom nemen mijn kinderen me zo serieus?’

    Het is nog niet genoeg. Levi is onaardig, een obsessieve mastrubeerder, een fetisjist van dames ondergoed, sokjes, en dat alles kan zijn onpeilbare eenzaamheid niet dempen. Hij wil een raadselachtig figuur zijn, een schrijver. Net las Robert Bolanõ en B. Traven. ‘Ik sla mijn notitieboek open en schrijf dat ik naar het vliegveld moet gaan en een vlucht moet boeken naar Mexico.’ Wat hij niet doet. Er is een wereld van onvermogen die aan zijn voeten ligt.

    Wat er doorschemert. Zijn ouders hebben hem gevormd, maar zijn niet verantwoordelijk voor zijn eenzaamheid, het ontbreken van geluk. Dat is wat waard.
    ‘Waarom, vraag ik me af, waarom moeten we overal woorden aan toekennen?’, denkt Levi als zijn vader bij de uitvaart van diens zus enkel, ‘Lieve zus… Slaap zacht.’, in de microfoon fluistert. Dit is geen biecht, maar een knap geschreven bildungsroman.

     

     

    Wie ik ben / Levi Jacobs / 205 blz. / Atlas Contact


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en wat haar beweegt.

     

     

  • Kleine details

    Kleine details

    Boeken verzamelen zich op de keukentafel, tussen de kommen op het schap aan de muur, de trap naar boven, naast de bank, in vensterbanken. Soms valt er een stapel om, struikel ik erover. En dan. De man begon steeds meer te lezen. Eerst merkte ik het niet zo. Tot ik zag dat hij alweer in een ander boek begonnen was. Hij las meer boeken dan ik kon weglezen in een week. Dat alles omdat ze voorhanden waren (is dit geen tip?). Een goed gesprek was niet meer mogelijk, hij hummend vanachter de kaft van een boek. Daar moest iets mee. Ik begon met de boekenkasten. Stopte boeken van Brouwers, Roth, Van der Heijden, een deel van Palmens oeuvre, Primo Levi, Flaubert en veel van wat daar tussen stond in dozen. 

    Met die boekendozen verdween er een bepaalde zwaarte naar zolder. Zoals de woede van Antonius, een personage in een verhaal in de bundel Tussen de mazen, in een scheur in het plafond verdwijnt. Geweldig om iemands woede in een scheur in het beton te laten verdwijnen. Dat kan een schrijver. Dat doet Mariska Kleinhoonte van Os.

    Dagelijks bezorgt de post hier boeken (jaja, vandaar). Vorige week werd Tussen de mazen  bezorgd. Ik begon er meteen in te lezen. Niet elk boek is direct pakkend, deze verhalen lieten niet los. Door de details, de beschrijvingen die onder een eerder geschetst beeld worden gezet. Voornamelijk mannen in deze verhalen. Verloren mannen, achtergebleven in een leven waarin ze in de steek gelaten werden door hun vrouw, de dood of hun geest. Wat de verhalen beslist niet een van hetzelfde soort maakt. De verschillende vertelstemmen boeien me bovenmatig.

    In ‘De Onwetende’ gaat een dochter haar vader in een verzorgingshuis bezoeken. ‘Ik overwin mijn weerzin en stap de spruitjeslucht in, mijn voetstappen worden gedempt door hoogpolig tapijt waar ik onder geen beding met blote voeten op zou willen lopen.’ Dit zet iets in beweging, doet me aan Jeroen Brouwers denken. Aan iets waarover hij schreef in een van zijn boeken die hij in het Krekelbos in België schreef. Details als huidschilfers, huid die zich zevenjaarlijks vernieuwd. Onzichtbare schilfers die loslaten, in bed achterblijven, in tapijt verdwijnen. Dat je op een tapijt dat niet je eigen is niet met blote voeten gaat. Daar staat iets dat ik ten volle begrijp.

    Brouwers noemde zichzelf geen verhalenverteller, maar ‘boetseerder’ met taal. Er moest een onderstroom zijn die het verhaal naar boven stuwt, die kneedde hij erin. Stuwend zijn ook de verhalen van Kleinhoonte van Os. Vanaf de eerste regels van elk verhaal wil je door. In het prachtige verhaal ‘Oom Karel’ worden de geheimen van een familie belicht. Sommige dingen blijven duister, wat bovenmate intrigeert. Het begint zo: ‘Ik was zeventien toen ik hem leerde kennen. We zaten in de achterkamer van het huis van opa Vos. Als kind mochten we niks van opa Vos, zoals we hem steevast bleven noemen.’
    Ik wil direct weten: Wie leerde ze kennen, waarom mochten ze (wie zijn ‘ze’) niks van die opa en waarom bleven ze hem ‘steevast’ opa Vos noemen. Met soepele vertelstem wordt er een familie geschiedenis naar boven gehaald. Tijdens de uitvaart van opa Vos ontmoet ze oom Karel voor het eerst. Een zachte man, een man met een trauma. Opgroeiend raakt ze aan hem verknocht. Een rijk en mooi verhaal. Tot je het einde leest.

    Later trok ik op zolder dozen achter het schot vandaan. Mijn ogen scanden de naar boven gekeerde ruggen van boeken. Dat weerloze. Geen Brouwers. Volgende doos. De man vraagt wat ik zoek. Ik vraag niet of in de laatste drie dozen die hij vorige week naar de kringloop bracht, boeken van Brouwers zaten. Ik geloof graag dat ik geen ondoordachte dingen doe. Tegen beter weten in ging ik naar beneden, naar de boekenkast. Weer die ruggen (sterker als ze staan). En kijk dan toch, De zondvloed! Het boek dat ik in 1988 gelezen heb bleef staan. Wie leest verzamelt onvergetelijke dingen, ook als je denkt ze te zijn vergeten. Een schrijver in een andere tijd kan alles wat was weer in beweging brengen. Door kleine details, door het voorstellingsvermogen van een schrijver van een indrukwekkende verhalenbundel.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat ze leest.

     

     

     

  • Oogst week 27 – 2022

    Alles echt gebeurd

    ‘Echt gebeurd is geen excuus’, beweerde Gerard Reve ooit. Het is ook de Nederlandse titel van een verzameling anekdotes van Heinrich von Kleist die onlangs verscheen. Er wringt iets tussen fictie en waarheid: blijkbaar is er behoefte aangetoond te zien dat het onwaarschijnlijke tóch waar is (vergelijk ook de titel van het laatste boek van Frank Westerman, Te waar om mooi te zijn). Omgekeerd zijn we vaak nieuwsgierig naar verbanden tussen de roman van een schrijver met zijn eigen leven. Jeroen Brouwers moest niets hebben van dat neuzen naar autobiografische verwijzingen in zijn romans. Amper een maand na zijn dood is nu toch Alles echt gebeurd verschenen. Het is een verzameling teksten waarin Brouwers het heeft over zijn eigen leven, verhelderende teksten die ‘niettemin alle gelogen zijn’:
    ‘Ik ben steeds een buitenbeen geweest, mijns ondanks een outsider, steeds ‘anders’ dan mijn omgeving. Waar ik was, sprak men een andere taal dan de taal die ik sprak, in letterlijke en in figuurlijke zin. Hoe gangbaar mijn lichaam, mijn geest en mijn karakter ook zijn, ik pas op een of andere manier niet in het bestaan dat voorbestemd was het mijne te worden. Waar ik kom, wek ik agressie op omdat ik er niet bij hoor. Ben ik hier, hoor ik eigenlijk daar. Ben ik daar, heb ik heimwee naar hier. Steeds heimwee, maar ik weet niet meer waarnaar. Steeds zwerven, al kom ik al jaren nog nauwelijks mijn tuintje uit. Hoewel in volle vrijheid, voel ik mij gevangen. Hoewel in het genot van alles wat het hartje begeert, toch met zo goed als niks tevreden of blij. Wil ik deelnemen aan ‘de revolutie’, ‘de revolutie’ is net voorbij. Zo is mijn leven’

    Alles echt gebeurd
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau

    Amalia de Tena werd geboren in Mérida, studeerde Spaanse taal en letterkunde in Barcelona, maar woont al lang in Nederland. Op haar 64ste komt ze met haar debuutroman:  Je krijgt van mij een wit paard cadeau voert de lezer naar haar geboorteland onder Franco.
    Ze kwam tot schrijven omdat ze maandenlang niet kon praten ten tijde van een behandeling wegens stembandkanker. Ze keerde op papier terug naar het meisje van acht dat ze eens was. In de roman is dat Ana, het zusje van María del Mar. Hun vader is bezeten van geld. Eens zal hij volgens hem de hoofdprijs winnen in de loterij: ‘Papa, María del Mar en ik zijn er dus zeker van dat wij dit jaar de hoofdprijs gaan winnen.
    Nadat hij de borden had weggeruimd, vroeg papa mij fluisterend wat ik als cadeau wilde krijgen. Dat had ik al lang geleden bedacht.
    ‘Ik wil een wit paard’, zei ik.
    ‘María del Mar heeft ook een wit paard gevraagd’, zei hij.
    We spraken af dat papa haar zou overhalen om een zwart paard te kiezen, zoals Furia van televisie. Dat van mij zou Terry heten, net als het paard dat in de bioscoop reclame maakte voor cognac’.
    Later, wanneer Ana volwassen is en haar familie financieel ten gronde is gegaan, zal ze de geschiedenis van haar vader moeten herschrijven.

    Je krijgt van mij een wit paard cadeau
    Auteur: Amalia de Tena
    Uitgeverij: Ambo/Anthos

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd

    Ook in De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd van Rune Christiansen wordt de lezer meegenomen in de beschouwingen van een jonge vrouw, Norma, dertig jaar, over haar eigen leven en dat van haar (gescheiden) ouders. En ook hier een paard dat haar gedachtestroom op gang brengt. Terwijl Norma op haar vader staat te wachten ziet ze in de verte een wazige verschijning van een ruiter op een paard. Wie is die ruiter? Wat is de betekenis van dit beeld? Vragen die Norma zich stelt, gevoelig als zij is voor tekenen die wijzen op geheimen.
    Opvallend is dat het de derde roman is van deze Noorse schrijver, een man, waarin hij zich verplaatst in het hoofd van een vrouw. In De eenzaamheid in het leven van Lydia Erneman was dat een vrouwelijke dierenarts en in Fanny en het mysterie in het treurende bos een dromerige pubervrouw.

    De kwestie van de grilligheid van de verloren tijd
    Auteur: Rune Christiansen
    Uitgeverij: Uitgeverij Oevers
  • Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Jeroen Brouwers (1940-2022) – De reden waarom

    Ik waste mijn handen onder de kraan, er reed een auto door de straat, de stem van de nieuwslezer wrong zich in flarden door deze ruis heen, ‘vanmorgen… na een kort ziekbed… schrijver…’. Ik opende mijn laptop, mail van de uitgeverij van de schrijver van wie ik vermoedde dat hij het was die op het nieuws bezongen werd als ‘overleden schrijver’. Ik las, ‘Vanochtend bereikte ons het verdrietige bericht dat Jeroen Brouwers, na een kort ziekbed, is overleden.’ De komma’s negeerde ik. Bij het verscheiden van een bewonderd auteur komt altijd mijn eerste kennismaking met het werk van de schrijver in me op. Midden jaren tachtig had ik mij losgeweekt van gezins- en samenleven, ik betrok een etage boven een groenteboer in de stad, ging schrijven. Wat vooreerst inhield dat er gelezen moest worden, en wel veel. Ik kocht Privédomein boeken, De Beauvoir, Kierkegaard, Philip Roth, Doris Lessing, en Brouwers. Het verzonkene, over zijn moeder. ‘Ik herinner mij haar groene ogen. Dat zij koninklijk was.’ Maar ook, ‘Ik ga haar, als zij eerdaags komt te sterven, niet mee begraven. Haar laatste woorden heeft zij al tegen mij gezegd.’ Over haar verval, ‘Zo wenste ik mij haar niet te herinneren.’ Na haar dood in 1981 schreef hij Bezonken rood, uitgangspunt was het bericht van haar overlijden. Daar doorheen herinneringen aan zijn moeder en grootmoeder in het jappenkamp waar hij als peuter/kleuter met hen verbleef.

    Ed van Thijn, die als kind tijdens de oorlog op achttien onderduikadressen zat, vertelt in een aangrijpende documentaire over zijn getroebleerde kinder- en jeugdjaren, dat zijn moeder hem kort na de oorlog bij een psychiater bracht omdat hij ‘zo druk’ was. Dat hij alles doorstaan had, niemand hem tijdens die verschrikkelijke oorlogsjaren ooit een klap had gegeven, maar dat zij het toeliet dat hem elektroshocks werden toegediend. ‘Nou, toen was het wel over’, zegt Van Thijn in de camera, waarbij uit de blik in zijn ogen de schok van verraden te zijn door zijn moeder nog spreekt. Brouwers wordt na de oorlog, als ze naar Nederland zijn gerepatrieerd, als tienjarige direct op pensionaat gedaan. Het verblijf in het interneringskamp heeft hem volgens zijn ouders verwilderd, heeft geen gevoel voor wat ‘deugt’ en ‘nietdeugt’ ontwikkeld. Zijn moeder brengt hem weg. Zegt dat hij ‘gezeglijk’ moet zijn, dat hij over vijf weken ‘alweer’ een weekend naar huis mag. ‘-mijn haat jegens mijn moeder siert sedertdien mijn “levensbesef”.’ Lees hierin de blauwdruk voor een getormenteerd schrijversleven.

    Er was een levenslange weerstand aan het leven te moeten deelnemen, te converseren met mensen. ‘Puur uit mensenangst was ik weer zo zenuwachtig geweest om van huis te moeten, helemaal naar Tilburg, dat ik mij de dag tevoren tussen 16.00 en 21.00 uur heb lens gezopen.’ Het lijden onder kritieken. In een brief aan Harry Prick schrijft hij over een recensie in De Volkskrant van De laatste deur. ‘Zo’n kritiek als laatst in De Volkskrant, geschreven door een Heumakers of zoiets (wie is dát nou weer?), waarin stond dat mijn zelfmoordboek hoofdstukken vol ‘bric à brac’ zou bevatten, daar ga ik van door de muur door drift en verdriet. Zo’n Heumakers zal wel even in een paar kwartiertjes een stukkie plengen over een 500 pagina’s boekwerk waar ik zo’n jaar of 15 mee aan bezig ben geweest.’ Het literaire bedrijf was een levenstaak. Zijn boek Client E. Buskens noemt hij ‘een boek over niks’. Alles een schrijfoefening, ook als er niets gebeurde, al was de dood nooit ver weg.

    Hij schrijft, ‘Doos nietjes gekocht. Vijfduizend stuks. Nu heb ik wel regelmatig iets te nieten, maar er gaan ook weken voorbij dat er niets te nieten valt. Wanneer kocht ik een vorige doos nietjes? In ieder geval toch wel zoveel jaren geleden dat ik nu licht draaierig word van de gedachte, dat ik over nog eens hetzelfde aantal jaren best dood kan zijn, zonder alle vijfduizend thans aangeschafte nietjes te hebben gebruikt.’

    Aan Cliënt E. Busken werkte Brouwers vier jaar, onderbroken door ziekenhuisopnames. Met de pen schreef hij soms vijf, soms tien regels op een dag. Daar bewonder ik de schrijver om. Na voltooiing, dacht hij dat het niks was (Het is niets). Hij won er de Librisprijs mee. Arjan Peters vroeg hem wat er voor nodig was geweest om zich al die tijd voor Busken te kunnen openstellen. Brouwers zei, ‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’ Je hoort het hem zeggen. Wie wil weten wat deze schrijver bewoog, kennis wil nemen van zijn vertelkracht, zijn zinnen wil bewonderen, lees Kroniek van een karakter, Het verzonkene, Bezonken rood, De Zondvloed, de rest volgt vanzelf. Brouwers wenste dat zijn boeken hem zouden overleven, ‘dit is de enige reden waarom ik schrijf.’ Schrijven was zijn leven en maakt, zoals hij zelf zei, een biografie overbodig. Ondertussen zoek ik een kamertje om zijn boeken, zijn epistels opnieuw te ondergaan.

     

     

    Bronnen: Het verzonkene / Bezonken rood / Het vliegenboek / Kroniek van een karakter / Het is niets / Interview Volkskrant 


    Inge Meijer is een pseudoniem. 

     

     

     

  • Fraai essay met hier en daar een misser

    Fraai essay met hier en daar een misser

    Recensie door Arie Biesheuvel

    In Eenzaamheid in eindeloos meervoud  geeft literair-criticus Lodewijk Verduin een analyse van het werk van Jeroen Brouwers. In bijna zestig jaar heeft Jeroen Brouwers een zeer groot oeuvre opgebouwd. Een diepgaande analyse van een dergelijk veelomvattend oeuvre lijkt haast ondoenlijk. Maar Lodewijk Verduin is daar wonderwel in geslaagd door zich te concentreren op Brouwers’ twaalf romans, en waar nodig verhelderende elementen uit Brouwers’ novellen, verhalenbundels, essays, en vooral autobiografische werk toe te voegen.       

    Literair-critici en liefhebbers van het werk van Jeroen Brouwers zullen dit essay zeker willen lezen, de eersten teneinde te weten te komen hoe hun jonge vakbroeder het er vanaf heeft gebracht, de laatsten om hun ideeën te toetsen en er wellicht nog wat van op te steken.  Echter, dit essay is ook, of juist vooral, aan te bevelen aan lezers die het werk van Jeroen Brouwers niet of nauwelijks kennen, of die zich door zijn werk niet voelen aangesproken.  

    Schrijven om het leven aan te kunnen   

    Lodewijk Verduin heeft er voor gekozen om deze twaalf romans van Jeroen Brouwers als de kern van het essay te nemen. Ze worden chronologisch besproken in hoofdstukken die accentueren dat er een zekere ontwikkeling in thematiek en stijl van het werk is. Elke roman wordt kort samengevat, thema en stijl worden toegelicht en in verband gebracht met eerder werk, waarbij geschikt gekozen citaten uit autobiografische geschriften de visie van Verduin ondersteunen. Aldus wordt duidelijk dat Brouwers erin is geslaagd een waarlijk literair-oeuvre te creëren, een oeuvre dat, om hem zelf te citeren ‘bestaat uit boeken die elkaar steeds maar aanvullen in onderdelen of als geheel, zodat men […] in ieder geval van mijn werk […] kan zeggen: het vormt een eenheid’.    

    Het essay is helder en vlot geschreven, wordt nergens langdradig, en verwordt niet tot een opsomming. Het geregeld onderbreken van de tekst door citaten is nergens hinderlijk en werkt juist verhelderend. Maar bovenal is het een boeiend en leerzaam essay; Lodewijk Verduin verstaat zijn vak. Een goed boek nodigt voortdurend uit tot reflectie op het gelezene, en dat gebeurt bij lezing van dit essay veelvuldig. 

    Het werk uit de ‘gelukkige jaren’, van Zonsopgangen boven zee (1977) tot Zomervlucht (1990), wordt door Verduin gezien als het hoogtepunt van Brouwers’ oeuvre. Traumatische jeugdervaringen hebben een enorme invloed gehad op de mens Jeroen Brouwers; door een diepgaande psychologische zelfanalyse en deze analyse literair te verwoorden is de schrijver in deze ‘gelukkige jaren’ de therapeut van de mens. Verduin concludeert:

    ‘Als er één geestestoestand alomtegenwoordig is in het werk van Jeroen Brouwers, dan is het angst. Zijn personages lijden onder meer aan mensenangst, verlatingsangst, mislukkingsangst, vergetelheidsangst, verstikkingsangst, autoriteitsangst, overbodigheidsangst, ouderschapsangst, bindingsangst, vrijheidsangst, eenzaamheidsangst, levensangst – al dan niet in combinatie met elkaar. Het is een oeuvre van onrust en onheil, vol mensen zonder zekerheden die twijfelen aan wat zich aan hen voordoet en vrezen voor noodlottige veranderingen.’  

    Dit ‘lijden’ moet letterlijk genomen worden. Dat Jeroen Brouwers aan het schrijverschap lijdt (‘literatuur is een kanker, wie is aangetast zal niet genezen’) maakt het triest. Toch ontkomt men niet aan de indruk dat dit leed wat dik is aangezet, een idee dat wordt versterkt door Brouwers’ uitbundige, geëxalteerde stijl, die niet iedereen weet te bekoren.  Brouwers heeft, beginnend met Geheime Kamers (2000) en eindigend met Cliënt E. Busken (2020), ook een reeks minder ‘persoonlijke’ boeken geschreven in een meer ingetogen stijl.. 

    Persoon en persoonlijkheid van de schrijver 

    In de inleiding wordt de voor een literair-criticus wezenlijke vraag gesteld of het voor een analyse en waardebepaling van de romans van een schrijver nodig is diens persoonlijke geschiedenis te kennen. Verduin geeft antwoord, en lijkt aldus zijn positie als literair-criticus in te nemen op een voor het essay kenmerkende wijze door vermelding van citaten van beroemde schrijvers en gezaghebbende critici. Wat volgt uit deze citaten is een ontkenning. De persoonlijkheid, het unieke wezen, van een schrijver is de vorm van het werk: de taal en de thema’s, de persoonlijke stijl waarin de schrijver een unieke ervaring weergeeft van wat gezien is omtrent de ‘condition humaine’. Natuurlijk worden ook persoonlijke ervaringen gebruikt om het verhaal te vertellen, echter de schrijver als persoon vindt men hoogstens gestileerd terug in het werk, wat voor de beoordeling van het werk geen rol speelt.  

    Verduin gaat in de fout als hij zich in zijn positie als literair-criticus gesteund voelt door Andrew Field, een omstreden biograaf van Vladimir Nabokov. Brian Boyd, de grote kenner van leven en werk van Nabokov, heeft in zijn definitieve tweedelige biografie Vladimir Nabokov: The Russian Years, Vladimir Nabokov: The American Years overtuigend laten zien dat Field als biograaf en literair-criticus van Nabokov weinig betrouwbaar is en terecht in de ban werd gedaan door de familie Nabokov. 

    Nabokov versus Brouwers

    Evenzeer is de vergelijking van het werk van Nabokov en Brouwers wat misplaatst: Tussen Vladimir Nabokov en Jeroen Brouwers bestaan fundamentele overeenkomsten: beide schrijvers staan bekend als weergaloze stilisten, en de gedeelde bron van hun enorme oeuvres is een uitzonderlijk krachtig geheugen. Nu is Nabokov als stilist hors concours, maar dat is hier niet van belang. Wel dat hun beider krachtige geheugen betrekking heeft op hun jeugd, die voor Nabokov een gelukkige was, en voor Brouwers een traumatische. Verduin merkt op:

    Voor de een was herinneren een genot, voor de ander een kwelling – Nabokov was dan ook nostalgisch en conservatief, Brouwers ‘links naar het anarchistische toe’Dit is wat al te eenvoudig gesteld: een gelukkige jeugd impliceert toch niet een latere conservatieve opvatting (als Nabokov die al had), en een ongelukkige jeugd toch niet een progressieve of ‘linkse’ opvatting? 

    Nu is het is waar dat in romans als Glorie en De gave de jeugd van Nabokov een rol speelt, maar nooit als iets particuliers, eerder als iets algemeen herkenbaars, passend bij het thema ‘het verlies van de jeugd’.  Zelfs in de autobiografie Geheugen, spreek laat de schrijver weinig van zichzelf zien.  Dat ligt anders bij de romans van Brouwers; het werk uit  ‘gelukkige jaren’ immers, is de literaire weerslag van een psychologisch zelfonderzoek; met name in de roman Het verzonkene laat Brouwers veel van zichzelf zien. Zo wordt Verduins positie als literair-criticus wat onduidelijk, en dat blijft zo als in het essay zelf Brouwers’ autobiografische geschriften veelvuldig worden aangehaald ter duiding van zijn romans. Maar laten deze mild-kritische opmerkingen u vooral niet weerhouden dit fraaie essay te lezen.

     

  • Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Een kleine veldtocht over ziekte in de literatuur

    Gezien het feit dat een ieder van ons vroeg of laat, persoonlijk of van dichtbij te maken krijgt met ziekte, is het als je erover nadenkt bijzonder dat ziekte als literair thema niet even vaak voorkomt als bijvoorbeeld liefde, jaloezie en macht. Helemaal ongebruikt is het thema evenmin, getuige recente titels als Welkom in het rijk der zieken van Hanna Bervoets, Veldheer Banner van Marie Kessels en Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers dat de Libris Literatuurprijs 2021 won. Vanwege de Covid-19 pandemie zijn ziekte en de consequenties daarvan onderwerp van gesprek geworden in alle lagen van de maatschappij. De essaybundel Over ziek zijn verschijnt dus op het juiste moment.

    Uitgeverij HetMoet heeft het door de Britse schrijfster en feminist Virginia Woolf (1882-1941) geschreven essay On being ill, dat bijna honderd jaar geleden voor het eerst verscheen, uitgebracht in een vertaling van Monique ter Berg. Naast het werk van Woolf zijn er in de bundel bijdragen van drie hedendaagse schrijvers te vinden. De in 1968 geboren Britse dichter Deryn Rees-Jones schreef het voorwoord (ook vertaald door Monique ter Berg), de Nederlandse schrijver en dichter Lieke Marsman (1990) en de eveneens uit Nederland afkomstige letterkundige en dichter Mieke van Zonneveld (1989) beschrijven hoe het is om getroffen te worden door ziekte en welke weerslag dat heeft gehad op hun leven.

    In het voorwoord van Over ziek zijn beschrijft Deryn Rees-Jones hoe ze na haar besmetting met Covid-19 veel herkenning vond in het werk van Woolf, en dan met name in het essay On being ill. Ze vergelijkt haar langdurige tijd van ziek zijn met een ‘logé die niet alleen mijn ruimte innam maar ook mijn onmacht aan het licht bracht’ en wordt er al lezend aan herinnerd dat er eigenlijk geen scherp onderscheid bestaat tussen ziek en gezond. We zijn immers allemaal stervelingen. 

    Ongekende dimensies

    Na dit prachtig geschreven voorwoord word je als lezer vervolgens omvergeblazen door de tekst van Virginia Woolf, die in haar eerste volzin van een halve pagina lang uiteenzet dat ziekte ongekende dimensies in ons leven kan losmaken. In de literatuur is daar volgens Woolf (te) weinig aandacht voor; schrijvers hebben het hoofdzakelijk over het doen en laten van de geest, terwijl ‘de grote oorlogen die het lichaam met de geest als zijn slaaf in de eenzaamheid van de slaapkamer tegen een koortsaanval of opkomende zwaarmoedigheid voert, worden genegeerd.’ Woolf schreef het essay in 1925, tijdens heftige periodes van allerlei lichamelijke en psychische kwalen. Ze schrijft in diezelfde tijd ook aan een aantal romans waarin ze de thema’s ziekte en de ruimte die ziek zijn in een leven teweegbrengt aansnijdt. Volgens Woolf maakt ziekte het bijvoorbeeld mogelijk om ‘in een gedicht te kruipen’, omdat ziek zijn bij het lezen en waarnemen een zintuiglijke reactie uitlokt. Daarnaast gaat ziekte volgens haar samen met een kinderlijke openhartigheid.

    Het leven van Woolf werd enorm gekleurd door ziekte en lijden, zowel fysiek als psychisch; ze had bijvoorbeeld op haar dertiende al voor het eerst een zenuwinzinking. Met de kennis van nu wordt gesteld dat ze waarschijnlijk een bipolaire stoornis had, ontwikkeld als gevolg van seksueel misbruik in haar jeugd. Deze toen nog onbekende ziekte kreeg zozeer de overhand dat ze in 1941 zelfmoord pleegde. Tijdens periodes van ziek zijn wendde Woolf zich bij voorkeur tot de dichters. Patiënten hebben volgens haar immers geen zin in de lange ‘veldtocht’ die proza vergt.

    De Hel

    Lieke Marsman schreef het essay Hoe gaat het met je? Ze beschrijft daarin hoe ze als jonge twintiger na een jaar van toenemende klachten geconfronteerd wordt met de diagnose van een kwaadaardige tumor in haar schouder. Haar eerste reactie daarop is opluchting; er is echt iets aan de hand. Vervolgens beschrijft ze hoe ze na haar operatie veel terugdenkt aan haar jeugd en zich verdiept in boeken (van Audre Lorde en Susan Sontag) waarin persoonlijk en emotioneel respectievelijk extreem rationeel omgegaan wordt met de diagnose kanker. Het stelt haar voor de vraag hoe zij zich gaat verhouden tot haar ziekte. ‘Zevenentwintigjarige lijven horen […] niet ziek te zijn, en als ze al ziek zijn, dan vanwege een of andere tropische ziekte opgelopen tijdens een wereldreis. Ervaar ik kanker als De Hel omdat ik dat echt zo voel of omdat dat nu eenmaal de reputatie van kanker is, al helemaal voor wie het op jonge leeftijd krijgt?’ 

    Ze ervaart haar herstelperiode als eenzaam en vindt afleiding in het beoefenen van maatschappijkritiek. Haar conclusie is dat in de bijstand belanden evenmin iets met pech te maken heeft als kanker krijgen. Ze beschrijft haar angsten voor het terugkomen van de ziekte, de voor haar noodzakelijke illusie dat ze invloed kan uitoefenen op haar ziekteproces, de treurige keerzijde van mantelzorg en het belang van de wezenlijke vraag: hoe gaat het met je?

    Niet de bedoeling

    In het laatste essay Gods ruïne van Mieke van Zonneveld (1989) kijkt de schrijfster jaren later terug op de periode na de diagnose van acute leukemie die ze op haar eenentwintigste kreeg. De feiten kan ze feilloos opdreunen. De emotionele achtbaan waarin ze na de diagnose terechtkwam kan ze moeilijker reconstrueren, alhoewel ze in het ziekenhuisbed steun vindt in haar Bijbelvaste opvoeding. ‘Wat mij troostte was een gedachte die op het eerste gezicht niet troostend lijkt. Ik meende dat de dood niet alleen iets akeligs was, met name voor nabestaanden, maar ook iets verkeerds. Het feit dat iedereen sterft – de grootste zekerheid die we hebben – leek me even onomstotelijk als ongewenst. Het leek me niet de bedoeling, althans, oorspronkelijk niet. Het moest het gevolg zijn van een val in ongenade en nu liepen we allemaal rond in een verkeerd want sterfelijk lichaam als een herinnering aan die val.’ Ze gaat eerbied voelen voor haar lichaam, ook al verkeert het in een erbarmelijke toestand en is het vervallen tot een ruïne. Ook Van Zonneveld ervaart steun in de literatuur wanneer ze op zoek gaat naar het thema vreugde, in de Bijbel en in werken van Chesterton, C.S. Lewis en Dostojewski. 

    ‘We read to know we are not alone’. Dit bekende citaat, toegeschreven aan de Iers-Britse schrijver C.S. Lewis, is op veel boeken van toepassing, maar in het geval van Over ziek zijn biedt de quote een extra dimensie. Tijdens de eenzame ervaring die ziekte vaak is kun je namelijk, hoewel lezen een solitaire bezigheid is, toch in ‘gesprek’ blijven met anderen, verbindingen leggen en daarin vrijheid ervaren, zo blijkt uit de essays. Als er al een minpunt genoemd zou moeten worden van Over ziek zijn, dan zou het de geringe omvang van het boek kunnen zijn; het telt slechts een krappe tachtig bladzijden. Indachtig de voorkeur van Woolf om zich bij ziekte bij voorkeur niet te wagen aan de ‘veldtocht’ die een roman kan zijn hoeft de omvang echter geen nadeel te zijn. Het is zeer wel mogelijk dat lezers dezelfde afleiding en troost in dit werk zullen vinden die de verschillende schrijfsters van de essays op hun beurt ook gezocht en gevonden hebben in de literatuur.

     

  • Uitgummen

    Uitgummen

    Een interviewer wil weten wat het volgende boek is, wat de schrijver drijft en zo meer. De schrijver zegt, wacht maar af, ik weet het niet, we zien wel. Of zoals Jeroen Brouwers in het interview rond de uitreiking van de Libris Literatuurprijs zei, ‘Hier is mijn oeuvre en je moet het er maar mee doen’. Dan wil de interviewer weten, ‘Ja, maar een schrijver die wil toch schrijven, die heeft een innerlijke noodzaak?’ En de schrijver, de tachtig gepasseerd, zegt er ‘geen zin meer’ in te hebben, dat het ‘mooi geweest’ is. Dat die hele innerlijke noodzaak, die stuwende drijfkracht, tot rust is gekomen. Dat was de schrijver aan te zien. Je dacht altijd al, het is geen doen. Steeds weer een boek schrijven, al die drank die er toe leiden moet. En alles met de hand hè, met potlood, in schriftjes, op elke losliggende snipper papier. Ach, deze schrijver is een vakman. Die moet je niet vragen hoe hij het doet, waarom en waarvoor, die doet. 

    Nadat in 1981 Bezonken rood verschenen was, begon Brouwers aan De zondvloed te werken, het begon met aantekeningen (op losse blaadjes, in schriftjes, neem ik aan). In 1988 was het boek klaar, tussendoor schreef hij aan Winterlicht, dat in 1984 verscheen. Over de nadagen van een schrijver, Jacob Voorlandt. Op afstand deed Voorlandt me denken aan de oude schrijver Lonoff, uit Ghostwriter van Philip Roth. Het is wat je leest waartussen de verbindingen ontstaan. In 1983 schrijft Brouwers in Het is niets, dat zijn huwelijk op orde is. Wel wordt de schrijver gekweld door verlangens, als was hij een trillend schoolmeisje in vroegere dagen, ‘altijd, altijd ogenblikkelijk verliefd op iedere vrouw die toevallig mijn pad dwarst.’ En ja, als je eenmaal Brouwers leest, teruggaat in al die boeken, brievenboeken, zelfmoordboeken, dan spreekt een groots binnenhuis leven, gedreven door de wil te schrijven. Daarbij de drank, slapeloze nachten, verbroken relaties, en immer, immer dat smachten. Ook als het leven goed was, hunkerde hij.

    De zondvloed is zijn kernboek. Over de getergde schrijver, die zijn vrouw en kinderen verliet, door zijn nieuwe geliefde in de steek gelaten, trekt hij zich terug in een dennenbos. In een huis dat kraakt en piept, dozen vol jenever. Conversaties met de telefoon (geweldige passages). Lege flessen gooit hij uit het raam. ‘Om mij heen was die immense stilte van het bos dat allengs vol lege flessen kwam te liggen’. De schrijver denkt aan zijn verramsjte boeken, denkt aan de dood. Maar hij leeft, is zich de dingen scherp bewust, schrijft in schriftjes. ‘Er werd klaarblijkelijk nog iets van mij verwacht: – misschien moesten er in de toekomst toch nog dingen door mij worden geschreven die niemand anders dan ik zou kunnen schrijven, of willen schrijven, of kunnen schrijven…’.
    Die toekomst is bereikt, meer dan zestig boeken. Niet meer schrijven is een keuze. ‘
    Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit.’, schrijft Brouwers in de jaren tachtig. Nu is de schrijver klaar, dus hup, lezen, heel dat oeuvre. Dan spreken we verder.

     

     


    Inge Meijer reist met het OV, vergeet geregeld haar mondkapje, leest boeken uit.

     

  • Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zo moest het zijn: Jeroen Brouwers wint Libris Literatuur Prijs 2021

    Zes genomineerden, allen hadden ze een geweldig boek geschreven, elk van hen werd het gegund deze prestigieuze prijs te winnen. Maar het werd Jeroen Brouwers, belangrijk schrijver met een zeer omvangrijk oeuvre, hij won met het ‘onontkoombare, unieke, belangwekkende, buitengewone, fantastische boek’, Client E. Busken de Libris Literatuur Prijs. Het moest zo zijn, als een fantastische en waardige afsluiting van zijn schrijvers carrière. Brouwers zelf zei in een interview, voorafgaand aan de prijsuitreiking, ‘Ik ben met emeritaat.’ Of er ooit nog een nieuw boek komt is niet vanzelfsprekend meer. Het idee voor het winnende boek ontstond toen hij een oude vriendin in een verzorgingstehuis bezocht. De mate van gevangenschap die daar heerst, sprak hem aan, zoals hij vaker over gevangenschap schreef.

    De jury, bestaand uit Lilianne Ploumen (voorzitter), Judith Eiselin, Johan Fretz, Maarten Moll en Yves T’Sjoen, was lovend: ‘Brouwers zuigt je mee in dit verslavende taalcircus, een ware krachttoer, hilarisch en ontluisterend tegelijk. Cliënt E. Busken bewijst dat zelfs ogenschijnlijk maar voort wauwelen kan vlammen, zinderen en tergen. Deze unieke verkenning van wat een onbetrouwbare (of op zijn minst niet geheel te vertrouwen en te volgen, maar o zo dwingende) verteller vermag, vormt een schitterende toevoeging aan Brouwers’ rijke oeuvre.’

    Jeroen Brouwers (1940) schreef in meer dan een halve eeuw een imposant oeuvre bijeen dat romans, verhalen, essays, brieven en polemieken omvat. Zijn werk werd bekroond met vele prijzen, waaronder de Multatuliprijs, de F. Bordewijk-prijs, de Constantijn Huygens-prijs, de Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren en de ECI Literatuurprijs. In 2018 werd aan Brouwers door de Radbout Universiteit Nijmegen een eredoctoraat toegekend.

    Cliënt E. Busken beschrijft een dag van de man, E. Busken, die tegen zijn zin op de gesloten afdeling van een psychiatrische instelling verblijft. Hij spreekt niet, maar we lezen zijn gedachten mee, hoe hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar voorziet. Ongericht lopen zijn gedachten door elkaar. De eerste zin van Cliënt E. Busken: ‘…denk ik opeens aan mijn moeder. Ik denk nooit aan mijn moeder, die al decennia dood is.’

     

    Overige genomineerden waren:
    Confrontaties – Simone Atangana Bekono (Lebowski)
    Wij zijn licht Gerda Blees (Podium)
    De Saamhorigheidsgroep – Merijn de Boer (Querido)
    Cliënt E. Busken – Jeroen Brouwers (Atlas Contact)
    De onbevlekte – Erwin Mortier (De Bezige Bij)
    Mijn lieve gunsteling – Marieke Lucas Rijneveld (Atlas Contact)

     

     

  • Fijne boekenweek

    Fijne boekenweek

    De avond van het boekenbal zat ik op de bank met De verhalen van Andrej Platonov. De ochtend na het Boekenbal douchte ik de resten van een kleurspoeling uit mijn haar. Dacht aan de rode loper die ik op foto’s voorbij had zien komen, de toespraken, het dansen. Welke schrijvers er waren, en of Jeroen Brouwers daar eigenlijk wel eens komt, en A.L. Snijders, Vonne van der Meer, H.C. ten Berghe. Of raakt het boekenbal eens passé onder  schrijvers? Toen stelde ik me voor dat ik erbij was geweest. Het had gekund, elk jaar ontvangt Literair Nederland van de CPNB een persuitnodiging. Waarop steevast een week voor het bal begint een afwijzing volgt, vanwege teveel aanmeldingen. Gek genoeg nodigt de CPNB zijn persrelaties uit en geeft vervolgens een ‘non-accreditatie’. Maar dit jaar was anders. De uitnodiging was persoonlijker, (we zouden het fijn vinden), dat streelde de veren, deed denken aan nieuwe schoenen, een goede pen. Toch kwam daarna de mail: ‘Helaas moet ik je een teleurstellende mail sturen’, met een vonkje hoop, ‘Omdat we je er eigenlijk wel bij willen hebben sta je nog wel op de reservelijst…’

    Op de dag van het Boekenbal mailde ik nog of er misschien iemand van de perslijst was afgevallen. Maar ‘helaas’, geen afmeldingen, afgesloten met: ‘Heb een mooie boekenweek!’ Daar lichtte ik van op. Nooit wenste iemand mij een fijne boekenweek, alsof kerstmis aanstaande was. Ik mailde per omgaande, ‘Dank! Jullie ook!’
    Enigszins verlicht keerde ik terug tot de realiteit van de dag, ging verder met het lezen van Andrej Platonov. In een van de langere verhalen, ‘De verborgen mens’ heeft Foma Jegorytsj Poechov net zijn vrouw Glasja begraven. Poechov is een man zonder conventies, geen dweper. Alles geschiedt volgens hem volgens de wetten van de natuur, het is zo fijn beschreven: ‘Hij sneed op de grafkist van zijn vrouw een gekookte worst in stukjes, daar hij wegens afwezigheid van de vrouw des huizes uitgehongerd was.’ Als hij de volgende dag ontwaakt roept hij: ‘Glasja!’ Maar niemand reageert, zegt, ‘Wat is er, Fomoesjka?’

    ‘Daar had je ze dan, de wetten van de natuur’, dacht Poechov berouwvol: ‘Ik had groot onderhoud aan mijn oudje moeten plegen, dan had ze nog geleefd, maar er zijn geen middelen en de kost is niet best!’ Poechov werkt op een sneeuwschuiver die de rails op de Steppe van Rusland moet vrijhouden van sneeuw. Het is de tijd van de Russische revolutie en het is onmenselijk werk, er is honger, wodka, ongelukken. Aan de stationsmuren hangt de propagandatekst: ‘Wij arbeiders nemen boeken ter hand, / Leer, proletariër, vergroot je verstand!’. Nogal onbeholpen geschreven volgens Poechov, die er een vrolijke eigen mening op na houdt. ‘Je moet zo schrijven dat alle sukkels van de weeromstuit verstandig worden!’ Ja, dat was me nog eens een tijd.

    Oja, nog onder de douche kreeg ik na de ‘stel je voor’ gedachte een schok van realiteitszin. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, ik, naar het Boekenbal! Met die uitgroei in mijn haar, geen geschikt tasje of jasje, en hoe had ik in godsnaam weer thuis moeten komen?

     

     

    Verhalen / Andrej Platonov / vertaling en nawoord door Aai Prins / Uitgeverij Van Oorschot, 2019


    Inge Meijer is een pseudoniem, reist met het OV en ging niet naar het Boekenbal. 

  • Oogst week 8 – 2020

    Mijn konijn van vaderskant

    Het is altijd een plezier te vernemen dat er weer een boek van de Israëlische schrijver Etgar Keret (1967) naar het Nederlands vertaald is. Zijn nieuwste boek dat onlangs bij uitgeverij Podium verschenen is, heet Mijn konijn van vaderskant en wordt weer kenmerkend genoemd: warm, verrassend, origineel, fantasievol, geestig en onvoorstelbaar. In het titelverhaal bijvoorbeeld zien drie zusjes in een konijn hun net vertrokken vader, tot ongenoegen van de verdrietige moeder. Als het konijn wordt ondergebracht bij een jongen die in zíjn konijn eveneens een afwezige vader ziet, dan ga je je afvragen wat hier aan de hand is.
    Kerets personages worstelen met ouderschap en familie, oorlog en games, marihuana en pancakes, herinneringen en liefde.

    Het is een mooi initiatief van uitgeverij Podium om het werk van Keret die elders al wereldfaam geniet, ook voor de Nederlandse lezer toegankelijk te maken.

     

     

     

    Mijn konijn van vaderskant
    Auteur: Etgar Keret
    Uitgeverij: Podium Uitgeverij

    Gratie

    De Indiase schrijver Aravind Adiga (1974) is vooral bekend van zijn boek De witte tijger waarmee hij in 2008 de Man Booker Prijs won. Adiga werd geboren in Madras 1974, emigreerde naar Australië en studeerde daarna in New York en Oxford, woont nu in Bombay en werkt als journalist.

    Gratie is zijn nieuwe boek. Het gaat over Danny – (Dhananjaya Rajaratnam) – die gevlucht is uit Sri Lanka en illegaal in Sydney woont. Hij woont weinig comfortabel, werkt als schoonmaker, en is al drie jaar bezig een nieuwe identiteit voor zichzelf te creëren. Het normale leven ligt bijna binnen handbereik.
    Maar dan hoort hij dat een van zijn klanten is vermoord. Danny kende haar goed, en hij heeft een sterk vermoeden wie het gedaan heeft. Moet hij bekennen wat hij weet met het risico het land uitgezet te worden? Of moet hij zijn mond houden en rechtvaardigheid de rug toe keren? Terwijl de uren verstrijken, laat hij alles de revue passeren: het gewicht van zijn verleden, zijn toekomstdromen, en de onvoorspelbare, vaak absurde realiteit van een onzichtbaar leven zonder papieren. Danny moet diep in zijn geweten tasten om een antwoord te vinden. Heeft iemand zonder rechten wel verantwoordelijkheden?

    Gratie
    Auteur: Aravind Adiga
    Uitgeverij: Nieuw Amsterdam

    Cliënt E. Busken

    Het nieuwe boek van Jeroen Brouwers heet Cliënt E. Busken. Het beschrijft een dag van het verblijf van de hoofdpersoon in de psychiatrische instelling. Deze E. Busken zit hier tegen zijn zin. In een rolstoel op een gesloten afdeling, maar hij neemt nog scherp waar wat er om hem heen gebeurt, en inwendig voorziet hij zijn medebewoners en het personeel van commentaar.

    ‘[…] Het blijft wel droog, meent ze. Er is zon voorspeld. Hier beneden waait het niet. Staat hij op de rem? Dat controleert ze. Ja, met die dragonderstem, u staat geblokkeerd. Hetgeen klopt. Geblokkeerd, ik. Geblokkeerder dan de wielen van de rolstoel, die ze ergens achter me, waar ik niet bij kan, heeft vergrendeld. Die wielen gaan gewoon weer draaien als ze niet meer zijn geblokkeerd, ikzelf ben niet als die wielen, want ik kan niets meer, wat wil je ook. Alleen nog zitten en liggen. En waarnemen. Denken. Piekeren. Malen. Bedoelen. Kleuren zien die er niet zijn, althans door anderen niet worden gezien. Ze heeft me met een riem om mijn middel in de stoel gefixeerd, de metalen gesp op mijn navel is niet door mij te openen. Mijn woede daarover en mijn verzet worden met injecties en pillen platgekookt. Wat nog kan bewegen zijn mijn handen en onderarmen. Met mijn benen, mijn voeten, kon ik schoppen, tot die ook aan de stoel werden vastgeknoopt. Hebt u uw saffies? Aansteker? Fluitje zit hier in het linkerzakje van uw overhemd, meneer Busken. Als u voelt dat u moet, meteen blazen. Dat er weer geen ongelukjes gebeuren. Ik denk dat ze niet beseft dat ze schreeuwt. Haar fraaie verschijning is als die op dat schilderij, doch haar decibels verstoren mij. Ze kijkt naar me. Ja meneer Busken? U hoort me wel. Meneer Busken? Antwoord geven kan u ook best. Hier raakt ze mijn hoofd aan, bij mijn slaap, met haar gesloten slanke hand een duwtje bij mijn oor, niet hard, maar toch dat ik het voel, een lichtgevend stompje. […]’

     

     

    Cliënt E. Busken
    Auteur: Jeroen Brouwers
    Uitgeverij: Atlas Contact