• Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    Shortlist J.M.A. Biesheuvelprijs bekend

    De shortlist van de tweejaarlijkse J.M.A. Biesheuvelprijs (de prijs voor de beste verhalenbundel) is bekend. Uit veertig inzendingen werd een shortlist samengesteld van vier titels:

    Steff Geelen met De splitsingen, bij uitgeverij Wintertuin
    Julien Ignacio met Goudjakhals, bij uitgeverij Van Oorschot
    Sanneke van Hassel met Milde klachten, bij De Bezige Bij
    Jente Posthuma met Heks! Heks! Heks!, bij uitgeverij Pluim

    De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens de feestelijke uitreiking op 20 februari tijdens de Week van het Korte Verhaal. 

    De jury, die bestaat uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen laat weten dat ze overweldigd zijn door het ‘grote aantal kwalitatief sterke inzendingen’. En constateren dat het goed gaat met de verhalenbundel. Twee afvallers willen ze expliciet noemen. De heerlijke bundel Aloha van Machteld Siegmann om haar stilistische originaliteit en brille, en het aangrijpende Het net, de duif en de dood van Chaja Polak om haar geserreerde meesterschap.’ Het volledige juryrapport wordt gepubliceerd op de dag van de prijsuitreiking op de website van de J.M.A. Biesheuvelprijs.

    Het prijzengeld wordt volledig gewonnen uit een crowdfunding actie, deze loopt nog tot en met 17 februari.
    Doneren kan hier: https://www.voordekunst.nl/projecten/18239-jma-biesheuvelprijs-2025-1

     

     

  • Feminisme avant la lettre?

    Feminisme avant la lettre?

    Jente Posthuma studeerde Frans en Literatuurwetenschap en werkte als journalist voor onder andere De Groene Amsterdammer, NRC Next en De Volkskrant. Haar boek Waar ik liever niet aan denk uit 2020 kreeg lovende recensies. Posthuma kreeg de vraag om oude heksenverhalen uit Overijsselsche sagen uit 1914 te hertalen in modern Nederlands. Het werden er drie, nu gebundeld in dit boek, aangevuld met een essay waarin ze probeert verbindingen te leggen tussen hedendaags feminisme en de heksenvervolgingen in de Middeleeuwen en later.

    Wat is dat toch met heksen? Op het moment dat deze recensie geschreven wordt, legt Susan Smit, ook schrijver en zelfverklaard heks, bloemen op de Dam voor de slachtoffers van de heksenvervolging. Er wordt gepleit voor een nationaal monument. Twee dagen later verschijnt een artikel in de Volkskrant waarin staat dat heksenvervolgingen in Europa zeker aan 16.000 mensen het leven kostten. Het artikel bevat een tijdlijn, een kaart van Europa en een opsomming van de plaatsen in Nederland waar de meeste heksen werden geëxecuteerd. Schiedam, dat begin dit jaar een heksenmonument oprichtte, spant de kroon in Nederland, in Europa is Duitsland kampioen heksenverbranding.

    Stereotype

    Historici hangen twee verschillende theorieën aan over de vervolging van heksen. Een deel stelt dat heksen vaak werden aangewezen als zondebok voor onverklaarbare natuurverschijnselen, anderen beweren dat de kerk heksen verbrandde om ongelovigen te overtuigen, vooral op plekken waar de katholieke kerk botste met de protestantse. Heeft het met de tijdgeest te maken dat we onafhankelijke en sterke vrouwen eren?

    Hoe dan ook, Posthuma beweert in haar boek dat heksen het stereotype waren van zelfstandige vrouwen, of vrouwen die te lelijk, te oud, te knap, te verleidelijk waren. Ze schrijft ‘[…] Vrouwen die lazen. Vrouwen die niet wilden trouwen. Kinderloze vrouwen. Vrouwen die hard praatten. Vrouwen die genoten van seks. Vrouwen die erg aanwezig waren. Vrouwen die zich vaak terugtrokken. Vrouwen die zelden de mis bijwoonden. Vrouwen die altijd de mis bijwoonden. Vrouwen met een bleke huid. Vrouwen met een donkere huid. Vrouwen met veel moedervlekken. Vrouwen die hun intuïtie gebruikten. Vrouwen met een karakter.’ Oftewel: vrouwen voor wie mannen bang waren of die ze niet aan konden. Slimme, onafhankelijke, sterke vrouwen: mannen in de Middeleeuwen gruwden daarvan. Posthuma vindt dat heksen aan een vorm van herwaardering toe zijn. Het waren juist niet de vrouwen die de slechterik waren.

    Drie oude sagen

    De drie sagen die Posthuma in dit boek een moderne versie gaf, zijn ruim inwisselbaar voor allerlei andere verhalen over heksen, kobolden, witte wieven en wat je nog meer hebt. Waarom ze juist voor deze drie koos, is niet helder. Ze lijken willekeurig gekozen. Wat Posthuma ermee doet is ze een modern tintje geven. Heksen zijn vooral slachtoffer in de oude verhalen. Posthuma geeft ze een aantal kenmerken waardoor ze meer voor zichzelf opkomen dan in de oorspronkelijke versies. Mannen zijn de boosdoeners in de drie verhalen en zijn in deze bewerkingen uiteindelijk de onderliggende partij.

    Posthuma brengt een soort doorlopende lijn aan in de verhalen die oorspronkelijk los van elkaar staan. Ze laat daarmee als het ware een vorm van solidariteit ontstaan tussen de als heks aangemerkte vrouwen. En die solidariteit zou je weer kunnen zien als een pre-moderne versie van wat we nu feminisme noemen. De vrouwen worden gerehabiliteerd en dat is mooi, maar de draai die Posthuma eraan geeft, heeft weinig te maken met de oorspronkelijk moralistische lessen die de oude sagen aan de Middeleeuwer mee wilde geven. Van dat moralisme blijft in deze versies weinig over. Posthuma’s prettig leesbare taal sluit daar niet bij aan. Het wordt vaak gemaakt grappig. De verhalen zijn gemakkelijk en leuk om te lezen, en daarmee is er dan ook bijna alles over gezegd. De anekdotische waarde overstijgt niet de boodschap, mocht die er in zitten.

    Essay

    Het essay dat in dit boekje is opgenomen heet ‘Trut’, waarmee Posthuma verwijst naar een columnist en enkele deskundigen en wetenschappers met een mening over de berichten en theorieën die over heksen en heksenvervolgingen de ronde doen. Later nuanceert ze deze benaming overigens weer. ‘Wie ben ik om Elma Drayer een trut te noemen?’ In het essay probeert ze de lading die ze in de verhalen voorzichtig aanbrengt wat door te trekken: vrouwen moeten meer voor zichzelf opkomen, zijn nu nog te vaak slachtoffer en daar kunnen ze en moeten ze zelf wat aan doen: kom op voor jezelf! Ze windt zich, zeer terecht, op over hoe vrouwen sinds mensenheugenis zijn neergezet. Er worden verbindingen gelegd met emancipatie, feminisme en masculiene overheersing, maar wat ze nu eigenlijk wil zeggen over hoe het allemaal wel moet en hoe we daar een rol in kunnen en moeten spelen, is totaal niet duidelijk. Is dat wellicht de achtergrond van de hedendaagse heksenverering of heksenwaardering? Moet de moderne vrouw meer heks zijn? En wat dan met de man?

    In dit essay speelt Posthuma’s vader een rol, wellicht om er wat meer inhoud aan te geven. Hij probeert haar duidelijk te maken dat ze niet boos moet zijn. Over zichzelf zegt hij: ’Boosheid is misschien niet mijn meest voor de hand liggende emotie’, waarop zijn dochter zegt: ‘Wat goed.’ ‘Ja,’ antwoordt hij, ‘maar het is niet zo dat ik me nu ineens bevrijd voel, hoor.’
    Een essay heeft een doel nodig: wat wil ik als schrijver bereiken en duidelijk maken? Dat doel ontbreekt hier.

     

     

  • Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    Een raak verhaal over menselijk onvermogen

    ‘Was ik maar wat banger voor de dood en minder angstig voor het leven,’ schrijft Jente Posthuma (1974) over haar vroegere zelf in een stuk voor Trouw (februari 2021). Het zouden net zo goed de woorden van de zus in haar tweede roman Waar ik liever niet aan denk kunnen zijn, of die van haar tweelingbroer. Levensangst doet hen allebei vluchten, de zus door ongeremd te googelen, de broer door zich op een ‘doordeweekse dag’ al fietsend het diepste punt van een rivier in te storten. De zelfdoding van de broer is waar het in deze roman om draait. Alle observaties en anekdotes zijn verbonden met die ene, definitieve daad en de diepe eenzaamheid die dit bij de zus teweegbrengt.

    Het verhaal is opgebouwd uit een reeks korte, heldere stukjes die zich soepel van het heden naar het verleden bewegen en weer terug. Posthuma laat de zus terugblikken op het leven van haar broer, een jeugd getekend door onverschillige ouders en pesterijen op school die, zoals veel gebeurtenissen in deze roman, terloops worden benoemd. Een bevroren hondendrol op zijn schoolbankje hier, een uitgestrekt been dat hem doet struikelen daar. Broer en zus zijn voortdurend in competitie met elkaar om wie het meeste kan en wie het meeste weet. Meestal wint de broer en staat de zus in zijn schaduw, in alle opzichten. ‘Mijn broer was beweeglijker, praatte harder, had grotere driftbuien dan ik.’ Maar zoals vaker bij tweelingen, zijn ze ook bijzonder hecht. Samen bakken ze taarten, ontdekken ze dat ze op jongens vallen en spelen ze gevaarlijke ‘spelletjes’ als ‘waterboarden’ – een scène waar de roman veelzeggend mee opent. Ook smeden ze plannen voor hun toekomst, ‘alsof het een gezamenlijk knutselproject was dat we alleen nog maar hoefden uit te voeren.’

    Aantrekken en afstoten

    Op hun achttiende verhuizen ze samen naar de stad waar ze ieder een eigen etage betrekken, zij aan de westkant van een park, haar broer aan de oostkant. Slechts driehonderd meter liggen er tussen hen in en toch is dat voor de zus een hele wereld. Na een jeugd als outsider lijkt de broer zijn leven als jong volwassene met verve op te pakken. Hij studeert net als zijn zus Engels, wordt manager in een gaybar, krijgt een vriendenkring en gaat een eigen leven leiden. Op een gegeven moment wordt het park tussen hen een hele oceaan, wanneer zij naar New York en hij daarna naar Brazilië vertrekt en ze elkaar, tot groot verdriet van de zus, een jaar niet zien. De behoeften van broer en zus lopen nooit synchroon en zo wordt het van beide kanten een voortdurend aantrekken en afstoten. Dit wordt pijnlijk duidelijk in de toespraak die hij later, na zijn terugkomst, op haar bruiloft geeft. ‘Hij zei dat het goed voelde om me met Leo zo gelukkig te zien, maar dat hij zich wel een beetje zorgen maakte om zichzelf, hoe het hem zonder mij zou vergaan. Ze was er altijd, zei hij, ook als ik dat niet wilde. […] Hij vertelde over het enige jaar in ons leven dat we elkaar niet zagen […]. Hij was blij dat hij weer bij zijn zusje was, bij mij, want soms was ik wat veel, maar als ik er niet was dan was ik echt te weinig.’

    Nadat de broer een liefdesrelatie schijnbaar plotseling verbreekt, raakt hij in een diepe crisis en ontglipt hij de zus volledig – zij begrijpt hem niet en hij kan zijn behoeften niet duidelijk maken. Opvallend zijn zijn zorgen om hedendaagse kwesties: de ondergang van het milieu, het lot van dieren in de vleesindustrie, de ontbossing van het Amazonegebied. Ook zij kan er wat van. ‘Ik schaamde me voor de uren waarin ik mezelf verloor in het zoeken naar verhalen van Holocaustoverlevenden, voor de manier waarop ik het grote leed van anderen gebruikte om mijn kleine leed te verwerken. Om de Holocaust mocht ik huilen.’ Verwoede pogingen om haar broer te bereiken in zijn laatste dagen zijn tevergeefs, een menselijke worsteling waar de wereldliteratuur bol van staat. Na de dood van haar broer slaapt de zus steeds vaker aan de andere kant van het park, in de woning die hij altijd aanhield, waar ze zijn kleding draagt en aan zijn keukentafel zit. Je voelt haar ontreddering, haar eenzaamheid – maar ook die van haar man Leo, die machteloos moet toekijken hoe hij zijn vrouw verliest aan haar dode broer. 

    Wat ze mist moet ze erbij denken

    Alles benoemen wat mooi is aan deze roman is ondoenbaar. Posthuma heeft weinig woorden nodig om een gevoel of een sfeer op te roepen. Ze schrijft rake zinnen die schrijnende beelden oproepen. Aan uitweiden doet ze niet, aan plot evenmin. Ook naamloos zijn broer en zus levensecht en kruipt hun verhaal onder de huid. In veel opzichten doet het denken aan Verdriet is het ding met veren, het indrukwekkende debuut over rouw van Max Porter. Net als in die roman zit de kracht hem in de details of toevoegingen die het verhaal diepte geven, en lading. Vooral wanneer het gaat over de zus en haar kleine, allesoverheersende obsessies. Haar aftandse, tweedehands bank in een ‘verkeerde kleur geel’ bijvoorbeeld, of haar asymmetrische gelaatstrekken; wat ze in haar leven mist, moet ze erbij denken. ‘Soms bedekte ik een klein stukje van de bank met de juiste kleur geel uit het stalenboek en dan dacht ik de rest van de bank er in die kleur bij. Soms dacht ik mijn ogen op gelijke hoogte als ik in de spiegel keek. Of ik dacht mijn broer erbij, zoals hij vroeger naast mij stond als we onze tanden poetsten, hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne.’ Het zijn dit soort combinaties – de juiste kleur geel in één adem noemen met het gemis van de broer, gekoppeld aan details – ‘hij links en ik rechts, zijn gezicht net iets hoger dan het mijne’ – die de tekst tot leven brengen en de lezer rechtstreeks in het hart raken.

    In eerdergenoemd stuk voor Trouw schrijft Posthuma dat de verkoop van Waar ik liever niet aan denk nauwelijks op gang kwam door de coronacrisis. Hopelijk is daar ondertussen verandering in gekomen, want dit boek verdient een groot lezerspubliek. 

     

  • De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    De zomerboeken van Ingrid van der Graaf

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Ingrid van der Graaf neemt de volgende boeken mee:

    Merijn de Boer, De saamhorigheidsgroep
    Maxim Osipov, De wereld is niet stuk te krijgen
    Patrick Modiano, Een jeugd
    Walter J.C. Murray, Copsford
    Jente Posthuma, Waar ik liever niet aan denk
     

    Vanaf zijn verhalenbundel Nestvlieders heb ik alles van Merijn de Boer gelezen, alleen aan zijn vierde, zijn meest omvangrijke De saamhorigheidsgroep was ik nog niet toegekomen. De Boer hanteert een humor in zijn boeken die je niet vaak tegenkomt. Maxim Osipov wordt wel vergeleken met Tsjechov en Boelgakov, ook hij is arts en schrijft. Dertien verhalen met van die heerlijke Russische onderwerpen; ziekte, dood, verraad. Een jeugd van Patrick Modiano had ik al langer liggen, elke zin van deze schrijver is een verhaal op zich, dat wordt mooie zinnen lezen. Van Walter J.C. Murray had ik nog nooit gehoord, tot ik in het tweede boek van Raynor Winn las waarin veel natuurbeschrijvingen voorkomen, vermengd met de strijd om te overleven, dat zij gevraagd was een voorwoord bij een herdruk van Copsford (1948) te schrijven. Ook Winn trok zich terug op het platteland met haar man in een vervallen boerderij, net als Murray. Waar ik liever niet aan denk van Jente Posthuma gaat over een broer, zus relatie, de broer sterft. Dat interesseert mij bovenmate, broer, zus relaties in de literatuur.

     

    Lees hier meer van en over Ingrid van der Graaf

     

  • Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Smeulende en opvlammende taal in Revisor #18

    Niets dan proza en poëzie in de eerste editie van dit jaar van het halfjaarlijks tijdschrift Revisor. Eenvoudiger kan het niet en volgens het introducerende redactioneel door Daan Stoffelsen, wordt er eens niet met thema’s gewerkt of anderszins gekaderd. Zo blijft er voor de lezer ruimte om zelf zijn thema’s te ontdekken. Stoffelsen sluit af met: ‘(…), Revisor is geen gezelligheidsdier. De lucifers zijn opgebrand. Maar we bewaren ze, want de taal smeult na en vlamt weer op, 64 pagina’s lang.‘ Zie de cover met het leeggeschudde doosje afgebrande lucifers op mediterraan blauw; of die nog ooit zullen ontvlammen is de vraag.

    Het leven van een groepje outcasts in het verhaal ‘Leven’ van de Amerikaanse schrijver David Ray Pollock (zoek die naam op) (vertaling Luc de Rooy) is een kwijnende toestand. Een verhaal met een hooggespannen verhaallijn over outcasts die niets meer te eten en te roken hebben (voornaamste levensbehoeften). Bij de eerste twee regels weet je al dat vanuit niets een vuur kan ontvlammen: ‘Randy was alweer door zijn peuken heen, en hij trok het niet langer. Godverdomme niet een van hen had nog een baan; en nu was in het voorjaar ook nog moeder overleden en zat hij, de oudste, met verantwoordelijkheden opgezadeld die te hoog voor hem gegrepen waren, tering ja.
    Schrijnend en rauw, daar schijnt Pollock een patent op te hebben. Hij beschrijft de levens van mislukte zielen. Met trefzekere en krachtige stijl werpt hij het de lezer voor de voeten. Prachtig!

    De personages van Sanneke van Hassel, nu we het toch over patent hebben, hebben een uitzonderlijke voorkeur ‘voor dingen die niet gebeuren’. In het verhaal ‘Nederzettingen’ waarin een schrijfster met een archeoloog samenwerkt aan een boek, houdt de schrijfster bij alles wat ze doet rekening met de archeoloog, zonder echt deel uit te maken van zijn leven. Op elke moment van de dag maakt zij zich een voorstelling van wat hij aan het doen is. In de slotzinnen van het verhaal wordt de betekenis van deze non-relatie duidelijk: ‘We bestonden in wat we achterlieten. We bestonden in wat we verkozen niet te doen. We konden vrienden worden.’ Maar dat werden ze niet. En dat niet worden; dat wordt gekoesterd in het verhaal. Betoverend proza.

    ‘Ik ben de hond’ van Jente Posthuma, gaat over een kunstenares, die bezoek krijgt van de volwassen dochter van een overleden vriendin. De oude kunstenares heeft een weekend daarvoor open atelier gehouden; ze had tien cakes ingeslagen. Er waren tweehonderd mensen langs geweest, de cake bleef onaangeroerd. ‘Iedereen had het over het uitzicht, zei ze. Niemand zei iets over mijn aquarellen.’ Een verhaal met ongelukkige handelingen en verkeerd geplaatste opmerkingen, als waren ze zo uit de werkelijkheid van het dagelijkse leven opgetekend.

    ‘Wafelbakker’ is een bijdrage van Merijn de Boer die tegenwoordig vanuit New York zijn verhalen de wereld instuurt.
    Over Ole, die op een begrafenis van een oud collega is genodigd maar niet begrijpt waarom. De man in kwestie negeerde hem altijd en heeft hij in drie jaar niet meer gezien. Waarom werd hij uitgenodigd en mag hij ook nog in het huis van de overledene wonen? Een verhaal waarin personages op knappe wijze gespiegeld worden en langzaamaan elkaars gedaante aannemen, waardoor een verrassende apotheose volgt (in traditie van klassiekers in de wereldliteratuur). Zeer Boeriaans kunnen we zeggen.

    Vincent Merjenberg schreef het weergaloze verhaal ‘Het water’. Over een relatie waarin een groot verdriet gedeeld wordt om het verlies van een kind, en een bosmeer dat ontstaan is door een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. Merjenberg verstaat de kunst een verhaal te vertellen door juist niet alles te beschrijven. Met zinnen als, ‘Ik wist, kortom, van niets en zag alle veranderingen aan voor aarzelend terugkerend geluk.’ Een stevig verhaal waar je van moet bekomen als van een stevig maal.

    Verder verhalen van Jan van Mersbergen, Klaas Knooihuizen en Robin Kramer. Poëzie van Luca Hirsch, Runa Svetlikova, Simone Atangana Bekono en Marwin Vos.

    Mooie verhalen en gedichten van auteurs die eerdere publicaties op hun naam hebben staan. In die zin geen ‘echte’ debutant te bespeuren. Een tijdschrift die het niet om nieuwe oogst gaat, maar de verhouding tussen schrijver en lezer gaande houd terwijl de eerste werkt aan een nieuw boek en even van de radar is. Revisor houdt met niet eerder gepubliceerd werk de lezer en schrijver bij de les, opdat ze elkaar niet uit het oog verliezen.’